Lezen

Kou

Rillend van de kou wordt Arnoud wakker. Zijn moeder is al lang op en maakt het ontbijt klaar. Nou ja, denkt Arnoud, ontbijt. Ze krijgen weer maar eens een grote pot pap voorgeschoteld. Zijn vijf jongere zusjes en broertjes zitten al op het versleten laken dat als tafel moet dienstdoen, maar ook als bed voor de drie zusjes. De broertjes zijn aan het kibbelen, alsof ze daardoor de kou kunnen verdrijven die in hun lichaam is gekropen. Arnoud woont met zijn moeder en broers en zussen in een klein, bouwvallig huisje. Ze hebben niet veel geld en de kinderen kunnen niet meer naar school gaan. Vroeger hadden ze het goed, toen ze nog genoeg geld hadden om een huis te kunnen betalen en naar school te gaan. Maar hun vader was verslaafd geweest aan gokken, en dat was hen fataal geworden. Uit pure wanhoop had hij eens al hun geld en bezittingen ingezet. Hij had verloren, waardoor ze opeens zo arm waren dat ze gewoon op straat werden gezet. Arnouds vader was weggelopen van hun gezin en enkele dagen later was hij langs de kant van de weg gevonden. Er was een begrafenis geweest, maar alleen hun moeder was er naartoe geweest. Dat is al 3 jaar geleden en nu moet Arnoud zijn moeder helpen om hen allemaal in leven te houden. Arnoud had nooit geweten dat 5 kindermondjes zoveel eten kunnen verorberen. Arnoud is een langslaper, en soms is dat echt wel irritant, omdat dan meestal het ontbijt al lang op is. Hij is intussen wel gewend dat hij niet veel te eten krijgt, maar er zijn al keren geweest dat hij meer dan vier dagen na elkaar niks te eten had gekregen en als dat het geval is, staat hij de volgende dag heel vroeg op, zodat hij zowat de hele pot voor zichzelf heeft. Hoewel dat enorm veel protest veroorzaakt bij de kleintjes. Maar daar trekt Arnoud zich niks van aan. Overdag, als hij even weg mag, gaat hij langs bij de jongens die hij nog kent van de school. Eén van die jongens was zijn beste vriend, ze waren onafscheidelijk. Elke dag maakten ze samen hun huiswerk. Maar als Arnoud bij hem op bezoek gaat, in de sjofele broek en T-shirt die hij moet dragen, voelt hij welke gevolgen hun armoede heeft. De ouders van Pieter bekijken hem elke keer met meer afkeur dan de vorige keren en ook Pieter neemt steeds meer afstand van zijn boezemvriend. Arnoud lijdt daar enorm onder en verliest steeds meer de zin in het leven. Alleen zegt hij daar thuis niks over, zijn moeder heeft al meer dan genoeg aan haar hoofd, met al de zorgen waarmee hun vader hen heeft opgezadeld. Als Arnoud geen zin heeft om naar Pieter te gaan, of naar één van de andere jongens, wat steeds vaker gebeurt, gaat hij naar de oever van de rivier. Hun huisje staat er zo’n 500 meter vandaan, dus zo heel ver moet hij niet lopen om even alleen te zijn. En alleen, dat is hij, want zijn broers en zussen mogen er niet komen, uit angst dat er iets zou gebeuren, en zij zijn het enige gezin in de buurt van de rivier. Waarom, dat snapt Arnoud nog steeds niet, want het water is heel helder. Arnoud zwemt graag in het frisse water, om alle gedachten weg te spoelen. Vooral de gedachte aan zijn vader. Arnoud haat zijn vader bijna net zo veel als de toestand waarin ze door hem zijn verzeild geraakt. Als Arnoud bij de rivier zit, droomt hij weg, terug naar de tijd waarin alles nog zo goed was geweest – om daarna abrupt te worden teruggehaald naar hun armoede, omdat hij het zo verschrikkelijk koud heeft. Vreselijk!

Sarith Demarek
0 0

Vermist

Gek van ongerustheid en frustraties plofte Rupert neer op zijn stoel. Hij plantte zijn ellebogen hard op de tafel voor zijn neus en greep met zijn handen naar zijn hoofd. Met zijn vingers in zijn haar dacht hij aan Noor. Waar zat ze toch? Ze was nog maar negen! En toch was ze al een week zoek. Hij werd helemaal gek van bezorgdheid. Wat als er iets ergs was gebeurd? Hij wilde zijn zusje niet kwijt! De afgelopen week had hij onophoudelijk naar haar gezocht. De politie deed in zijn ogen niets, dus was hij zelf maar op onderzoek gegaan. “Een week is nog niet zo erg lang, we vinden haar wel.” Ja hoor, tuurlijk. Die week was een eeuwigheid voor een klein, fragiel meisje als Noor. Rupert was op alle plaatsen geweest waar ze ooit samen naartoe waren gegaan, hij was gaan aankloppen bij iedereen waarmee zijn zusje een link zou kunnen hebben, maar niemand had haar gezien. Zijn zoekgebied was steeds groter geworden en hij had ook de sociale media ingezet; op Instagram, Facebook en Snapchat had hij foto’s van haar verspreid, met de dringende vraag alles te melden dat kon helpen, hoe klein ook. Hij was fanatiek ingegaan op elke suggestie, maar iedere keer was het geëindigd op een doodlopend spoor. Rupert kneep kwaad zijn handen tot vuisten. Aangezien hij nog steeds voorover gebogen zat, trok hij daardoor bijna al zijn hoofdhaar uit, maar dat kon hem niet schelen. Die fysieke pijn verminderde de mentale pijn vanbinnen een tikkeltje. Na een tijdje werd het toch te pijnlijk, dus hij ontspande zijn greep en nam zo snel mogelijk zijn smartphone op. Hij controleerde wel vijf keer de reacties op zijn hulpoproepen, maar er was niks nieuws bijgekomen. Terwijl hij daarmee bezig was, hoorde hij beneden zijn moeder naar hem roepen. ‘Rupert! Kom naar beneden!’ Hij sprong recht en rende naar beneden. Vol hoop deed hij de deur naar de keuken open, maar enkel om te merken dat het eten klaarstond. Zijn schouders zakten naar beneden. Zijn moeder zag zijn reactie en keek hem droevig aan. Zonder een woord te wisselen gingen ze aan tafel zitten, waar Ryta en zijn vader al klaar zaten om te eten. Rupert keek hen niet aan, hoewel hij de blik van zijn 3 jaar jongere zusje op zich voelde branden. In plaats daarvan staarde hij intensief naar de lege stoel van zijn jongste zusje, alsof hij hoopte dat ze daardoor misschien terug zou komen. Lusteloos at hij zijn bord leeg, vanbinnen brandend van spijt. Hoe vaak had hij hier aan tafel gezeten, domme opmerkingen makend tegen Noor? De gemeenste dingen had hij naar haar hoofd geslingerd, zonder zich bewust te zijn van de gevolgen. Wie weet, misschien was één van die opmerkingen er wel te veel aan geweest? Misschien had één van zijn sneren de emmer doen overlopen en was het zijn schuld dat Noor nu niet samen met hen aan tafel zat? Rupert kon zich niet eens voorstellen – dúrfde niet – hoe het zou zijn om haar terug te hebben en te weten dat hij haar had weggejaagd, dat hij ervoor had gezorgd dat ze op haar prille, negenjarige leeftijd een hele week alleen was geweest. Hij zou het zichzelf nooit vergeven, daar was hij zeker van. De tranen brandden in zijn ogen, maar hij wilde niet dat iemand ze zag, dus ruimde hij snel zijn bord af en ging terug naar zijn kamer. Hij checkte nog een keer alle reacties, maar er zat nog steeds geen nieuws tussen. Frustratie maakte zich van hem meester en met een luide brul keilde hij de telefoon op zijn bed. Hij stuiterde weg en belandde op de grond, maar Rupert keek niet of er iets aan was. Niet belangrijk. Uitgeput liet hij zich voorover op bed vallen, met zijn gezicht in zijn hoofdkussen begraven. Hij liet zijn tranen eindelijk de vrije loop en al snel was zijn kussen doorweekt. Nasnikkend en totaal op viel hij uiteindelijk in slaap, mat al zijn kleren nog aan, terwijl er één vraag door zijn hoofd bleef echoën: ‘Noor, waar ben je?’

Sarith Demarek
0 0

Pestkoppen!

Anke begon te rennen. Ze rende haar longen uit haar lijf, terwijl ze achter zich de voetstappen naderbij hoorde komen. De oudste van de jongens die haar achterna zaten riep iets naar haar, maar ze hoorde enkel haar eigen piepende adem in haar oren. Ze stak nog een tandje bij en haalde alles uit haar uithoudingsvermogen, terwijl ze zoals elke keer de jongens achter zich hoorde schreeuwen naar elkaar. Hun voetstappen kletterden op de straat en werden steeds luider. Anke voelde haar longen branden en ze kreeg steken in haar zij. Ze sloeg razendsnel een hoek om, om daarna zeer snel te moeten remmen, om niet te struikelen over de houten balken die overal verspreid lagen in de straat. Na een snelle blik achterom constateerde ze dat haar achtervolgers dit hadden geweten en haar hierheen hadden gedreven. Ze grijnsden alle drie gemeen en versnelden nog wat. Anke sprak al haar reserves aan en begon weer te rennen. Als een engel vloog ze over de obstakels die haar de weg versperden, maar in haar achterhoofd wist ze dat ze al had verloren. Haar rugzak bonkte bij elke stap pijnlijk op haar rug, en ze hoorde de spullen bijna breken. Ze kwam nog steeds vooruit, bleef doorrennen, maar de jongens hadden ook gezien dat ze steeds vaker haperde. Het gaf hen meer kracht, leek het wel, en ze haalden haar in. Eéntje greep haar tas vast en gaf er al rennend een harde ruk aan. Anke struikelde, uit haar evenwicht gebracht, over een dikke balk. Ze viel voorover en landde met haar hoofd op de hoek van een volgend brok puin. Een withete pijn ontploft achter haar ogen, en ze bleef even bewusteloos liggen. Toen ze na een fractieseconde weer wakker werd, wenste ze in stilte dat ze langer bewusteloos was gebleven. Niet dat dat haar plaaggeesten zou hebben tegengehouden om haar waar mogelijk zo erg mogelijk toe te takelen, maar dan had ze er op het moment zelf tenminste geen pijn van gevoeld. Nu zag ze bij het openen van haar ogen drie grijnzende gezichten voor haar. Er liep een warme vloeistof over haar slapen naar de grond, waarbij de helft in haar korte haar bleef hangen en daar opdroogde. Anke had dat gevoel al zo vaak ervaren dat ze er geen aandacht meer aan besteedde. Ze staarde doodsbang naar de jongens. ‘Nou, trut, hoe zit het? Geef je je al over?’ Eén van de jongens, Anke kon niet zien wie precies, doordat haar zicht nog wat wazig was na haar onaangename kennismaking met de balk, nam het woord en benadrukte zijn belediging nog wat meer met een trap in haar zij. ‘Ja, ik meen me te herinneren dat je gisteren wel víjf meter verder was geraakt!’ spotte een andere jongen, waarvan Anke enkel de forsgebouwde gestalte kon onderscheiden. De derde jongen was een zielig ding dat ze nog nooit een woord had zien of horen spreken, dus Anke keek verbaasd op toen hij plots zei: ‘Wij hebben het niet zo op nieuwtjes, of wel, jongens?’ Alsof de andere twee nog wat meer motivatie nodig hadden om haar te martelen en te vernederen. De eerste jongen lachte gemeen en antwoordde: ‘Neen, hé, Jonas, die hebben we hier niet graag, hé.’ Hij keek sluw naar de forse jongen – Matthias, meende Anke nu te weten – en toen draaide hij zich om naar Jonas. ‘Maar help me, hoelang ben jij hier nu al?’ vroeg hij. Jonas’ gezichtsuitdrukking werd plots zeer angstig, en hij leek zijn fout te beseffen. ‘Eh… ee-een jaar of zo?’ stotterde hij, en Karel – Ankes geheugen kwam steeds meer terug – begon nog breder en arroganter te grijnzen. ‘En dat vind jij genoeg om er al helemaal bij te horen?’ vroeg hij vals. ‘Ik… ik… ik denk van w-w-wel, ja…’ Jonas strompelde plots achteruit, terwijl hij jammerend zijn beide handen voor zijn neus sloeg. Anke zag een rode stroom van tussen zijn vingers komen. Ze keek geschrokken naar Karel, die rustig zijn vuist aan het masseren was na de bliksemsnelle slag tegen de neus van de meeloper voor hem. ‘Nou, dat vind ik dus niet!’ Hij maakte zich klaar om Jonas nog een klop te verkopen, maar Anke dacht niet meer na over de gevolgen en haar benen schoten uit. Ze raakte Karel vol op zijn enkels, waardoor hij verrast achteruitsprong. In de tijd die hij nodig had om te herstellen en van de schrik te bekomen, trok Anke haar armen uit de riemen van haar rugzak en sprong recht. Ze voelde nu duidelijk de stroom opgedroogd bloed als een trekkende pleister op haar voorhoofd, maar ze ging voor Jonas staan, met haar vuisten gebald. Haar blik kruiste heel even die van hem, en in zijn ogen las ze bewondering, heel veel dankbaarheid en nog steeds een beetje haat, maar die zag ze verdwijnen in de milliseconde waarin ze elkaar aankeken. Ze draaide zich om, op het moment dat Karel terug recht krabbelde en Matthias zich ook klaarmaakte om hen ervan langs te geven. Anke hoorde achter zich dat Jonas zich verplaatste en zag dat hij naast haar kwam staan, met zijn ogen nu vol haat. Maar die was niet langer tegen haar gericht, maar tegen de twee kwelgeesten voor hen. Zo stonden ze daar, twee jongens die dachten dat de wereld aan hun voeten lag en ze alles mochten, een jongen met een bloedneus die tot voor kort ook zo had gedacht en een meisje met haar kleren vol modder en een ernstig bebloed voorhoofd. Ze stonden tegenover elkaar, en Anke voelde zich máchtig. Al sinds het begin van het schooljaar, zo’n negen maanden geleden, werd ze achtervolgd door die drie. Nu stond ze aan één kant met de sympathiekste en maakte ze zich klaar om het voor de eerste keer voor zichzelf op te nemen. Ze was er klaar voor. Ze keek uit haar ooghoek naar Jonas, en op hetzelfde moment keek hij naar haar. Ze glimlachte en schoot naar voren. Haar gebalde vuist raakte Karel vol in zijn buik, en ze voelde de wind van zijn zucht – Oef! – in haar gezicht. Ze zag dat Jonas hetzelfde had gedaan bij Matthias, maar ze mocht zich niet laten afleiden. Ze concentreerde zich op Karel en begon hem te bewerken met haar ellebogen, vuisten, voeten, knieën… waar ze hem maar raken kon. Ze was vastbesloten om al haar opgekropte woede en frustratie eruit te slaan. Zelf incasseerde ze ook een aantal slagen, waarvan één op haar linkeroog, maar ze kon niet ophouden. Op een bepaald moment merkte ze dat ze hem tegen de muur had aangedrukt, waardoor hij minder ruimte had om zich te verdedigen. Ze realiseerde zich waar ze mee bezig was en stopte onmiddellijk. Hijgend liet ze Karel los en hij zakte in elkaar. Vervuld van afschuw over wat ze had gedaan stapte ze achteruit, tot ze met haar rug tegen de tegenovergestelde muur stond. Ze zag Jonas nog een laatste klap uitdelen, en ook Matthias zakte bont en blauw in elkaar. De twee grepen elkaar vast en strompelden weg, nauwelijks in staat om zichzelf recht te houden. Anke en Jonas keken elkaar aan. Jonas had een gezwollen lip, maar verder leek hij in orde. ‘Anke…’ begon hij, maar ze liet hem niet uitpraten. ‘Waarom deed je dat? Waarom hielp je hen? De eerste dag dat ik je zag, leek je zo aardig! En voor de rest ook. Maar vanaf het moment dat zíj in de buurt kwamen, veranderde je totaal. Waarom?’ vroeg ze. ‘Anke, ik… ik was bang. In het vorige plaatsje waar ik woonde, werd ik ook gepest, en dat wilde ik niet meer opnieuw meemaken. Ik wilde mezelf beschermen. Het spijt me zo.’ Hij boog zijn hoofd en keek naar de grond. ‘Ik begrijp dat je jezelf wilde beschermen, maar waarom dan zelf pesten? Ik nam het voor je op omdat ik er niet tegen kan mensen te zien lijden, maar dat betekent nog niet dat ik je alles heb vergeven.’ Anke begon achteruit te lopen, ervoor zorgend dat ze daarbij niet over iets struikelde. Ze liep naar haar tas en raapte hem op. Ze deed hem, tot verbazing van Jonas, open en haalde er een blok kladpapier uit. Ze nam een potlood en schreef iets op. Daarna vouwde ze het papier in vieren en schreef nog iets. Ze stak alles weer weg, hing haar tas op haar rug en liep zonder iets te zeggen weg. In het passeren bij Jonas duwde ze hem het papier in handen. Jonas keek nieuwsgierig naar beneden en zag in hoofdletters staan: TEL TOT TIEN EN DOE OPEN. Hij keek verbaasd naar Anke, maar zag haar nog net resoluut de hoek omslaan. Hij besloot dat hij al tot tien had geteld en vouwde het papier open. Er stond: Maar ik kan het altijd proberen. 17 uur, dorpsplein.

Sarith Demarek
0 0

Kick

Wanneer we de hoek omslaan, weg van de grote baan, strekt de boulevard zich voor ons uit. Onze voeten roffelen op de harde aardegrond, terwijl jouw haar strak naar achteren wordt gehouden door een rekkertje. Toch zwiert je paardenstaart heen en weer, je donkere haar even prachtig als altijd. We rennen steeds sneller, totdat onze voeten onze hersenimpulsen niet meer bij lijken te houden en onze benen overgaan op de automatische piloot. Ik loop nog sneller, mijn voeten raken de ongelijke ondergrond bijna niet meer, lijkt het wel, ik heb geen last meer van enig obstakel op mijn weg. Die weg is voorwaarts, steeds maar vooruit, ik loop steeds verder weg van alles – alle problemen, tegenslagen, teleurstellingen die heb moeten verwerken laat ik achter me naarmate mijn snelheid toeneemt. Ik heb overal genoeg van, ik wil niets anders meer dan dit. Rennen, rennen, rennen. Mijn ademhaling wordt steeds moeizamer, mijn longen kunnen de inspanning niet helemaal aan, maar ik blijf doorgaan. Je roept mijn naam, ik hoor de uitputting in je stem, maar ik kan niet ophouden. Ik moet blijven rennen. Ademhalen wordt nu steeds lastiger, ik adem piepend in en piepend uit, maar ik ga me niet laten tegenhouden door zoiets ordinair als een menselijk lichaam dat het begeeft. Snelheid, is het enige waar ik nog aan kan denken, nog sneller gaan, nog een beetje, en nog wat sneller. Ik voel mijn benen niet meer, sta op het punt om op te geven, maar ik pomp nog wat harder met mijn armen en maak nog meer snelheid. Ik heb je helemaal achtergelaten, vergeef me dat, maar je moet weten dat ik niet wegloop van jou. Nee, ik loop weg van mijn miserie, van de gebreken van het bestaan, ik loop weg voor heel veel dingen, maar niet voor jou. Ik zou je nooit kunnen achterlaten, je bent één van de weinige redenen waarom ik niet gewoon blijf rennen tot ik neerval, je bent de reden waarom ik me elke dag opnieuw inhoud, waarom ik elke keer opnieuw weer vertraag en terugga naar mijn leven, naar mijn aardse bestaan. Onthoud dat zeer goed, je bent de grootste factor die me ervan weerhoudt om alles op te geven, laat me alsjeblieft nooit, nóóit in de steek, je bent alles voor mij. Je roept opnieuw mijn naam, van heel ver weg dring je door tot mijn compleet uitgeputte brein, of misschien komt het doordat ik al zo ver weg ben gelopen. Ik kan het einde van de ellenlange boulevard zeer duidelijk zien, wat betekent dat ik zo’n acht kilometer aan mijn allersnelste tempo heb gelopen. Ik vertraag, steeds meer, totdat ik het einde van de weg heb bereikt en met mijn handen op mijn knieën sta ik uit te hijgen. Mijn hartslag gaat van 200 naar 150 en dan naar 100, tot jij bij me aankomt en me opnieuw verwijten begint te maken, net als elke keer, maar dit zijn de enige verwijten die ik niet frustrerend vind, de enige persoon die me ongestraft verwijten mag maken, ben jij. Ik glimlach terwijl je stem wegsterft, want om me bij te proberen houden heb je je lichaam tot het uiterste moeten drijven, waardoor je nu dubbel zo uitgeput bent als ik – ik doe dit al langer, veel langer dan jij, en je moet er nog aan wennen. Op een dag kun je me bijhouden, lopen we samen zo snel als ik nu liep, op een dag zijn we even uitgeput, op een dag komen we tegelijkertijd aan bij het einde. Tot die dag moet je het ermee doen dat ik je beloon met een glimlach en de beste en vurigste kus die ik je kan bieden, de kussen die ik bewaar voor jou, de kussen die niemand op de hele wereld, in de hele kosmos, ooit zal krijgen, want ik houd ze bij voor deze momenten, om je te belonen voor je inspanningen, om ervoor te zorgen dat je weet dat jij de enige bent die ertoe doet. Als we onze monden losweken van elkaar, zijn we allebei terug tot rust gekomen. We wandelen hand in hand terug, in een rustig tempo, en als we opnieuw aan de kruising met de grote baan staan, vraag ik: ‘Komen we morgen terug?’ Als antwoord trek je me dicht tegen je aan en je fluistert liefdevol tegen mijn lippen: ‘Natuurlijk komen we morgen terug.’

Sarith Demarek
0 0

Icarus Falling

„Een dwaas, hij krijgt weeën van een verhaal, zoals een vrouw die moet baren ze krijgt van haar kind, Als een pijl die steekt in het vlees van de dij, zo steekt een verhaal in het binnenste van een dwaas.” Wijsheid van Jezus Sirach 19, 11-12.   Dit is het verhaal van de jonge Max Brul. Het is gevloeid uit de pen van een dwaas.   Alle schrijvers zijn dwazen!   ***   HOOFDSTUK I HET BEGIN Op een dag — hij was nog echt een kind — besloot Max Brul verliefd te worden, hij wist alleen nog niet op wie. Hij had zijn vrienden op de speelplaats over de meisjes horen vertellen. Wim, die sprak misschien de waarheid; hij kon het weten, hij had oudere zussen. Dirk, het lag er vingerdik op, die kon goed overdrijven; en Max, tja Max, hij zweeg. Voor hem was alles ernst.   GEA Zij was negentien en een half. Hij was iets ouder dan zestien en van verliefd worden was nog niet veel terechtgekomen. Hij kende haar, hij had haar al vaker gezien. Ze had al ruim twee jaar verkering met een leeftijdgenoot, en voor zover Max wist, was ze gelukkig. Ze stelt geen belang in mij, schreef hij; waarom zou ze ook, vergeleken bij haar, was hij maar een snotneus. En toch... Plots kwam ze op hem af, zomaar op straat: - Max, je koopt toch een kaartje voor onze T.D., hé? - Een T.D.? Wat heb ik dáár verloren? - Wel heb je ooit, zeg me niet dat je nog nooit bent uit geweest!? Dat werd dus zijn eerste fuif.   DE FUIF Echt op zijn gemak voelde hij er zich niet. Niets dan onbekende gezichten, die van de meisjes, opgetut en onbereikbaar, die van de jongens, vulgair en vuilbekkend: fuck, ass, suck, dick... En waar was Gea Adams? Plots was ze er... samen met haar vriend. Ze zei even goeiedag, en dat was het dan. Hiervoor had hij een kaartje gekocht, hiervoor had hij thuis moeten knokken: één seconde en dan was het gedaan. Om elf uur ging hij terug naar huis. Hij had het koud en zijn kleren roken naar sigaretten. Zo vlug hij kon, vluchtte hij naar zijn kamer, wierp zijn kleren in de verste hoek en kroop naakt in bed. Zachtjes begon hij zijn stijve penis af te trekken; hij had een roodharig meisje voor ogen, ze was bijna drie jaar ouder dan hem. Haar naam was Gea Adams.   MOEDER Some day I'm gonna kill my mother Some day I'm gonna kill my mother Some day I'm gonna kill my mother Het leek wel alsof hij strafwerk aan het schrijven was, telkens hetzelfde regeltje, wel honderd keer na elkaar. En misschien was het ook een soort straf, een boete die hij zichzelf had opgelegd, dag na dag, een boete omdat hij bang was, bang voor de gruwelgedachten in zijn hoofd, bang voor het krijsen: Some day I'm gonna kill my mother Some day I'm gonna kill my mother En zo is zijn schrijven begonnen...   DE DROOM Ze liep door een oneindig lange gang, oneindig lang, omzuild met Gotische kolommen. Ze wist dat ze voor haar leven liep; er lag doodsangst in haar ogen. Hij zag haar lopen als in een film. Hij zag zelfs de twee zwarte randen boven- en onderaan het beeld. Het was niet meer het mooie gezicht van Gea waar hij van droomde, het was het afstotelijke gezicht van zijn moeder. En hij liet haar lopen, lopen voor haar leven, wetend dat hij haar doden zou, doden aan het einde van de gang.   DE LIEFDE Gea was zijn eerste 'echte liefde'. Zij vond hem leuk, en hij vond haar leuk, alleen hun leeftijd zat soms een beetje in de weg. Haar vriend natuurlijk ook, maar dat was minder belangrijk. Beetje bij beetje leerden ze elkaar beter kennen. Beetje bij beetje raakten ze aan elkaar gehecht. Hij was voor Gea het jongere broertje waar ze altijd met haar problemen bij terecht kon — met haar vriend kon ze namelijk niet goed praten. Zij was voor Max als een soort moeder, ze leerde hem de simpele dingen die moeders horen te leren aan hun kind, vanzelfsprekende dingen die hij zonder haar nooit als vanzelfsprekend zou hebben aangenomen. Ze zagen elkaar na schooltijd, soms op straat, soms bij haar thuis. Hoe lang duurde het? Een jaar? Iets meer? Iets minder? Plots stonden ze samen in het donker op straat, in de motregen... En ze kusten elkaar. Zij had niets durven zeggen omdat ze al een vriend had en hij, hij voelde zich altijd al een groentje... Maar het was grote liefde, zoveel was duidelijk... De ellende begon...   DE HAAT Wat heb ik je misdaan? Ik ben je moeder. Heb je ooit iets te kort gehad door mij? Ik heb altijd alles overgehad voor jou. Waarom bedrieg je me dan zo? Het was dus uitgekomen. Hoe ze het ontdekt had, daar kon hij alleen naar raden. Maar ze wist blijkbaar alles en ze trok werkelijk alle registers open. Tieren, roepen, krijsen, schreeuwen, huilen... Niets wat ze niet aankon. Zijn moeder trapte op zijn ziel en hij haatte haar hiervoor. En het dreunde weer, het dreunde in zijn hoofd: Some day I'm gonna kill my mother   HET LIJDEN Drie dagen na elkaar ondernam hij pogingen Gea te bereiken. Bladzijden en bladzijden onzin had hij al geschreven, en alles wat aan zijn prullenmand ontsnapte, stopte hij bij haar in de brievenbus. Waar bleef ze? Waarom antwoordde ze niet? Na drie dagen zag hij haar eindelijk terug. Toen pas begreep hij hoe efficiënt zijn moeder was in het intimideren van iedereen die een slechte invloed kon hebben op haar enige zoontje. Het was zijn eerste tongzoen geweest die avond in de motregen, en het zag ernaar uit dat het voor lange tijd de laatste zou blijven. Soms had hij zin om een potje te huilen: Some day I'm gonna kill my mother   HET WACHTEN Nog een klein jaartje wachten, en dan ben je hier weg, dan zit je in Gent of Leuven of nog verder om te studeren, had Gea hem gezegd, Dan zal je niet meer denken aan mij, maar ook niet aan je moeder, dan zul je vrij zijn, vrij te leven zoals jij het wil. Ze was lief, Gea, en hij zou haar missen. Hij wilde haar niet vergeten, maar hoopte toch dat ze gelijk had. HOOFDSTUK II HET HUIS Het was koud in het kleine arbeidershuisje aan de rand van de provinciestad. Buiten was het november, donker en nat. Iemand had zonder er veel zorg aan te besteden een vuurtje aangelegd in de haard. Het had niet lang gebrand. Iedereen was in de rouw. Tante Plant zat zoals altijd in haar speciale stoel voor zich uit te staren. Haar jongere broer was bij een vriendje en aan tafel zat haar oudste zuster, samen met Vader. De plaats van Moeder was leeg. Er hing haat in de lucht, haat en veel verdriet. Nog maar pas was de oud geworden man vol bittere woede tegen zijn dochter uitgevaren. Er waren slagen gevallen en de vrouw had met haar schrille stem iets teruggegild. Toen was het stil geworden. Boven sliep een kleine jongen. Zijn naam was Max Brul.   DE HERINNERING Hij herinnerde zich niet ooit geboren te zijn... Hij werd gered uit een soort hel door een lieve oude meneer. En elke dag bracht die lieve oude meneer hem er weer naar terug. Dat moest, zo zei die, want hij was nog maar een kind en hij hoorde thuis bij de juffrouw, tussen de andere kinderen. Maar hij hield niet van de juffrouw en ook niet van de kinderen. Eén ervan riep steeds: Grootva zal je niet komen halen vandaag! Grootva heeft je vergeten! Grootva heeft je vergeten! Toen pakten ze zijn snoep af en zijn boekentas... Hij zat altijd te huilen als Grootva kwam... Max was overgelukkig met hem mee te mogen op de fiets, naar het kleine huis aan de rand van de stad. Uren zat hij daar onder tafel. Mensen zien komen en gaan, observeren, veilig, zonder zelf gezien te worden... Dan zag hij, net als de lieve jonge mevrouw in haar speciale stoel, hoe Grootva vuile boekjes las, hoe de niet zo lieve en niet zo jonge poetsvrouw snuisterde in de lade met het geld, en hoe een jonge meneer, oom Frank genaamd, heel stiekem de meisjes meebracht naar huis. Oom Frank tastte graag onder hun rokken en stal veel meer dan zedige kussen, maar de meisjes waren bang van tante Plant, die, als er niemand anders keek, knipoogde en soms haar tong uitstak. Soms — men noemde het vakantie — moest hij naar een vreemde vrouw, zijn moeder. De enige man in huis, was de man op haar kamer; Hij keek altijd droevig. Jezus op de olijfberg, biddend maar niet verhoord, zoon van de Vader...   DE WALGING Zijn moeder was een bespottelijk mens! Zoals ze door het huis liep en hem het leven zuur maakte, bwah, hij walgde ervan. Ze zeggen dat mensen veranderen, wel, dat gold dan niet voor zijn moeder. In haar jonge jaren was ze — naar eigen zeggen — een schoonheid geweest. Hij kende haar alleen maar als een lawaaierige klomp vet, samengehouden door een vormloos trainingspak. Was ik maar schooljuffrouw geworden, zuchtte ze vaak, of lerares turnen... Nee, veel creativiteit had ze nooit gehad. Haar leven was niet meer dan een eindeloze opeenvolging van was-ik-maar's. Hij leed eronder.   DE SCHULD Zijn moeder werd op haar negentiende zwanger gemaakt door een voor hem nog altijd onbekende man. Zo had ze nooit de tijd gehad om te studeren, of dat was toch het verhaal dat hij altijd te horen kreeg. Het was alsof hij zich daarvoor schuldig moest voelen. Dat ze al op haar vijftiende was beginnen werken, wist hij niet. Mijn moeder is een domme vrouw, en ik heb daar schuld aan.   DE RUZIE Toen haar moeder stierf op een dag in november, besloot ze alleen te gaan wonen. Hoe ze erbij kwam, bleef een raadsel voor Max. Haar vader was woedend geweest en had heftig geprotesteerd. Er waren zelfs slagen gevallen. Het mocht niet baten. Voor de eerste en enige keer in haar leven voerde ze ook effectief door wat ze besloten had. Elke dag na haar werk, kwam ze Max bij haar vader oppikken, maar dat herinnerde hij zich niet meer, enkel de vakanties. Dan miste hij zijn grootvader en oom Frank. Wie hij nog het meeste miste, dat was tante Plant.   ALICE FALLING Tante Plant heette vroeger Alice. Ze was ietsje jonger dan zijn moeder, maar veel rijper. Op haar zestiende leerde ze een man kennen met een auto die 160 kon rijden —en dat ook vaak deed. Hij was meer dan tien jaar ouder. Hij rookte als een ketter en vloekte twee keer bij elk woord dat hij uitbracht. Dit alles viel niet in goede aarde bij haar vader, maar veel tijd om te reageren kreeg hij niet. Al vlug bleek zijn dochter zwanger te zijn en was het wenselijk dat ze binnen de kortste keren goed en wel getrouwd was. Voor hem was dat een zware klap. Haar moeder, die toen nog leefde, nam het allemaal nogal berustend op, al was ze wat gegeneerd. Enerzijds omdat haar dochter ongehuwd zwanger was geworden —maar dat was een beetje zo gepland, zo had Alice háár en alleen háár toevertrouwd. Anderzijds omdat ze liever haar oudste dochter eerst getrouwd had gezien. De straf van God, zo drukte Vader het uit, zou echter niet lang op zich laten wachten. Precies één week voor het huwelijk reed het jonge stel zich samen met hun ongeboren kind te pletter met de auto die 160 kon rijden —en dat ook deed. De man was op slag dood; misschien had Hij dat wel zo voorzien. Alice zelf had de klap als bij wonder overleefd, maar dat was dan ook alles. Haar baarmoeder was doormidden gescheurd. De roddeltantes uit de buurt zouden nooit met zekerheid weten of ze nu werkelijk zwanger was geweest. Ze had niet alleen haar kind, maar ook haar verstand verloren. Haar geest viel in een diepe put, een wit konijntje achterna; de tijd viel stil. Terug thuis uit het hospitaal werd tante Plant in een stoel met een pot geplant en daar zat ze dan, zwijgend voor zich uitstarend, wat er ook gebeurde. Nee, voor het nageslacht Brul was er weinig goeds in de sterren geschreven.   ICARUS FALLING instruit et natum: "Medioque ut limite curras, Icare, ait, moneo, ne, si demissior ibis, unda gravet pennas, si celsior, ignis adurat: Inter utrumque vola" Ovidius' Metamorfosen, Daidalus & Icarus, v203-206a   Mijn wereld is een eiland, en volgens mij bestaan er drie soorten mensen.   Een eerste soort is voortdurend bezig met het bouwen van muren. Elke nieuwe muur op het eiland stelt een ontdekking voor: de revelatie van iets —een leefregel, een natuurwet, iets— dat er precies altijd al geweest is, maar dat pas duidelijk is geworden na het bouwen van de muur. Zoals een muur al kan voorzien zijn op het plan van een architect, maar pas echt muur wordt eens het plan volledig uitgevoerd.   De mensen die dit inzien, zijn dan van de tweede soort, en zij loven de architect van hun wereld om zijn plan. Ondertussen echter worden de muren alsmaar hoger en alsmaar talrijker.   Het plan lijkt wel oneindig en daar heeft een derde soort mensen wel wat moeite mee. Het plan, voor velen nog een bron van zinvol leven, verandert voor dit soort mensen in een labyrint, een absurde gevangenis, bedacht door een op hol geslagen tiran, en ze stellen dan ook alles in het werk om aan hun eiland te ontsnappen.   Ikzelf, ik heb ook vleugels gemaakt. Besluiteloos sta ik op de muren van mijn eiland te staren over de eindeloze zee. En dan val ik... Ik val en ik val en ik val en ik vlieg...   —   Mijn wereld is die van de hoge lucht en volgens mij bestaan er drie soorten mensen.   Allereerst zijn er de moderne mensen; gefascineerd door de zon en het absolute, steeds hoger en hoger vliegend, smelt de was van hun vleugels...   Dan zijn er de postmodernen; afkerig van het Licht, zich krachteloos voortbewegend, worden hun vleugels zwaar van het water...   Ten slotte bestaat er nog een kleine groep van ideale mensen. Zich duchtend voor het water, op hun hoede voor de zon, vliegen zij vooruit tussen onzichtbare grenzen. Dit is hun doel. Ze kennen de richting, maar niet hun bestemming.   Ikzelf heb de neiging de verschroeiende zon te mijden, maar nooit is het me gelukt te ontkomen aan het water. Het water sleurt mij met zich mee, steeds verder, steeds dieper... Tot ik aanspoel...   —   Mijn wereld is een eiland en volgens mij bestaan er drie soorten mensen...   Max Brul   DE ZONDAGSSCHRIJVER Max Brul is geen naam voor een schrijver, en hij was er ook geen, hoogstens een zondagsschrijver. Enkel als hij zich alleen waande en zich verveelde, vulde hij blanco bladen op met woorden en zinnen. Meestal was het resultaat frustrerend slecht. Mijndoodsberichten op maandag, noemde hij ze wel eens, als hij ze achteraf herlas. Er ging heel veel tijd over (herlezen, schrappen, laten bezinken, herschrijven, herlezen...) vóór er iets goeds uit de bus kwam. ICARUS FALLING was het eerste verhaal waar hij trots op was...   HET DAGBOEK Ooit had hij een dagboek bijgehouden. (Maar verwar niet wat ik schrijf met wie ik ben. Velen hebben de fout gemaakt te denken dat ze me kenden, ikzelf in de eerste plaats.) Ooit had hij geprobeerd te be-schrijven. Zo was er bij voorbeeld het verhaal van zijn nieuwe schoenen. Hij vond zijn pantoffels niet direct en hij liep wat heen en weer. Omdat zijn schoenen kraakten, vloog zijn moeder op en kreeg hij een heel evangelie op zijn kop. Zulke taferelen waren hem niet vreemd. Slechts één gedachte hield hem recht: Some day I'm gonna kill my mother Hij wou dat hij een schrijver was van meesterwerken en stoere taal kon spreken: Op die zoete dag, voorbode van een hete zomer, bedreef ik passioneel (en voor de eerste keer) de liefde met de literatuur... Na lange maanden zwanger zwoegen, na lange jaren arbeid, heb ik uiteindelijk de vrucht gebaard van het verlies van mijn jeugd.   DE TRANEN Maar Max Brul zou nooit een schrijver worden, Icarus Falling nooit de grote held uit één van zijn romans. De één noch de ander was gemaakt voor wat hij worden wou. Hij kwam klaar op het blad dat hij juist had volgepend en hij zag hoe zijn zaad van vlokkig wit veranderde in transparant geel. De tekst werd weer leesbaar, maar wazig... Door zijn tranen heen zag hij hoe de letters van het papier leken weg te lopen en hij dacht plots aan een zin, dé zin van zijn leven, twaalf woorden die al het geschrijf van zijn dagboeken wisten samen te vatten: Wetend dat ik geen schrijver ben, krijg ik geen letter op papier.   HOOFDSTUK III DE TIJD Tijd ging voorbij en zoals voorspeld, vond hij voor het eerst zijn vrijheid in een studentenstad. Ken je die mop van die moeder die ermee dreigde zelfmoord te plegen? Ze zweeg toen haar zoon zijn hulp aanbood... Hij zag zijn moeder eenmaal in de twee weken; het was nooit een prettig weerzien. Zelfs als hij van haar weg was, bleef ze hem achtervolgen in zijn dromen en dan kwamen de gruwelgedachten steeds weer boven: Some day I'm gonna kill my mother   LAURA Zijn naam was weer eens Icarus Falling. Hij was postmodern en voor het ogenblik was hij zelfs aan het lopen voor zijn leven. Hij kon nog net zijn sleutel uit zijn broekzak vissen, de deur openen en... binnen! Hij stond ervan te hijgen, zijn rug tegen de muur, maar hij had het gehaald... Eindelijk veilig! Hij ging de trappen op en stopte voor de eerste deur die hij tegenkwam. Er hing nog een sleutel aan zijn bos. Hij opende de deur en ging binnen. Haar naam was dit keer Laura, en volgens hem was ze modern. Ze speelde met zijn brief, ze bekeek hem langs alle kanten, ze liet hem vallen en raapte hem weer op. Wat voor hem zo zwaar was, was voor haar zo licht. Wat voor haar slechts een brief was, was voor hem een leven... DE FUIF Hij was het al gewoon geworden. Een opeengepakte massa mensen. Allemaal dezelfde gezichten, alleen de namen verschilden soms... Veel lawaai, veel rook en spotlichtjes in het donker. Hij had met haar afgesproken op de fuif. Stom van hem. Hij wist niet eens of ze wel wou komen. Oef, daar was ze... Eindelijk! Net op tijd voor de eerste slow... - Amuseer je je een beetje op die fuif hier? - Eigenlijk niet, nee, moest hij toegeven. - Waar ga hier zo al naartoe? vroeg ze hem. - Oh, een beetje overal, zei hij, vooral nergens, dacht hij erbij. - Wel, dan gaan we maar op stap, stelde ze voor, we zien wel waar we uitkomen.   DE SEKS Ze kwamen uit in een klein cafeetje. Er was geen levende ziel te bespeuren, zelfs niet achter de toog. Ze nestelden zich samen in een hoekje en totaal onverwacht begon Laura hem te kussen. Ze opende de knopjes van haar topje en hij drong langs haar mouwtje naar binnen. Hij voelde een blote meisjesborst. Hij voelde hoe het tepeltje stijf stond en toch heel zacht was. Hij voelde hoe het hem opwond, en zij zag het, heel duidelijk: Max, je hebt toch iets bij je? Hij slikte. Hij had hier al jaren van gedroomd, maar nu het moment gekomen was, wist hij niet wat te doen. Hij haalde zijn portefeuille boven. En waarlijk, er zat een condoom in. Nog een geluk van de voorlichtingscampagnes, lachte hij schuchter. Ze verdwenen samen in de toiletten. Laura maakte zijn gesp los, opende zijn rits en werkte zijn pik uit zijn onderbroek. En dan nu het condoom... Hij was zenuwachtig, maar zij hielp hem, en toen kwam hij klaar... Veel te vroeg natuurlijk: Sorry... Gevolgd door zijn laatste greintje houvast, spoelde hij zijn eerste condoom door in het toilet van een goor café. Het was je eerste keer, hé, fluisterde ze zachtjes, terwijl ze met haar fluwelen ogen opkijkend, haar broekje weer omhoog trok, haar mini-rok omlaag. Ja, antwoordde hij schor, met afgewende blik, hij voelde zich smerig, verschrikkelijk smerig. Hij deed zijn broek dicht en nam de benen. Sorry Laura...   DE REDDING Hij zette zich aan zijn bureau en begon verwoed te schrijven: Ik dans de dans der dansen, Ik speel het spel der spot, Ik kreeg al zoveel kansen, Maar falen is mijn lot... Hij scheurde het blad van zijn writer's block en verfrommelde het. Zijn prullenmand zat al vol. Plots ging de bel. Daar was Laura terug! Ja ze hield wel van Max Brul en Max Brul hield wel van haar. Toen hij een paar jaar later zonder veel glans afstudeerde, vroeg hij haar ten huwelijk en wonder o wonder, zij zei ja. Max Brul was gered, of toch voorlopig... Icarus Falling vloog weer, maar het was Laura die over hem schreef.   STRANDJUTTEN Laura was een schrijfster, een 'echte'. Schrijven was voor haar een soort spel van eb en vloed. Ja, het was zoiets als strandjutten: Een schrijver moet vooral veel geduld hebben, en bestand zijn tegen ontberingen. Hoopvol wachten op de nauwelijks grijpbare zee van verhalen en de spanning voelen groeien tot aan het hoge tij. Pas als de zee langzaam aan haar terugweg begint, kan hij op zoek naar de eerste brokstukken tekst en het wrakhout. Soms vindt hij schatten, soms vindt hij niets. Dat hangt een heel klein beetje af van de scherpte van zijn ogen, maar nog veel meer en vooral van zijn eigen stomme geluk... Een schrijver is een mens die leeft van een ander mens zijn illusies. Hij rijgt losse stukjes tijd aan elkaar tot een geloofwaardig geheel en hij zegt tot de mensen: "Kijk, zo goed als nieuw, u krijgt het voor een prikje!" en als de mensen dom genoeg zijn, dan antwoorden ze: "Wat knap, hoe mooi, dit is iets wat we nog niet hadden." En de schrijver, hij lacht bitter wanneer hij zijn geld in ontvangst neemt; hij kan maar niet snappen waarom de mensen precies dàt willen terugkopen wat ze zelf achteloos verloren lieten gaan in de zee van hun tijd en hun leven. Hij schudt zijn hoofd vol ongeloof, maar hij zwijgt en werkt verder. Daarmee en daarvoor moet hij leren leven. Veel meer is er voor hem niet weggelegd in deze wereld, en dat weet hij, maar al te best...   DE DOOD Ze zag er zo weerloos uit. Alsof ze nooit meer iemand zou kunnen schaden. Nee, hij had zijn moeder niet vermoord, hij had haar geen vergif gegeven... Ze was gewoon ziek geworden. Kanker. Uitgezaaid over haar hele lichaam. Haar leven was verloren... Hij ook een beetje, zonder zijn moeder, zo zei hij tegen zijn grootvader, maar het klonk niet echt gemeend. Buiten wachtte Laura, zelfs in rouwkledij zag ze er verrukkelijk uit. Proficiat! zei ze, alsof hij net de eerste prijs had gewonnen. Hij was eindelijk vrij, of dat dacht hij...   DE WAANZIN Toen hij wakker werd, lag Laura nog half op hem. Toch kon hij zich niet ontdoen van het gevoel dat zijn moeder nog maar eens binnengedrongen was in zijn dromen en terwijl hij Laura een goeiemorgen neukte, vond hij zich plots net zo smerig als de eerste keer... Max... Max...! Wat doe je? Help! Help! Laura wist niet wat Max bezielde. Ze wist niet dat haar gezicht tijdens het neuken plots veranderd was in dat van zijn moeder. Ze wist niet dat hij zijn dode moeder doden wou. Ze wist alleen dat hij nu reddeloos verloren was en ze wou weg, weg van Max Brul. - Is er krankzinnigheid in de familie? - Ja, dat is er...   WONDERLAND Tante Plant was uiteindelijk in een instelling terechtgekomen en nu kreeg ze wat gezelschap van Max Brul: Alice en Icarus Falling, samen in Wonderland. Tante Plant herkende hem en ze was blij, maar ze liet het niet merken. Ze zat nog altijd stom voor zich uit te staren. Soms kroop Max nog onder tafel, vooral als oom Frank op bezoek kwam met zijn vrouw. Grootvader kwam niet meer. Die was oud en ziek. Toen hij stierf kregen Alice en Max een dagje verlof voor zijn begrafenis en allebei huilden ze, wisten ze wel waarom? Terug in Wonderland gebeurde er een wonder, een echt! Voor de eerste en laatste keer sinds haar val in de put, opende Alice haar mond:   Mijn Vader, Jouw Vader, Eindelijk Dood,   en ze zweeg weer, voorgoed. En Max Brul, hij weende, want plots begreep hij alles. Hij ging naar zijn kamer, deed de deur goed op slot en begon aan zijn laatste verhaal: Dit was het einde.   VADER Stinkend naar het geronnen bloed op mijn kleren, Beweeg ik met zware stappen naar de troon. „Vader, ik kom verantwoording afleggen” En ik sla Hem in het gezicht. „Vader, vergeef het me” En ik geef Hem de doodsteek. Er vloeit geen bloed, er volgt geen straf. Maar wachtend op een nieuwe wereld, Op een nieuwe God, Ga ik tenonder...   Max Brul   HET EINDE En zo eindigt het verhaal en het leven van de jonge Max Brul. Op een dag wou hij zijn Moeder doden. Nu wil hij enkel nog dansen, dansen op het graf van zijn vader.   Geschreven in 1993 Winnend verhaal Literaire Schrijfwedstrijd van de stad Harelbeke 1994 Gepubliceerd in de bundel "Een barst in winterwater"

Bruno Lowagie
0 1