Lezen

Sneeuw

‘De winters zijn niet meer wat ze geweest zijn’, zegt mijn overgrootvader, wanneer hij op januaridagen door de raampjes van zijn kleine, bruine huisje gluurt. ‘Maria’, fluistert hij, omdat hij duidelijk wil maken dat hij het tegen mij heeft, terwijl ik de enige in de kamer ben. Of omdat hij mijn overgrootmoeder nog even gedag kust? Moeizaam legt hij zijn bleke hand tegen het raam. Een wereldoorlog winnen is gemakkelijk, maar het leven is een oorlog die we allemaal verliezen. Grootva vindt het niet eens het vechten meer waard, hij laat het over zich heen waaien. En als hij morgen mee zou waaien, zou hij niet eens meer omkijken om afscheid te nemen. Hij verlangt naar de liefde van zijn leven, de vrouw die hem meer dan zestig jaar lang heeft doen geloven dat eenzaamheid niet bestaat. Maar toen grootmoe op een dag niet meer wilde opstaan, ontdekte hij dat hij een gehandicapte, moederloze baby was zonder zijn lief. Hij zou voor het eerst in zijn leven zelf moeten koken en wassen. De afspraken en pillen die hij steeds vergat, zouden zonder grootmoe’s ingebouwde klok in de eeuwigheid verdwijnen. ‘De pastoor zegt dat ik een liedje moet kiezen, maar daar heb ik toch geen gedacht van …’, murmelde hij. Zelfs dat kon hij niet. Zonder zijn Maria was hij een door zijn ouders in een berg hooi achtergelaten kinneke Jezus – niets meer. Het zijn de stormige januaridagen zoals vandaag, die me onwillekeurig doen denken aan de eenzaamheid van grootva. Wanneer ik naar de bruine bladeren kijk, die samen met dikke regendruppels op het schuine raam plenzen, dan bekruipt me het destructieve gevoel dat ik niet anders ben. Het besef van eenzaamheid komt als een bliksemschicht. Het is weg voor je het kan vatten, maar het blijft op je netvlies gebrand. En dat brandende gevoel is eens zo pijnlijk als het januari is, en de zachte sneeuw waar je zo op hoopte een herfststorm blijkt te zijn. De winters zijn niet meer wat ze geweest zijn.

MDB
1 0

Feest

Kijk eens aan! Allemaal voor mij? Jongens toch! En ze hadden me nog gewaarschuwd. Vooral kleine Gitte. Die komt me vaak wat vertellen, maar nu zei ze gekke dingen. Dat ik niet moest schrikken vandaag. Dat het feest was. En ik begreep dat niet zo goed. In mijn toestand ben je namelijk niet echt in feeststemming. Ik zou liever alleen zijn. Hoewel de burgemeester daar flink zijn best voor heeft gedaan met die afspanning van rood witte lint, blijft het moeilijk als je midden op een dorpsplein staat.  Toen Gitte me zei dat ze me wilde bedanken, werd het me duidelijk. Voor het samenspelen, voor de koele schaduw in de warme zomertijd, voor de verfrissende dauwdruppels, voor een schuilplaats tegen de regen of tegen pestkoppen…. Ze bleef maar ratelen terwijl ze zich op de onderste tak dicht tegen me aan nestelde. Daarbij sloeg ze haar arm om mijn stam.  Voor het klimrek dat ik was. En dat ik elk jaar een beetje veranderde, vond ze fijn, vertelde ze. Dat mijn bladeren zo mooi groen waren en wat een prachtige kleuren ik maakte in de herfst. En blijkbaar vond zij dat niet alleen. Het hele dorp heeft zich geamuseerd in en op mij. Dat ik knap was en stoer en groot. En dat ik dapper was en dat moest blijven ook. En dat het daarom dus feest zou zijn. Vandaag. Voor mij.   Zie mij hier nu staan. Met slingers, en lichtjes. Dan kan het wel eens laat worden vanavond. Geeft niks. Druppelgewijs komt iedereen naar me toe. Ik ben omringd met het mooiste gezelschap. Daar is  Claire met de prachtig fonkelende ogen. Hoe ouder ze wordt hoe meer twinkel in haar blik. Ze raakt mijn stam even aan. Ik heb haar vorige nacht haar doosje terug geschonken. Ze heeft diep moeten graven, maar ze wist nog precies waar het lag, aan mijn voeten, stevig omkneld door mijn wortels. Ah, en daar komt mevrouw Janssens aangetsjokt. Ze is van een paar generaties na me, maar qua houdbaarheidsdatum staan we even ver. Waar is de tijd dat ze haar eerste kus van meneer Janssens ontving. Hier dicht bij mijn stam. Ik trok mijn takken naar beneden…het was hun moment, niet dat van het hele dorp. Meneer Janssens is niet meer, heeft mevrouw me een tijdje terug toegefluisterd. Er komen veel mensen dingen vertellen. Goeie en slechte. Om maar te zwijgen over de geheimen die aan mijn takken blijven plakken…of andere vuile dingen, aan mijn stam…zoals van dat vreselijke beest daar. Titus! Zijn baasje neemt nooit de moeite om Titus vuiligheid op te kuisen. En iedere keer komt dat beest weer! Ze zijn natuurlijk niet allemaal zo vuil. De Cois bijvoorbeeld. Speciale kerel, gemeentearbeider in hart en nieren. Elke lente zorgt hij voor mooie bloemen aan mijn voeten. Het vuil dat een ander achterliet, fluit hij vlotjes in zijn kruiwagen. Ach en zie daar, Kasper, die spetter van een voetballer. Hij kan zijn ballen altijd zo hard in mijn kruin stampen dat ik moeite had ze vast te houden. Hij weet het nog niet, maar ik heb gewonnen…Er steekt er hier nog eentje, rechts boven. Die krijgt hij straks vast terug.   Jongens, jongens wat een volk. Allemaal voor mij. Ze smullen van taart en drinken wijn. Op mijn gezondheid. Al stelt die niks meer voor. Ze zijn er allemaal. Jong en oud. Ze zingen liedjes voor me en dansen rond me. Wat hebben ze plezier. Ze halen verhalen op van toen ik nog jong en sterk was. Ja, daar weet ouwe-Jacques-van-achter-de-hoek alles van. Die kerel heb ik vaak in mijn armen gehad. Tot hij zelf een beetje houterig werd. Oh, wat een prachtige avond, de tijd gaat snel. Het duister valt. Ik laat het volk verder vieren. Ik licht op. Mijn wortels staan niet meer zo vast in de grond als vroeger. Ik ben moe. Oud en versleten. Mijn takken zakken, mijn bladeren laten los. Ik doe mijn ogen toe.

Karlijne
1 0

Elk Huis

Elk huis draagt zijn kruis, dus alle vensters huilen. Of is het afvalwater dat alle huisvrouwen in deze straat op exact hetzelfde moment uit het raam gieten, hun klok gelijk gezet op de tijd die ik erover doe om de volgende huizenblok te bereiken. Ik word nat van de miserie die hier samenhokt.Maar het zet al meteen de toon, schept een sfeer van tristesse, hoe dan ook. Bij zonnig weer zijn zulke tekens onontbeerlijk. Alsof de hemel declameert dat er ook regen achter gevels. Zij sluiten vensterluiken, en wij onze ogen. Als die van een vrouw een tint meer blauw, is dat niet van tegen deuren te lopen...Een zonnebril maskeert het leed, conventie dempt elke kreet. Hoeveel decibels geschreeuw zou deze steeg beleven, als we zomaar onbelemmerd onze normen overstegen? Een maatschappelijke laag van make-up moet de groeven camoufleren, maar al metst ze heel het potje leeg, haar angst staat af te lezen.Instinctief mijdt ze glazen deuren. Ze mijdt trappen. Ook die naar een beter leven. Maar de handen die haar vroeger streelden, staan haar naar het leven. Ze geeft de planten water, haar laatste tijdverdrijf van waarde. Hij paste alle technieken toe, ook die van de verschroeide aarde.Hij kocht van die combat boots, om zo haar pijn wat op te voeren. Ook zijn karatelessen komen van pas. Hij is een man van daden. Smoesjes moet ze zelf maar bedenken. Ieder zijn talenten.Maar de buren weten. Haar ouders weten. Zijn ouders weten. En toch stond hier nooit een combi voor de deur! De muren zijn hier van karton, een spektakel voor velen. De audio van zo'n hoge kwaliteit dat het lijkt of ze zelf in de klappen delen. 'Alsof je er zelf bij bent!'We kregen duimen om drie cijfers te kiezen, een stem om te beschrijven, maar we blijven primitieve apen: horen, zien en zwijgen! Noodgevallen delen ligt in onze macht, zo maken we 't verschil. Vermenigvuldig haar kans op redding, is dan de logische optelsom.Hoeveel angsthazen zwijgen om het niet op de spits te drijven, is alsnog onderbelicht. Maar uit angst niet bougeren voor de goede 'vrede', dat noemen ze: medeplichtig! Dat het je plicht is. Luid de klokken. Laat het stoppen.Het regent niet eens. Maar de huizen huilen. We negeren het fervent, maar het perfecte isolement van vier muren, houdt geen rekening met gluurders.Schreeuw het uit. Laat het stoppen.

Gert Vanlerberghe
2 0