Lezen

Oermoeder

Gisteren kreeg ik een beeldje cadeau, een soort oermoeder met kind, een familiestuk, dat generaties overleefde.  Het kreeg een ereplaats op de buffetkast onder de foto van mijn kinderen. Een snapshot van een warm moment op de gevoelige plaat vastgelegd, voor puberteiten en adolescentie het overnamen.  Vannacht zijn mijn kinderen van de muur gevallen, zomaar pardoes op hun gezicht. Mijn op canvas geprinte zoon houdt er alvast een permanente verminking in zijn hals aan over.  Ze hingen nochtans aan een wonderlijk zelfklevende spijker, een even grote hype als elektrische wagens die eigenlijk onblusbare bompakketten blijken te zijn en hormoon restitutie therapie, HRT voor de sisters. Aangeprezen als hét middel tegen overgangsklachten, zoals daar zijn, gewichtstoename, afnemende energie, angst en doemdenken, opduikende stugge kinharen, hart- en vaatziekten, osteoporose, opvliegers, droge ogen, huid en slijmvliezen (we houden dit bewust vaag, maar iedereen weet waarover het gaat), broos haar, dementie, afnemend libido, hersenmist, vermoeidheid, met de horizon verdwenen geduld en als vermist opgegeven zorgreflex. Maar bovenal voor meer levensvreugde voor uzelf en de u omringenden! Hoezee!  Goed voor alles, maar komt met een bijsluiter die men minstens één keer rond de aarde kan wikkelen. Bio-identiek, in pillen, gel of patches, we mikken op de laagst werkzame dosis, bij tussenbloedingen drijven we op tot we weer gaan met die banaan!  Zoals met alles wat zo bejubeld wordt vraag ik me af, waar zit de adder? Waarom is dit wondermiddel weer iets exclusiefs voor vrouwen, net zoals anticonceptie? Want die pil voor mannen, die is toch eigenlijk nooit echt van de grond gekomen, laten we eerlijk wezen. Hebben mannen dat dan niet nodig, die ongelooflijke bescherming tegen al die ouderdomskwalen? Zijn zij dan nog helemaal intact eens de vijftig gepasseerd? De hormonen racen nog alsof ze twintig waren, ze lopen nog steeds met volle haardos achter hun .. euhm .. zorgreflex aan? Geen slijtage dus of wat had je gedacht? Of ... willen ze stiekem gewoon een partner bij wie dat het geval is? Zit dat achter die hele marketingmotor voor HRT en al die nieuwe, breed lachende, halve marathons lopende menopauzeconsulenten, of zouden ze het deze keer écht goed menen met die onderzoeken naar gezondheid bij vrouwen? Die nichemarkt die men al eeuwenlang olijk negeert bij alle medische studies (testpersonen die menstrueren en hysterisch rondlopen met een fladderende uterus in de buik, zijn per definitie onbruikbaar én onbetrouwbaar, dat stond buiten kijf). Bij vrouwen is het pas een hartinfarct als het onomstotelijk bewezen geen stress is, dus als ze dood op de grond liggen …. of zoiets.  Ho maar! Ben ik een complotdenker aan het worden? Is ook dat een overgangssymptoom? Hoog tijd voor een pilletje of gelletje? Kwestie van de productiviteit en de aaibaarheid van de dag naar een maatschappelijk aanvaardbaar niveau te tillen?  Mijn zorgreflex is echter onherroepelijk op z’n retour, daar helpt geen smeren meer aan, van de vraag wat we gaan eten vandaag, ga ik gillen. Mijn kinderen hang ik dus morgen wel weer op, of overmorgen, met het alternatief van de zelfklevende spijker, ook gekend als boorgat, plug & play. De vraag blijft, was het echt de spijker, of probeert de vruchtbaarheidsgodin op de buffetkast me iets te vertellen? Misschien toch die menopauzeconsulent maar even bellen.

nikki_petit
3 0

Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie

Een eenvoudig bericht op Smartschool van de juf was voor mij vroeger altijd reden tot lichte paniek. Volgens de juffen zijn dat heel normale vragen. “Graag morgen een wit T-shirt meegeven.” Of: “Wie nog een foto heeft van zijn kind als baby…” Heel gewone dingen, vinden zij. Maar voor ouders zijn dat regelrechte aanslagen op een toch al broze work-life-balans. Want waar, vraag ik u, haalt een mens op een woensdagavond om 21u37 nog een wit T-shirt vandaan dat niet 1) te klein is, 2) een vlek heeft of 3) ergens onderaan een stapel ligt waarvan ge niet meer weet of die proper of vuil is. En die babyfoto. Alsof wij hier een schuif hebben met afgedrukte foto’s. Ik denk soms dat juffen ervan uitgaan dat mama’s een soort kastsysteem hebben. Een schuif met witte T-shirts. Een schuif met witte lakens. (Echt. Serieus. Wie heeft er een schuif met witte lakens?) En ergens ook een schuif met afgedrukte foto’s uit de kindertijd. Zo van die perfect gesorteerde herinneringen. Gelabeld. Per schooljaar. Dat soort schuldgevoel — dat ge niet zo’n goed voorbereide moeder zijt — ligt gelukkig al een tijdje achter mij. Ik hoef het lot niet meer te misleiden met extra zwembroeken in mijn handtas of met duizend plannen B in mijn hoofd. Allemaal om er uit te zien als die ontspannen moeder die alles onder controle heeft. Maar toch. Soms overvalt het mij nog. Mijn zoon vraagt: “Hebt ge elastiekjes?” En ge weet hoe dat gaat. Ge staat aan een kast. Ge trekt een lade open. Ge kijkt naar wat daar allemaal ligt en plots beseft ge: ik heb daar geen schuif voor. Geen elastiekjesschuif. Ik vind elastiekjes trouwens een vies uitgevonden ding. Ze hebben zo’n kleur die nergens echt bij past. Zo’n vuil beige dat eruitziet alsof het al een leven achter de rug heeft nog voor ge het gebruikt. En ze plakken een beetje. Altijd een beetje. En vroeger — toen we ons haar nog in een staart probeerden te trekken met zo’n ding — wist ge één ding zeker: tegen de avond had ge een paar haren minder. Elastiekjes zijn kleine martelwerktuigen met een huishoudfunctie. Maar terwijl ik daar zo in die lade sta te kijken, zie ik wel wat er wél ligt. Diepvrieszakjes bijvoorbeeld. Met zo’n zipsluiting van de Zweedse meubelreus. Dat voelt georganiseerd. Alsof ge iemand zijt die dingen bewaart voor later. Dan ook tandenstokers. Die koopt ge één keer in uw leven en daarna liggen die daar. In een verpakking zo groot dat ge zou denken dat ge elke vrijdag een afterwork organiseert op uw privéterras. Ik in ieder geval niet. En als ge ze nodig hebt — bij de apero bijvoorbeeld — dan zijn ze plots onvindbaar. Dan ligt ge daar olijven te serveren en legt ge uiteindelijk maar vorkjes bij de glazen. Omdat niemand zin heeft om met zijn vingers in een schaaltje te gaan vissen. Tandenstokers zijn zo’n product dat altijd bestaat in theorie, maar zelden op het moment dat ge ze nodig hebt. En dan aluminiumfolie. Ook een moeilijk product eigenlijk. Mag dat nog, in het kader van het milieu? Een bewuste vriendin zei mij ooit: “Weet gij hoeveel energie dat kost om dat te maken?” Sindsdien koop ik aluminiumfolie met een klein schuldgevoel. Maar het blijft wel gemakkelijk. Voor een halve citroen. Voor een stuk kaas. Voor een potje dat ge nog snel moet afdekken. Of voor boterhammen, wanneer de Zweedse diepvrieszakjes op zijn en ik alweer de derde brooddoos op mijn werk heb achtergelaten. In de keuken heb ik zo’n schuif dus niet. Maar ergens anders misschien wel. Eentje met diepvrieszakjes. Om herinneringen in te steken. Van die met een zipsluiting, zodat ge ze voorzichtig kunt dichttrekken. Niet te bruusk. Gewoon zachtjes. Klik. Dicht. Dat ze nog even goed blijven. Dat ze niet uitdrogen of verkruimelen. Dat ge ze later nog eens kunt bovenhalen, openritsen, en kijken of ze nog hetzelfde smaken als toen. Dan ook tandenstokers. Voor de kleine dingen. Om iets weg te pulken dat blijft hangen. Of om, heel precies en beleefd en hygiënisch, dat stukje salami te nemen van het leven waar ge zin in hebt. Niet het hele bord. Gewoon dat ene stukje dat ge gezien had en waarvan ge dacht: ja, dat wil ik. En dan aluminiumfolie. Zo’n rol zilver die ge rond iets legt wanneer ge wilt dat het warm blijft. Of vers. Of beschermd tegen wat er van buiten komt. Ge pakt dat vel, ge plooit dat er rond en ineens is alles een beetje veiliger. De lucht blijft buiten. De warmte blijft binnen. Soms denk ik dat ik dat ook zo doe. Dat ik ergens een stuk aluminiumfolie heb klaarliggen voor mijn hart. Niet om het te verstoppen. Maar om het te bewaren. Voor onderweg. Voor later. Voor wanneer het nog even moet meegaan zonder te verkruimelen. Heel zorgvuldig ingepakt. Niet te strak. Gewoon genoeg om het warm te houden. Tot iemand zegt: "Kom, dit hebt ge niet meer nodig. Geef het maar hier. Ik haal het er wel af. Ik hou het warm. Ik geef het lucht. Dat het kan ademen." Dat zou schoon zijn...  Maar elastiekjes?  Nee. Ik heb geen elastiekjes.  Diepvrieszakjes, tandenstokers en aluminiumfolie heb ik wel. Maar elastiekjes? Nee, die heb ik niet.

Katrien Daniels
38 2