Lezen

If they ask you about me, tell them: “She was the only person that loved me with honesty, and I broke her.”

Ik had nooit begrepen hoe mensen een passionele moord konden plegen. Tot ik boven op hem zat met een mes in mijn handen en hem zevenenveertig keer had gestoken. Slechts één steek bleek achteraf fataal te zijn geweest. De eerste steek. De zesenveertig anderen waren onnodig geweest. Maar ik kon niet stoppen. Het is moeilijk te beschrijven wat ik toen voelde en dacht. Ik dacht niet en toch dacht ik aan alles op dat moment. Ik zag hem niet meer. Ik zag niets. Ik weet enkel maar dat ik stak. En stak. En stak. Keer op keer. Ik herinner me enkel het geluid van het bloed dat uit de wonden vloeide en zich over zijn lichaam een weg naar de vloer baande. En het geluid van krakend huid, als het lemmet er doorheen sneed. Ik herinner me spetters te voelen die op mijn gezicht terechtkwamen. Ik herinner het gevoel van de tranen die zich met het bloed mengden en neerdaalden als een stortbui. Ik herinner me de wind die mijn gezicht streelde en mij afkoelde. Ik kan me niet herinneren of hij terugvocht. Volgens het onderzoek en de autopsie bleek dat hij zich probeerde te verweren. Maar hier weet ik niets meer van. Ik weet nog wel perfect hoe hij mij aankeek. Hoe zijn ogen strak in de mijne keken terwijl hij naar adem zocht. Ik denk niet dat ik iets gezegd heb. Behalve toen het afgelopen was. Ik kan me ook niet meer bedenken waardoor ik gestopt ben. Ik stopte gewoon. Als een storm die opeens bekoeld was.   Ik wist dat het moest gebeuren. Dat zijn leven moest eindigen. Had ik het zo gepland? Nee. Ik wou gewoon praten. Maar hij wou niet luisteren. Hij wou niet inzien wat hij mij had aangedaan. Hoe hij mij mijn leven had ontnomen. Hij besefte niet dat zijn leven ook moest eindigen. Hij heeft het zichzelf aangedaan. Had hij maar geluisterd, had hij maar begrip getoond, had hij maar gewoon geluisterd. Dan had het zo ver niet hoeven te komen. Maar nu zijn we samen. Zoals het altijd had moeten zijn. Het was ons lot. Wij samen, voor eeuwig. Hij was het gewoon even vergeten. Maar ik heb hem eraan herinnerd. Hij weet het nu. Twee jaar lijkt een lange tijd, maar alles is zo snel gegaan. Twee jaar lijkt nu nog maar op een vluchtig moment. Zo kort, zo klein, alsof je het kan vangen en vasthouden. Maar het kwam als een prachtige vlinder, die op een warme zomerdag even je kwam vergezellen met zijn schoonheid. En voor je het goed en wel besefte, was hij alweer verdwenen. Je kan er achter aan gaan en hem proberen te vangen, maar een vlinder laat zich niet zomaar vangen. Zo was het ook met hem. Zo was het ook met ons.

Nicole Rosiers
12 1

Lilliputternamaakgrasmatjes

“How do you like your eggs prepared?” vroeg Bill, de uitbater van B & B The White House in Lahinch aan de Atlantische kust van Ierland. Jaja, er wachtte ons een flink ontbijt. Miel nam de full option, op zijn Iers dus: spiegelei met worst en ham. Jan en ik kozen voor een gewone sunny side up. Hadden we gezondigd zoals onze reisgenoot, dan zou het een te grote aanval geweest zijn op ons al te hoge cholesterolgehalte. Miel had daar lak aan. Maar Jan blijkbaar even later ook, toen ik zag hoe hij de smeuïge Ierse boter driedubbeldik op zijn toast smeerde, tussendoor al slurpend aan zijn hot chocolate milk. Miel en ik namen een ganse koffiepot voor onze rekening.  De voorkamer waar we ons ontbijt naar binnen smikkelden was een toonvoorbeeld van kitscherige decoratie. Elke kast, bijzettafel of schouw puilde uit van kleurige, porseleinen beeldjes en golftrofeeën. Gedurende de rest van de week zouden we inderdaad merken dat Ierland heel wat greens telde en dat deze sport het elitaire al lang overstegen was. Onze ouwe getrouwe Bill kon er blijkbaar wel wat van; vandaar de menigvuldige ornamenten met minigolfballen, dito clubs en lilliputternamaakgrasmatjes. Ziezo, onze magen waren méér dan gevuld en onze valiezen opnieuw ingeladen. We waren klaar voor een nieuwe ontdekking. Het was mooi weer geworden. Het voelde een beetje frisjes aan, maar het was nog vroeg en het zeebriesje deed zijn best om eventuele houtenkoprestanten weg te blazen. Kom Ierland, verbaas ons!

Marc M. Aerts
0 0

Veertig tinten groen

“Schuun hè” zei een Oostvlaming die achter mij in het vliegtuig zat. We keken door hetzelfde venstertje naar buiten. Het was inderdaad prachtig. Een enorm lappendeken strekte zich onder ons uit. Als ik vroeger in één of andere toeristische brochure een beschrijving las van dit groene eiland of ik hoorde een reiziger zijn relaas doen over zoveel verschillende tinten groen die Ierland tentoonspreidde, dan dacht ik, als een ongelovige Thomas, dit moet ik eerst zelf zien, met mijn eigen ogen. Men had echter niet overdreven. Het Keltenland, dat zijn natuurschoon diep onder ons prijsgaf, was immens mooi. Of die ongelovige Thomas later heilig werd verklaard weet ik niet meer, maar hij moest maar eens in de leer gaan bij zijn kompaan Saint Patrick, de patroonheilige van dit gezegende land. Hij zou vlug geloven. Ik neuriede "I’m a believer", een vrolijk melodietje, gecomponeerd door een toen nog jonge Neil Diamond, en naar de top van de Amerikaanse charts gezongen door de Monkees, een miezerig Amerikaans afkooksel van de Beatles.   Eerder die dag checkte ik in op Zaventem en spendeerde een uurtje in de vertrekhal waar een Vlaamse schone met lange blonde vlecht flaneerde. Zij stal de show en menig mannenhart. Toch zeker het mijne. Vreemd dat op dit soort vergrijp nog geen langdurige gevangenisstraf staat. Als dit kwaliteitsvolle lichaamsgehalte zich ook zou etaleren in mijn land van bestemming, dan zat het goed. Prinses Rapunzel - je weet wel: het sprookje van het prinsesje met haar lange vlecht, opgesloten in de hoge slottoren - zag ik niet meer terug. Zij vertrok met haar - wat dacht je - belachelijke vriendje en met de noorderzon naar het zuiden. Neen, voor mij geen idiote strandvakantie. Ik ging mijn cultuur verrijken in Ierland. Het land met wel veertig tinten groen.

Marc M. Aerts
0 0

Het rijk voor mij alleen!

Hier heb ik echt naar uitgekeken: heerlijk de hele avond het rijk voor mij alleen! Hoe zal ik dat eens gaan vullen... Zou zoveel willen doen, dat ik wel een weekje voor mezelf kan gebruiken. Met  een hapje en drankje voor de buis of aan de schrijf, bezig met de website of gewoon lekker lezen? Telefoon en tablet aan de kant. Druk even de tv aan, languit op de bank met een kopje thee...   Als ik verkleumd wakker word in het donker, is er inmiddels op tv een dame allerlei telefoonnummers aan het aanprijzen en is mijn thee koud. Langzaam wordt de rest van mij wakker en besef ik waar ik ben en dat mijn avondje voorbij is. Want zo te voelen is de verwarming al even uit. Dat is lekker dan! Voordat ik er van ga balen, knip ik een lampje aan. Twee uur! Dan dringt het tot me door: waarom is hij nog niet thuis? Hij zou het toch niet laat maken? Ach het is vast gezellig en zo heel laat is het ook nog niet.   Ik verhuis naar mijn bed en verwacht eigenlijk ieder moment dat hij thuis komt.  Pfff verwachten duurt lang! Zeker weer de tijd vergeten of misschien wel een lekke band? Moet hij zijn telefoon maar mee nemen. Waarom heb ik nu uitgerekend de laatste man zonder horloge en zonder whatsapp? Wat als er wel wat gebeurt?   Zo kan ik toch niet slapen,  dus maar weer naar beneden. Thee herkansing. Zinloos kijk ik uit het raam of hij er al aan komt, alsof het dan sneller gaat. Wat als er echt iets gebeurd is en hij ergens op straat ligt.  Gevallen of in elkaar geslagen? Wie moet ik nou bellen als hij helemaal niet thuis komt? Volgende keer moet hij echt z'n telefoon mee nemen. Straks belt het ziekenhuis... Wat moeten de kinderen zonder vader? En ik zonder mijn man? Krijg er een knoop van in mijn buik.   Dan hoor ik de sleutel in het slot en  "Hé, ben je nog wakker?". "Ja ik kon niet slapen,  heb je het leuk gehad?"   Langzaam verdwijnt de knoop weer. Het is kwart over twee,  ik ga slapen...

Liselotte Schippers
12 0

Hoe vaak keert hun brand weer terug?

Toen ik nog klein was hebben we een keer schoorsteenbrand gehad. Wat ik me er van kan herinneren is dat we vanuit het slaapkamerraam van mijn vaders tante, die bij ons in de straat woonde, toekeken hoe de verschillende brandweer- en politieauto's in de straat verschenen. We zagen hoe de hele buurt zich verzamelde en dat zíj wél konden zien wat er bij ons thuis gebeurde. Een buurjongen stond er nog bij te lachen ook! Het was echt niet grappig! Zelf heb ik maar één klein steekvlammetje mogen zien, toen werden we direct naar mijn vaders tante, tante Cor, geloosd.   Gevolgen waren enorm: oud en nieuw werd nu niet bij ons thuis gevierd, maar bij Tante An. En op mijn slaapkamer was de brandweer, zo lomp in mijn kinderogen, zonder pardon over rood crêpepapier gelopen. Het was van de kerstversiering voor mijn ramen. Dat ik het zelf had laten slingeren telde niet mee. Het was mijn kamer. Met vanaf toen voor altijd rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking.   Natuurlijk belangrijker, waren we allemaal ongedeerd en is ons huis niet tot op de grond afgebrand. Brand effectief geblust! Mijn moeder probeerde het eerst met een washandje, maar de brandweer bluste uiteindelijk toch beter. Behalve dan dat ze geen rekening hielden met het rode crêpepapier...   Uiteraard heb ik hier niets aan overgehouden. Behalve elke keer als ik bewust een brandweer hoor. Dan ben ik even thuis. Rijdt hij naar mijn huis? Is er iemand thuis? Dan gaat de gedachte weer en hobbel ik gewoon verder in het ritme van de dag.   Als ik dan denk aan al die 'écht' getraumatiseerde mensen, door wat dan ook en waar dan ook. Waar het veel verder gaat dan alleen maar rood crêpepapier. Hoe vaak keert hun brand weer terug? Kunnen zij gewoon weer verder hobbelen in het ritme van de dag?   Niet dat je kan kiezen, maar dan ben ik blij met en dankbaar voor mijn rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking!  

Liselotte Schippers
0 0

'Dankjewel' zeggen kost niets

Toen ik studeerde had ik een bijbaantje. Voordat ik bij het rijkscomputercentrum kon werken moest ik een verklaring van goed gedrag inleveren en kreeg ik een pasje. Bovendien kreeg ik zelfs een heuse cursus met een echt diploma. Ik voelde me heel wat!   Mijn werk als schoonmaakster heb ik dan ook niet als onplezierig ervaren. Samenwerken met veel Turkse meisjes leverde me ook wat op. Ik leerde wat Turkse woorden (nee geen vieze) en werd soms uitgenodigd om lekker te komen eten. Van de Turkse gastvrijheid kunnen we nog wat leren! Het werk zelf was niet zo heel enerverend. Elke dag twee uur lang de zelfde kantoren, dezelfde vloeren, dezelfde bureaus. Afstoffen, wissen, moppen.   Op de vierde verdieping helemaal achteraan in het laatste kantoortje zat altijd nog iemand tot laat over te werken.  Meneer Treur. Iedere keer als ik zijn kantoor had schoon gemaakt, keek hij op van zijn werk en zei "dankjewel" en ik "graag gedaan". Als je elkaar zo iedere dag tegenkomt schept dat toch een band. Vooral meneer Treur maakte graag een praatje met mij. Na verloop van tijd werd het oppervlakkige 'weer' praatje steeds meer een klaagzang over zijn thuissituatie. Zijn onhandelbare dochter en zijn machteloosheid hierin. Dat deze dochter van mijn leeftijd was vergat hij kennelijk in deze gesprekjes. Hij voelde zich ellendig en deed zijn naam eer aan. Zijn wanhoop was voelbaar en ik kon daarin natuurlijk niets voor hem betekenen dan alleen maar even, de vijf minuutjes die ik er was, luisteren. Toch bleef hij me consequent iedere keer bedanken.   Af en toe voegde hij daar aan toe: "Dankjewel zeggen kost niets toch?". Deze zin is altijd bij me blijven hangen. Het kost inderdaad niets, maar is wel waardevol. Als schoonmaakster vond ik het prettig om bedankt te worden voor mijn werk, want het is zwaar werk. Een groet, een glimlach, dankjewel zeggen, een luisterend oor bieden of een praatje maken. Het kost me allemaal niets en kan zo belangrijk zijn. Een draai aan mijn dag geven of aan die van een ander, door het te geven of door het te ontvangen.   Soms zie ik hem nog wel eens fietsen, meneer Treur, dan vraag ik me af hoe het gaat met zijn dochter. Ik zou hem willen bedanken, want het kost niets. Maar hij herkent mij niet en ik zeg niets..

Liselotte Schippers
17 0

Waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Opgestaan met een positief gevoel ben ik vastbesloten dat vast te houden. Met weliswaar nèt te weinig tijd en nèt teveel te doen, stap ik fluitend op de fiets om nog snel even boodschappen te doen. En snert, begint het natuurlijk te regenen. Eenmaal bij de winkels aangekomen ben ik drijfnat. Je weet wel, dat het niet goed te onderscheiden is wat zweet is en wat regenwater. Maar zo makkelijk is mijn positieve gevoel niet te verslaan! Dus geniet ik van de koele regendruppels op mijn gezicht en laat ik in mijn hoofd gezellige liedjes voorbij komen: "I'm singing in the rain..." en "het regent dat het giet en ik word niet nat...". De laatste klopt dan niet helemaal, want ondertussen soppen zelfs ook mijn sokken in mijn schoenen. Helemaal voorbereid (want hoe vaak moet ik eerst gaan wisselen) stop ik een muntje in het winkelwagentje en zoef met mijn lijstje door de supermarkt. Dat gaat soepel en al vlot sta ik met alle boodschappen bij de kassa. O -piep- ik ben broodjes voor de lunch vergeten en mijn boodschappen liggen al op de band. Dat zullen ze me thuis niet in dank afnemen. Er staan nog twee mensen voor me, met redelijk wat boodschappen, dus ik schat mijn kansen goed in om op tijd weer terug te zijn. Snel haal ik de broodjes op. Als ik terug kom bij de kassa, staat de vrouw achter mijn winkelwagentje in de rij, tot mijn stomme verbazing haar boodschappen voor de mijne te zetten. En ik ben nog helemaal niet aan de beurt!   Overmant door 'het onrecht' en opgejaagd door de tijd roep ik: "NEEE!!" Deze boodschap is kennelijk duidelijk genoeg, want geschrokken, maar ook met een boos gezicht, pakt ze haar boodschappen weer op. Wel verrast en trots op mijn eigen assertiviteit, klopt van spanning en de adrenaline mijn hart in mijn keel. Even denk ik weer aan mijn positieve gevoel. Misschien heb ik toch wel wat fel gereageerd dus ik probeer wat onhandig te zeggen dat ik nog niet aan de beurt was... En om een medestander te zoeken kijk ik vragend naar de mevrouw verderop in de rij. Zij reageert wel, maar zegt: "Tja het had ook langer kunnen duren...". Wat krijgen we nou!!! Nu begin ik toch aan mezelf te twijfelen. Zijn de sociale regels van het in de rij staan bij de kassa misschien veranderd en hebben ze mij vergeten in te lichten??? Ik houd mijn mond maar verder dicht, net als de hele rij en de kassière. Maar langzaam sijpelt het positieve gevoel weg en bekruipt me een onbehaaglijk gevoel. Natuurlijk heeft 'dat mens' haar fiets precies naast de mijne geparkeerd en staan we nog even stilzwijgend onze fiets in te laden. Met het laatste sprankeltje positieve gevoel knijp ik er nog uit: "Fijne dag toch nog!" Maar het komt niet over en ik krijg een onverstaanbare brommende sneer terug. Dan fiets ik maar weg, nog steeds in de regen, nu met een onbehaaglijke gevoel en geen: "I'm singing in the rain". Nog een tijdje ben ik zinloos, echt heel vervelend, aan het piekeren over de 'nieuwe' sociale regels. Thuis weer in een droge outfit gestoken, komen de broodjes op tafel. "Aan tafel, eten!" Door de lekkere broodjes verwacht ik een snelle opkomst en ja hoor, van alle kanten wordt er naar de zak met broodjes gegraaid. Hu ho stop! Even op je beurt wachten!" Ik hoor het mezelf zeggen, daarmee komt het positieve gevoel weer terug.  Kan een glimlach niet onderdrukken. Pfff waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Liselotte Schippers
0 0

'Helemaal onschuldig of... toch niet?! - Een biografie - Hoofdstuk 1 - 2

28 december 1962 Een stevige wind schuurt over de straten.  Het vriest dat het kraakt.  Het wit van de vrieskou blijft als een laagje op de weg liggen. Even verder, aan de kust, bevriezen de golven bij aankomen op het strand. Laag op laag worden ijsgolven gevormd. Een kil tafereel. Ondertussen probeer ik, zo tussen 8 en 9 's morgens, me uit de buik van m'n moeder te persen. In het 'moederhuis' worden luide pijnkreten geslaakt. Het lukt me bijna. Nog even. Een extra duwtje. M'n moeder kreunt. Ze voelt een stevige pijn. Het scheurt onderaan open. Helemaal open. Ik piep naar buiten.  Volledig onder het bloed maar kerngezond. Iets meer dan 4 kilogram rozig vlees wordt Karin genoemd. Ik krijs als de dokter op m'n billen slaat. Je zou voor minder. Hoe durft ie eigenlijk? Zonet heb ik het beste van mezelf gegeven om naar buiten te komen. Krijg ik daar nog een paar kletsen bovenop. Mama lacht. Ze kijkt vertederd naar mij en neemt me vast, heel dichtbij. Ik ruik haar geur. Ben blij met haar zachte warmte.  Papa Lucien komt eraan. 'Luc' voor de vrienden. Hij is blij met een 'gezonde' dochter. En toch had ie stiekem gedroomd van een zoon. Een zoon die de familienaam 'Robert' verder zou uitdragen. Hij neemt me vast en kijkt me aan. Ja, Karin, dat zijn nu je ouders.  Daar moet je het een tijdje mee doen. Nog een heel tijdje eigenlijk. Feest van de onnozele kinderen 'Feest' van de onnozele kinderen. Wat is hier 'feestelijk' aan?  Onschuldige jongetjes worden, volgens het bijbelverhaal in het Nieuwe Testament, in opdracht van koning Herodes in Bethlehem vermoord.  Een reden om te feesten vind ik dit niet echt. En net op die dag word ik geboren.  Om dan nog te zwijgen van de vele goed bedoelde felicitaties in de aard van 'Ah, jij verjaart op onnozele kinderdag! Proficiat! Met daarachter een extra verdacht lachje.... Neen, op 28 december verjaren kon me in den beginne niet echt blij maken. Toen ik eindelijk het woord 'onnozel' in de Dikke Van Dale opzocht was ik al een eind in de twintig. 'Onnozel' heeft in de bijbel de betekenis van 'onschuldig'. Plots scheen er een licht in de duisternis. Een lantaarn, een lichtbol, een spot. Ik werd helemaal 'verlicht' van een zware last die ik jaren in gedachte meedroeg.  Neen, ik ben niet 'onnozel' maar wel 'onschuldig'!!    Hallelujah!! Sedert  m'n opzoekingswerk voel ik me heel wat 'feestelijker'.  Ik kan nu weer tegen een stootje.  Het stootje van de 'onnozeligheid'! En ik geniet zelfs van het soms extra verdachte lachje bij de felicitatie. 'Hoera ! Onschuldig ben ik.    Helemaal 'onschuldig.....' ................

Karin Robert
0 0

Mijn zusje en haar meningokokken.

Meningokokken veroorzaken een bacteriële hersenvliesontsteking. Er zijn verschillende types. Maar het belangrijkste, het vieze beest is levensgevaarlijk. De meeste mensen hebben een voldoende weerstand tegen het monster. Een groot aantal mensen is drager van het beest, zonder er ziek van te worden. Een groot aantal mensen.. Een groot aantal mensen. Behalve mijn kleine zus.  ‘Tijd om in bad te gaan!’ riep mama vanaf de overloop. Ik hoorde hoe het water tegen de bodem van het bad spatte. Ik ruimde de Barbiepoppen op zoals mama het wou. Gestructureerd. Alle poppen moesten netjes in de bak liggen, de kleertjes in het daar voor aangeduide doosje, de schoentjes in een ander doosje,… Ik wou zondag vooral niet nog eens met mama op mijn kamer zitten en alle bakjes sorteren. Toen alles netjes weg lag liep ik naar de badkamer. Julieke lag op het verzorgingskussen en haar steunhouder lag al klaar in bad. Het werd tijd dat we zo’n ding zouden kopen, want hoe graag ik mijn zusje ook zag, ze begon toch zwaarder te worden. Ik deed mijn kleren uit en gooide ze in de wasmand. Het water voelde heerlijk warm aan. Precies hoe ik en mijn zusje het graag wilden. ‘Mag Julieke erbij komen?’ vroeg mama. Ik knikte enthousiast. Ik en mijn zusje gingen al jaren samen in bad en toch vroeg mijn mama het nog steeds. Ik vroeg me af of ze dit deed voor mij of om Julieke te laten weten dat ze zo dadelijk onder het warme water werd gebracht. Toen Julieke in haar steun lag draaide ze haar hoofdje en begon ze te kraaien. Ik lachte met haar mee en spette wat water op haar. Met het badschuim maakte ik bij mezelf een baard  en bij haar deed ik hetzelfde. Ook al kon Julieke niet praten, ze kirde enthousiast en ik wist dat ze het leuk vond. Beneden hoorde we de telefoon rinkelen. ‘Ik ga even opnemen Manon’ deelde mama mee en ze rende naar beneden. De deur stond op een kier en ik hoorde hoe mama de telefoon opnam. Ik keek naar mijn zusje. Zou ik? Na drie seconden na te denken besloot ik uit het bad te stappen en me al af te drogen. Ik deed mijn favoriete pyjama aan en kamde mijn haartjes. Ik had altijd al kort haar gehad, dus veel werk was het niet. Mijn blik ging naar mijn zusje. Zou ik? Tuurlijk, dacht ik bij mezelf. Ik nam een handdoek die ik met een wasknijper aan mijn pyjamabloesje hing. Vervolgens deed ik mijn mouwen omhoog. Ik had mama het iedere dag zien doen dus ik zou toch wel weten hoe het moest. Bovendien zou ik mama geholpen hebben, want die had altijd erg veel te doen. Ik zette mijn kleine handen onder de okseltjes en trok mijn zusje omhoog uit het bad. Gelukkig was het zorgkussen dichtbij en ik legde haar hierop. Ik begon haar kleine fragiele lichaampje af te drogen. Ik had geen idee hoe je een luier zou moeten aandoen… Ik dacht diep na hoe mama het deed. Toen ik de luier had aangedaan controleerde ik nog even of die goed zat. Daarna deed ik haar pyjama aan en kamde haar lange mooie haartjes en deed ze in en staartje. Op dat moment kwam mama de badkamer in gelopen. ‘Manon?’ vroeg mama onbegrijpend. Ik keek haar aan en ze zag dat ik Julieke had afgedroogd. ‘Is het gelukt?’ vroeg ze opgelucht. Ik knikte trots. ‘Goed gedaan van je meid’ en ze wreef over mijn korte bruine haartjes. ‘Heeft jouw grote zus jou uit bad gehaald?’ begon ze tegen Julieke. ‘Heb je zin om je zusje nog een yoghurtje te geven voor ze moet gaan slapen?’ vroeg mama. Ik knikte blij.     1.    Verenigd door sterftegeval   Hier zaten we dan. Als de situatie anders zou zijn zou ik moeten lachen met het feit dat heel de familie samen zou zitten. Wie had dat nog ooit gedacht? Mijn moeder en vader… In dezelfde kleine ruimte? Mijn grootvader langs moeders kant die een babbeltje slaat met mijn grootvader langs vaders kant? Mijn tantes allemaal samen. Mijn nichtjes en neven. Ik had best een grote familie als ik ze zo samen zag zitten. Vele van hen huilde en ik begreep niet goed waarom. Alles zou goed komen, dat wist ik gewoon. Ik voelde het. Julieke zou me niet verlaten, wij zouden samen blijven voor altijd. Als mama later oud wordt en niet meer voor mijn zusje kan zorgen, dan zal ik haar in huis nemen. Het zal me een  barst kunnen schelen wat mijn toekomstige echtgenoot er van zou vinden. Ik zorgde nu al zes jaar lang voor mijn kleine zus, dat moest mijn  echtgenoot er maar bij pakken. Papa vroeg mij en mijn broer of we even buiten konden gaan wandelen. De buitenlucht zou me goed doen. Ik keek naar mama. Die liep net de kamer in waar ons zusje lag. We volgde papa naar buiten. Het ziekenhuis van Leuven was groot. Rondom lag er een klein parkje. De zon scheen en enkele studenten studeerde in het groene gras. We liepen met ons drietjes over het bruggetje waar we halt hielden. Enkele eenden kwaakte op het water. ‘Hoe gaat het met jullie?’ doorbrak papa de stilte. Mijn broertje haalde zijn schouders op, hij was nooit een grote prater geweest, maar ik zag de angst in zijn ogen. ‘Alles komt goed’ was alles wat ik wist uit te brengen. Papa keek me met medelijden aan. ‘Manon ik denk echt dat je rekening moet houden dat ons Julieke niet lang meer te leven heeft’. Ik keek weg. De eenden waren intussen verdwenen. ‘Kan het nog goed komen?’ vroeg Joren stil. Papa zuchtte. ‘Natuurlijk kan het nog goed komen’ antwoorde ik boos. ‘Het komt goed! Het loopt hier vol met artsen en deskundige, zij doen dit iedere dag, zij weten wat ze doen en ze redden onze zus’. Joren zweeg. Ik had niet zo boos moeten worden maar ik kon niet anders. Het leek wel alsof iedereen de hoop had opgegeven. ‘Ik denk dat onze kleine zus wacht om van iedereen afscheid te nemen’ kwam papa ertussen. ‘We zijn er toch allemaal?’ vroeg ik onbegrijpend. ‘Misschien wilt ze afscheid nemen van Geert’. Ik had er altijd van gedroomd een groot gezin te hebben. Stiekem droomde ik ook van een zus met wie ik effectief kon spelen, zingen, dansen… Dingen die ik met Julieke niet kon doen. Sinds papa een nieuwe vriendin had was ons gezin wel erg groot geworden. Geert had twee dochters en een zoon. Bram was één jaar ouder dan mij. Veel last had ik niet met hem. Hij zat vaak van ’s morgens tot ’s avonds aan de computer of anders was hij weg. Papa had meer problemen met hem. Bram was vaak boos en sloeg dan alles in elkaar. Daar kon papa niet mee om. Lies was zestien. Ik keek op naar haar maar was tegelijkertijd ook bang van haar. Papa zei dat Bram gek was in zijn hoofd, maar ik had een vermoeden dat er met Lies meer aan de hand was. Britt was de jongste. Ze was twee jaar jonger dan mij en met haar ging ik het meest om. Ik kon makkelijk baas spelen over haar. Ik en mijn broer kwamen hier om de veertien dagen een weekend logeren. Papa woonde hier. Het was altijd een lange rit van drie kwartier. Alhoewel een groot gezin altijd mijn wens was, ik vond er niets aan om naar hier te komen. Maar als papa vrijdagavond ons kwam ophalen trok ik mijn meest vrolijke gezicht. Ik wou niet dat hij zich zorgen zou maken. Als hij gelukkig was met Geert, moesten wij dat ook zijn voor hen. Geert zelf was een lieve vrouw. Een beetje zwak in mijn ogen. De dingen die Bram en Lies tegen hun moeder zeiden zou ik nooit durven zeggen tegen die van mij. Het was zaterdag en morgen zouden we met z’n allen naar het park gaan. Ik hoopte dat het voor een betere sfeer zou zorgen hier in huis. Sinds enkele weken geleden was het bekend geworden dat Lies zwanger was. Samen met haar vriend, Tomas, zouden ze het kindje houden en hier komen wonen. Ik hoopte dat ik snel veertien zou worden en mocht kiezen waar ik in de weekends zou blijven. Als die baby hier was, wou ik absoluut niet meer naar hier komen. Ik zat op de computer te chatten met wat vrienden en Joren zat naar televisie te kijken. Zoals gewoonlijk at hij een appel. Ik had het opgegeven om te tellen hoeveel appels mijn broer per dag at. Lies kwam beneden en was razend. Ze maakte ruzie met Geert. Geert probeerde haar te kalmeren toen Lies weer naar boven wou lopen. Plots sloeg ze mijn broer in het gezicht. Binnenin knapte er iets in mij. Ik stond recht en wou op Lies vliegen want niemand raakte mijn broer aan! Papa hield me tegen. ‘Wordt rustig Manon’ zei hij. Lies brulde nog wat en liep naar boven. ‘Papa ik wil naar huis’. Even later zaten we in de auto. Papa zat vooraan samen met Joren. Ik en mijn zus zaten vanachter. ‘Ik wil met jullie bespreken wat er net gebeurd is’. Ik rolde met mijn ogen. ‘Ik wil naar huis’ was het enige wat ik zei. ‘Dat gaat niet Manon, we moeten niet weggaan omdat Lies zo doet’. Ik kon mijn oren niet geloven. Ik was dan misschien maar twaalf, toch wist ik dat het niet normaal was dat een vader bij zo’n gezin zou blijven als die net zijn zoon hadden geslagen zonder reden! Maar het was al snel duidelijk dat we niets te zeggen hadden. We keerde terug naar het huis. Ik sloot me samen met mijn broer op in de kamer en hoorde hoe papa ruzie maakte met Geert tot ’s avonds laat. Het was al donker buiten toen papa met ons terugreed naar Mechelen. We zouden bij bompa gaan slapen. Toen we na dat weekend terug thuis kwamen bij mama zag die meteen dat er iets aan de hand was. Het was een tegenstrijdig gevoel. Moest ik niets zeggen? Als ik dit zou zeggen zou mama boos worden op papa en mochten we hem misschien nooit meer zien. Maar als ik zweeg moesten we terugkeren naar Brecht, naar het huis, naar Lies. Er gebeurde precies wat ik gedacht had toen ik het vertelde aan mama. Toen we in bed lagen hoorde ik haar bellen naar papa en ze schreeuwde. Toen we terug boven kwamen op het verdiep waar mijn zusje lag was mama net een koffie aan het nemen. Ik zat weer met het tegenstrijdige gevoel. Moest ik haar zeggen wat papa’s plan was of moest ik zwijgen? Papa zou Geert morgen gaan halen dus misschien kon ik best nog even zwijgen. Er kwam een priester aangelopen. ‘Wat gaan we doen?’ vroeg ik aan mama. Ze volgde mijn blik. ‘We gaan een kleine bezinning doen voor je zusje’. Eindelijk, iemand die me geloofde. We zouden bidden dat het goed zou komen. De kamer was veel te klein voor onze familie. Toch vonden we allemaal een plekje. De priester begon te praten en al snel had ik door dat we niet gingen bidden voor hoop of genezing. We namen afscheid! Ik keek rond en zag hoe iedereen huilde. Zelfs vake, de vader van mijn mama, huilde. Ik begreep er niets van. Waarom geloofde niemand dat het goed zou komen? Na de bezinning liep ik met tante Charlotte naar beneden. Zij was de meter van Julieke. ‘Manon, ik vind het zo spijtig. Het doet zo’n pijn dat ik nooit meer iets kan doen voor mijn petekind’.  Die middag at ik samen met mijn broer, neven en nichten frietjes in de cafetaria. We lachten en maakte plezier.  Ik voelde me voor het eerst sinds lang terug kind en ik voelde geen schuldgevoel om het plezier dat ik beleefde. Het zou goed komen met mijn zusje. Het zou niet lang duren voor de dokters zouden zeggen dat we Julieke weer naar huis mochten nemen. Na de heerlijke fritten liep ik naar de kamer van mijn zusje, samen met mijn broer en oma. De dokters hadden mama de toestemming gegeven om Julieke op haar schoot te nemen. De blik in mijn mama zat vol liefde en een grote dosis verdriet. Ik was jaloers. Niet op de blik in haar ogen tegenover mijn zus, maar dat zij Julieke op haar schoot mocht nemen en ik niet. De inspanning was te zwaar voor Julieke en de draden rond haar kleine gezichtje maakte het er niet makkelijker op. ’s Avonds toen ik thuis kwam zat ik op mijn grote bed en staarde naar het hoekje van de kamer waar het bedje van Julieke lag. De roze beddenhoes en lakens van Kabouter Kwebbel waren netjes opgedekt voor haar thuiskomt. Een thuiskomt die nooit zou plaatsvinden, volgens de dokter althans. Mijn gsm maakte een trillend geluid. Ik las het berichtje van Eva, mijn beste vriendin die nu op skivakantie was. Ze zei dat ze liever bij me was gebleven. Ik glimlachte naar het scherm en typte snel mijn antwoord. Maak je geen zorgen hoor, alles komt goed. Amuseer jij je nu maar gewoon daar in de bergen’. Daarna viel ik in een diepe slaap, weg van alle zorgen, weg van alle pijn. De zon scheen heerlijk op mijn witte huid. Ik keek al uit naar de paasvakantie. Nog een half dagje school en eindelijk twee weken vakantie. We hadden net ons rapport gekregen. Ik had drie buizen, maar niets nam dit vrolijke gevoel weg. Vandaag zou mijn zusje thuiskomen na een weekje ziekenhuis. Ik zat samen met wat vrienden op één van de bankjes op de speelplaats. We lachte en plande fijne uitstapjes die we zouden maken in de paasvakantie. ‘Gaat je mama niet boos zijn voor je rapport?’ vroeg Nena. Zij was naast Eva ook één van mijn beste vriendinnen. ‘Ik denk het niet, ze zal vast blij zijn dat Julieke vandaag thuis komt’ lachte ik en nipte van mijn blikje Cola. Iedereen wist hoe streng mama kon zijn als ik een buis had. Ik werd dan gestraft en had een week huisarrest. Een ding was zeker, ze zou me niet kunnen thuis laten van de skivakantie die we met school zouden maken. Vanavond zouden we met de bus richting Italië vertrekken. Het zou niet alleen mijn eerste skivakantie worden maar ook mijn eerste reis naar het buitenland. Ik keek er al maanden naar uit en telde de dagen af. Eindelijk was het vanavond zo ver. Ik en Eva zouden samen met twee andere meisjes een kamer delen. ‘Vandaag is de gelukkigste dag van mijn leven’ lachte ik. Op de speelplaats was het druk. Eva kwam naar het bankje toegelopen. ‘Manon ze riepen je naam af uit de luidsprekers’. ‘Dat is vast die andere’ antwoorde ik. Toevallig zat ik op school met een naamgenoot van me. Dezelfde voor- en achternaam en net hetzelfde geschreven. Het gebeurde wel eens dat we elkanders schoolrekening thuis kregen. ‘Zou je toch niet eens gaan kijken?’ stelde Eva voor. Ik stak mijn arm rond die van haar en we liepen samen naar het onthaal. ‘Manon je grootmoeder heeft gebeld en je moet naar huis gaan’. Ik voelde hoe Eva me steviger vast nam en hoe ik me steeds zwakker begon te voelen. Mijn hersens hadden al snel de link gemaakt dat er iets mis was, er was iets met mijn zus. ‘Wat is er gebeurd?’ kreeg ik nog net gezegd. ‘Dat weten we niet’ zei de man achter het onthaal. ‘Ik ga met je mee om de poort open te doen van de fietsenstalling. Waar is je boekentas?’ Mijn hersens begonnen verschillende scenario’s te maken in mijn hoofd. Er was iets met mijn zus. ‘Die staat in de klas’ antwoorde Eva in mijn plaats. In de verte hoorde ik hoe de man voorstelde dat Eva mee naar de klas zou gaan. De drukte van de speelplaats deed er niet meer toe. ‘Luister eens’ haalde Eva me uit mijn gedachten. ‘Misschien is er niets aan de hand?’ probeerde ze me te kalmeren. ‘Niets aan de hand?’ herhaalde ik. ‘Eva ik moet naar mijn oma gaan, er is iets. Waarom moet ik anders zo snel mogelijk daar zijn?’ Eva liep nog mee naar de fietsenstalling. De man van het onthaal legde zijn hand op mijn fietsstuur. ‘Rijdt voorzichtig naar huis’. Ik zag het medelijden in zijn ogen. Hij wist meer. De weg van school naar oma duurde tien minuutjes. Vandaag waren dat er vijf. Ik ademde nog diep in voor ik binnenliep. ‘Manon?’ hoorde ik vanachter. Ik deed de voordeur open met de sleutel en liep naar de keuken. Mijn broer zat al aan tafel. Moeke, zo noemde we haar, liep heen en weer en vulde wat zakken. ‘Vake zal zo dadelijk thuis komen en dan vertrekken we naar het ziekenhuis’. Dat was het enigste wat ze zei. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik bang. ‘Dat weet ik zelf niet’. Ze loog. Mijn broer speelde met zijn Gameboy en ik staarde wat uit het raam. Het leek wel uren te duren voor vake thuis kwam, maar in de realiteit liep hij na enkele minuten al binnen. ‘We zijn weg’ zei hij gehaast. In de auto was het stil, niemand zei een woord. Het was warm dus draaide ik mijn raampje omlaag. Leuven was een eindje van bij moeke en vake’s huis. Toen we aankwamen bij het ziekenhuis stond papa buiten aan de ingang te wachten. Hij begroette moeke en vake en die begroete hem terug. Ik schoot bijna in de lach van het vreemde tafereel. Moeke had nooit een goed woord te zeggen over mijn papa. Toen verdwenen ze naar binnen. Papa ging op zijn hurken zitten. ‘Ik moet jullie iets vertellen over ons zus’ begon hij. ‘Julieke heeft niet lang meer te leven’. Hoe vaak hadden de dokters gezegd dat mijn zus niet lang zou leven? Hoe vaak hadden ze gezegd dat we er rekening moesten mee houden dat ze maar zes zou worden? Ze was er negen. We hadden haar negende verjaardag  vorige maand nog gevierd. Hoe vaak ze ons hadden gezegd dat er ooit een dag zou komen dat we afscheid moesten nemen van Julieke , ik voelde me verlaten, gekwetst en boos. Ze hadden het gezegd en ik had het daarstraks geweten toen ik op school naar huis werd gestuurd. Maar zelfs nu ik de woorden hoorde van papa was het een klap in mijn gezicht. ‘We gaan naar boven, heel de familie is hier’. Het was Paasmaandag. In Leest was er een grote braderij te doen, dus zelfs rondom Mechelen was het druk. Vandaag zou papa zijn ex - vriendin,  Geert meebrengen naar het ziekenhuis. Ik zag al op tegen  dat moment. ’s Morgens was het rustig in het ziekenhuis. Sommige van de familie waren nog onderweg. Vake zat een krant te lezen, moeke babbelde met mijn jongere neefje en mama was bij mijn zusje. Tegen de middag kwam papa aan met Geert aan z’n zijde. Mama werd boos en begon te brullen dat zij hier niet welkom was. Moeke kwam tussen beide en zij dat ze dit buiten moesten gaan uitvechten, niet in de buurt van Julieke. Maar papa begon te vloeken en liep weg. Ik had geen behoefte om hem achter na te gaan. Ik liep de kamer van Julieke binnen samen met mama en mijn broer. Ik en mijn broer gingen elk aan een kant staan. Hij links, ik rechts. Mama stond achter het bed een streelde de kleine fragiele voetjes. Ik wreef over het handje van mijn zus zoals ik altijd had gedaan. Met mijn andere hand maakte ik cirkels rond haar oogjes. Hier had ze altijd van genoten. En op dat moment begon de machine naast haar een vreselijk geluid te maken. Een geluid dat mijn hart door twee scheurde. De tijd stond stil. De verpleegster kwam binnen kijken en zei dat ze de dokter ging halen. Maar geen van ons drie reageerde. Mijn broer hield zijn vingers rond Julieke’s hand, ik bleef strelen en mama liet haar voetjes niet los. De dokter kwam binnen en bestudeerde het apparaat. ‘Het spijt me’ begon hij. ‘Ze is zonet overleden’.

Ana - lena
0 0

snippers vliegen ademloos

Aangestrand aan zee had ik nog geen enkele idee hoe die dag mij zo zou verrassen in het hier en nu, plots uit het niets aan het wateroppervlak... Ik trappelde aan en zag twee gebouwde piramides met ietsje verderop twee zandkuilen om lekker in te zitten... Daar ging ik dan ook in zitten met zicht op de zee, zon en piramides... Na wat schrijven was het tijd om los te laten... Snippers verscheurde gerecycleerde papiertjes kleurden blauwe inktvlekken opgenomen door de kracht van het water... tijd om nog iets los te laten... en de wind blies ze als confetti de golven in... Verder lezend in mijn dagboek keek ik starend voor mij uit... Plots zag ik iets dichtbij boven water komen... Het was zwart, bruin en rond... Dat kan toch geen zwemmende mens zijn, dacht ik... nu nog? Ik leunde voorover en plots sprongen mijn ogen er bijna uit... Is dit echt... is dit een zeehond... ik sprong uit mijn zitkuil en rende naar de zee... "Waauw, het is een zeehond"... "ongeloofelijk"... "fototoestel"... Ik rende, strompelde omhoog nam mijn fototoestel en rolde bijna van haast over mijn voeten terug... "Zo verwonderd was ik nog nooit geweest... Nu, hier, op dit moment in oog staan met een zwemmende zeehond... Ik zag hem dichterbij, zijn snorharen, zijn grote bruine sproeten op zijn zwarte glimmende kop... Dit was een moment om altijd te koesteren... Meermaals toonde hij zijn snoet en ging onder... We keken elkaar in de blik en raakten elkaars ziel... we waren verbonden... Eventjes dacht ik om in het water naar hem toe te zwemmen... Was hij uitgeput? Wat bracht hem op dit moment tot mij? Zal ik hem helpen? Ik liep stroomwaarts mee waar de golven hem brachten... Wat wou ik dat hij even aan land kwam zodat ik hem kon knuffelen... Wat een wonder openbaart zich hier... Ik begon luidop te chanten als een oude indiaan sjamaan en zong dat hij veilig terug zijn weg naar huis mocht vinden... Zo alleen van zijn pad afgeraakt in die wijde grootse zee... Tranen van emoties kwamen even aan de oppervlakte door dit pure, prachtige natuurlijke wezen die zomaar uit het niets zijn weg tot bij mij had gevonden... Misschien even twee eenzame zielen even de weg aan het zoeken... Bij het voelen was dit een mooie oefening in het los laten, waar ik daarvoor mee versnipperd was... Ik volgde nog even de zeehond en toen keerde ik zingend naar mijn zitput... Ik wenste zeehond een veilige reis, keek nog even diep in zijn ogen en zong een lied voor hem... Ik keek nog even achterom en liet zeehond los... Goede reis zeehond en kom veilig thuis, kom veilig thuis...

Tom Tanghe
0 0

Ver

Lourmarin: het bleef een lieflijk gezicht. Ik parkeerde dicht bij het kasteel en begaf mij eerst naar café Gaby. Het terras nodigde mij aanlokkelijk uit. Veel plaats was er niet meer. Het kleine dorp trok vele toeristen aan en er waren maar een beperkt aantal zitplaatsen te begeven. Ik behoorde tot de happy few en was niet van plan het eerstvolgende uur mijn zuurverdiende zitje af te staan. Het was altijd amusant het komen en gaan van de wandelaars te bekijken. Meestal was het ook grappig, zoals met die sjieke Amerikaanse dame die geen weg wist met haar dure huur-Mercedes-Benz (ik dacht aan het gelijknamige liedje van Chuck Berry). Mevrouwtje was blijkbaar gewend te parkeren zoals in haar thuishaven met zijn oversized parkings bestemd voor oversized limousines en dat lukte hier natuurlijk niet in dit piepkleine dorpje. Ik bestelde aan de garçon, die er eerder uitzag als een overjaarse gigolo, een frisse pint en une tarte aux poireau. Het heerlijk blonde gerstenat deed deugd, nadat ik de zon zolang gekoesterd had, en was op een wip opgedronken. Toen kwam het eenvoudige, maar lekkere preitaartje en dus vroeg ik ook maar een begeleidend glaasje witte wijn. Ik kreeg het terstond. Het was boordevol, zodat ik er eerst een slokje uit moest puren zonder het vast te nemen. Zonde om er maar een ietsje van te verspillen, dacht ik. Na mijn kleine lunch en een volgende blanc de blanc, strekte ik weer de benen om een bezoekje te brengen aan een mooie geschenkenwinkel. Het was nog steeds dezelfde oudere, deftige Franse dame die haar boetiek uitbaatte. Ik snuisterde wat rond, toen een grote, slanke jongedame met kort zwart haar, gekleed in een lange zwarte zomerjurk, kwam binnengestapt. De dames kenden elkaar en spraken over koetjes en kalfjes. Wel viel mij op dat de mademoiselle een opvallend, buitenlands accent had, dat ik niet direct kon thuiswijzen. Ze verdween opnieuw en een opgetutte en platinablonde Amerikaanse kwam binnen, vroeg wat uitleg omtrent een zilveren theeservies en verdween weer. Ik naderde de kassa en zei tegen de bazin dat ik hier vorig jaar nog geweest was en een fotokader had gekocht. We hadden toen nog een levendig gesprek gevoerd. “Ik dacht, toen u binnenkwam, dat ik u al eens ontmoet had,” zei ze. Ze verwees naar de vorige bezoekster: “Het krioelt hier van de Amerikanen,” merkte ze op, “en ze drijven de prijs van het onroerend goed naar onwerkelijke hoogtes.” Dat had ik inderdaad gemerkt als je in de vitrines keek van de vastgoedmakelaars. Een miljoen euro’s waren niet moeilijk kwijt te geraken. Ik nam afscheid van de vriendelijke dame en begaf mij naar de kunstgalerij die er tegenover gelegen was. Ik staarde onmiddellijk in de donkerbruine kijkers van la jeune femme en noir. Zij was het dus die de galerij uitbaatte. Twee kunstenaars stelden tentoon: een beeldhouwer en een schilder. Le sculpteur maakte enig mooie, menselijke figuren in brons. Ware het niet dat ze zeer prijzig waren, dan had ik graag zo eentje een plaatsje in mijn living willen bezorgen. Le peinteur was Daniel Brousse en zijn werken waren echte parels van de aquarelkunst. Dat heeft natuurlijk zijn prijs. De originelen waren voor mijn beurs onbetaalbaar, maar je kon er ook reproducties, met beperkte oplage, van kopen. En vermits ik nog een open plek op mijn livingmuur op te vullen had, was ik vlug bereid een relatief kleine som neer te tellen. De mooie dame pakte het ‘zicht over Lourmarin’ mooi in, en ze vroeg me waar ik vandaan kwam. “België,” antwoordde ik. “Dat was één van de mogelijkheden waar ik rekening mee hield,” lachte ze me gul toe. Er ontstond een klein brandje binnen in mezelf en ik dacht: pour un flirt avec toi, je ferais n’importe quoi, pour un flirt avec toi. Zij was, je gelooft het of niet, van Alaska. Na een vakantie in de Provence had ze besloten zich hier te vestigen en een galerie d’art te openen. Van het noordelijke Alaska (véél noordelijker kan bijna niet) naar dit zuiderse land moest toch een hele stap betekend hebben. “Maar daar heb ik totaal geen moeite mee gehad,” lachte ze breed uit.Met zo’n smile kom je natuurlijk ver. En ze kwam van ver.Ik was tijdens deze vakantie vele Amerikanen tegen gekomen. Zij was veruit de aantrekkelijkste. By far.

Marc M. Aerts
0 0

Vertrokken en vertrekken

Mijn auto betrad voorzichtig de kiezels van de oprijlaan, en we naderden Château La Canorgue. Ik parkeerde links onder de oude platanen en merkte op dat ik niet alleen was. Er stonden nog twee auto’s, één met Zwitserse en één met Franse nummerplaat. Ik ging de poort binnen en stond op een kleine binnenplaats. Rechts was er een deur die toegang verschafte tot la chambre de dégustation. Ik duwde het houten ding open en betrad het heiligdom. Dadelijk kwam ik oog in oog te staan met een jong Amerikaans koppel. Zij waren het met die huurauto met Frans kentekenbewijs. Het andere, wat oudere paar moest dan wel uit Zwitserland komen. Een mooie, voorname Franse dame trachtte de Amerikaanse jeugd op weg te helpen. De vrouwelijke kant van the American couple was de polyglotte, want zij deed al het vertaalwerk. Het waren hooguit mid-twintigers en ze zagen er uit als zijnde van (be-)goede huize. Hij vroeg telkens aan de kasteelvrouwe een bepaalde wijn te mogen proeven. De gastvrouw gaf tekst en uitleg in het Frans en de Amerikaanse vertaalde het voor haar boyfriend. Neen, getrouwd waren ze vast niet. Ik had de indruk dat hij het ganse wijnarsenaal wilde leegdrinken om daarna – zonder iets te kopen – goed beschonken verder te reizen met zijn vriendinnetje/tolk als chauffeur natuurlijk. Vrouwen kunnen nu eenmaal multitasken. Bij de pientere gastvrouw begon het te dagen en ze wendde zich tot mij. Ik vroeg de Viognier - mijn ontdekking van de avond ervoor - te mogen proeven. Geen probleem uiteraard. Hij was exquis. Tevens zag ik dat ze ook hun Chardonnay en hun rode wijn aanboden, dus vroeg ik ook die andere witte eens te mogen degusteren. Ook deze was voortreffelijk en had hetzelfde prijskaartje. Ik vertelde de châtelaine dat ik haar superbe wijn in een naburig hotelletje had gedronken en dit leek haar wel te bevallen. Ondertussen keek ik even rond in het wat wanordelijke maar gezellige kamertje. Ook de Zwitsers waren met hun proeverij gestart. Ze zagen er niet direct erg happy uit, maar ja die Zwitsers zijn meestal ook zo gereserveerd en ook niet echt vriendelijk te noemen. Anders was het gesteld met de Engelsman die kwam binnenwaaien. Hij hoefde helemaal niet te proeven. Hij wilde enkel zijn voorraad aanvullen. “Ik kom hier meermaals per jaar sinds ik mij hier in de buurt een mas heb gekocht. Hun wijn is uitstekend” verduidelijkte hij aan the American rookie en gaf hem een knipoogje. L’Americano bleef maar uitleg vragen en evenveel drinken. Ik wist genoeg en bestelde vier kartons Viognier. In een wip had de kasteelvrouw mijn bestelling klaar en ze deed er comme cadeau een fles Chardonnay bovenop. Een vrouw die haar wereld kent, dacht ik bij mezelf. Ik betaalde en laadde het bacchusvocht in mijn auto. De koffer, die ik vergroot had door de achterbank weg te kantelen, zat goed vol: een gedemonteerde mountainbike, een bijpassende valhelm, een voetpomp, een schilderij uit een galerie in Gordes, een pas gekochte windgong uit Maussanne, nog wat snuisterijen en dan de Viognier. De vlotte Engelsman kocht zes kartons rode wijn en weer was hij naar zijn Provençaalse woonstee vertrokken. De Zwitsers verlieten het kasteel. De man droeg een karton. Ze stapten in hun auto en vertrokken. Nog voor ik alles had ingeladen was het jonge koppeltje ook buitengekomen. “Het kost te veel om de wijn in Amerika te krijgen” zei het broekventje verontschuldigend tegen de vriendelijke kasteelvrouw. Ze trachtte geen spier te vertrekken.   Ik belandde, via een smalle zandweg, aan de achterzijde van het landgoed waar een vriendelijke man me begroette. Hij leek me wel de kasteelheer, weliswaar niet gekleed in fluweel en brokaat maar in een eenvoudige overall. Enkel op die manier kan je deze delicate wijn maken. Nog een nacht verbleef ik in deze heerlijke landstreek om dan naar huis te vertrekken.

Marc M. Aerts
0 0

Twee Amerikanen in Bonnieux

Mei 2000. Ik stuurde mijn autootje naar Bonnieux, een bergdorpje in de Provence dat geroemd wordt als één van de mooiste in Frankrijk. Het jaar voordien was het slechts een tijdelijke stopplaats geweest en nu wilde ik de kennismaking eens overdoen. Het stratenplan stond nog in mijn geheugen gegrift dus moest het de vorige keer toch indruk gemaakt hebben. Ik had nog enkele ansichtkaartjes van mijn vorig vakantieadres in een postbus te stoppen en toen ik deze had gevonden lachte een terrasje me toe. “Cela fait trois euros cinquante” zei het dienstertje tegen het Amerikaanse koppel tegenover me. De man betaalde met een briefje van twintig. “Hoeveel was het?” vroeg de vrouw aan haar echtgenoot. Hij zei niks en haalde zijn schouders op. “The waitress said it was three euros and fifty. Trois euros cinquante” vertrouwde ik, enigszins stout, de Amerikaanse toe. “Oh, thank you,” zei ze vriendelijk maar wat verbouwereerd. Ik bleef vrijpostig: ”That’s the advantage of being Belgian, we speak any language”. Ik geef toe, ik overdreef een beetje, maar ja ik was ver van thuis en niemand, buiten het Amerikaanse koppel, hoorde mij dat zeggen. “Is that so?” vroeg ze zich wel degelijk af.Ik kon er niet aan weerstaan om ééntalige Amerikanen eventjes te wijzen op onze polyglotte opvoeding in het kleine België. “Have you ever been to America?” had ze graag geweten. Ik knikte. “Wij wonen in Washington,” zei ze, “it’s a beautiful city”. Dat wilde ik graag geloven. “Nu gaan we naar Ménerbes waar deze schrijver heeft gewoond” en ze wees naar het boek op tafel ‘A year in Provence’. “Is Peter Mayle dan verhuisd?” vroeg ik. “Jaja,” zei ze.“Waarschijnlijk kreeg hij teveel bezoek van uw landgenoten” repliceerde ik op een alweer stoute manier. Maar mijn boude uitspraak viel in goede aarde en het koppel kon erom lachen alhoewel ik ze ervan verdacht mij in hun hoofd als brutale vlegel te verwensen. Wijselijk verborg ik mijn verlegenheid dat ook ik, zoals zovele Amerikanen, Engelsen, Hollanders en ga zo maar door, deze streek pas echt had leren kennen door de boeken van deze gewezen Engelse reclameman. Maand na maand beschreef hij in zijn befaamde roman de lotgevallen van hem en zijn vrouw tijdens de eeuwigdurende opknapbeurt van hun lieflijke Provençaalse woonstee. Tijdens het lezen van het boek kreeg je algauw zin om je wagen, de trein of een vliegtuig te nemen hier naartoe. Ik toch. “Enjoy your stay here,” zei haar echtgenoot en rechtte zijn rug. De dame uit Washington stond ook op en knikte instemmend. Ik bedankte ze en wenste hen hetzelfde toe. Ze begonnen aan hun volgende kleine trip. Dat hadden ze dan van de Europeanen geleerd. Zij maakten niet dezelfde fout als de meeste van hun landgenoten met hun: ‘if it’s Tuesday, this must be Belgium; if it’s Thursday this must be Rome …’

Marc M. Aerts
0 0