Lezen

Dag vriend Morgen........

Heel zachtjes roept hij mij. Hij roept al een tijdje en geeft niet op. Hij roept zo zacht dat je het bijna niet hoort. Hij is zó lief, zó geduldig en dat terwijl hij mij hard nodig heeft. Hij zit daar al een tijdje, rustig en verdekt opgesteld in zijn kuiltje. Hij is het gewend, hij zit daar al jaren heel geduldig. Ik heb hem namelijk al eerder verbannen. Hij is het gewend, hij kan daar overleven. Zo nu en dan hebben we contact, vooral de afgelopen maand. Dat bedenk ik me nu pas, achteraf. Ik communiceer onbewust met hem, ik vergeet hem regelmatig omdat ik niet teveel tijd aan hem wil besteden. Ik was hem bijna vergeten.  Weer roept hij zachtjes, ik hoor hem. De laatste paar dagen hebben we een intens contact. Hij is weer zó begripvol, lief, rustig. Het voelt fijn.   Vanmiddag toen ik probeerde mezelf aan te zetten om echt uit bed te komen, te douchen en mezelf aan te kleden hoorde ik hem weer. Niet zachtjes, maar helder en bewust. Hij heeft mij al zo vaak proberen te lokken naar zijn plekje en ik was al aardig op weg. Totdat ik een discussie met iemand had en zeer duidelijk vasthield aan mijn principes. Het was voor mij een situatie van herkenning, herkenning van hoe ik lang werd gemanipuleerd en hoe ik werd geleefd. Ik bleef standvastig en ontdekte dat ik luisterde naar mijn gevoel. Dat heeft lang geduurd! Ik wist echt niet hoe ik moest 'voelen' in bepaalde situaties. Hoe ik vanuit mijn gevoel een conclusie moest trekken en daarnaar handelen.   Weer riep hij mij, zeer overtuigend. Hij sprak mij liefdevol toe.  'Er is veel gebeurd de afgelopen dagen. Doe maar rustig aan, niets moet. Vandaag niet douchen en aankleden? Geen zin om te koken? Stofzuigen of andere klusjes? Hoeft niet, niets moet! Denk aan jezelf, doe rustig aan,  blijf lekker thuis, blijf lekker in je bed'. Ik nam mezelf voor, omdat het toch een koude, winderige.regenachtige, sombere zondag is, dat het vandaag nog wel mocht. Morgen weer een nieuwe dag. Morgen kom ik in actie. Morgen.... Morgen is morgen. Morgen denk ik al een tijdje, morgen. Welke dag is morgen?   Hij roept weer zachtjes, lief en rustig en zegt, 'neem je tijd, niets verplicht, doe zoals het je uitkomt'. Normaal is dit niets voor mij, ik kan slecht stilzitten, slecht niets doen, ik heb weinig geduld en zorg over het algemeen goed voor mezelf. In eerste instantie vond ik zijn aandacht voor mij erg prettig. Hij probeerde mij mijn rust te laten vinden. Maar wacht even, er is een grens, een grens aangegeven door mijn gevoel en verstand. Ik voelde de grens en werd mij bewust van mijn vriend zijn slechte intenties.   Mijn hele lieve, rustige, fluisterende, begripvolle vriend is niet zoals hij zich voordoet. Hij doet aardig en begripvol, hij wil dat ik dichterbij kom. Hij wil mij een hand geven en mij meenemen zodat hij niet meer eenzaam is. Of hij wil eruit en mij er tegelijkertijd intrekken. Ik had hem een tijd geleden de deur gewezen en uit mijn geheugen gewist. Bijna ben ik voor hem door mijn knieën gegaan. Bijna, want ik herkende hem! Ik probeer hem met al mijn kracht te negeren met oprechte hulp van echte vrienden. Ik ben opgestaan uit bed, lekker fris gedoucht, aangekleed en naar buiten gegaan. Ik kies zelf mijn vrienden en deze vriend wijs ik weer de deur,   Dag 'vriend',   Dag depressie.

Raba Tower
3 0

De zolderkamer

De zolderkamer.   Ooit een toevluchtsoord voor Barbie en Ken, cowboys en indianen, treinsporen en racebanen. Tiny, Harry Potter en Blinker verdrongen naar de hoogste plank van de boekenkast. Winny de Poeh en babysmurf, eens trouwe pyjamabeschermers, liggen weggemoffeld in de kast. Een deuk in de muur, een kras op de vloer en enkele tandafdrukken op de houten trapleuning getuigen van een woelig verleden. De kinderen werden groot, gingen op kot studeren en bleven uiteindelijk in hun studentenstad plakken. Ze kwamen niet meer terug. De kamer lag er eenzaam bij, kreunend onder de stilte en het gemis van kinderstemmen. Tot ik er mijn schrijfplek van maakte. Op zaterdagmorgen trek ik naar boven. Naar mijn nieuw ingericht domein. Om te schrijven, mijn fantasie de vrije loop te laten. Een zoektocht, via blad en papier, naar verlossing van mijn frustraties en ergernis. Correctie, ik probeer creatief te zijn. Gebrek aan Inspiratie? Laptop die weigert op te starten? Stomp potlood? Nee, gewoonweg een tekort aan doorzettingsvermogen. Ik heb geen wil, geen karakter. Mij ontbreekt het simpelweg aan moed. De durf om de volle wasmand te laten staan, de vuile ramen te negeren en de lege koelkast te trotseren. Urenlang ben ik in de weer met het huishouden en de boodschappen. Om dan, midden in de namiddag, eindelijk naar boven te trekken.           Boos. Boos op mezelf. Zoveel verhalen in mijn hoofd, zoveel ervaringen te delen. Het plot is uitgewerkt en het schema neergepend. Maar er komt geen letter op papier. Ik blokkeer. Wis hier een woord, daar een komma. Een synoniem wordt opgezocht, de betekenis van een woord nagekeken. Iedere alinea wordt herlezen, gemerkt en gewist. Niet tevreden. Morgen herbeginnen. Maar dan is er terug de was en de plas, die lege koelkast en de vuile ramen.

Chantal Pauwels
0 1

Mijn zonnehoed

                                               Mijn zonnehoed Elegant hangt mijn zonnehoed aan het rekje in de slaapkamer. Ze vervult haar taak als blikvanger met flair. Niet schreeuwerig, maar eerder subtiel met haar licht oker kleur, hier en daar onderbroken door enkele groene accenten. Een breed, kakigroen lint, achteraan geknoopt in een elegante strik, accentueert haar rieten structuur. De uiteinden van het lint hangen nonchalant over haar rand. Een tweede groen, smal lint, met de precisie van een Zwitsers horloge gestikt aan haar buitenste boord. Niet uitrafelend, zoals die bontgekleurde hoeden, maar een elegant smalle boord, net breed genoeg om het gezicht en haardos te beschermen tegen de felste zon. Ze straalt klasse uit, mijn zonnehoed. Niet opzichtig, trekt geen aandacht maar weet toch te charmeren. Ik herinner me de dag dat ik haar kocht nog als vandaag. Vier jaar geleden, vijf vriendinnen samen op reis naar het zonnige Zuiden. We genoten van de Provence, de zon en de vakantiesfeer. Op dinsdag gingen we shoppen. We pasten de mooiste kleedjes, kozen schoenen met uitdagende stilettohakken, kochten souvenirs en charmeerden mooie mannen met onze ‘Bonjour’. Rond de middag passeerden we een hoedenkraam. We probeerden enkele modellen uit, showden deze voor elkaar, lieten ons de commentaren van toevallige voorbijgangers en enkele toeristen welgevallen. De uitbater speelde het spel gretig mee. Wat als grap bedoeld was, werd ernst. Voor we het beseften, waren we hoeden aan het kopen. Mijn ene vriendin koos voor een rode, uitdagende sexy, de andere voor een koddig, klein hoedje. Besluiteloos stond ik in het rond te gapen. De uitgestalde hoofddeksels waren allemaal even mooi. Een zachte tik op mijn schouder, een oudere man keek me lachend aan. ‘Deze!’ Hij wees naar de elegante hoed met groen lint. ‘Deze zal goed bij u passen mevrouw.’ Sinds die dag reist ze met me mee naar zonnige oorden.

Chantal Pauwels
3 0

Verwondering

Het lijkt alsof in het huis van oude mensen de tijd blijft stilstaan, zorgvuldig bewaard in weckpotten met rubberen elastiek. ‘Die moeten er ook uit.’ De weckpotten wordt dan bedoeld, uit het huizeke van Oma. Sinds mensen frigo’s hebben staan zulke dingen stof te vergaren.                                        Stof dat onder mijn en m’n vaders schoenen vastklemde, om zich nadien kamikazegewijs af te werpen beneden in de hal. ‘Godverdomme’ riep José, mijn oma. ‘Oei, ik mag eigenlijk niet vloeken, maar dat flapt er tegenwoordig vaker uit’.   Ik durfde te wedden dat ze geloofde, dat in de keuken het beeldeke aant kruis net iets schever keek. Doch, we konden dit niet controleren. Bovendien stond zijn kop sowieso een pittig bitteke scheef… in zwierige contraposthouding van je: ‘Whippie, ik hang vastgenageld!’ .   Dus, de weckpotten. Ik stond er nog steeds mee in m’n pollen. Soms verlies ik mijn concentratie, en vind die dan verdeeld terug in de verste hoeken des kamers. Paar minuten later zat de koffer van de auto goed vol, met nog andere stofvergaarders uit de zolder.   Het werd tijd om de hond eens buiten te laten, mijn uitrdukking voor naar ’t wc. Of was het de uitdrukking van mijn kameraad David? Hij zal het zowiezo ook wel van iemand gejapt hebben, dus is het van iedereen. Ik vond het gewoon een tè geniale uitdrukking om in dit verhaal links te laten liggen. Je hebt op deze manier immers niets te verduidelijken over het tijdsbestek van je toiletbezoek. Een stijlvollere gelijkenis bestaat niet, of moet nog uitgevonden worden… met veel denkwerk.   Nu zult ge dit misschien onnodig en vulgair vinden en protesteren: ‘zoiets zeg je toch niet in een tekst? Nog nooit voorgekomen, de idioten van dada erbuiten gelaten. En dan prik jij hèt taboe, hèt maagdevlies van de serieuze literatuur nodeloos lek? Barbaar!’   Ik zal dan zenuwachtig met schuifelend rode kaken van repliek dienen: ‘Wel ja, maar niet nodeloos…’   Toen de hond terug binnen was, en ik in de spiegel keek tijdens het handenwassen, merkte ik iets eigenaardig op. ‘Waar blijft die snor?’ Het is zo lang geleden dat ik hem had gezien, als een broer die lang op reis was. 2,5 week. Een tijd terug groeide m’n halfslachtige gezichtsbeharing nog als kool.   Misschien kwam het door het huis, omwille van de reden die ik in het begin van het verhaal vermeldde. Mogelijks kroop een walm mijn neus in- nog steeds hetzelfde merk zeep-… van pannekoeken eten op de keuketafel, bedekt met een kleed van alle ridderorden in Malta. Daardoor staakten de poriën hun werk in m’n verjongde huid. Of komt het door de winter, en groeit haar gelijk jaarringen in nen boom? Jep, we hebben em, natuurlijk is het gene vette… kijk wat een schijtweer in België. Dan liever naar Malta, of ergens anders waar het warm is.   Wanneer is een verhaal klaar? Moeilijk te zeggen… sommige schrijvers laten hun vrouw dan ‘enz. enz.’ op hun laatste blad kliederen. Schuilt ergens nog wel een waarheid achter: Het leven kronkelt zich verder. Schrijvers kappen het verhaal af op het moment dat het oninteressant wordt. Maar dat ga ik dus allemaal niet doen. Ik presenteer u het met de lach van een trots babysmoeleke. Strik er rond en c’est ca.

Smaed
5 0

Misschien

In onze straat, een onverharde zandweg, woonde geen chic volk, tenminste als je geen rekening hield met meneer de notaris, die net op de hoek van de steenweg naar Diest woonde. Hij deed zich echter niet poepchic voor. Zeker niet als hij zich als jager had gekleed om in de naburige bossen op konijnen te gaan schieten. Andere dieren waarop hij zijn geweer had kunnen richten zou ik niet kunnen opnoemen, want die waren er niet. Niet in deze bossen. Neen, want die kende ik door en door en buiten mijzelf, ook alle buurjongens en sommige meisjes. Niet die meisjes waarmee ik "doktertje" speelde, maar eerder de meisjes die van geen kleintje vervaard waren, zoals mijn jongste zus Paula. Zij was een kwajongen eerste klas. Haar vriendinnetje van om de hoek, Christiane, die in het huis met het strooien dak woonde, zou ik niet onder deze categorie kunnen rekenen en ook Jenny niet, ons naaste buurmeisje. Die luisterde liever naar de vijfenveertigtoerenplaatjes van Cliff Richard in plaats van te ravotten in onze bossen. Toen ze wat later een jongeman tegenkwam, die met een vuurrode Zündapp reed, kwam er van hossebossen in onze bossen helemaal niets meer in huis. Toen ze later trouwde met haar bromfietsvriend gingen beiden, net als Cliff met zijn Shadows, met vakantie, en beleefden hun ‘Summer Holiday’.   Samen met mijn vriendjes, broertjes Hubert en Marcel, ging ik elke zomer Christiane’s vader helpen. Hij slaagde elk jaar erin om een stapel grof gekliefde boomstammen, die per toeval van een camion waren gevallen, te bemachtigen. Met zijn cirkelzaag, en het daarbij horende zinderend geluid, maakte hij er hanteerbare blokjes van die zo’n veertig centimeter lang waren en die we in een kruiwagen tot onder een afdakje reden, om ze daar vakkundig te stapelen. Zijn familie zou geen kou lijden tijdens de winter die daarop zou volgen, maar hij stookte zijn vergaarde houtbuit in zijn grote open haard met zulk een passie dat het plafond in de living weliswaar niet zwart, maar toch minstens lichtgrijs geblakerd eruit begon te zien. Mijn volgende vakantiejob bij mijn buren bestond erin hun plafond grondig af te wassen. Alzo geraakte mijn spaarpotje langzamerhand vol, zodat ik een volgende aankoop van mijn Märklinspoorbaan kon overwegen. Zou ik gaan voor een nieuwe wagon, een andere locomotief, een extra stel sporen of wisselaars of een spoorovergang met slagbomen en stoplicht?   Van alle bossen was ons kleine bosje, op een steenworp van thuis - tenminste als je ver kon gooien - of laat ons zeggen, op een boogscheut van ons ouderhuis - want met een boog kan je verder schieten - onze tweede biotoop. Haast elke dag gingen we er naartoe. Om te spelen, om te klimmen in de reuzengrote eiken, die we zelfs namen hadden gegeven zoals ‘De Witte’ of ‘Sinterklaas’, om forten te bouwen, om Zorro te spelen en later om ons pakje sigaretten, die Hubert, Marcel en ik ergens onder de grond verstopt hadden, op te graven en al hoestend, op te roken. Meestal waren het Belga sigaretten, maar soms ook Tigra, want dat was wel een schoon madam die op dat pakje afgebeeld stond.In het andere bos, dat veel grotere, zaten we ook regelmatig, want daar hadden we een crossfietsomloop aangelegd. Hier speelden we ook cowboy en indiaan of we waren kruisvaarders die ten strijde trokken tegen de Saracenen. We maakten dan zelf onze bogen, pijlen, zwaarden, blaaspijpen en katapulten. De draaibank van mijn vader werd  tijdens de grote vakantiedagen bijna dagelijks gebruikt. Naast dit grote bos woonde René, een leeftijdsgenoot van mijn oudere broers. Wij hadden ontzag voor hem, want hij durfde levende regenwormen opeten. Ons kleine bosje is gelukkig altijd bewaard gebleven, maar het grote moest eraan geloven toen het Belgische leger er een ganse woonwijk voor zijn beroepsmilitairen neerpootte.   Maar mijn verhaal handelde over chic volk. De notaris was het dus niet - alhoewel heden ten dage iemand in jagersoutfit snel als zodanig zou bestempeld worden. Maar halverwege onze straat, schuin tegenover ons huis, woonde wel chic volk. Het is te zeggen, het waren voor zover ik kon vermoeden rijke mensen met een mooie auto en met een dochter die zowat het midden hield tussen Audrey Hepburn en Shirley Jones, als dat tenminste een belletje bij u laat rinkelen. Vele malen kan en zal ik hen niet gezien hebben, want zij bewoonden dit huis zelf niet. Zij verhuurden de prachtige witte villa met dito tuin en alles erop en eraan, aan buitenlandse gezinnen waarvan de man tijdelijk in het Atoomcentrum van Mol kwam werken. Eerst waren er Duitsers aan de beurt. Ze kwamen uit Leipzig. Mevrouw had altijd last van ‘Sehnsucht und Heimweh’ naar haar geboorteland. Destijds werden er op de Belgische radio vele Duitse liedjes in de ether gestuurd en als Freddy Quinn begon te zingen kwamen de waterlanders al vlug in haar ogen te staan: 'So schön, schön war die Zeit'.   Nog wat later kwamen er Fransen wonen met hun dochtertje Joëlle maar daarna waren er weer Duitsers aan de beurt. Zij hadden een zoon Hans en een dochter - nee, niet Grietje, maar - Gisèle. Op haar werd ik verliefd, zeker toen ik met haar danste  tijdens het communiefeestje van buurjongen Robert. Hij zag met lede ogen aan dat ik er met haar vandoor ging … al dansend. Haar broer was iets ouder dan ik en vooral sterker. Toen we op het grasplein achter ons kleine bosje weer riddertje aan het spelen waren, dreef hij mij achteruit (de Duitsers waren weer aan het winnen) en ik zag de niet-figuurlijke valkuil niet die mij met gapende mond opslokte. Een even gapende wond hield ik eraan over want ik viel met mijn rechterdij in een afgebroken fles. Eerst kwam er een wit vlies te voorschijn, daarna begon de snee te bloeden en totaal verschrikt en huilend van de pijn moest ik mij een weg door mijn geliefde bosje banen. Gelukkig was mijn zus Godelieve thuis en zij waste de wond uit en deed er een verband over. Naar dokters werd er toen niet gegaan of het moest wel heel penibel zijn. Het zou niet het enige litteken zijn dat ik tijdens mijn jeugd verzamelde, maar het was wel het grootste en het mooiste. Ik heb er ooit veel mee "gestoeft".   En na de Duitsers, kwamen de Amerikanen. De blanke ouders konden zelf geen kinderen krijgen, dus hadden ze een jongetje geadopteerd. En niet zomaar een jongetje. Een echt zwartje - toen mocht je dat nog zeggen en schrijven - met kroezelhaar en vinnige donkere ogen. Vijf jaar was hij en hij heette Bruce Robinson. Ik vond het een machtige, prachtige naam. Zelf was ik ondertussen twaalf geworden en ging voor de eerste maal naar de humaniora. Dus moest ik nog een jaartje wachten alvorens ik Engels zou leren. Maar toen reeds, door toedoen van enkele Amerikaanse feuilletons op televisie, zoals Bonanza, Vader weet het beter en Dennis the Menace, begon ik al wat Engels te brabbelen. Op een zaterdagmiddag stond Brucie eens aan de achterdeur. Ik moest nog eten. Ik deed de plastieken lintjes van het vliegengordijn weg en keek in zijn grote vragende ogen. ‘Do you wanna play with me?’ vroeg hij. Ik haalde mijn bovenstebeste Engels boven en antwoordde: ‘Ferhaps, I come in the afternoon’. Hij bekeek me even als een smekend hondje met gebogen hoofdje en stoof weg. Het duurde een tijdje eer ik het woord, dat ‘misschien’ betekent in het Engels, nog eens tegenkwam en toen zag ik mijn fout in. Ik had gezegd ‘ferhaps’ in plaats van ‘perhaps’. Had hij me daarom een beetje raar bekeken?Toen een jaar later op school onze leraar vroeg: 'Wie kan "misschien" in het Engels vertalen?', was ik de eerste die mijn vinger opstak. ‘Perhaps’ misschien?

Marc M. Aerts
0 0

Verliefd op Suzanne

  November 1959.   Zaterdagmiddag. Over twee maandjes zal ik acht worden.   Twee grote pannen staan midden op de keukentafel. We zitten met zijn achten te smikkelen van het spek, dat zo-even nog aan het pruttelen was op de Leuvense stoof. Zoals altijd is deze lekkernij vergezeld van verse appelmoes die, nog nadampend, uitgeschept wordt uit een kasserole waarin de stoofappels, pas gekocht op de wekelijkse markt, bereid zijn. We leggen de dikke sneden roggebrood van onze favoriete bakker in het vet en de smurrie druppelt op de toile cirée tussen pan en bord. Wat is ons moeder toch een keukenprinses!   Paul Anka, een jonge Canadese zanger, heeft zopas zijn zoveelste hit te pakken en zijn ‘Put your head on my shoulder’ klinkt op de radio. Tussen twee happen door zing ik mee:“Leg je hoofd op mijn schouder …”“Wat is dat?” zegt Albert, de oudste van mijn aanwezige broers, “sinds wanneer verstaat gij Engels?”Hij weet blijkbaar niet dat ook de Vlaamse Brusselaar Ray Franky de Nederlandstalige versie op vynil heeft opgenomen. Ik hou me voor onnozel - daar heb ik geen moeite mee - en doe alsof ik de Angelsaksische taal al machtig ben.   Na dit koninklijke eten ga ik als naar gewoonte spelen bij mijn vriendjes, de twee gebroers Onraedt. Zij wonen met hun ouders, twee broers en twee zussen twee huizen verderop. Met Hubert en Marcel speel ik het meest. Ik doe dat minder met het buurjongetje aan de andere kant. Die kan bijwijlen zo onuitstaanbaar zijn dat ik hem, zoals afgelopen zomer gebeurd is, in het hospitaal zou willen slaan. Niet dat ik toen in ons speelbos zo hard toesloeg, maar hij viel wat ongelukkig in een kapotte fles met opstaande vlijmscherpe rand en moest bloedend als een rund afgevoerd worden. Het rund. Pech voor hem. Het was zeker een straf van bovenaf voor zijn voortdurende ambetantigheid. Maar ik moest de kerk in het midden houden met Robert, want zijn ouders hadden een televisietoestel en bij ons thuis hadden we dat nog niet en ik ging toch graag op woensdagnamiddag bij hen naar Nonkel Bob kijken. Dus dat in het ziekenhuis kloppen, daar moest ik in het vervolg toch mee oppassen.   Maar ik ga dus spelen bij Hubert en Marcel. De een is net iets ouder, de ander net iets jonger dan ik. Hun jongste zus Christiane is even oud als ik. Soms speel ik doktertje met haar. Af en toe ook met Wies, het andere buurmeisje, dat tussen ons twee in woont. Ze hebben altijd veel last van appendicitis. Zeggen ze. Of soms van pijn aan de binnenzijde van hun dijen. Hun lies bedoelen ze, maar dat woord kenden ze toen nog niet.  Zoals je ziet, altijd last met de vrouwen, zelfs al zijn ze slechts zeven, acht jaar.   Ik ga langs de achterdeur de keuken van huize Onraedt binnen. Niemand te zien. Dus klop ik op de volgende deur en doe deze open. Ik zeg goeiedag tegen alle aanwezigen en baan mij een weg door het rookgordijn tot aan tafel waar Hubert en Marcel aan het kaarten zijn. Pa en ma Onraedt zitten ieder in hun oude clubzetels bij de kachel en ze zijn elk aan hun tweede pakje Groene Michel zonder filter van die dag begonnen. Maar wie maakt daar een punt van in 1959? Koolputter Onraedt zou ziek worden moest hij gezonde lucht inademen.   Op de radio wordt, zoals elke zaterdag tussen halftwee en twee, de top-10 uitgezonden. Nummer 3 is aan de beurt: Fabian zingt ‘Tiger’. “Allez Marc, zing eens mee” vraagt Suzanne, de oudste van de zussen. Aan haar kan ik niets weigeren.Een jaar eerder heb ik mijn familie al versteld zien staan door mijn interpretatie van ‘Buena sera signorina’ na het eetfestijn ter ere van mijn eerste communiefeest. Suzanne had ervan gehoord en daarom vraagt ze mij deze keer voor een privé-optreden. Ik neem mijn zangerspose aan en doe mee:“Like a tiger, ooh, ooh, ooh, like a tigerOoh, ooh, ooh, just to see you smile nearly drives me wildI wanna growl wow”.Ik zing als een rockzanger en brul als een tijger. Het lijkt wel echt zoals ik optreed tussen de tabaksdampen.Ze krijgt er zelfs twee bisnummers bij want de daarop volgende liedjes, plaatsen twee en één op de hitparade, kan ik ook meezingen: ‘Personality’ van Lloyd Price en ‘Marina’ van Rocco Granata moeten er ook aan geloven.Suzanne vindt het fantastisch en mijn speelkameraadjes kijken mij verwonderd aan. Ik begrijp ongeveer wat ik zing en mijn namaak-Engels en Italiaans kunnen er ook mee door. Maar deze gave is niet weggelegd voor Suzanne’s broertjes. Op sommige gebieden, met de nadruk op sommige, ben ik een haantje-de-voorste, en zeker als het muziek betreft en het imiteren van zangers of zangeressen. Ik heb, omwille van mijn sopranostemmetje, voor komende maand zelfs de Mariarol toebedeeld gekregen in het kerstspel op school. Was ik al eerder verliefd op Suzanne of was het sinds die dag, dat ze zoveel belangstelling voor mij toonde? Ik weet het niet zeker. Maar kon dat wel, verliefd zijn? Suzanne was tien jaar ouder dan ik. Een liefde die niet kon zijn. Zeker niet toen haar latere echtgenoot op de proppen kwam. Van toen af aan moest ik mijn liefdespijlen op een ander meisje richten.

Marc M. Aerts
5 0

Waar leggen we het nu

Afronden. We moeten het afronden. “Als het moet, dan moet het”. Wacht even. Ik vraag me af waarom het moet? Want ze zeggen toch evengoed “Alles mag, niets moet?” Wat klinkt het luidst? Wat echoot, wie fluistert, wie voegt werkelijk iets toe aan de stilte, wie zwijgt? Bon, mijn vragen spartelen tegen en tegenspartelen gaat steeds slechts voor even. Uiteindelijk is het altijd voor ieder een kwestie van accepteren. We moeten dus stillekes afronden.   Nog een vraag. Het komt niet voort uit uitstelgedrag, ik wil het echt graag weten: wat is dat dan, afronden? En hoe doe je dat met iets piekerig, iets dat zich niet laat vangen, dat gloeit, dat waait in de wind en danst op muziek. Kneed ik het het best samen? Het prikt een beetje. En prop ik het zo binnen de lijnen van een cirkel? Ik probeer het eens.   Ik geraak stilaan buiten het afgeronde geheel. Als voorbij een hek waaraan ik mijn kleren scheurde. En ik hoor het nog woelen achter mij. Ik wil dat het stilt. Ik wil dat alles zou kunnen stillen. En dan weer na een tijdje zijn eigen geluid aanneemt. Maar vanaf dan ook steeds weer kan stillen. Als iemand wil dat het stilt.   Zo, het zit er in, in de cirkel. Het is er in gepropt en opgeborgen. Zou het daar nu veilig zitten? Daarbinnen blijft het nog bestaan. En woekeren. Dat kan niet de bedoeling zijn. Tenzij het na een tijdje stilt, want iemand wil dat het stilt. Bovendien, waar leggen we het nu. Deze cirkel is slechts schijnbaar rond, er zullen nog vragen komen.   Het zou moeten kunnen doven als een smeulend vuurtje – want het is waar dat het warmte gaf. Neen, want dat het als as uiteen valt, dat wil ik niet. Dat het vervliegt en verdampt, evenmin. Weg is zo... weg. Het zijn geen stappen waarop je kan terugkomen. De theepot 'Himalaya' die we leegdronken, kunnen we er toch ook niet terug uitgieten.   Weet je wat het mag van mij? Het mag zoals een zonsondergang gaan. Mee met de zon onder gaan. En wanneer de zon terug opkomt, zal het er deel van geworden zijn. Want het is waar dat het straalde. En het werpt vanaf nu mee een nieuw licht op de te komen nieuwe dagen.

Jill Marchant
0 0
Tip

Wie zijt gij?

Hé!Gij daar.Ja gij. Denkt gij daar soms over na, over wie ge nu echt zijt?Over wat ge echt wilt?Of ge op mannen valt, of op vrouwen, of op dieren? Of misschien op niks? Wéét gij dat? Weet gij dat écht?   Ik denk daar dikwijls over na.Over wie ik nu echt ben, over waarom en en hoe.Over wat mijn persoonlijkheid definieert.En wat dat eigenlijk is, mijn ‘persoonlijkheid’.Een schoon woord is’t alleszins niet.   Dat klinkt misschien wel heel evident allemaal.Misschien hoort ge dat allemaal al wel te weten als ge vijf zijt.Maar ik vind dat serieus moeilijke vragen.   Soms knijp ik heel erg hard mijn ogen dicht en maak ik een opsomming van wat ik wel en niet leuk vind.Misschien dat ‘t u dan wel ineens te binnen schiet, wie ge eigenlijk zijt.Snapt ge?   Ik doe het effe voor.Ogen dicht. Héél erg dicht. Knijpen tot ge niet meer kunt.En denken dat ge helemaal in het topje van een vuurtoren zit.   Klaar?   Ik hou van slapen in frisse lakens, helemaal in’t wit. Ik hou waanzinnig van van kaas, echt van elke kaas die er maar is gemaakt. Ik hou van boeken. Zowel van de geur als van ze kunnen lezen. Ze verzamelen. Ik hou ervan mijn kat te kunnen roepen met alleen mijn ogen. Van Sanseveria’s. Van vossen. Van slimmer worden, alhoewel ik niet het gevoel heb dat dat nog gebeurd. Van ouderwetse gloeilampen – van lang in bad gaan – van de soundtrack van ‘Into the Wild’, nee van de hele film eigenlijk – van die kleine cinema waar ge met uw glaasje rood binnen moogt en waar ze altijd goeie films spelen. Ik hou van lang en ver op reis gaan, maar tegelijkertijd ook weer niet want dan ga ik mij schuldig voelen omdat ergens aan de andere kant van de wereld iemand leeft die veel meer capaciteiten heeft en een veel beter mens is, en toch veel minder kansen heeft gekregen dan ik.   Ik hou niet van snotterige eieren – mensen die vragen hoe het met u is om zo toch maar over zichzelf te kunnen beginnen – van mijn eigen sociale ongemakkelijkheid – sabayon (iedereen vindt dat hét van hét, maar ik begrijp er niks van) – onrechtvaardigheid. Ik hou niet van bang zijn van inbrekers – van ‘s nachts niet kunnen slapen – van nadenken over de toekomst van deze wereld – van de eisen die ik mezelf soms opleg – van het getal elf – van niet weten waar ik nu eigenlijk goed in ben en waar niet – van films in zwart-wit – van de geur van narcissen. Ik wordt daar misselijk van.   Voila.En als ge al die puntjes aan elkaar verbindt, dan weet ge weer een klein beetje meer van wie ge zijt.   Nu is’t aan u. Doet u ogen maar toe.  

Annelies Leysen
64 1

1954

1954   Over heel de wereld werd het H.MARIA-jaar aangekondigd, zo ook in onze parochie. Er zou een nieuw Mariabeeld: “O.L.VROUW van BANNEUX “ aangekocht worden om in het jaar dat beeld vanaf de gemeentegrens met pracht en praal binnen te dragen tot in de kerk. De families wonende langs en rondom de straten van de doortocht werden vriendelijk verzocht en gevraagd om de gevels en vensters te versieren met christelijke intenties. In voorbereiding van deze plechtigheid werd een Maria-kapelleke ontworpen en vervaardigd om aan de gevels op te hangen .Deze kapellekes werden dan opgesteld in het koorgedeelte van de kerk tijdens de inhuldiging en zegening. Uit elke woonwijk werd een persoon aangeduid om de families te vertegenwoordigen tijdens de plechtige viering en zegening van de kapellekes. Voor de wijk achter de broederschool werd onze pa uitgekozen om de jonge gezinnen van de Sint-Anthoniswijk te vertegenwoordigen. We woonden niet langs de steenweg maar in een zijstraat. Ons huis had een mansarde met een groot raam waardoor je uitkeek op de steenweg, waarlangs de kaarsjes  processie met het Mariabeeld trok. Op het kapje rond de kaars stonden teksten van devote Marialiedjes. Op de grote dag van de processie werd er vanaf de start aan de vrachtkar gebeden en gezongen tot in de kerk door de gelovigen. Als kind van 10 jaar waren het spannende momenten vanaf het versieren van het raam en het uitkijken naar heel het gebeuren. Het was een magisch moment toen bij valavond een lange sliert van mensen met flikkerende kaarsjes de straten vulden tot in de grote kerk, waar een nederige, biddende en toch trotse vader knielend bij de kapellekes plaats nam.

g.a.she
0 0

Heeft u dat ook? '6'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook?  Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes.  Juli 1966. De zomervakantie is net begonnen. De eerste 3 jaren humaniora bij de Broeders van Liefde in Leopoldsburg zitten erop. Naar gewoonte vertoef ik veel bij mijn oudste zus die een zoontje van 4 heeft. Marty is een aardig ventje en ik vind oppassertje spelen helemaal geen opgave, temeer omdat mijn zus, in tegenstelling tot mijn moeder, op een moderne manier kookt. Dat uit zich in de voorgeschotelde overheerlijke roomtomatensoep uit blik en de bergen frieten die uit de frituurpan dwarrelen. Na klimatologisch onderzoek blijkt dat die bepaalde zomer één der natste is van de voorbije honderd jaar. Dat kan ik mij echt niet herinneren. Wat ik wel weet is dat ik ongelooflijk verknocht ben aan het portatiefje dat er in huis staat. Overal waar mijn neefje aan het spelen gaat, zeul ik het radiootje mee. Zo ook die 4de juli, de eerste maandag van mijn zomerverlof. Als je veertien bent, word je enorm beïnvloed door de muziek die op je af komt. Dat zal wel zo zijn bij iedereen, vermoed ik. Ik luister wel eens naar Franstalige liedjes en soms ook naar een Duitse schlager, maar de Angelsaksische muziek is voor mij toch de top. Ik zit die namiddag met mijn neefje op het kleine graspleintje voor het huis en uit de radio weerklinkt ‘Monday, Monday’, een leuke song van de Californische The Mamas and the Papas. http://youtu.be/h81Ojd3d2rY Groepslid en componist is John Phillips. Hij is samen met de overige leden een boegbeeld van de hippiecultuur in de Verenigde Staten. Hun verschijning, hun muziek en de waarden waar zij voor staan spreken een puber van veertien wel aan. De Vietnamoorlog woedt in alle hevigheid en de flowerpower-beweging staat in schril contrast ermee. Vandaag is het ‘the fourth of July’, in de Verenigde Staten beter bekend als ‘Independence Day’. Als straks aan de andere kant van de Oceaan de Amerikaanse burgers zullen wakker worden kunnen zij hun feestdag beginnen vieren, maar protest tegen alle oorlogen en deze in Vietnam in het bijzonder zal zeker ook weerklinken. De liever lief bloemenkinderen zijn ondertussen zo goed als van de aardbol verdwenen, maar de oorlogen woeden nog steeds voort, elke dag van de week, ook op maandag, ‘monday, monday’.

Marc M. Aerts
3 1

Heeft u dat ook? '5'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook?  Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes.  Maar eerst wil ik dit kwijt:Gedurende je lagere schooltijd leef je onbezorgd en gaat het leven zijn gangetje. Maar wat daarna? Daarna ben je geen ‘echt’ kind meer, maar ook nog geen man en er is nog zo veel dat gebeuren kan …Ik zat daar wel mee geplaagd, ja. Helemaal onbezorgd was mijn kinderleventje dan ook weer niet, want op 12 oktober 1960 - ik was toen acht jaar en driekwart - zag ik de woeste Sovjetpremier Nikita Chroesjtsjov met zijn schoen in de hand op de tafels slaan tijdens de zitting van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Ik wist niet goed wat ik daarvan moest denken, maar dit boezemde mij zeker geen vertrouwen in. Een half jaar later wist ik wel zeker dat er iets niet pluis was in de grote mensenwereld. Veel begreep ik niet van het nieuws dat deze wereld werd in gestuurd maar naderhand bleek dat we aan de rand van een kernoorlog hadden gestaan omwille van hetgeen zich afspeelde in de Varkensbaai in Cuba. Nog eens een jaar later zag ik de verpersoonlijking van de duivel (tot dan toe dacht ik dat het de reeds aangehaalde Chroesjtsjov was geweest) op het kleine Tv-scherm van mijn bompa als men de beelden toonde van de ter dood veroordeelde oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann. Nachtenlang werd ik wakker gehouden omdat ik de tronie van deze mensenbeul maar niet weg kon vegen van mijn netvlies. Ondertussen was ik tien geworden. Kwam je al niet wat tussen de grote mensen te staan als je leeftijd met twee cijfers werd geschreven? Vanaf september 1963 ging ik naar de middelbare school. Het was de bedoeling dat men je daar zou opvoeden tot een volwassen man. Een versnelling bij dat beetje bij beetje volwassen worden deed zich reeds twee maanden later voor: Op een avond keken we met de hele familie naar een toneelstuk op televisie. Het was ongeveer een jaar geleden dat onze ouders het toestel aangekocht hadden en we vonden het gezellig met zijn allen aan de beeldbuis gekluisterd te zitten. Het was 22 november en het was al zo koud buiten dat we beslist hadden de televisie halverwege de living te plaatsen zodat we vanuit de keuken naast de warme kachel het verhaal in zwartwit konden volgen. Het stuk betrof het leven van kunstschilder Rembrandt, dat is mij bijgebleven, mijn hele leven lang. Zopas heb ik het kunnen opzoeken op het internet en ik vergiste mij niet, want de voorstelling heette ‘Hendrickje Stoffels’, de naam van Rembrandts vrouw en tevens zijn schildersmodel. Rembrandt werd gespeeld door Senne Rouffaer, die ik al kende van zijn rol als Tijl Uilenspiegel in de gelijknamige jeugdserie. Daarna zou hij nog veel beroemder worden als kapitein Zeppos.Na een halfuur werd de uitzending onderbroken en vertelde de duidelijk aangeslagen nieuwslezer Jacques Vandersichel dat John Kennedy (in mijn kinderlijke ogen de verpersoonlijking van het goede) in Dallas was doodgeschoten. Twee maanden later zou ik twaalf worden, maar ik heb op die bewuste avond enkele rasse schreden vooruit gezet richting volwassenheid. Waren het deze omstandigheden die er voor zorgden dat ik sindsdien regelmatig geplaagd werd door een steeds weerkerende nachtmerrie, die ik in een vorige azertyfactor-bijdrage al eens geformuleerd heb? Die grote mensenwereld, wilde ik daar wel toe behoren? Ik vond het moeilijk, volwassen worden. Een goeie zes jaar later, op maandag 12 januari 1970 behoorde ik officieel tot het legioen der volwassen mensen. Die dag deed de Boeing 747 zijn eerste vlucht, zijn ‘maiden voyage’. Diezelfde avond kwam een schoolkameraad uit Mol - hij werd enkele jaren later luchtverkeersleider op Zaventem (is dat geen toeval) - mij thuis ophalen om mijn verjaardag en de daarmee gepaard gaande toetreding tot het selecte clubje van verstandige mensen te celebreren in een plaatselijk café waar jongedames van licht allooi hadden postgevat. We dronken enkele pintjes, maar zagen nog overduidelijk groen achter onze oren. Het was toch moeilijk, volwassen worden. En wat de muziek betreft waarover ik het had in het begin van mijn verhaal: in januari 1970 zong Jimmy Cliff ‘Wonderful world, beautiful people’ en heel even waande ik mij weer in dat wat louche café van 45 jaar geleden. ‘Wonderful world, beautiful people’http://youtu.be/kKRAgcQAEkw ‘Wonderful world’, daarmee ben ik volledig akkoord. Wat is de wereld wonderlijk, wat is de wereld mooi, maar,‘beautiful people’, daar zijn we nog niet aan toe. We handelen nog als kinderen en niet als volwassenen. Want het is moeilijk, volwassen worden.

Marc M. Aerts
14 1

Heeft u dat ook? '4'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook?      Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes.    In de zomer van 1965 heeft Jewel Akens een grote hit te pakken met zijn liedje ‘The Birds and the Bees’. Ik heb, sullig en dertien zijnde, geen flauwe notie waar de tekst over handelt. In oktober verdwijnt het nummer uit de topcharts maar het wordt nog steeds gespeeld op de grote kermis die jaarlijks in deze maand plaatsgrijpt. Je hoort het prikkelende refrein vooral weergalmen uit de grote luidsprekers die op elke hoek van het gladmetalen botsauto-platform opgesteld staan. In mei van het volgende jaar, als de kleine kermis doorgaat, zijn de vogeltjes en de bijtjes vervangen door een meisjesnaam. De Beach Boys zingen over hun ‘Barbara Ann’ en ook dit is zo’n typisch aanstekelijk nummer. Bij de volgende grote kermis van oktober 1966 is Barbara alweer ingeruild voor ‘Lana’, het lief van Roy Orbison. Twee jaar eerder komt zijn grootste hit ‘Pretty Woman’ net te laat om op de platendraaiers van de autoscooters en rupsen gelegd te worden. Maar de bekende openingsrif is nog steeds één van de kermishits in mei daaropvolgend. Mijn allervroegste herinnering aan de kermismuziek gaat terug naar mei 1960. Sinds het begin van dat jaar heeft Neil Sedaka een monsterhit met ‘Oh Carol’ waarmee hij wat omfloerst zijn liefde verklaart voor de naderhand beroemde zangeres/liedjesschrijfster Carole King. Met dit nummer stoot hij Rocco Granata’s ‘Marina’ van de troon.   Maar dit is een lange aanloop naar wat ik eigenlijk wil vertellen. Je weet wel: terug gesmeten worden in de tijd en daar een fractie van een seconde vertoeven. Wel dat heb ik met ‘Meisje van zestien’ van Boudewijn de Groot.   ‘Meisje van zestien’http://youtu.be/zV3KyGG64-Q   Vanavond zal ik ‘The Birds and the Bees’ horen op de kermis, maar voorlopig zit ik nog even gekluisterd aan mijn bureautje om mijn huiswerk te maken. Het is een taak Engels, waar ik geen moeite mee heb want het is mijn lievelingsvak gegeven door mijn lievelingsleraar Mr. Schippers, bijgenaamd ‘de Schipper’. De radio is afgestemd op een Nederlandse zender en ik hoor de eerste hit van Boudewijn de Groot. Daarna zal hij beroemd worden met zijn eigen composities waar hij de hulp krijgt van tekstschrijver Lennaert Nijgh. Deze zorgt ook voor de vertaling van ‘Meisje van zestien’, een oorspronkelijk nummer van Charles Aznavour ‘Une enfant’.   ‘Une enfant’http://youtu.be/hZOLT2-wGVo   De interpretatie van de Groot is totaal anders dan die van Aznavour, omdat ze geïnspireerd is op (maar, volgens mij, veel mooier uitgevoerd dan) de versie van Noel Harrison die over ‘A young girl’ zingt.   ‘A young girl’http://youtu.be/YK2wfs33trk   Waarom dit liedje en niet een ander, dat mij vijftig jaren terugbrengt? Ik weet het niet, het is niet te verklaren. Het is een gevoel van een nog onschuldig leven en iets wat niet specifiek te benoemen valt, maar wat samenhangt met mijn jeugd, die zich afspeelt in mijn ouderlijk huis dat langzaamaan ontvolkt wordt door oudere broers en zussen die hun weg naar een eigen, nieuw leven inslaan.   Ik zie me zitten op een taboeret met zwart gestreept simili-leder en glimmende inox-poten aan het pas geïnstalleerde bureau. De constructie is ingenieus bedacht door mijn oudste schoonbroer die, benevens een hart van goud, ook handen van hetzelfde edele metaal heeft. Zoals je kan zien op de bijgevoegde snapshot van onze bijna voltallige familie (onze oudste broer maakte immers de foto) hadden we een overdekt terras. Omdat naderhand bleek dat dit bouwsel weinig praktisch nut had, werd besloten om het toe te voegen aan de te kleine ruimte, die onze keuken was. Door de renovatiewerken werd onze kook- en eetruimte dubbel zo groot en kreeg de buitendeur die toegang verschafte tot het terras, een andere rol toebedeeld. Schoonbroer en handige Harry, die in feite François heette, schoot toen aan de gang en transformeerde het deurgat in een handige inbouwkast, met bovenaan twee boekenplanken, dan een plank met de onafscheidelijke radio, daaronder een kleine barkast met een klapdeur die je kon neerlaten en daardoor het schrijfblad vormde van het met groenvilt overtrokken bureau. In de onderste kast vonden mijn schoolboeken onderdak.   Boudewijn de Groot zong over een meisje van zestien. François was zes jaar eerder met mijn oudste zus getrouwd. Zij was toen negentien, maar ik durf te wedden dat hij haar al kende toen ze nog zestien was, ‘zestien lentes zo pril …’

Marc M. Aerts
1 0

Realistische dromer 'Carpe Diem'

Mijn droom ‘Les Colombiers ‘ werd realiteit Een dag als deze, met schrijnende nood voor opvang van personen met een psychische beperking, deed me ontwaken uit mijn droom en werd realiteit. Op de verkeerde plaats, verkeerd behandeld, verkeerd begrepen, verkeerd bekeken… Ik zou, wou en moest deze groep van, als kwaad afgeschilderde personen, onder mijn vleugels nemen. Met een doel: Hulp en steun aan mensen met een psychische of andere beperkingen, aan te bieden. Opdat ze zich opnieuw beter voelen, in begeleid wonen, aanvaard, bemind, gerespecteerd… Begrip voor sociaal 'zwakkere' mensen, aan hen die niet in staat zijn om zelf de kost te verdienen, een gebrekkige gezondheid hebben, zich in financieel zwaar weer bevinden en weinig of geen steun ondervinden van familie. Nu 25 jaar later, tussen en met deze personen, in mijn project te hebben doorgebracht, Droom ik van een groot eiland, om al de vriendschap die ik van hen krijg, samen daar te planten, weg van onbegrip, van benadeling… Het lukte mij ooit, om hen in een juiste omgeving te plaatsen , met de juiste mensen. Waar hun nieuwe geluk en hun terug gevonden zelfvertrouwen, weerspiegelen kan, zoals in een immense zee. Een eiland zonder tralies, uitzicht op vrijheid , begeleid door zonnestralen… Helaas zijn er nog steeds enorm veel onbegrepen mensen met een psychische beperking , die men letterlijk en figuurlijk in hokjes plaatst. Mijn levenswerk, gegoten in boekvorm, zou er iets prachtiger bestaan? NEE! Tijd en geld te kort, om mijn boek te realiseren .. Niks kan me weerhouden, in woorden uit te drukken, wat de “zonder beperking levende’ maatschappij NIET wil zien, lezen, horen….   Bronnen: carpediem.bredene@gmail.com https://sites.google.com/site/carpediembredene www.facebook/pages/carpe-Diemvzw

Carpe Diem
44 0

Heeft u dat ook? '3'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook? Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes. In januari 1952 heeft de wereld een reden méér om überhaupt te bestaan, want ik word geboren. Dit gebeurt bij mijn ouders thuis en niet in een of andere kraamkliniek. Nummer 8 ben ik en naderhand zal blijken dat ik het kakenestje zal blijven want er volgen geen nakomelingen meer. Het kakenestje, een mooi woord trouwens dat mij vroeger niet bekend was. Mijn vader gebruikte het woord ook niet, want hij stelde mij altijd voor aan zijn vrienden, kennissen en collega’s als: ‘Dit is onze benjamin’. Waarop ik dan riposteerde ‘nee pa, ik heet Marc en niet Benjamin’. In die eerste maand van dat gezegende jaar is de wereld zoals altijd in beweging. De Koreaanse oorlog woedt al anderhalf jaar en het zal nog even lang duren eer hij afgelopen is. Het is een onderdeel van de Koude Oorlog. Het komt tot een wapenstilstand, maar nooit wordt een vredesverdrag gesloten. De Koude Oorlog is een rode draad doorheen de geschiedenis van de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw. Gelukkig is er de muziek om ons wat vrolijker te stemmen. Eén van die merkwaardige stemmen is deze van Louis Prima. Mogelijk ken je deze zanger/trompettist/acteur en liedjesschrijver als het keelgeluid van ‘King Louie of the Apes’ uit Disney’s Jungle Book. http://youtu.be/CEEPaYD5KZE Deze animatiefilm dateert van ’67 maar ik ken Louis al van negen jaren eerder. Hij had toen een wereldhit met het liedje ‘Buona sera’. Vijf weken lang stond dit nummer aan de top van de Vlaamse hitparade en ik was helemaal weg van dat melodietje. Hier volgt mijn verhaaltje met muzikale inslag: Op de dag van O.H. Hemelvaart, een mooie meidag in 1958, doe ik mijn eerste communie. Na het feestmaal ga ik, zoals alle brave kindjes, buiten spelen. Mijn gekke tante Nènè roept even later: ‘Kom Marcske, uw liedje wordt op de radio gespeeld.’ Ik loop zo vlug ik kan naar binnen. Blijkbaar doet mijn imitatie van Louis hem grote eer aan, want er wordt flink in de handen geklapt door de aanwezige familieleden. Optreden afgelopen, dan maar weer in de tuin dollen. Er gaan geen drie minuten voorbij of mijn tante is er weer: ‘Nu moet ge eens horen, uw liedje wordt weer gespeeld’. Ik vlieg als een bliksemschicht weer het huis in en doe weer mijn best om Louis na te bootsen. Applaus weerom. Dan maar voor de derde keer het erf op. Drie minuten later: je gelooft het niet. Nènè is er weer en Louis ook. ’Buona sera signorina, buona sera. It is time to say goodnight to Napoli. Well it’s hard …’ … en plots stopt de muziek. http://youtu.be/wZZeTACFb5Y Is de radioverbinding uitgevallen? Of heeft een zekering het begeven na zo’n intens optreden? Er is toch geen snoodaard die de stekker uit het stopcontact heeft getrokken? Iedereen begint te lachen. De zotte tante toont mij de papieren hoes van een 45-toerenplaatje, met daarop de glimlachende tronie van Louis. Mijn familie neemt mij flink beet die donderdag. Ook op een donderdag, 24 augustus 1978, sterft Louis op achtenzestigjarige leeftijd. Als er een hemel voor entertainers bestaat, dan heeft hij die wel verdiend. Ik hoor Louis al zingen ‘Oh, when the Saints go marching in…’

Marc M. Aerts
4 0

Heeft u dat ook? ' 2'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook?    Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes.   Ik zit alweer op de canapé in de voorplaats. Deze keer ben ik niet alleen. We zijn aanbeland halverwege de jaren zestig. Ik behoor samen met mijn jongste zus, die ouder is dan ik (snap je me?), tot de laatste van acht kinderen die nog bij ons vader en moeder inwonen. Mijn jongste broer, die ook ouder is dan ik (snap je me nu?) is voor de eerste keer op kot in Leuven gaan wonen. Voorlopig ben ik nog veertien. Binnen enkele maanden zal ik vijftien jaren op mijn levenspalmares verzameld hebben en daar kijk ik reikhalzend naar uit, want elk jaar telt, elk jaar kom je zo een beetje dichter bij volwassenheid en dichter bij ‘min of meer je eigen zin doen’.   Deze keer word ik op de zetel geflankeerd door mijn ouders die voor de eerste keer het eerste echte lief van mijn zus mogen inspecteren. Het zal nog een jaar duren eer de ‘liever-lief’-beweging definitief vanuit Amerika naar onze Lage Landen zal overwaaien, dus verwachten we ook dat het geen exemplaar van het langharig tuig zal zijn dat de deurbel zal doen rinkelen.En dat schijnt ook zo te kloppen. Mijn zusterslief is zeven jaar ouder dan zij en lid van een eveneens kroostrijk Nederlands gezin. Omdat ze een hardwerkend ouderpaar zijn die hun eigen confectiebedrijf runnen met verschillende vestigingen aan weerszijden van de grens, hebben zijn ouders besloten hun kinderen naar de kostschool te sturen. Het is daar dat het nieuwe lief kennis maakt met de piano.   Na de gebruikelijke koetjes en kalfjes, vraagt ons vader, terwijl hij naar de buffetpiano in de hoek van de kamer wijst, of dochterliefs lief geïnteresseerd is in zijn muzikale capaciteiten. Vermits muziek de zeden verzacht is er geen protest. Onze pa tovert zijn mooiste trucs uit de zwarte klankkast. Hij wisselt operettemelodieën af met zijn bewerkingen van hedendaagse liedjes. Het nieuwe lief is onder de indruk. Op de vraag van ons vader of hij misschien ook muzikaal is, zegt het lief bedeesd ‘Ik zou ook wat kunnen spelen op uw piano. Mag ik?’. ‘Maar natuurlijk’ is het antwoord.   Het nieuwe lief rookt Rothmans sigaretten, verpakt in een rood karton met witte letters. Hij steekt zijn pas opgestoken sigaret tussen de lippen, neemt de kristallen, rechthoekige asbak mee, zet deze naast het klavier en legt er zijn sigaret in. Hij zet de ronde draaikruk wat lager en trekt nog eenmaal aan zijn sigaret zonder filter. De rook kringelt naar omhoog en dat doen ook de noten die weerklinken als hij de toetsen zachtjes beroert.    ‘Last date’http://youtu.be/3fRkoa9Ek5c   Wij zijn verbluft als we die heerlijke melodie van Nashville’s piano-legende Floyd Cramer horen. Hij heeft vroeger samengewerkt met grote namen zoals Elvis Presley en Jim Reeves. De wijze waarop Floyd, en dus ook het nieuwe lief, de toetsen van de piano hanteert is zonder meer weergaloos.Mijn zus en haar lief trouwen enige tijd later. Maar zoals dat nog al eens gebeurt, besluiten zij menige pianopartituren later om te scheiden. Spijtig dat het verhaal op een valse noot moest eindigen.   N.B.: voor de geïnteresseerde en getalenteerde pianisten onder jullie. Hieronder vind je een instructievideo waar je wordt aangeleerd op welke manier je Floyds pianospel het best kunt evenaren.   ‘How to play Last date’http://youtu.be/wnNoQ8F5oXw

Marc M. Aerts
0 0