Lezen

Vijf regels voor een rode nacht

Onze pa is weer aan het zeuren, of zoals hij het zou zeggen: zaniken. Of nee, welk woord gebruikte hij laatst? ‘Jeremiëren, jongen, dat is wat ik doe, zoek maar eens op in het woordenboek’ – en toen wees hij naar de boekenkast. Wat een malloot! En dat allemaal omdat, hou je vast, ik een schrijffout in een van mijn graffiti had gemaakt. Dat ik midden in de nacht in mijn hoody – capuchontrui, zegt hij natuurlijk – de straat optrek, nee, dat vindt hij niet erg. Dat ik door arcaden glip en staketsels beklim, slechts gewapend met een spuitbus vol acryl, butaan en rode verf, dat is gepermitteerd. Alleen maar rood, zeg je? Ja, dat is mijn ding, al varieer ik wel: terracotta, karmijn, bordeaux, marsala… of dat vette fluo van de lampen van Madame Trudy’s etablissement op de chaussee.  Maar nee, dat is allemaal okido voor meneertje de taalpuritein. ‘Spuit er maar vrolijk op los, jongen, glaceer de gestucte muren van de stad met jouw rocamboleske tags.’ Oké dan, pa, zal ik doen! ‘Maar,’ voegt hij eraan toe met verregaande vibrato in zijn stem, ‘houd je aan de regels!’ Ik rol mijn ogen als kristallijnen knikkers en keer hem de rug toe. Rugzak aan, kop in kap, de deur uit. Of toch niet? Pa legt zijn weke, weeë hand op mijn schouder. ‘Wat zijn de regels, jongen?’  Ik draai me om en zie de vijf opgestoken vingers van zijn andere hand.  ‘Ten eerste. Maak mooi wat lelijk is, verf alleen grijze muren en verroeste treinen, verberg vuiligheid en mankementen. Ten tweede. Laat je niet pakken, niet door de flikken, de smerissen of de klabakken.’ Drie keer hetzelfde, volgens mij, maar pa kickt nu eenmaal op synoniemen en synergieën. ‘Ten derde. Niet. In. Onze. Wijk.’ Hoor hem bezig, de hypocriete hypochonder. ‘Ten vierde. Nooit over het werk van een andere artiest.’ Ja, duh, dat is voor mij wel regel numero uno, de fundatie, het principale punt van alle graffiti. Maar hij denkt natuurlijk dat hij nu slim is, nadat hij een halfuurtje heeft gefacebookt. ‘En ten laatste maar niet ten leste?’ Hij hult zich in stilzwijgen. O, nu is het dus aan mij. Hij supprimeert met veel moeite zijn glimlach. We weten allebei wat er nu aan komt. De regel der regels, het nec plus ultra van elke kommaneu… excuseer, taalnazi. Enkel zijn pietepeuterige pinkje steekt nog omhoog. ‘Ja, jongen?’ ‘Geen dt-fouten, pa. Mag ik nu weg? De straat wacht niet.’ ‘Hmmm…’ Het pinkje hangt halfstok, geknakt maar niet gebroken. ‘All right, ik weet wat je wil horen. Het fokking schaap.’ Hij fronst zijn brauwen. Echt waar, is het nog niet genoeg? Nooit content, die oude vent. Hij wil me knikkebollend op de knieën. Hij wil me zo klein krijgen als die godverdomse gnomen. ‘De smurfen! Ik smurf, jij smurft, wij zijn gesmurft. Nu tevreden, o vroede vader?’ Ik kan ze niet uitstaan, die blauwe lilliputters, die witgemutste ukkepukken. Alleen die mini-Marx met zijn rode, wat zeg ik, scharlaken muts, kan ik wel appreciëren. Misschien zet ik die baas straks in volle glorie op de distributiecabine. Pa kan de smile niet langer van zijn facie houden. De fiere fetisjist. ‘Ga, mijn zoon. In de groove, boef!’

R.F.G. Vandenhoeck
24 1

Gevouwen geluiden (Hoofdstuk 5/10)

Ze zaten nog op hun knieën toen hij binnenkwam, of eigenlijk, krassend in ruimte en tijd zijn onverwachte intrede maakte.  Als volgende stap op het onbestemde spelbord. De onaangekondigde bezoeker, afkomstig uit het niets, gebruikte een stuk stoepkrijt, zo groot als een brood, om lijnen te trekken over vloeren en muren. Alsof hij een landkaart tekende van een nieuwe wereld. Zijn jas was een mengsel van kleuren zonder naam. Voeten aan de verkeerde schoenen, twijfelend aan de richting van vertrekken en aankomen. Zachtjes zingend naderde deze nieuwe pion. Een mistige handleiding op rijm: “Links van de trap ligt een vork in de tijd… …rechts van Hades een geheugen dat glijdt…” Lys en Mauro zaten terug recht, hun lichamen nog dichtbij, de handen los. “Wie is dit?” fluisterde Lys. “Misschien …een gids? Een waarschuwing? Een struikrover?” De man stopte. Keek op. Zijn ogen waren ramen waarvan het gordijn snel even opzij werd geschoven. Hij wees naar hen, stoepkrijt onder de arm. “Een van jullie is vergeten wie de ander niet is” zei hij “en wie dit onthoudt, die moet lopen!” Ze keken elkaar aan. Wat? Wie? Mauro stond op. Langzaam, alsof hij van elk gewricht, elke spier, toestemming nodig had. “Wat bedoelt u?” aarzelde Mauro. De man met het krijt glimlachte. Niet vriendelijk, niet gemeen. Zoals een steen glimlacht als de zon hem verwarmt. “Jullie hebben iets wakker gemaakt. Iets ouds. En nu verlangt het naar beweging.” Hij boog zich voorover, tekende een cirkel rond de cassettekoffer, en één rond Lys. Mauro stond net buiten de cirkels. De lucht zinderde, trilde. Een trilling enkel voelbaar met de linkerhelft van hun ribben. Lys keek op. “Mauro…ik denk misschien…dat we…iets moeten kiezen.” Voor Mauro kon antwoorden begon het stoepkrijt in de hand van de man te gloeien. Niet fel. Kalm als het begin van gloeiende kolen. Een voorgevoel van vuur. Er verscheen iets op een muur, in krijtletters die niemand had geschreven: “Wie samen zingt, zal samen zwijgen, tenzij één van beiden de stilte vergeet.” Mauro deed een stap naar voren. Dit was het moment dat de kleine vis, van papier gevouwen, die in zijn jaszak ronddobberde naar buiten sprong. Hij viel stil neer op de grond. Onbeweeglijk. Behalve zijn vin, die bewoog. Langzaam. Lys keek toe, glimlachte, niet uit geruststelling maar uit herkenning.  

Piet V.
52 1