Lezen

Zij die mijn liefde kan dragen 5

O, lieve Andrea, welke naam zou ik je kunnen geven, als alle namen te klein voor je lijken? Hoor je ook de regendruppels die onze harten proberen te doordringen? Ja, mijn liefste, het zijn de druppels van toewijding, van evenwicht, van oneindige liefde... Maar het is ook het levende water dat de duizenden rozen voedt die ik alleen voor jou bewaar. Ja, alleen voor jou. Je dag was zwaar. Vermoeidheid heeft je stappen gegrepen, je benen en lichaam lijken van lood gemaakt, en je ziel verlangt alleen maar naar rust, naar die slaap waarin engelen hun vleugels uitslaan over hun geliefden. Maar onthoud, parel van de nacht, dat ik zelfs in je droom aanwezig ben. Ik waak in stilte over je. Hoewel ik door vele afstanden van je gescheiden ben, ben ik op hetzelfde moment zo dichtbij. Mijn woorden zijn de onzichtbare draad die ons verenigt. Hij kan niet gebroken worden en kan niet verloren gaan, geweven uit iets wat noch tijd noch wereld kan aanraken. O, ik gebied de diepten in mij woorden te spreken die ik niet volledig ken. Ze zijn zo diep, zo levend, dat ik ze soms bijna niet meer kan verdragen. Maar voor jou, ja, voor jou, lieve Andrea, daal ik onbevreesd af in die diepten en overwin ik ze. Weet je waarom? Omdat daar niet alleen de schoonheid van mijn woorden huist, maar ook het licht dat jij voor mij bewaard hebt. Zonder jou zou deze diepte zwijgen. Jij bent het licht dat haar een stem geeft. Daarom zeg ik je: moge elk woord een klank worden die opstijgt naar jouw hemelse schoonheid, waarop ik verliefd ben tot in de hemel. Laat me deze woorden uit de diepte halen, zodat je altijd kunt luisteren naar het lied van die goddelijke drank die je ziel betovert. Hoe mysterieus is dat wel niet wat ik voel... ,ja die bron van woorden, die ik weef als een melodie...o liefste...ja omdat ik intens verliefd op u ben...Ik ken de naam ervan niet. Het is vreemd en toch zo troostend. Laat me je wang strelen, zodat mijn vuur rust kan vinden. Zonder jou zou het vuur in mij veranderen in een duisternis die alles verteert. Dit is het mysterie waar ik nu doorheen ga. Misschien heb ik het mis door je zo intens te verlangen. Zo ja, vergeef me dan, lieve schoonheid, en ik zal mijn gedachten doen zwijgen. De gedachte jou te verliezen is de afgrond waarin mijn wezen alle poorten van het licht zou sluiten. Maar zie... zelfs te midden van die duisternis heb ik het beeld van jouw ziel geplaatst. Daarom kan de duisternis niet langer heersen. Jij bent het paleis van mijn hart, en in de tuinen ervan bloeien de bloemen onophoudelijk. Elke dag pluk ik ze en leg ze als offer aan jouw wonderbaarlijk mooie voeten.   

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 4

Wie ben jij, degene die ik zo mooi voel in de diepte van mijn hart? Hoe ben je hier terechtgekomen in mij? Wat een vreemd iets... en toch wat vind ik het fijn. Ja... oh ja... wat een zegen is deze toestand... ja... Waarom, Robby?... Omdat ik voor het eerst... ja... voor het eerst echt iemand in mijn ziel heb toegelaten. Het is een vreemd gevoel, maar misschien beschrijft 'ongewoon' het beter. Vooral wanneer ik verdwaal in haar blik, en zij in de mijne. Ik denk dat we allebei hetzelfde wonder ervaren, hoewel we soms de woorden niet kunnen vinden om het te benoemen. Haar ogen... Ik verdrink volledig in hun grenzeloze schoonheid, alsof de hele vallei van schoonheid die ik ooit in de tuinen van mijn ziel heb gezaaid erin verborgen ligt. Hoe zou ik dan kunnen spreken? Hoe zou ik woorden kunnen vinden, die deze melodie verweven tot dat wat ik bedoel? Oh, hemelse bron van goddelijke nectar, geef me de juiste woorden, zodat ik de diepte kan bereiken waarover haar ogen tot me spreken... ja, tot de diepte van haar ziel, die mijn wereld binnentreedt als een nimf die uit het licht is neergedaald. Laat de zonnestralen mijn borst verwarmen, zodat zij haar hart erop kan laten rusten. Laat mijn lege borst de haven worden waar haar grote schip kan aanmeren, en verwelkom ik haar zoals een koning zijn meest dierbare gast verwelkomt. Hoe wonderbaarlijk is dit alles... oh ja... ik ben verbluft. Zo verbluft dat ik haar elke dag wil schrijven, elke dag haar gezicht wil zien, want haar aanwezigheid doet me blozen, doet me glimlachen, en tegelijkertijd laat het me de macht begrijpen die ze over me heeft. Kijk naar haar glimlach... soms verlegen, soms speels en uitdagend, maar zo mooi dat ik de rijkdom van haar ziel bijna kan aanraken. Of ze nu kleren draagt ​​of niet, doorheen haar lichaam zie ik wie ze werkelijk is. Ik zie haar licht. Mijn God... hoe puur is haar licht! Het stroomt naar me toe als een rivier van liefde en sensualiteit, een zachte energie die zelfs de duisternis in mij verzacht. Laat mijn tranen dan een vreugde zijn, want elke traan is een offer dat ik op haar lippen leg, zodat ze nooit dorst zal kennen. Die glimlach... die sprankelende ogen... haar fluweelzachte wangen... haar warme handen... alles getuigt van de puurheid die ze over mijn ziel uitstrooit. Het raakt me zo diep dat ik bijna aan haar voeten neerval. Niet omdat ik zwak ben, maar omdat ik haar herken als de kracht die me troost, en voor zo'n schoonheid kniel ik uit respect neer. En toch, ik beken... soms laat ik me expres vallen, want dan weet ik dat ze de tijd zal nemen om naast me te gaan zitten. Ik weet dat ze zachtjes tegen me zal zeggen: "O, mijn prins, sta op... mijn liefde voor jou kan niet gedijen in een lichaam dat overweldigd wordt door verdriet." Met haar hemelse stem en verleidelijke ogen, die mijn wangen strelen, smeekt ze me teder op te staan ​​en haar de dans aan te bieden waar ze zo naar verlangt. En wat zou er mooier kunnen zijn dan haar de melodie aan te bieden... de melodie van dat betoverende schouwspel waar ze zo verliefd op is? Misschien is dat precies waarom ik, in het geheim, haar prins ben. Betoverd door mijn woorden, staat ze me toe om met alle intensiteit van mijn hart over haar te schrijven, omdat het haar diep raakt, omdat ook zij er oprecht naar verlangt gezien te worden. Hoewel velen haar voorbijgaan zonder haar op te merken, is zij voor mij de vallei die ik in hemelse woorden hul, als een machtige prins, zodat ze haar weg naar huis kan vinden in een wereld vol lijden. Laat de draak in mij haar dan beschermen, haar op zijn vleugels dragen. In deze diepe liefde begrijpen we beiden wat goddelijkheid betekent, en ervaren we even wat het betekent om als god en godin te bestaan. Oh, mijn liefste... ja, jij, Andrea... ik hou van je met heel mijn wezen.  

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 3

O, lieve en mooie Andrea, hoe kan je hart overvallen zijn door een duistere gedachte? Vertel het me alsjeblieft, want mijn ziel vindt geen rust. Je doet me beven, je maakt me onrustig. Komt het door de duisternis die ik in me draag? O, mijn geliefde, de vrouw voor wie mijn hart zowel de vreugde als het verdriet van de hemel kent, zeg me... verlang je er werkelijk naar om me voor je te zien neervallen en mijn kleed van duisternis af te werpen? Is het dat wat je verlangt? Die gedachte beangstigt me, O mijn geliefde, want dan zullen mijn kleren van me afvallen en zal ik naakt achterblijven. Ik zal een deel van mezelf moeten achterlaten en mijn volledige vertrouwen in jouw handen leggen. Ja, lieve en mooie Andrea, je komt mijn hart binnen als een oneindige vreugde. Maar dit is een heilige last die je zult moeten dragen. O, mijn geliefde, ik wil je niet belasten of je ooit verdrietig zien. Kijk tedere schone die de sterren doet beven van uw onmetelijke liefde die je bezit... ik ben bereid mijn kleed van duisternis voor je af te leggen. Maar zeg me, waarmee zul je me dan bekleden? Want mijn licht is al in jouw handen, en het kleed van mijn duisternis ligt nu aan uw heerlijke voeten. Dan zal ik werkelijk vallen... Oh, mijn geliefde, til me op. Omarm me, draag me in je armen, troost me, want in deze diepte kan ik niet langer zonder jou leven. Begrijp, jij tere schoonheid van hemelse liefde, dat jij alles bent wat me rest. Welk gewaad zul je me dan geven? Zullen je handen mijn brandende woorden over tien jaar, over vijftig jaar nog kunnen dragen? Want mijn liefde voor jou zal zo groeien dat het gewaad van mijn ziel geweven zal zijn van dezelfde tederheid waarmee je handen me vandaag troosten... terwijl onze wangen rood worden, verloren in de diepte van onze blikken. Oh, alsjeblieft... laat me deze stap voor jou zetten. Maar draag me ook, zoals ik jou draag in elk moment van mijn hart.  

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 2

Met een diepe sprong... met een gevoelige snaar... met de puurheid van mijn eigen wezen... treed ik je ziel binnen, mijn liefste, niet om je te bezitten, niet omdat ik dat zou kunnen, noch om over je te heersen. Ik kom slechts om in de stilte van je hart te zitten. Luister naar mijn melodie. Ze zal je ziel strelen, ze zal de wind je haar laten dragen als een levende vlam, en het brandende verlangen dat je voor mij in je draagt zal niet langer gedoofd worden. Ik zie je ziel. Ik voel haar. Ik zie hoe ze al haar energie verzamelt om de mijne te benaderen, eerst met angst omdat deze nabijheid je nog onbekend is. Maar, stap voor stap, daal ik dieper en dieper af in mijn dans, in een dans van woorden die je zachtjes raken en je ontdoen van elk masker. Hier, in de diepte van je wezen, zijn er geen gewaden die de waarheid over wie je bent kunnen verbergen, daar zijt gij naakt, naakt in de schoonheid van wat gij werkelijk draagt. Luister dan naar de stem van wie ik ben en het geschenk dat ik met me meebreng om je hart te verheugen, zij is de dans, de melodie van ongeziene schoonheid. O, tere geliefde, jij die schittert door de mist van een turbulent leven, ik zie je worstelen om door de onophoudelijke en vluchtige stroom van de wereld te zwemmen. En toch, hoe dorstig ben je... Ik voel je ziel zachtjes de mijne raken, omdat je niet alleen verlangt gezien te worden, maar ook om getroost te worden door de mysterieuze melodie van mijn woorden, die ik weef als een spin, door hun ondoorgrondelijke charme. Ze raken je zo diep dat ik meester van je hart zou kunnen worden. Maar ik kies ervoor deze macht op te geven. Ja, mijn liefste, ik leg elk verlangen om je te overheersen terzijde, want mijn doel is zo eenvoudig: je te omhullen met woorden zo zacht als zijde, zodat je van mijn wereld kunt proeven. En hoe graag je er ook van wilt ontvangen, mijn bron kent geen begin noch einde. Ze stroomt eindeloos als een hemelse nectar, draagt ​​je ziel en ontsteekt in jou een licht als honderd sterren die tegelijk branden. Die sterren zijn jouw wezen. Want een ster heeft maar één bestemming: licht verspreiden en gezien worden. Maar kijk eens hoe diep de kennis wel niet is die ik in me draag. Ik gaf je mijn licht niet alleen zodat je het kon bewaren, maar omdat alleen jij het kunt beschermen. Je bent zo intens, ik voel je tranen, treur niet gij schone vallei, want ik zal ze vegen en als een dorstige bron in de woestijn zaaien... zo brandend is de vlam van je verlangen. Veel mannen zouden je misschien alleen maar willen veroveren en je in een zielloze liefde willen storten. Maar ik zeg je: kom met me mee naar de plek waar zielen elkaar ontmoeten en begroeten met respect, tederheid en erkenning. Uit mijn liefde voor jou laat ik rozen bloeien, zodat je kunt voelen hoe ik je in mijn hart draag en hoe ik je nader in die diepten waar woorden niet meer volstaan. Fijne schoonheid van de duizend rozen die ik bezit, gij mijn schat, mijn vurige verlangen, laat de draak in mij je leiden naar de plek waar ik je optil en je rode wangen teder kus. Begrijp echter dat dit slechts de taal is waarin engelen elkaar begroeten. En de dans die ze delen, brengt werelden voort, ontsteekt wonderen onder de sterrenhemel en verenigt wat gescheiden leek. Ik zou je duizend keer kunnen vertellen hoe wonderbaarlijk je bent, hoe zoet de geur van je lichaam is. Maar dit alles zou leeg blijven als ik mijn hart niet zou openen om je erin te dragen als een bloeiende roos. Ontvang daarom mijn geschenk: een schoonheid verweven in een melodie, een melodie getransformeerd in dansende woorden. Ja, ik geef het toe... ze proberen je te verleiden. Ik beken zonder vrees dat ik, wanneer ik in je ogen kijk, verlang naar die troost die onze zielen elkaar kunnen geven, totdat ze samen in hetzelfde hart kloppen. Oh, lieve geliefde, gouden schat die de gevoeligheid in ons wakker maakt, hoe vaak zal ik de bergen niet voor je verzetten zodat mijn koningin haar reis kan voortzetten? Zie je niet hoe groot de kracht is van de liefde die ik draag? Ze zal de geur van rozen in je verspreiden, zodat je de last van dit leven met waardigheid kunt dragen en altijd licht kunt blijven. Daarom bied ik je mijn liefde, mijn vriendschap en alle tederheid die ik bewaar voor de schoonheid die in je ogen leeft. Met een warme omhelzing kus ik je, streel ik je en fluister ik je toe, vanuit de diepte van mijn hart: Ik hou van je met een grenzeloze intensiteit. Voor altijd de jouwe, Robby  

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 1

Kijk hoe de sterren onze harten betoveren en hoe het zonlicht onze ziel troost. Maar begrijp ook deze waarheid: liefde is troost, het is de warmte die we soms missen. Woorden kunnen pijn doen, maar ze kunnen ook wonden zalven. Laat dit dan mijn geschenk aan jou zijn. Laat mijn geschenk de bloemen zijn die ik aan je voeten leg, zodat ik ze in jouw naam kan strelen en, al is het maar voor even, je last kan verlichten. Waar onze wandel ons ook heen zal leiden in dit leven, vergeet nooit dat de dagen dat je dacht dat je alleen was voorbij zijn. Vandaag heb jij talloze vrienden, omdat mijn woorden getuigen van deze waarheid. Mijn liefde leeft voort in vriendschap, en de manier waarop ik je streel, je wangen aanraak en je handen in de mijne houd, is de uitdrukking van het diepe respect dat ik heb voor wie je bent. Sterk... wonderbaarlijk... God, wat ben je mooi. Laat me dan schrijven over de liefde die we voor elkaar hebben, over de manier waarop we elkaar omarmen en door het leven dragen. Maar bovenal, mijn geliefde, laat me schrijven over het feit dat we voor elkaar bestemd zijn, dat we weten hoe we naar elkaar moeten luisteren. Net zoals de bomen hun geheim in de wind zingen, zoals de vlinders in het licht dansen en de vogels hun lied aanheffen in de ochtendgloren, zo bestaat mijn lied uit woorden die je onophoudelijk toefluisteren: "Oh, mijn liefste... mijn geliefde... wat hou ik toch veel van je! En vergeef me alles, want alles wat ik probeer te doen is de tederheid van je ziel te bereiken, zodat ik daar de dans van mijn hart kan laten klinken. Zo diep dat je me voor altijd dicht tegen je aan zult houden en me de warmte zult geven waar we allebei naar verlangen." Met al mijn liefde en diepste respect groet ik je. Sta jezelf toe de magie van deze liefde te ontvangen en neem me in je hart op. Dan zal elk spoor van het gevoel dat we ooit gescheiden zullen zijn voorgoed verdwijnen.  

Robby
0 0

Regina

5 februari Liefste zus, Het is alweer lang geleden dat we elkaar hebben gezien. Te lang. Ik mis het om je in de buurt te hebben. Gewoon bij elkaar binnenlopen en bijkletsen met een kopje thee. Onze problemen lijken altijd kleiner na een kopje of twee. Thee is er genoeg in dit kasteel maar niets kan tippen aan de zelfgeplukte lindethee die mama altijd maakte. En die smaakte nog beter als we die mochten drinken uit die chique kopjes met de gouden bloemetjes. Ik weet niet waarom, maar de laatste tijd moet ik steeds vaker aan vroeger denken. Ben je zeker dat ik je niet kan overtuigen om te verhuizen naar Witterwoud? Weet je nog die villa die je zo mooi vond? Die aan de rand van het kasteeldomein, met het strooien dak en de blauwe regen. Die is voor jou als je wil. Dan kunnen we in de zomer samen wandelen door de kasteeltuinen en in de winter appeltaart eten bij het haardvuur.  Denk je er nog eens over na? Rexie is de laatste tijd voortdurend weg voor audiënties en jachtpartijen waardoor ik hier vaak alleen achterblijf. Vroeger was hij tenminste nog thuis voor het avondeten, bijna altijd toch. Tegenwoordig voelt het soms alsof iedereen hier alleen nog de koningin ziet. Voor jou ben ik tenminste nog gewoon Regina. Jij bent de enige die mij verstaat, lieve zus. Zeker omdat jij ook ervaring hebt met een lastige stiefdochter. Er is hier niemand met wie ik mijn problemen kan bespreken. En al helemaal niemand die in staat is om mij nuttig advies te geven.   Hoe doe jij dat met Assepoester? Sneeuwwitje is echt on-uit-staanbaar! Onlangs had ze een verstuikte enkel waardoor Rexie haar overal moest begeleiden, maar als hij niet keek verdween dat manke loopje wonderbaarlijk. En vorige week heb ik mijn paardrijles speciaal afgezegd om met haar verstoppertje te spelen. Na een half uur zat ik nog in die stomme kast en zij was al lang gestopt met zoeken. Ik weet het, ze is nog maar een kind en ik probeer écht geduldig met haar te zijn, maar soms… Af en toe is ze ook gewoon vreemd. Ze zwaait naar haar spiegelbeeld als ze de kamer uitloopt, neemt één hap uit elke appel en legt ze dan terug in de schaal en ze loopt altijd achterwaarts de trap op. Geen idee of ze het doet om mij te irriteren of ze gewoon een eigenaardig kind is. Maar wat mij nog het meeste raakt zijn de kleine gemene opmerkingen die ze maakt. Toen ik de trap afkwam in mijn nieuwe jurk voor het winterbal zei ze dat ik er prachtig uitzag. Maar ze voegde er direct aan toe ‘voor jouw leeftijd’. Ik betrap mezelf erop dat ik sindsdien net iets langer in de spiegel blijf kijken. Vallen mijn grijze haren nu echt zo op lieve zus? Uiteraard zal ze zoiets nooit zeggen op momenten dat Rexie in de buurt is. Hij ziet het probleem niet. Ze draait hem volledig om haar porseleinen vingertje. Rexie en ik hebben constant ruzie over Sneeuwwitje. Van romantiek is helemaal geen sprake meer. We praten nog nauwelijks met elkaar, behalve over praktische zaken of over háár. En misschien klinkt het dramatisch, maar ik heb het gevoel dat er steeds minder plaats voor mij is in mijn eigen huis. Ik heb zo mijn best gedaan om iets moois van dit kasteel te maken. Ik heb persoonlijk elke kandelaar, elk tapijt en elk kopje uitgekozen. En je weet dat ik uitstekende smaak heb. Eindeloze uren heb ik gespendeerd om alles hier vlot te laten verlopen, van wie naast wie zit op het banket tot hofintriges die ik stilletjes moet ontmijnen. En toch voelt het alsof het allemaal verbleekt naast de charme van Sneeuwwitje. Heb jij nog gouden tips voor mij? Hoe kan ik haar voor mij winnen en voorkomen dat ze ondermijnt wat ik hier zo zorgvuldig heb opgebouwd? PS: Verbrand deze brief alsjeblieft van zodra je hem gelezen hebt, Rexie mag hier nooit iets van weten. Liefs,
Regina

Griet Van den Bossche
0 0

Het heeft een naam!

Ik wist het niet, maar dat kleine steentje dat af en toe nog eens tegen mijn hart tikt, heeft blijkbaar een naam. Ik las het in de Flair. Ik geef toe: niet de eerste plek waar ik levenswijsheid verwacht. Tussen de zomerjurken, hydraterende serums en de vraag welk type barbecuegezel ik ben, stond ineens een woord waarvan ik dacht: verdorie... dat ken ik. Vriendschapsverdriet. En plots viel er van alles op zijn plaats. Ik dacht altijd dat dat gewoon hoorde bij ouder worden. Dat er onderweg mensen uit uw leven verdwijnen. Niet omdat ze sterven. Niet omdat ge hen niet meer graag ziet. Maar omdat ge elkaar ergens, tussen een misverstand en een stilte, gewoon bent kwijtgeraakt. Maar dat waren geen gewone mensen. Dat waren die twee handen op één buik. Mensen die wisten waar ge uw reservesleutel verstopte, hoe ge uw koffie dronk en waarom ge nooit een Viennetta kon laten liggen. Mensen die ge om drie uur 's nachts mocht bellen zonder eerst te beginnen met: "Sorry dat ik stoor." Mensen die zagen dat het niet goed ging nog voor ge zelf wist waarom. Met wie ge de chronische aandoening FOMO bestreed door gewoon overal samen naartoe te gaan. We zongen liedjes die veel te luid klonken. We deden zatte handenstanden tegen een muur. We verbeterden de wereld tussen twee pinten door alsof iemand daarop zat te wachten. We lachten tot onze buik pijn deed. Het leken toen gewone avonden. Maar het waren liefdesverklaringen. Niet de romantische soort. De andere. En dan wellicht één verkeerde zin. Ge zei net iets te eerlijk wat ge van zijn nieuwe job vond. Of hij maakte een opmerking over uw kinderen waarvan ge dacht: dat had ge echt niet moeten zeggen. Ge wordt boos. Ge zwijgt. Ge denkt: dit waait wel over. Hij belt wel. Of ik bel morgen wel. Ge kent elkaar al zo lang. Dit kan toch geen einde zijn? Maar dagen worden weken. Weken worden maanden. Maanden worden jaren. En op een bepaald moment is er geen ruzie meer. Alleen stilte. Laatst zag ik hem terug. Ik herkende hem meteen. Nog altijd dezelfde geruite hemdjes. Nog altijd een pet op zijn hoofd. Hij was wat uitgezet. Maar wie is dat niet op onze leeftijd? Zijn lach was nog exact dezelfde. Hij zag mij ook. En dat was het. Terwijl ik eigenlijk wilde vragen hoe het nu met die nieuwe job ging. Of die dakgoot eindelijk vervangen was geraakt. Dat zal ondertussen wel. Dat is intussen vijf jaar geleden. En leeft uw dikke, stinkende schildpad eigenlijk nog? En hoe het met de liefde ging, dat ook.  Ik wilde vertellen dat ik nog altijd dezelfde ben. Of toch bijna. Dat de scherpe kantjes wat afgesleten zijn. Dat de nachten minder wild zijn geworden. Dat mijn chronische aandoening FOMO nog af en toe de kop opsteekt. En dat ik soms nog aan ons denk. Aan hoe vanzelfsprekend wij waren. Hij verdween weer tussen de mensen. Ik bleef nog even staan. Ergens tussen de muziek, de pinten en de gesprekken liep een leven dat we ooit samen hadden. We schrijven romans over de liefde. We maken films over de liefde. We zingen over de liefde. We verklaren de liefde. We vieren de liefde met bloemen, ringen en trouwfeesten. Over vriendschap zijn we opvallend zuinig. Terwijl sommige vrienden langer blijven dan geliefden. Terwijl ze mee aan uw bed zitten na een operatie, uw verhuis helpen doen, uw kinderen zien opgroeien en zonder veel woorden weten wanneer het niet goed gaat. Vriendschap is een bijzondere manier van iemand graag zien. Misschien beseffen we dat pas wanneer er een stoel leeg blijft aan tafel waarvan niemand ooit had gedacht dat die leeg zou komen te staan. En, nog altijd, als ik in de diepvries een Viennetta zie liggen, denk ik aan hem. En blijkbaar bestaat daar dus een woord voor.

Katrien Daniels
143 4

Een relaxed ongeluk.

In Drimmelen lopen we door een smalle straat. Klopt dat? In het historisch Drimmelen lopen we door een smalle steeg. Nee, dat klopt niet helemaal. We zijn in Nederland om zijn nakende pensioen te vieren. In Drimmelen overnachten we in een nieuw hotel met zicht op de jachthaven. Dat klopt! Als je het ontslag dat hij gaf als zijn pensioen kan zien, klopt het volledig. We willen het vieren in het Nationaal park de Biesbosch waar we ooit een bootsafari deden, waar we erg van hadden genoten, waarom niet? Waarom niet volop genieten nu we nog jong zijn én fit? In de smalle steeg loop ik achter hem aan maar niet als een hond, als zijn vrouw wandel ik in schaduw maar niet in het donkere gedeelte van mijn persoonlijkheid, ik kuier ontspannen want niets ergert mij. Ik voel me licht en blij en zie wat ik moet zien: een zwarte kat! Ze rent de weg over, zo snel rent ze de weg over, ze lijkt te willen dat ik haar (of hem) maar even zie, lang genoeg om te vermoeden dat er geloof mee is gemoeid. Ik ben jouw bijgeloof. Ik ben zwart, en wil geen affectie! Dat lijkt de kat te willen zeggen. 'Iemand die bijgelovig is, zou dit oversteken interpreteren als een ongeluk', zeg ik. Hij reageert niet. Ongeveer een uur later bereiken we het museum dat in het groen verscholen ligt. Er ligt een pak mos op het dak. We smeren ons in, trekken de veters strak aan. Ergens op de met gras omzoomde weg is een onzichtbaar putje waar mijn voet in terecht komt. Ik raak uit evenwicht, en val terwijl ik vloek. Mijn hele linkerbeen is geschaafd, het bloed druppelt uit de wonde, een buil manifesteert zich.  Wanneer we na tien kilometers stappen bij de auto zijn, is de buil verdwenen en het bloed droog. Ik wrijf over de wonde, voel iets zacht in mijn hand. Ik kijk maar zie niets dat mij verrast. In het restaurant is het moeilijk kiezen, we kunnen toch niet elke keer een slaatje eten met deze hitte? Hij vraagt hoe het met mijn been gaat. Goed, zeg ik. Zijn hand gaat onder tafel, grijpt naar mijn gekwetste knie, streelt de pels die daar als een relaxed ongeluk groeide. Klopt dat?

Ingrid Strobbe
0 0

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 2: De eerste ochtend

Hoofdstuk 2: De eerste ochtend   Ik moest om kwart voor vier ’s morgens aan het postkantoor staan. Dat is geen sinecure en het kwam er dan nog eens bij dat het putje winter was. Ik bekijk alles echter pragmatisch en maak me de bedenking dat zij het niet kunnen maken géén verwarming te hebben, wat wel het geval was in mijn kamer. Op mijn bed lag immers boven het laken nog een wollen deken en daarboven nog een donsdeken, en nog had ik het koud. Dat kwam niet alleen door het ontbreken van centrale verwarming, het gat in het raam speelde ook een rol. Ik stond op rond drie uur, want het kantoor was nog geen kwartier rijden, zelfs niet met lood in de schoenen. Pa had de kwalijke gewoonte het huis bij elkaar te brullen als iemand moest opstaan, maar alleen als het om werken ging. Was het voor iets academisch, dan moest je zelf maar uit je nest zien te geraken. Of liever niet, eigenlijk, want in dat huis wordt gespuwd op alles wat maar een beetje naar kennisvergaring rook. Toen ik naar beneden kwam, had hij al een verkreukeld blikje Jupiler naast zich staan, op de tafel. Er waren ook al drie sigarettenpeuken aan het smeulen in de asbak. Hij keek me aan en leek haast te lachen. Denk ik, want ik heb hem zelf nog maar weinig zien lachen in de negentien jaar dat ik hem ken. Hij haalde een schriftje met daaraan een pen aan bevestigd tevoorschijn. ‘Hier,’ zei hij met dezelfde grijns, ‘houdt dat maar goed bij. Ge moet geen leesboek meepakken naar ’t werk, maar ge gaat wél mogen schrijven. Ge doet dat toch zo graag?’ Ware het niet van de lauwe biergeur uit zijn mond, ik had het misprijzen zo in zijn woorden kunnen proeven. Hij gooide het boekje op tafel en smeerde verder zijn boterhammen. As van zijn sigaret viel op de smeerkaas waarmee hij het brood beboterde maar dat scheen hem niet te deren. Hij ging ook vlot van confituur naar boter naar chocopasta, zonder zijn mes schoon te maken. Voor mij zullen het dus boterhammen met niets worden. Ik prop ze samen met een potje yoghurt in de pastelgroene brooddoos die gedurende mijn secundaire schoolcarrière al zijn nut had bewezen en nog lang niet op pensioen mag gaan. Het ding blijft de stille getuige van de neergang zonder opkomst van zijn eigenaar. Maar kan je wel een eigenaar zijn van iets dat je geen frank heeft gekost? De portokosten van de opgestuurde spaarkaart naar de commerciële dienst van de lokale koekjesfabriek en de kosten om het ding toegestuurd te krijgen daargelaten? Ik mag het hopen, anders ben ik eigenaar van bitter weinig. Vele van mijn weinige boeken heb ik immers verdiend met schrijfwedstrijden hier en daar. Ik werd wel nooit eerste maar vaak viel er wel een boek voor de tweede van de stapel die de eerste mee naar huis nam. We gingen samen naar het werk – hij nam me vooral mee omdat hij zeker wou zijn dat ik niet plots het hazenpad zou kiezen. Allebei op de fiets. Hij op zijn dienstfiets van De Post zelf, ik op die die ik vier jaar geleden kreeg als nieuwjaarscadeau. Het ding was groen-wit-roze, want het waren toen nog de jaren negentig. Het was stikdonker en berekoud. Hier en daar was er een lichte hint van sneeuw, van die kleine poedertjes, niet groot genoeg om een vlok genoemd te worden. Toch waren we niet alleen op baan – vele traiteurs hadden hun familieleden opgetrommeld om de eerste “pla’s” bij de vroege vogels te kunnen afleveren. En of ik veel vogels gezien heb. Het Groeningemonument zat er zwart van. Veel tijd had ik niet om van de schoonheid te genieten, want toen ik me de bedenking maakte, was ik al de Veemarkt voorbij en reed ik omhoog langs de Sint-Janslaan. Dan rechts en we arriveerden aan het postkantoor. Toen ik klein was – afijn, jonger – kwam ik er soms wel eens om in het restaurant van het postkantoor te eten, als ik met ma op pad was. Toentertijd kon je in het restaurant van De Post heel goedkoop, heel lekker en heel veel eten, zolang je een band met de openbare dienst kon aantonen. Maar de plaats waar mijn leven zich voortaan vaak zou afspelen, de postmannenzaal, die had ik behalve eens vluchtig nog nooit gezien. Het eerste wat mij opviel waren de grote, zware deuren, precies deuren van een gevangenis, die de mannen moeten binnenhouden. Ik dacht aan de zinsnede van Dante toen ik er voor de eerste keer door wandelde, “laat alle hoop wegvaren, gij die hier binnenkomt”. De poorten tot de Hel. Het zag er ook zo uit. Geüniformeerde chaos, darren als in een bijen- of wespennest, de individualiteit gedood. Wolken rook van alle slag tabak kringelden in de lucht. Zeker de helft van de postmannen had een asbak op zijn werkpost staan – één er van was een hand met een tet in, waarop stond “ik hou van tetten en van sigaretten”. Dat was nu mijn milieu. Mijn vertrouwd milieu, zoals thuis, maar tot in het oneindige uitgerekt. Mijn ogen traanden, zij het van consternatie, zij het van de tabak, ik weet het niet. Pa distantieerde zich al gauw van mij en iemand leidde me bij mijn arm naar vooraan de postmannenzaal, als was ik een chimpansee die ontsnapt was uit de zoo en terug naar zijn kooi werd geleid, met de vinger in de mond en een banaan in de andere hand. Ik zou toegewezen worden aan een zekere Bruno, op een dienst 18. Elke dienst heeft zijn nummer en in die tijd – voor de Georoutes er flinke gaten in sloegen – liep dat van 1 tot 48 in Kortrijk.  In Heule en Bissegem, beiden in datzelfde gebouw gevestigd, respectievelijk van 49 tot 57 en van 58 dan tot 62. Zo waren de straten verdeeld onder de postmannen. Die van mij waren de buurt van het Ring Shopping Center. Veel mensen denken verkeerdelijk dat dat Kuurne is, maar niets is minder waar. Dat heb ik tot mijn scha en schande moeten ondervinden toen ik er stagiair was. Ooit nam ik de telefoon verkeerd op – het is te zeggen, ik begroette mijn gesprekspartner met “Ring Shopping Center Kuurne, goeiemorgen” terwijl dat Kortrijk had moeten zijn, wat me op een uitbrander kwam te staan. En zo keert alles terug want de eerste dag van de rest van mijn leven zou ik doorbrengen in de streek waar mijn vorig leven zich ontspon. Ik heb ook nog wat straten daarrond, het Ringerf zoals ze dat noemen en dan de Ieper- en Izegemsestraat. Bruno was een tiental jaar ouder dan ikzelf. Vol van zichzelf, letterlijk en figuurlijk. Een eerder papperig aandoende man die niet veel thuis te zeggen had en het dan maar op kantoor deed. Hij was één van de enigen die niet rookte in de rij waar ik zat en daar was ik ergens wel dankbaar voor. Hij stelde zich voor als Bruno Derycke en die zou mijn peter worden. Ware het niet dat hij het een goed jaar later zou aftrappen om kranten te gaan ronddragen. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Raf, de postbode van dienst 17 werd komisch “de Chinees” genoemd omdat hij er volgens de collega’s uit zag als een Chinees, t.t.z. hij had spleetoogjes. We hadden ook een Marokkaan, de postbode van dienst 20. Die zag er blijkbaar als een Marokkaan uit. Want zo origineel waren de collega’s wel. Zelf was ik voorlopig wel gespeend van een bijnaam, of het zou moeten te maken hebben met mijn familiebanden. De kleine van Reginald, Junior, Billy 2 enzovoort.

Miguel
0 0