Lezen

Achttien in Brussel

Ik zit in het station. Tegenover me zit een man. Hij ziet er serieus uit. Hij draagt witte sportschoenen die niet passen bij de rest van zijn outfit. Ik kijk op de monitor. Een halfuur. Ik ben goed op tijd, toch zweetten mijn handen.   Een vrouw strompelt naar binnen. Haar voeten schuifelen over de tegels. Ze heeft een klein hondje bij aan een zwarte leiband. Wanneer ze naast me komt zitten, voel ik me onwennig. Haar gezicht is vuil, verweerd en simpel. Ze draagt kleren die te klein zijn, in alle kleuren van de regenboog. Ze kijkt me aan en ze glimlacht. Ze lacht alsof er geen zorgen in de wereld zijn. Ik glimlach terug en ontwijk nerveus haar blik. Ik kijk op de monitor. Vijfentwintig minuten.   Een derde figuur verschijnt: een oude hippie met grijze dreadlocks wandelt het station binnen. Hij gaat op de bank links van me zitten. Hij kijkt niemand aan en begint in zichzelf te mompelen. Hij praat rustig, redelijk, maar onverstaanbaar. Zijn woorden weerkaatsen zachtjes in de hal. Geïntrigeerd door zijn persoonlijke discussie, kijk ik een paar keer zijn kant op. Hij merkt het niet, of het kan hem niets schelen. Daarna kijk ik naar de vrouw. Ze is bezig met haar hondje en lacht haar eigen lach.   De norse man met de witte sportschoenen kijkt de twee veroordelend aan. Daarna stapt hij op en verdwijnt hij.   Ik kijk nogmaals op de monitor. Nog maar tien minuten. Het hondje blaft. De hippie doorbreekt  plots zijn gemompel en buigt voorover, zijn grote ogen gefixeerd op het beestje. 'Wat mooi', zegt hij met een grauwe, eerlijke stem. De glimlach van de vrouw wordt breder. 'Ja hé', antwoordt ze kinderlijk. Daarna kijkt ze naar mij. Even weet ik niet wat ik moet doen. Dan besef ik dat ze beaming zoekt. 'Ja, hij is heel mooi', zeg ik zacht, terwijl ik naar het bruine beestje kijk.   De vrouw knikt en gaat verder met glimlachen. De hippie begint terug in zichzelf te praten. Ik voel me eindelijk op mijn gemak. Mijn rol is hier gespeeld. Ik sta op en wandel naar buiten, zonder om te kijken naar de twee zonderlinge figuren die ik voor eeuwig achter me laat. Ik wens hen het beste.   Ik stap op de trein en zet me ergens alleen. Ik kijk naar buiten. Na een tijd begint de wereld die ik ken te verdwijnen, eerst heel langzaam, daarna steeds sneller. Tot de dingen voorbijrazen aan mijn raam.   Ik kijk naar buiten en ik zie de dingen, zo vaag. Nog nooit wist ik zo zeker dat ik zo weinig wist. Ik ben achttien. De wereld raast voorbij mijn raam. En doelloos.

Marijn P
0 0

De Vrije wil

DE VRIJE WIL Mensen van mijn leeftijd die ’s maandagsmorgens om 9h uur nergens meer verwacht worden, gaan vaak iets doen dat hen de illusie verschaft dat ze met iets relevants bezig zijn. Liefst gaat het om een bezigheid die niet alleen maar genoegen belooft, maar ook een zekere nuttigheid pretendeert. Een taal leren bij voorbeeld, gesproken in een land met veel zon en lekker eten. Misschien bloemschikken, onbespoten groenten kweken of kunstgeschiedenis studeren. Lucratief hoeft het gelukkig niet meer te zijn, want de kans dat we er, met ons versleten hoofd, nog voor betaald worden ook, is echt helemaal te verwaarlozen. Ik werd indertijd, nadat ik eerst mijn camera’s en nadien mijn pollepel aan de wilgen had gehangen in feite min of meer gedwongen om filosofie te gaan studeren. Dat zat zo: een van de belangrijke lemma’s waarover de wijsbegeerte al eeuwen nadenkt, dialogeert, publiceert en soebatteert is de vraag of de vrije wil bestaat. Lig er vooral niet wakker van; het zou niet het eerste vraagstuk zijn waar ze niet uit geraken, maar laat dat nu juist iets zijn waar ik zo goed als dagelijks mee geconfronteerd werd. Zeer regelmatig, aanvankelijk met enige verbazing - maar na een tijdje wen je eraan – stelde ik vast dat delen van mijn lichaam iets totaal anders deden dan datgene wat ik hen toch wel duidelijk en niet mis te verstaan had opgedragen. Volkomen autonoom en soeverein ging de materie van de spieren een geheel eigen weg en zette een aantal acties in gang waar mijn immateriële geest zelfs nog niet aan gedacht had.   Niet alleen, maar vooral de mond was daar zeer vasthoudend, zeg maar koppig in. Zo herinner ik me dat het meermaals is voorgekomen dat ik de opdracht gaf om iedereen een goede avond te wensen en mijn mond doodleuk hoorde zeggen: “ Voor mij nog een Trippel van ’t schab en geef de mensen ook nog iets.“ Dat kan je toch bezwaarlijk een persoonlijke interpretatie van een opdracht noemen? De mond was blijkbaar bijdehand genoeg om te weten dat ik met dat rondje erbij nog moeilijk kon terugkrabbelen. Uit zelfverdediging bespaar ik u details van anekdotes waarbij ik op die manier buiten mijn wil in nog gênantere situaties terecht gekomen ben. Andere spieren deden net zo graag mee met die stille ongehoorzaamheid. Gevolg gevend aan een toch wel dringend advies van mijn huisarts neem ik vastberaden het besluit geen tweede keer aardappelen, vlees en saus op te scheppen; wat zie ik mijn hand doen? Juist. Als éénpersoonssteekproef stel ik statistisch, laat staan wetenschappelijk, natuurlijk niet veel voor, maar alleszins voor wat mijzelf betreft, is dat met die vrije wil nog niet helemaal opgelost. Als hij al bestaat, dan heeft hij toch niet heel veel in de pap te brokkelen. Een beetje zoals ik gezinshoofd ben. Hoewel die studie van de late roeping mij op allerlei gebieden veel plezier bezorgd heeft, bracht ze qua oplossing van het ‘vrije wil’-vraagstuk niet veel zoden aan de dijk. Niettegenstaande de min of meer algemene consensus dat hij dus niet bestaat, blijft het intuïtief een harde noot om kraken. Hét struikelblok waar niet alleen onze intuïtie het moeilijk mee heeft is de verantwoordelijkheid. Als de vrije wil niet bestaat, hoe ga je dan iemand op zijn daden aanspreken? Heel ons ethisch én juridisch systeem komt op de helling te staan. Nu hoeft dat voor de vakmensen geen enkel bezwaar te zijn. Een beetje filosoof laat zich immers niet van de wijs brengen door het feit dat zijn conclusies contra-intuïtief, wereldvreemd of ronduit raar zijn. Toen o.a. Spinoza, Hume en d’Holbach indertijd vraagtekens plaatsten bij de persoonlijke God zoals de tijdgenoten die toen dachten, ging men er ook vanuit dat ze niet goed snik waren.

Max Schneider
9 0

Jij en ik in de Himalaya

De trein naar mijn hart spoort naar de bergen. Naar desolate landschappen en duizelingwekkende hoogtes. Ik heb de laatste jaren die trein genomen en de radius van mijn hart voelen uitbreiden, als een kind dat in alles mogelijkheden ziet om te spelen en het leven te vieren. Eerdere bergavonturen heb ik alleen ondernomen omdat ik de vrijheid wilde ervaren om enkel op mezelf te kunnen vertrouwen. Ik trachtte me te sterken in de psychische, individuele dimensie van mijn bestaan. Eerlijk gezegd wilde ik het alleen kunnen zonder iemand anders nodig te hebben. Afhankelijkheid vind ik zo’n bijzonder naar gevoel. Gaandeweg ontdekte ik dat de grote uitdaging er voor mij in bestaat om te genieten van het leven via contact met anderen, ondanks al mijn kwetsbaarheden. Ons leven krijgt pas zin door en via anderen, wat maakt dat we niet verder kunnen ontwikkelen als we de sociale dimensie ervan negeren, vanzelfsprekend nemen of erin stagneren. Ik wilde daarom ondanks mijn weerstand een groepsreis ondernemen en via die weg een manier zoeken om verbinding te maken met de groep en toch mezelf te blijven. Mezelf niet in een keurslijf laten dwingen in mijn poging om aanvaard te worden, blijven luisteren naar mijn eigen wensen en me tegelijk ook niet afsluiten van de anderen. De bestemming: Nepal. De groep bestond uit negen bergliefhebbers en vier sherpa’s, Nepalese gidsen die de Himalaya als hun thuis mogen beschouwen. Zij zouden ons drie weken lang doorheen de bergen leiden met als doel de Kala Pattar (5600 meter) te beklimmen. Het was een zeer heterogene groep, maar één ding hadden we allemaal gemeen: ons verlangen om drie weken te verdwijnen in een afgelegen gebied en één te worden met de natuurpracht om ons heen. Toch was er niemand in de groep waarmee ik werkelijk aansluiting vond, waar ik op één of andere manier mee raakte. Ik voelde me op mezelf aangewezen en kwetsbaar. Stiekem had ik gehoopt een nieuw, innig contact met iemand aan te gaan. Een nieuwe vriendschap die ontstaat in de Himalaya. Mooi, toch? Ik deelde op de tocht een kamer met een vrouw van mijn leeftijd, Nele. Zij en ik staan heel anders in het leven. We respecteerden elkaar en konden alle praktische zaken goed samen regelen, maar wat ons emotioneel leven betreft, bleven we ieder op onszelf. Op zo’n momenten gebeurt het wel eens dat ik veel moeite doe om het contact toch te laten slagen, om toch maar nabijheid te ervaren. Voor mij betekent dat: mekaar begrijpen, aanvaarden en toelaten in onze innerlijke wereld. Wanneer die beweging dan niet terug komt, voel ik me afgewezen en sluit me vervolgens af, teleurgesteld en verlaten. Ik lijk contact te zoeken met als doel om iets terug te krijgen wat ik nodig heb: liefde, ‘gezien’ worden. Dat maakt me soms blind voor wat ik werkelijk wil. Nele sprak me als persoon eigenlijk niet in die mate aan dat ik haar op een andere manier wilde leren kennen, en toch is er iets in mij die dan zegt dat ik het niet goed genoeg doe waardoor we geen ander contact hebben. Als ik me maar anders gedraag of het maar anders aanpak dan…. Als ik maar anders zou zijn dan… Eigenlijk beweeg ik meestal tussen teveel contact willen en op andere momenten net te ver weg zijn, teveel afstand nodig hebben. Daartussen zit een gebrek aan zelfliefde. Dat midden is wat ik tijdens deze reis wilde voelen en waarmee ik iets wou gaan doen. Er is hoe dan ook altijd een onoverbrugbare kloof tussen onszelf en anderen, de maatschappij, de wereld. Ik zoek iets in contact met anderen dat ik daar niet kan vinden. Vandaar dat ik de sociale dimensie van het leven zo graag uit de weg ga: ik heb het gevoel telkens weer teleurgesteld te worden. En dat doet zo verschrikkelijk veel pijn. Al wandelend stelde ik me voor dat we allemaal bergen zijn met tussen ons in onoverbrugbare ravijnen. Ik denk dat we allemaal onvermijdelijk geconfronteerd worden met die ravijn, met ‘zoeken maar niet vinden’, ‘geven maar niet terugkrijgen’. In onszelf hebben we echter een rijkdom die met geen woord of beeld te vatten is. Ik begon me af te vragen: hoe kan in de liefde die ik van anderen verlang in mezelf vinden? Ik ben tenslotte zelf ook een berg en moet die ravijn misschien helemaal niet oversteken. In contact met de groepsleden heb ik getracht om mijn gevoel van eenzaamheid en verlangen naar nabijheid te ervaren, maar ook om het te laten ‘zijn’ zonder het krampachtig trachten op te lossen. Aanvaarden dat dit continu verlangen en gevoel van leegte er is en dat ik in wezen heel afhankelijk ben ten opzichte van anderen. Toegeven dat ik afhankelijk ben van anderen was voor mij ontzettend moeilijk. Wat zou ik er graag eindeloos in cirkeltjes omheen blijven lopen! Door het gevoel te erkennen en te accepteren als wezenlijk deel van mezelf, was ik echter beter in staat om het zelf te (ver)dragen en hoefde ik er daarom ook niet meteen op te reageren. Het liet me toe om niet meer als een kip zonder kop naar nabijheid op zoek te gaan om het gevoel kwijt te raken en ‘op te vullen’. Ik kon er zelf voor zorgdragen. Mijn ervaring is dat onze zelfliefde enorm kan groeien als we onze kwetsbare belevingen in onszelf leren verwelkomen en verzorgen. Dan ontstaat er meer vrijheid om onszelf te geven wat we echt nodig hebben. Het liet me bijvoorbeeld toe om mezelf meer te tonen hoe ik ben, met al mijn eigenaardige kantjes erop en eraan. Deze niet verstoppen of verbloemen zoals gewoonlijk. Geven wat ik te geven heb. En dat is misschien al meer dan genoeg. Dat is voor mij genoeg en het is aan de mensen om me heen om te beslissen of dat ook genoeg is voor hen. Ik heb het gevoel dat ik hen helemaal vrij wil laten in die beslissing. Als me dat verdrietig maakt, dan zal ik dat voelen maar het daarom niet (meer) met man en macht ongedaan maken. Vanuit deze houding ontstonden vormen van contact die voor mij heel nieuw waren. Gaandeweg vond ik met de meeste mensen uit de groep wel een soort van verbinding. Eerdere contacten met de groep hadden voor mij iets functioneel. Het was een I – it relatie zoals Buber die zou beschrijven. Een instrumentele relatie waarbij het contact met de ander dient om een bepaald doel te bekomen, in dit geval mijn gevoel van eenzaamheid wegnemen. Wandelend door de Himalaya ontstond in mij geleidelijk aan een wens om alle mensen van de groep werkelijk te ontmoeten als uniek en authentiek individu en mezelf ook authentiek te tonen. Niet mijn eigen verlangen in de schaal leggen. Niet voor één of ander doel in mezelf, maar vanuit de eenvoudige wens om de ander echt te kennen. Dat is wat Buber een I – thou relatie noemt. Ironisch genoeg hield dit in dat ik een soort van afstand nam die geen verbinding met anderen verbak maar mezelf en – in mijn gevoel- anderen toeliet om een persoon op zichzelf te zijn. Vanaf toen voelde contact in de groep voor mij aan als: jij en ik. Mij hielp het om me voor te stellen dat de ander effectief de ander is, met eigen behoeften, wensen, gedachten. Het meest waardevolle wat ik kan doen is die in zijn anders-zijn erkennen, respecteren en begrijpen. Dit is een vorm van contact die ons en de ander de ademruimte en vrijheid gunt om onze echte zelf tot uiting te brengen. Een contact van berg tot berg, waarbij we liefde voor elkaar ervaren zonder de ravijn te hoeven oversteken. Een liefde die afstand accepteert. Meestal vind ik in een groep één verbinding die dan zeer intens is, waarna ik de andere ‘oppervlakkige’ contacten als minderwaardig beschouw. Dat wilde ik nu tegengaan. Ik wilde tijdens deze reis mijn vrijheid bewaren en deze niet kwijtraken door op te gaan in de ander in de hoop dat die mijn gevoel van leegte zou wegnemen. Een contact dat niet ontstaat uit afhankelijkheid, kan alleen vorm krijgen als je voldoende zelfstandig blijft en de ander ook zijn zelfstandigheid toelaat. Ik wilde bewust blijven open staan voor iedereen. Op die manier begon ik te ervaren hoe bijzonder waardevol elk contact is, hoe kort ook, waarover het ook gaat. Dat is een waardevolle les die de Himalaya mij heeft geleerd. Al koop je een mandarijn van een man langs de weg wiens taal je niet verstaat. Elk contact kan voldoening geven, of ik nu een sneeuwbalgevecht voer met Dil, een sherpa, over het gemis aan frieten praat met Bart of over afhankelijkheid in de liefde met Klaartje. Want, het gaat om de ontmoeting tussen jij en ik op zich, niet over wat de ander voor je gemis kan betekenen. Wanneer je een ontmoeting benadert vanuit wat je zelf mist, volstaat echter geen enkele vorm van contact en wordt de leegte alleen maar groter. Zo ontstond uiteindelijk iets meer beweeglijk, iets vloeiend dat van moment tot moment kan veranderen, afhankelijk van wat er bij anderen of mezelf speelt. Afhankelijk van hoe onze werelden mekaar raakten, hadden we zus of zo’n contact, en dat was telkens anders en telkens waardevol. Authentiek contact ontstaat door te verwelkomen wat er is in de plaats van te proberen ‘creëren’ wat je nodig hebt. Een ware ontmoeting tussen jij en ik in de Himalaya. Wat staat jou in de weg om de ander werkelijk te ontmoeten?  

Alpenroos
0 0

Tussen oorlog en liefde

Ik sta aan de voet van een kleine heuvel met op de top een boom wiens takken ver naar buiten vallen, elegant en stevig tegelijk. Zijn brede, verweerde stam doet vermoeden dat hij daar al tientallen decennia het landschap siert. Er is zo ver het oog reikt geen andere boom te bespeuren, wat zijn bestaan majestueuzer maar ook eenzamer maakt. De geur van gemaaid gras en de frisse, nevelige bries afkomstig van een nabijgelegen beekje vertellen me dat de zon weldra zal ondergaan. Ergens hoog in de boom zit een merel die met zijn meesterlijk gezang de dag vaarwel fluit. Wanneer ik de heuvel opwandel hoor ik geroezemoes en gegiechel, komend vanaf de top. Ik ga er iets sneller door wandelen, alsof de helling voor mij geen weerstand meer biedt. De boom biedt beschutting aan een tiental mensen die gemoedelijk en knus rond een lange tafel zitten. Boven het gebeuren hangen kleine lampionnen en rondom staan her en der kaarsen en fakkels die geduldig wachten om op hun beurt de omgeving te verlichten. De muziek van tsjirpende krekels brengt een zomers soort van leven aan het gebeuren, alsof alles mogelijk is. Aan de tafel wordt door een aantal mensen druk en vurig discussie gevoerd terwijl anderen uitbundig lachen of stilletjes giechelen en weer anderen innig in gesprek lijken met elkaar. De algemene sfeer lijkt openhartig en verwelkomend. Tot mijn verbazing zie ik mezelf zitten aan de tafel, ergens in het midden, genietend van wat er rond mij gebeurt. Iets in mij zegt dat de mensen om me heen mijn familie zijn. Familie in de ruime zin van het woord: bloedverwanten maar ook veel andere mensen die me nauw aan het hart liggen. Mijn gelaatsuitdrukking en houding stralen een gevoel van ‘liefde’ uit: het heeft zowel iets hartstochtelijk en onbevreesd als ontspannen en vreedzaam. Voor mij op de tafel staat een kaars in een oude wijnfles die de herinneringen draagt van de vele andere kaarsen die zij heeft helpen branden. Wanneer de zon achter het heuvelachtige landschap verdwijnt, ontbrandt de kaars spontaan met een krachtige, heldere vlam. Dat is het moment waarop ik meestal wakker word. Het is een droom die de laatste jaren wel vaker terugkeert en die een belangrijke rol is gaan spelen in mijn leven. De metafoor van de boom staat voor mij voor een manier van in de wereld zijn en in relatie treden: hij staat voor (samen)leven vanuit liefde, leven met en vanuit mijn hart. Ik heb het gevoel dat ik me in mijn dagdagelijks leven – symbolisch gezien – vaak niet onder die boom bevind. De droom gaat namelijk vooraf door een andere, minder vredige, scène. Voordat ik aan de voet van de heuvel beland, bevind ik me in een donkere droomwereld. Het is de wereld van mijn nachtmerries. De scène speelt zich af in de loopgraven, in een met modder en kraters bezaaid landschap. De lucht is overtrokken met onheilspellende, donkergrijze wolken die de indruk geven dat alle kleur en licht uit de wereld verdwenen zijn. Ook hier staat een boom in de verte, deze keer verdord en voor de helft weggebombardeerd. Met mijn benen half weggezakt in de slijk sta ik met een bajonet tegenover een tegenstander. Er wordt een vurige machtsstrijd gevoerd die tot in de eeuwigheid terugkeert. Zonder begin en zonder einde. Het is alsof ik iets van mijn tegenstander nodig heb of wil verkrijgen en omgekeerd. Alsof de ander de macht heeft om me iets te ontnemen, zelfs om me te vernietigen. Hier betekent de winst van de ene het verlies van de ander. Ik ben doodsbang, met man en macht mezelf beschermend want ik voel een groot wantrouwen tegenover de figuur die voor me staat. Ik tracht haar gedachten en gedragingen te voorspellen en in te schatten maar kan niet anders dan concluderen dat haar motieven bedreigend zijn. Leven vanuit de symboliek van de loopgraven betekent namelijk leven vanuit angst. Zo gaat dat op het slagveld: ik kan alleen nog denken vanuit die bedreigende realiteit. Op het slagveld is er maar één waarheid: die van oorlog. Elke beweging die mijn tegenstander maakt, elk woord dat zij zegt zal ik interpreteren vanuit ‘voor of tegen’, ‘goed of slecht’. De inhoud van de machtsstrijd die in de loopgraven gevoerd wordt is voor iedereen anders. Dat hangt af van de kwetsuren en littekens die we meedragen uit onze vroegere ervaringen en onze vroege jeugd. Aan de basis liggen negatieve kernemoties en overtuigingen die we daaruit hebben meegenomen: ‘Ik sta alleen’, ‘Ik kan niemand vertrouwen’, ‘Ik ben minderwaardig’, ‘Ik ben niet belangrijk’. Als ik zelf leef vanuit deze overtuigingen, beland ik in de loopgraven en zie, denk en luister enkel nog vanuit mijn eigen, angstige bril: ‘Ik tel niet mee’, ‘Niemand houdt van mij’. Door met zo’n bril door het leven te wandelen voel ik me vaak afgesneden en liefdeloos omdat veel ervaringen door die bril gefilterd worden: ‘Zie je wel, weer een bewijs dat ik er niet bij hoor’. Daardoor zie ik deze realiteit ook keer op keer bevestigd, wat ze steeds sterker maakt. Dit is een zeer angstige en pijnlijke manier van in de wereld staan. De machtsstrijd is gebaseerd op die negatieve overtuigingen en bestaat erin van de ander te verkrijgen (eisen) wat we nodig hebben om onze angst minder te voelen. Ik tracht ervoor te zorgen dat de ander zich op zo’n manier gaat gedragen dat mijn pijn en angst binnenin verzachten. Bijvoorbeeld: Ik verwacht dat iemand onmenselijk veel rekening met mij houdt zodat ik niet het gevoel heb niet mee te tellen. Als dat niet gebeurt ga ik in de strijd en word ik boos. Omgekeerd verwacht de ander ook van mij dat ik haar negatieve gevoelens wegneem, geruststel, sus. Dat maakt dat de relatie op het slagveld een co-afhankelijke relatie is: een relatie waarin beide partijen afhankelijk zijn van elkaar. Ik stel mezelf namelijk verantwoordelijk voor het goed-voelen van de ander en stel de ander verantwoordelijk voor mijn goed-voelen. Op het slagveld mag de ander niet zomaar ‘zijn’, zij moet voldoen aan mijn verwachtingen. Ik heb de ander namelijk nodig om niet verteerd te worden door angst omdat ik geloof dat het de ander is die deze kan wegnemen. Er zit nog meer somber nieuws in deze nachtmerrie: er komt geen einde aan deze scène want het voeren van een machtsstrijd houdt geen oplossing of mogelijkheid tot verandering in zich. Nooit. Ten eerste zijn mijn diepgewortelde angstige overtuigingen, net zoals die van mijn tegenstander, niet (meer) op waarheid gebaseerd maar vervormd in mijn beleving doorheen mijn leven. Het heeft geen zin om te discussiëren over dergelijke angsten. Dat maakt de knoop alleen maar steviger. Het is als een behekst labyrint zonder einde. Ten tweede klopt het niet dat de ander verantwoordelijk is voor mijn negatieve gevoelens en deze kan wegnemen. Het is een zinloze strijd die uiteindelijk alleen tot meer pijn leidt. De enige uitweg uit deze scène, het enige wat verandering brengt in dit tafereel, is zelf wegstappen uit de machtsstrijd. In de afgelopen maanden heb ik gezocht hoe ik de loopgraven achter mij kan laten en de heuveltop uit mijn droom kan beklimmen om meer te leven vanuit de symboliek van de boom. De droom houdt voor mij niet alleen een signaal in van wat er aan de hand is, maar ook een richting, een doel: Ik wil niet leven vanuit angst maar vanuit liefde. Om de weg naar de boom te bewandelen moet ik me er eerst en vooral van bewust zijn dat ik me in de loopgraven bevind. Beseffen dat ik niet naast maar tegenover iemand sta. Dat herken ik aan de hand van een gevoel van onrust en spanning in mijn borststreek. Pas sinds kort heb ik ontdekt dat dit een lichamelijke uiting van woede gemend met angst is. Woede is een signaal waar ik dankbaar gebruik van kan maken. Woede is niet goed of slecht. Ze is. Ze vertelt iets over mijn positie in een situatie en wat ik daarin nodig heb. Het is een signaal dat me vertelt dat er iets niet in orde is, dat er bijvoorbeeld niet aan mijn noden en wensen is voldaan of dat er teveel van mezelf wordt opgeofferd in een relatie. In de plaats van die woede dan te richten naar de ander en te eisen dat die zich anders gaat gedragen (en dus in de loopgraaf te gaan staan) heb ik geleerd om deze energie te gebruiken als brandstof om de weg naar de boom te bewandelen. Dat is iets essentieel in de overgang van de ene metafoor naar de andere. Op de weg naar de boom tracht ik te beseffen dat ik niet verantwoordelijk ben voor de gevoelens van de ander. Ik ben enkel verantwoordelijk voor mijn eigen ervaringen. Ik probeer ook te beseffen dat ik de ander niet kan veranderen, enkel mezelf. Het gaat hier eigenlijk om een soort van ‘switch’. In de plaats van mekaar verantwoordelijk te stellen voor onze gevoelens, dienen we de switch te maken naar het opnemen van onze eigen verantwoordelijkheid. Dat is een manier van denken die me meteen uit het slagveld haalt. De liefde uit de metafoor van de boom kan enkel ontstaan als we verantwoordelijkheid opnemen voor onszelf. Of, anders gezegd: als we bewegen van co-afhankelijkheid naar meer autonomie. Want, enkel zo zijn we in relaties in staat om onszelf en de ander te laten zijn wie we werkelijk zijn. Het is op weg naar de boom dat ik de meest diepe, intense en verscheurende angst kan ervaren. Op het slagveld is er strijd, maar ik houd de ander dichtbij onder de vorm van allerlei eisen en verwachtingen om me toch maar niet ‘alleen’ te voelen. Dat geeft een gevoel van zekerheid. Strijden geeft een gevoel van controle (over de ander). Op weg naar de boom is de boodschap net ‘loslaten’. De ander vrijlaten. De controle, eisen, verwachtingen laten gaan. Dat werpt mij soms heel erg terug op een gevoel van ‘alleen te staan en niet graag gezien te zijn’. Mijn angst in zijn meest rauwe vorm. Als ik besef dat ik de oplossing niet bij de ander kan vinden, kan ik niet anders dan mijn blik naar binnen, naar mezelf te richten. De switch zorgt ervoor dat ik niet meer met mijn aandacht ‘in’ de ander zit: ik probeer minder te zorgen dat de ander zich zus of zo voelt, heb minder hoge verwachtingen en eisen. Ik ga net met mijn aandacht naar binnen, naar mezelf. Daar kom ik in contact met wat me bang maakt, maar ook met wat ik verlang. Mijn angst vertelt me namelijk iets over wat voor mij belangrijk is. In wezen bestaat mijn taak erin te achterhalen welke behoeften, doelen en waarden ik wil beschermen op dat slagveld? Wat schuilt er in mijn hart als soldaat, achter mijn schild? Zoals hoger aangegeven vecht mijn soldaat vanuit de angst om niet mee te tellen, om niet graag gezien te zijn. De fundamentele behoefte die daaraan vooraf gaat is die aan werkelijk contact met anderen. De waarheid is dat ik niets liever wil dan plaatsnemen onder de boom naast alle mensen waar ik van houd. Dat is wat er achter mijn harnas schuilt: de droom van een familie onder de boom. En in dat verlangen, in die droom, schuilt een mogelijkheid tot verandering. Als ik wil leven vanuit de metafoor van de boom, is het mijn taak en verantwoordelijkheid om me bewust te zijn van die wens en ook vanuit die wens en behoefte te handelen. Mijn verantwoordelijkheid bestaat erin zelf actie te ondernemen in de richting van wat ik wil, waar ik voor sta, wat ik belangrijk vind. Niet leven vanuit de angst, maar vanuit wat ik werkelijk verlang: liefde. Leven voor wat ik wil in de plaats van vermijden van wat ik niet wil. Alleen dan is contact en samenzijn met anderen mogelijk. Wanneer ik in de loopgraven sta, maakt het beeld van de boom me erg angstig. Ik kom dan in contact met iets wat ik verlang, maar ga er vanuit dat ik dat niet waardig ben, dat het niet zou lukken om mensen samen te brengen, dat ik er niet in zou slagen om hen het naar hun zin te maken. Ik bekijk mezelf dan vanuit een eenzijdige, angstige bril: ‘Ik ben niet sociaal, ik ben daar niet voor gemaakt’. Diep vanbinnen ben ik zeer bang dat ik helemaal alleen aan die boom zou zitten. Dat maakt dat ik me net voor dit verlangen afscherm en bescherm, in strijd ga met anderen. In de loopgraven handel ik vanuit angst, net niet in functie van mijn diepste verlangen. Leven vanuit liefde betekent net wel contact maken met anderen en met hen onder de boom gaan zitten omdat dat mijn grootste verlangen is. Durven kiezen voor wat ik werkelijk wil en niet meegaan in mijn angstige beleving, wetende dat dit slechts littekens zijn uit een verleden die mij klein en afgesneden houden. Intussen begrijp ik beter wat het tafereel van de boom zo vredig maakt. In contact treden vanuit de symboliek van de boom betekent kiezen voor liefde in de plaats van voor angst. Het betekent bovenal beseffen dat ik in elk contact kan kiezen om door de bril van mijn verleden en negatieve overtuigingen of de bril van wat ik verlang te kijken. Alleen door van de angst weg te wandelen en te kiezen voor liefde, zal de bril van angst uiteindelijk brozer en minder sterk worden. Want, liefde overwint alles. Het is op deze plek, in dit tafereel, dat ik mijn werkelijke kracht kan ervaren: die van ‘houden van’. De liefde onder de boom is een vrije, onvoorwaardelijke liefde. Hier bepaalt wat je zegt, doet of nalaat namelijk niet je waarde. Je bent waardig omdat je bent. Dat betekent ook dat iedereen gelijk is en letterlijk en figuurlijk naast mekaar zit aan de tafel. Er is ruimte voor open communicatie waardoor ieders binnenkant meer overeenstemt met wat getoond wordt aan de buitenkant. Vanuit een zorg voor de eigen behoeften en gevoelens kunnen deze gedeeld en kenbaar gemaakt worden. Zo ontstaat een relatie waarin je kan tonen wie je bent en wat je wil en de ander kan laten zijn wie hij of zij werkelijk is, zonder eisen of ultimatums. Hier treden we in relatie en laten we deze groeien zoals ze is, eerder dan haar af te meten aan een vooropgesteld idee van ‘hoe het zou moeten zijn’ (voor ons). Leven en laten leven en verwelkomen wat er is, niet vanuit een onttrekken uit het contact, maar juist vanuit een liefdevol engagement. Onder de boom leren we werkelijk houden van de ander als afzonderlijk en uniek persoon. Op die manier kan men verschil en confrontatie toelaten en zich toch heel verbonden voelen. Het betekent verbinding voelen en toch niet samenvallen of opeisen. Deze boom is naar mijn aanvoelen geen utopie. Het is eerder een realistisch gebeuren waar conflict, verschil en separatie mogelijk zijn, echter zonder mekaar daarmee te vernietigen. Hier, onder de boom, wordt feest gevierd. Het is feest omdat de strijd en dualiteit van goed of slecht, voor of tegen overwonnen zijn. We moeten niet meer vechten om te winnen of verliezen. We mogen gewoon ‘zijn’. Het beeld van de boom staat eigenlijk voor de basis, misschien zelfs de zin, van mijn leven: liefdevol contact. De kaars die spontaan ontbrandt bij zonsondergang staat voor het licht, het doel dat ik wil volgen in donkere dagen. Wanneer ik in een negatieve spiraal beland tracht ik me het tafereel van de boom voor de geest te halen. Ik probeer mezelf eraan te herinneren dat die boom er altijd is, ook al zie ik hem niet omdat ik te zeer gepreoccupeerd ben met een bepaalde situatie. Zolang ik ben, is er liefde en vertrouwen onder de boom. Ik moet er gewoon gaan bijzitten. In die zin is de boom ook mijn veilige haven. Een kleine situatie kan me soms meteen op het slagveld trekken waardoor ik opnieuw door de bril van angst naar de wereld kijk. Dan voel ik me onzeker, aangevallen, minderwaardig en lijk ik te vergeten dat altijd de keuze heb om het slagveld de rug toe te keren en te kiezen voor die éne fundamentele waarheid: die van liefde.

Alpenroos
28 0

Terug naar de kust

Laatst was ik nog eens in België. Ik ben het landje in 2003 ontvlucht maar kom er nog af en toe.  Mijn moeder woont er namelijk. In Knokke dan nog wel. Het mekka van de nieuwe rijken. Waar mannen op zondag in de rij gaan staan bij de bakker en vogue omdat ze gehoord hebben dat daar  de beste pistolets worden gebakken.  Waar Lippens het al jaren voor het zeggen heeft. Waar ik van zijn leven geen voet zou zetten maar door omstandigheden al 48 jaar af en toe verblijf. En mijn  moeder woont er dus.  En ze moest naar het ziekenhuis. Genoeg redenen om dat vermaledijde oord nog eens op te zoeken. Dat ziekenhuis, een angstige moeder, een vochtige kelder, het platte land.  Het mondde uit op een vriendelijke confrontatie met het verleden. Nieuw waren de ooievaars, de uit het niets opduikende kunstwerken en een labrador pup die naar de naam Sean luisterde. En ik heb ook het schoonste strand van Nederland ontdekt, heb er zelfs een wijntje gedronken en ik heb een wereldvredesvlam gevonden in een onooglijk polderdorpje. Misschien heb ik zelfs een vlucht regenwulpen gezien. Het gelijknamige boek heb ik in een vorige leven gelezen. Een vorig leven. Dat is 40 jaar geleden. Het strand aan de Lekkerbek, vlak voor het Zwin natuurreservaat in Knokke-Zoute leek immens. Nee, het WAS immens. Je moest immers wel 20 treden af voor je op het zandstrand stond. En bij laagtij moest je echt wel een eindje stappen alvorens je voeten het zilte nat konden voelen. Hoe dichter je bij de zee kwam, hoe natter en donkerder het zand. Je voeten werden erdoor opgezogen. Het leek wel drijfzand. En je wist dat er een leven bestond net onder dat laagje zand. Dat zag je aan de zandslangetjes die overal verspreid lagen. Slangetjes zand. Afkomstig van een of andere krab. Er waren krabben en massa's schelpen. En amper mensen. Toen waren er ook nog "brislams" (verbastering van het Franse brise-lame) zoals mijn neefjes en ik ze noemden. Golfbrekers zijn dat. Het was er eigenlijk gevaarlijk vertoeven vanwege de stromingen errond. Je gleed er ook ontzettend makkelijk af. Maar het was er zo heerlijk om op avontuur te gaan. En je kon er als het ware de zee opwandelen want als je op het einde van de brislam stond, was de dijk heel ver weg en leek je heel even een deel van de zee te worden. En wat was er veel leven in die plasjes die overbleven nadat het hoogtij was geweest! Mosselen, krabben, scheermessen (je weet wel, die langwerpige schelpen), af en toe een vis. En op het strand zelfs regelmatig haaientanden. Die zouden 40 miljoen jaar oud zijn. Ik herinner me nog erg goed een legendarische storm. Het moet ergens eind jaren zeventig geweest zijn. Mijn oudste neef en ik hadden onze skateboarden boven gehaald. En op de dijk, skateten we, met een plastic zak als windzeil boven onze hoofden. Het ging ontzettend snel! En we lachten als gekken en waren oprecht gelukkig. De zee kwam toen tot aan de dijk, tot aan de bovenste van de 20 treden en nog veel verder ook. In een mum van tijd was de dijk ondergelopen. Die golven tot net achter het huis waren een fantastisch zicht.  Ik keek naar de grijze zee en zag het nog grijzere water kolken. Ik voelde ontzag. En werd bang. Mijn neef maakte het nog erger door me vreselijke verhalen te vertellen over drijfzand, draaikolken en dolgedraaide kwallen. Het regende, woei en kolkte dat het een lieve lust was en het eindigde met een verplichte terugkeer naar ons familiehuis, op de Lekkerbek, aan de Zoutelaan. Want het werd te gortig. Zelfs voor twee tieners met een skateboard.  Ten Putte heette het huis van mijn grootouders. Met op de veranda een emmer water waar we onze voeten in moesten wassen als we van het strand terugkwamen. Dat deed mijn oma natuurlijk om te vermijden dat het hele huis tot zandbak zou verworden. Dat huis met de vele geheime en niet gebruikte kamers staat er al lang niet meer. In de jaren tachtig begon namelijk de waanzinnige immobiliënrace aan de Belgische kust. En oma en opa hebben het nog lang kunnen tegenhouden, tot ook zij overstag gingen en Ten Putte verkochten aan een of andere genadeloze makelaar. De villa, onze villa, een parel uit de jaren dertig, een schoonheid, een familiehuis, een karakterkop moest verdwijnen. Om plaats te ruimen voor zielloze appartementen. Ik ben laatst nog eens gaan kijken naar Ten Putte (ze hebben de naam behouden), naar de Lekkerbek, naar Het Strand. Was het misplaatste nostalgie (ik ben niet echt een nostalg, maar Ten Putte ligt gevoelig, ik geef het toe) dat me dreef, of een denken aan mijn grootouders die al lang gestorven zijn, aan mijn neven en nichten die ik op een enkele uitzondering na nooit meer zie, of was het een gevolg van mijn recente scheiding van een man waar ik meer dan 20 jaar lief en leed mee heb gedeeld, of was het gewoon een opwelling? Ik weet het nog steeds niet. Het huis is weg. Maar onze buren, de ouders van Jacky Ickx, de F1 chauffeur, hebben stand gehouden. Hun huis staat er nog. Dat deed me plezier.  Ik heb jaren een hekel gehad aan Knokke, aan de m'as tu vus, aan de nieuwe rijken, de absoluut niet discrete charme van de bourgoisie, aan de truien op de schouders van mannen met foute schoenen, van de bontjassen en de kakmadammen, van de Avenue Lippens (zoals de Lippenslaan steevast wordt genoemd) die zo leeghoofdig is dat je haast spijt krijgt van die paar neuronen in je hoofd omdat ze je zo verloren laten voelen, aan de volgebouwde dijken enz. En kijk, anno 2014 is dat er allemaal nog steeds. En op de dijk is het nog erger geworden. Hele stranden zijn nu privé domein van de bar-en of restauranthouders. De golfbrekers zijn weg, het strand is opgehoogd; daarvoor zijn miljoen kilo's zand nodig geweest. Dat hebben ze moeten doen om dat de stormen uit de jaren zeventig en tachtig levens hadden geëist. Maar ik heb toch nog het Knokke van mijn kindertijd kunnen terugvinden. Neen, ik ben geen wafel gaan eten bij Marie Siska zelfs al bestaat dit legendarisch eethuis nog, ik heb ook de ijsjes van De Post niet gegeten (die bestaan namelijk niet meer) en zelfs mijn boekhandel Corman is verhuisd en heb ik ook niet bezocht. Maar...en ik geef het node toe...  ik moet toegeven dat Knokke ook wel meer is dan al dat vreselijke dat ik hierboven beschreef.  Ik heb gefietst door het Zoute met de unieke witte huizen met rode daken. En ja, er staan vreselijke Porsches en andere Cayennes voor de deur en waarschijnlijk wil ik 85 % van de eigenaars zelfs niet kénnen, maar de wirwar van straatjes afgebakend door knotwilgen, de prachtige Engels cottage stijl , de eenheid van kleuren en de klank van de meeuwen en de zoute zeelucht...ik geef toe, het is uniek. En dan nog verder naar het Oosten:  het Zwin reservaat. Eigenlijk een oude verzande zeearm dat al sinds de 18de eeuw privé bezit was van de Lippensfamilie maar sinds 2006 een Provinciaal Domein is. Vandaag is het gesloten om weet ik veel wat voor reden, maar het is gelukkig toch deels toegankelijk. Het Zwin is een uniek natuurgebied dat Nederland met België verbindt. Het was 20*c die dag in Knokke. De lucht was knalblauw, de ooievaars van het Zwin in een decadent sociale bui en het strand aan het Zwin was leeg. En als kers op op de taart doemt er totaal onverwacht een gigantische haas op. Het blijkt een kunstwerk van de Britse beeldhouwer Barry Flanagan te zijn.  Eventjes lijkt het alsof kunst de natuurelementen kan verbinden: de Noordzee, de lucht,  het strand en de schorren.  Ik fiets doodgelukkig naar het huis van mijn mama. Overtuigd dat het wel goed met haar komt.En vermijd daarbij zorgvuldig de Avenue Lippens.

Nathalie
14 0

Nachtmerrie

Het was de stem van God of een of ander Opperwezen, of toch maar God, want destijds geloofde ik nog in Hem. Maar het was niet een zalvende stem, die je toch mocht verwachten, maar een ijzingwekkende, door merg en been gaande, donderende stem die mij ten gronde richtte, mij neersloeg als met een flikkerend zwaard.Niet dat ik iets verkeerd had gedaan. Neen hoor. Ik ging gewoon slapen. Net als elke avond. Maar soms bekroop het mij. „Neen, niet nu, niet vannacht, alsjeblief, niet alweer een nachtmerrie, niet alweer die nachtmerrie”. Maar er was geen verhelpen aan. Zij zou komen. Ja ze was er. Alweer. Ik bestierf het. Ik werd gek van angst. Badend in het zweet lag ik in mijn bed.Ik herinner me dat elke droom net dezelfde was, maar enkel het einde kon ik mij telkens voor ogen halen. Ik moest het mensdom redden door met twee reuzengrote teerlingen te werpen. Die goedertieren God, dat had hij toch moeten zijn, gebood mij met zijn schallende, ijselijke stemgeluid, een toon zo zwaar als lood, dat ik tweemaal 6 moest gooien. Dan en enkel dan zou de mensheid voortbestaan.De zweetdruppels parelden over mijn voorhoofd en ik gooide met de eerste teerling. Een 6. „Alsjeblief, laat de volgende ook een 6 zijn.” De spanning was onhoudbaar. Ik dacht dat ik moest overgeven. Alweer die vreselijke, huiveringwekkende stem. „Gooi”. Het galmde over heel de wereld. Ik gaf een forse duw tegen de teerling. Hij rolde en tolde. Uiteindelijk viel hij stil. 6.Ik schrok wakker. Alweer had ik diezelfde nachtmerrie overleefd. Voor de zoveelste keer.Ik geloof niet meer in God. Toch niet in dat Opperwezen dat men vroeger ons op de schoolbanken voorhield. Maar misschien moet ik toch eens naar het casino gaan. Wie kan immers voorleggen, buiten mijzelf, dat ie keer op keer tweemaal 6 gooit?God? A ja, die. Sufferd !

Marc M. Aerts
0 0

Love is a story that never ends

Ergens voel ik terughoudendheid te schrijven over hoe groot de impact is van het verlies van mijn lief negen jaar geleden. Bij mij van binnen het idee dat als ik erover schrijf, het een teken is dat het verdriet nog geen plek gekregen heeft. ’Je hebt het nog niet verwerkt’ zijn woorden die soms als een echo van binnen weerklinken. Woorden die me raken. Woorden die ik herhaal en onzekerheid brengen. Ondanks dat ik denk het verlies verwerkt te hebben, brengen deze woorden mij uit mijn evenwicht. En vragen telkens weer om zelfreflectie. Rouwen is een zoektocht naar een nieuw leven zonder fysieke aanwezigheid van mijn lief. Ik denk dat ik het nieuwe leven vorm gegeven heb en het verdriet de juiste plaats. Maar ook al is mijn lief er niet meer, altijd zal hij onderdeel zijn van mijn leven, al is het maar omdat mijn kinderen ook zijn kinderen zijn en iedere dag het levende bewijs van zijn bestaan. En daarom vind ik het niet gek dat er levendige herinneringen zijn, hij niet onbesproken blijft en mijn leven direct en indirect nog steeds beïnvloed wordt door de jaren die ik met hem samen ben geweest. Net zo goed als dat gevoelens van verdriet en ontroering dichtbij het verlies liggen en ik opeens geraakt kan zijn door een herinnering, beleving of door muziek. Ondanks de terughoudendheid erover te beginnen ervaar ik ook de behoefte om deze gevoelens te delen omdat ik de indruk heb dat we in een wereld leven die te weinig ruimte laat voor gevoelens van verdriet. Het is de bedoeling rouwwerk snel af te handelen. Als je na enige tijd nog benoemt dat je het moeilijk hebt, heeft een deel van de wereld zijn interesse al verloren nog te willen luisteren. En vindt ook dat het de hoogste tijd is dat je verder gaat. Kom op! 'schouders eronder en doorgaan' is het advies. Of krijg je soms de vraag of je daar nog steeds mee bezig bent. Ik denk dat mensen steeds vaker een masker opzetten en hun werkelijke gevoelens niet meer tonen. Terwijl uiten van gevoelens een beweging op gang brengt waardoor verwerking ontstaat. Als tegenreactie zijn er mensen die verdriet koesteren. Zij baden in het verdriet liever op het randje van verdrinking dan mee willen gaan in de tendens van deze tijd. Deze mensen laten naar mijn idee ook niet zien wat er werkelijk speelt. Zij nemen bezit van het verdriet en hebben het daardoor net zo moeilijk als degene die het masker hebben opgezet. Rouwen is afzien. Rouwen is doorgaan. Rouwen is de uitdaging authentiek verder te gaan. Hoe dichter je bij jezelf komt, hoe meer kleur het leven krijgt. Ik geloof dat je verlies mee kan dragen op een positieve manier zonder het te maskeren of te koesteren. En dat je vanuit een diep verdriet het leven terug op kan pakken. Dat je kan leven met plezier in het hier en nu, verwachtingsvol naar de toekomst kan kijken en gelijkertijd ook stil kan staan bij wat er is gebeurd in het verleden. Gevoelens kennen geen tijd. Dit erkennen en hier ruimte voor laten is waardoor mijn leven terug betekenis heeft.

Jolie Le Fay
0 0

de tandarts

In deze seculiere tijden zijn er nog maar weinig functies of beroepen die ons ontzag inboezemen. Gelukig troont er nog altijd 1 figuur bovenuit - god en duivel verenigd in 1 persoon: de tandarts. De geneeskrachtige, verlossende eigenschappen die wij, stervelingen met tandpijn, hem of haar toedichten zijn van een bovenaardsheid die zelfs het opgetelde bevattingsvermogen van god, boeddha, allah en thor overstijgt. Die klinisch witte schort, die futuristische toestellen, die diploma's aan de muur, die astronomische facturen: bij zoveel bovenmenselijkheid rest ons alleen onderdanigheid en een schietgebedje. Hier leer je weer de overgave, je legt je lot in de mijnwerkershanden of spichtige vingertjes van krachten die je verstand te boven gaan - gaatjes heten hier cariës, de hondsdolheid loert achter het behang.  Wanneer ze erop los ratelen kijk ik diep in hun ogen - zowat het enige object in mijn blikveld. Terwijl de tovenaar zich met pikhouweel, beitel en hogedrukreiniger een weg wroet naar de zingevende zenuw van mijn bestaan, hoop ik een reflectie van de schepper te kunnen opvangen in de iris van zijn aardse vertegenwoordiger. Hoe dieper hij boort, hoe groter het mysterie en de factuur. Ik heb maar weinig geluk gekend bij deze intieme handelaars in mondhygiëne. Eens de verdovende middelen zijn uitgewerkt, volgt de ontnuchtering. Het witte licht aan het eind van de tunnel bleek niet meer dan de verblindende tandarts-lamp. Bij mijn vorige bezoek kwam ik terug met een tranend lodderoog en een neus die op springen stond. Die daarvoor zadelde me op met een ontsteking waar die andere witte schort, apotheker genaamd en doorgaans een wandelende reclamezuil voor antidepressiva, zowaar vrolijk van werd. Maar ik weet dat deze beproevingen slechts dienen om mijn geloof te testen, en versagen doe ik niet. Mijn laatste tandartsbezoek is dan ook een vervolgverhaal. Zij ziet haar hele wereldbeeld gekanteld. Of de zenuw is zeer levendig en verstopt zich, of de zenuw is daarentegen zeer doods en afgestorven. Of de wortelkanalen zijn verkalkt, of ik speel met haar voeten. In elk geval, het komt erop neer dat ze bloed wil zien en dat mijn tanden haar dit genot onthouden. Het gezag is ontsteld, de woede kanaliseert zich in haar kloppende halsslagader. Bij het weggaan hoor ik een orgastische, wellustige kreet, als van een jakhals met tandpijn. Ik werp een blik in de wachtkamer en knik steungevend naar de volgende, berouwvolle gelovige. Op de gang wijk ik uit voor de vijfliterflessen javel. Een beetje tandarts verwelkomt je met een bebloede schort.

Guy Bourgeois
43 1

Kleine broer

Ik luister naar jazz. Jazz op de radio. De lichten langs de verlaten autosnelweg gaan schuil in de duisternis en de wagen is mijn boot die zeilt over het asfalt. Na een fijne avond, rij ik weg van ’t stad richting rand van de wereld. Hij woont met zijn lief in het bovenste appartement van een residentie gebouwd in de schone jaren stille. We zitten aan tafel bij het grote raam. De straat gaat verscholen onder het breed bladerdak van een rij stoere bomen. We eten boterhammen met kaas. We lachen. Praten over nieuwtjes en vroeger. Zijn lief zit bij ons aan tafel, maar eet niet mee. Hij is zo aardig geweest om dinerplannen buitenshuis te maken zodat wij zonder aarzelen kunnen keuvelen. Ik zit tegenover hem aan tafel en luister aandachtig naar zijn verhalen over studie en werk. Over dromen en de liefde. Ik bewonder hem, om zijn discipline en kracht. We kiezen voor gemberthee en terwijl het water kookt, vertelt hij over de plannen die ze hebben met het appartement. Hij gesticuleert groots waar de wasplaats komt en hoe de keuken eruit zal zien. Mijn gebrek aan ruimtelijk inzicht volgt zijn verbeelding niet, maar ik ben er zeker van dat het prachtig zal zijn. In gebreid goed nestelen we ons op het kleine terras achteraan. We lachen. Met twee handen hou ik mijn kopje thee vast en turen we naar de gebouwen. De stilte die over de daken sluimert, verrast me. We troosten. Wanneer een tweede rondje thee trekt, klimmen we via de brandtrap naar het dak. We zijn getuige van een Miami Sunset en voor heel even ligt de wereld aan onze voeten. Alles is mogelijk. Ik zou in zijn hand willen knijpen van geluk, om het zijne en het mijne. Zijn lief vindt ons in het donker bij een kaarsje. We drinken ons laatste kopje van de avond. Ik zou nog even willen blijven, te midden van hun warme liefde. Bij het afscheid geef ik hem een knuffel. Ik knijp even in zijn armen en wens dat hij er voor altijd zal zijn. Zoals een jongere broer die onlosmakelijk met je verbonden is. Mijn courageuse vriend, ook gij zijt een schoon mens. (Foto: Emanuel Smedbøl)

Katrien Meermans
0 0

Balanceren

Het is opnieuw balanceren op het randje. Ik sta voor het keukenraam en kijk hoe de zon achter de brug langzaam de velden in glijdt. Een merel imponeert zijn vrouwtje en mij met zijn gezang. Een trio duiven, dicht bij elkaar genesteld op het bladerdak van de berk, sluit de ogen. De lichten van voorbijrijdende auto’s schudden me wakker. Ja, ik hou echt van deze plek. Een beetje verstopt richting rand van de wereld. De boerenbuiten en de nodige activiteiten zorgen voor de welkome verpozing na een dagje kantoor. Met mijn botten aan, wandel ik met een jongenspasje over ons kleine erf. Langs de bessenstruiken onder de fruitbomen, naar het water. Op de tippen van mijn tenen bewonder ik de overvolle serrebak. Als alle plantjes slagen in hun groei, weet ik binnenkort niet wat ik eerst moet doen. ‘Wat ben je van plan?’, vraagt mijn lief vanuit een stoeltje bij de kippenren. Met een zak potgrond geklemd tussen mijn armen en lijf sta ik met rode wangetjes naast een enorme bloempot. ‘Venkel zaaien.’ Hij schudt een beetje met zijn hoofd en denkt aan het vele hooi dat ik op mijn vork neem. Maar ik moet kunnen ontsnappen omdat het moeilijk blijft. Dat inpassen in een wereld waarin je je niet begrepen voelt omdat je niet krijgt uitgelegd hoe dat nu precies met je zit. Onwennig en bang, kom je afstandelijk en koel over. Een verlegen luisteraar die struikelt over de woorden die haar gedachten niet kunnen volgen. Nieuwe mensen, die tast je liever even af. Uit een ooghoek sla je ze gade, achter je rug volg je het gefluister. Daarnaast ben ik ook ongelooflijk traag. Pieken voor mijn dertigste, dat zal er niet meer in zitten. Ook al zegevierde mijn liefde voor het schrijven in mijn kindertijd en kon ik er mijn tienerverdriet in kwijt, de eeuwige twijfelaar in mezelf rende uiteindelijk heel hard weg voor de leeuwen.Reeds vijf jaar trek ik tijdens de gebruikelijke uren dezelfde schoenen aan en probeer ik onopvallend te passen binnen een of andere maatschappelijke verwachting. Maar als ik heel eerlijk ben, hoor ik thuis aan de schrijverstafel. Met een wand vol boeken als ruggensteun en Max Richter als toeverlaat. Er valt nog veel te leren, de groei is nog maar net begonnen. Zonder te wedijveren met anderen, maar met een beetje druk van het lief ben ik op zoek naar die zelfdiscipline van het schrijven en schrappen. Van het stoppen met angstvallig weg te lopen van ik wat ik toch zo heel graag doe. Ons huis is mijn glazen stolp, ons kleine erf een paradijs en in mijn hart is het soms een kleine hel. Angst zet, vaker dan ik zelf wil, een klem op mijn zijn en durven. Dan is het makkelijk vluchten in uitstelgedrag en opgerold als een bolletje liggen knabbelen op rampscenario’s. Zo nu en dan, staat het water van de ingebeelde ramp tot aan mijn lippen. Dan sluit ik de ogen en tel ik af naar de verdrinking. Tot hij mijn vermoeide lijf uit het water hijst en we mijn verdriet in slaap wiegen. (Foto: onbekend)

Katrien Meermans
0 0

Subtiele verleiding

Troostelozer kon de locatie niet zijn, die gedachte schoot door haar hoofd nu zij zich bevond in een omgeving van beton. Het intussen lang en breed weggesijpelde regenwater had donkere vochtplekken achtergelaten in de grijze platen. Druppels tikten vanaf de lekke goot op de metalen platen. Een autoalarm ging af in de verte.  Dat beeld en het geluid versterkte haar ontheemd gevoel. Wat moest zij hier? Zij leek wel gek. Op dit onchristelijke uur, op deze zielloze locatie.   In haar dagdroom had alles heel anders uitgezien. Zij zou een rok dragen, een zomermodel, van lichte, witte stof. Haar huid zou er subtiel doorheen schijnen, de welving van haar billen zou als gebeeldhouwd staan in de contouren van het textiel. Aanvankelijk zou ze verlegen zijn geweest. Van pure zenuwen had ze voorafgaand aan haar ontmoeting wellicht moeten huilen. Haar ogen zouden nog licht rood omrand zijn op het moment dat ze elkaar voor het eerst zagen. Daarop zou hij haar willen troosten, haar blonde haren strelen.   Nu stond ze hier in de kou. De regen viel. Het witte zomerjurk had plaatsgemaakt voor de zwarte trenchcoat. Helena Rubinstein Nr. 101 en opgestoken haar, had hij gisteren rond 16.00 uur nog doorgezonden. Het had haar veel moeite gekost, om die lipstift nog gauw na het werk te bezorgen. Maar zij wist dat zij zijn hoge eisten moest vervullen, neen sterker nog, zijn hoge eisen wou vervullen. Riemchenpumps und schwarzes Strickkleid had hij een uur later gezonden……..Erotisch bevreemdend was het gevoel, als hij haar instrueerde in het Duits. Zij kon haar eigen beeld in zijn hoofd zien. Was het geoorloofd hem toch wat dichterbij te halen? Nog een heel klein stukje misschien? Waar lag de grens, waar stond de muur en waar wilde zij de opening?   Haar droom, deze locatie, het contrast kon niet groter zijn. Woede maakte zich van haar meester, om de discrepantie tussen werkelijkheid en droom, tussen fictie en realiteit. Een ding stond voor haar vast, hij zou haar vandaag nemen, keihard, genadeloos nemen.   In de verte hoorde zij natte autobanden op het beton. Haar hart ging in versnelling. Haast ademloos zag ze een auto dichtbij komen. Haar rode nagels omklemden haar mobieltje in de zak van haar jas. Honderden keren had ze in 10 minuten tijd op de scherm gestaard. “Ik kan het niet, ik zal er niet zijn, helaas” ………..dit bericht had ze verwacht. Misschien had ze zelfs op dit bericht gehoopt. Tegen haar diepste gevoelens in. Verlossende woorden die alles terug goed zouden maken.   Woorden; ………………….hij die de keuze nam. Iemand anders die de situatie de juist wending zou geven. Toch de klok tikt door en gemaakte keuzes kan men niet meer terugdraaien.   Haar hakken klikklakten over de steenen vloer, zijn hand om haar taille. Zij rook Cashmere van Chopard, hoorde het kraken van zijn zwarte, lederen jas. De stoelen in het donkerste hoekje van de hotelbar werden bezet.   Zoals zij daar zat, bloedmooi. Een dodelijke combinatie: achteloos, maar blakend van zelfvertrouwen. Hij keek haar aan, in de achtergrond speelde rustige muziek. Lucy Rose. Of dit past in het plaatje? Ja, natuurlijk. "And I loved the way you looked at me - And I miss the way you made me feel - When we were alone - When we were alone". En neen, want er viel weinig te missen. Ze zaten alleen, ze waren alleen, en er was weinig reden om het heden voor het verleden in te wisselen.   Bestaat er een ideaal voorspel? Wat houdt dat in? Het zijn retorische vragen. Het antwoord is enkel: hier, nu, overal en altijd. Zijn slanke handen om het zwarte koffiekopje. Hoe vreemd was het. Hoe vertrouwd.   Subtiele verleiding, hij was er goed in..........

Sonja Blondé
0 0