Lezen

my story

Hoera een meisje. 2 mensen die stonden te springen om ouder te worden. Hey Patrick en Tanja. Dag Mieke en Erik wat brengt jullie naar ons ??? Ja we wouden jullie persoonlijk iets laten weten en jullie iets vragen. Wij zijn zwanger en wouden jullie iets vragen! Ja vraag maar. Awel we zijn nog opzoek naar een meter en peter voor ons kindje en we zouden graag willen dat dat een koppel is. Zouden jullie graag meter en peter willen zijn van ons kindje ??? Ja tuurlijk willen we dat !! En wat is het geslacht van men metekindje??? Het is een meisje Tanja. En hoe ver ben je al met de zwangerschap Mieke??? Ik ben uit de gevarenzone dus er kan niks meer fout lopen. Maar als jullie het niet erg vinden gaan we nu naar huis want ik ben moe van te werken. Ja nee geen probleem. We horen en zien jullie nog wel voor de bevalling?? Ja geen probleem. (telefoon van papa rinkelt) Hallo met Erik?? Aaah dag mama seg kunnen wij even langs komen we moeten je iets vertellen??? Ja dan zie je ons vanavond bij het avondeten. Ja we blijven eten. Geen probleem mama tot straks. Wat was dat allemaal. Ja ons mama belde voor te vragen of we kwamen eten vanavond. Maar Erik ik heb juist gezegd dat ik moe ben. Ja maar het is vanavond pas eh dus we gaan nu naar huis en dn kunt ge nog wat rusten en vanavond gaan we naar mijn moeder. Dan kunnen we het ineens zeggen dat ze oma word. Ja zeker. Maar ze moet niet beginnen met zagen eh want ik kan dat mens niet uitstaan. Nee het is al goed we zullen niet te lang blijven. Ik doe alles voor men 2 meiden. Ja kom breng me maar naar huis.(ding dong) Hallo ??? Ja mama we staan voor de deur. Ahja kom maar binnen eh jonge. Ga maar zitten het eten komt direct. Seg mama. Ja jongen??? Ik allee wij eigenlijk moeten u en Bob iets vertellen. Ja zeg maar. Jullie worden oma en opa. Dat meen je niet jonge??? Jawel moeder je word voor de derde keer oma en het is een meisje. (Erika vliegt Erik rond de nek vol ongeloof) En weet de papa en onze peter het al??? Nee mama dat komt nog. Gelieve nog even te zwijgen a.u.b. Ja geen probleem jongen. En wanneer zijn jullie uitgerekend?? Rond 2 november zou ze geboren worden. Maar volgens de dokter en gynaecoloog is de zwangerschap niet zonder problemen. Mieke zou na ons dochtertje geen kinderen meer mogen krijgen. Weten jullie al een naam voor haar??? Neen Erika we hebben nog geen naam voor dat kind. Seg wat dachten jullie van Elke??? Ja geen slecht idee. Dat spreekt gemakkelijk en schrijft niet moeilijk. Ja lijkt ook een beetje op mijne naam eh jonge en natuurlijk ook die van u eh. Zeg Mieke even terug naar dat je geen kinderen meer moogt na ons Elke. Ja Erika wat is daar mee. Zou ge u beter dan niet laten steriliseren ofzo?? Zijt ge zot ofzo Erika. Ik wil graag nog kinderen hoor. Dat Erik dat is doet. Diene doet toch alles wat gezegd word door u. Maar Mieke denkt toch eens na. Wat als ge voor nog kinderen gaat en ons Elke verliest haar moeder wat dan?? Dat interesseert me niet Erika. Ik laat me niet knippen. Begrepen alle 2?? En trouwens waar moeit ge u mee? Dit is mijn leven en niet dat van u. Maar Mieke ge hebt toch een gezond kindje is dat niet voldoende? Nee Erika en zwijg er nu over. Erik kom jong we zijn naar huis. Het is genoeg geweest. Ja schat ik kom. Dag moeder. Dag jonge veel plezier. Ja moeder bedankt voor het etentje. Het was lekker. Uhm schat ik ga even naar ons papa bellen en vragen wanneer we er terecht kunnen voor het goede nieuws. Is dat goed en nadien onze Peter effe bellen . Ja zeker ge doet maar. Ja seg vader wanneer kunnen ik en die van ons eens langs komen? Ja we moeten u iets zeggen. Morgen middag? Ja dat is goed voor ons. Bedankt vader. Tot morgen. (Erik belt naar zijn broer) Hallo Peter ja met mij. Seg ik had eens een vraagje. Wanneer zouden Mieke en ik eens kunnen langs komen het is voor iets te zeggen? Aaah ge passeert subiet effe bij ons? Ja dat is goed. Dan vertrekken we nu van bij ons moeder naar ons thuis. tot zo Peter. Seg moet dat met Peter echt nu nog ? Ja schat hij heeft anders deze week gene tijd meer. Maar hij kan niet lang blijven. Hij heeft nachtdienst bij de politie en hij wilt thuis nog wat gaan rusten. Ja oké zeker.  Maar stapt in dan kunnen we naar huis. Dan laat ik een badje vollopen voor jullie 2. Terwijl dat ik met onze Peter praat. Is dat goed? Ja allemaal goed. Ze rijden op hun gemakje naar huis. Eindelijk thuis stappen ze uit de auto en gaan naar binnen. Mieke haalt de post en Erik laat het badje voor Mieke vullen. Terwijl dat Mieke in bad gaat, gaat de bel. (Ding dong) Erik gaat open doen. Dag Peter kom binnen. Dag Erik bedankt. Wat was er nu zo dringend dan niet een week kon wachten. Uhm ja zet u. Moet je iets drinken? Ja is goed een colaatje a.u.b. Ja komt eraan. Waar is Marcella. Aaah die zit in bad die had wat ontspanning nodig. Uhm waarom dat ik u heb laten komen Peter. Wij zijn zwanger van een mooi meisje ze noemt Elke. Aaah proficiat dan Erik. Danku Peter. Maar Erik als ge het niet erg vind ga ik nu naar huis. Ik zou graag nog wat slapen voor de kids thuis zijn en nog even tijd met het vrouwke willen doorbrengen. Ja geen probleem Peter. tot snel. Ja tot snel en doe de groeten aan Marcella eh. Ja is goed tot de volgende. Marcella komt uit bad, droogt haar af en gaat naar beneden. En wat zei Peter? Ahja hij was blij voor ons en ik moest u de groeten doen. Ahja oké en is er nog iets gezegd geweest? Nee alleen dat hij blij was voor ons meer niet. Oké als ge het niet erg vind Erik dan ga ik slapen nu. Ja geen probleem. Ik ga nog wat tv kijken en dan kom ik ook. Uiteindelijk gaat Erik ook slapen. Marcella bespringt hem en begint in zijn ballen te stampen en kloppen. Erik roept het uit van de pijn. Hij duwt Marcella weg en gaat naar de badkamer. Marcella komt achter hem aan. Waarom hebt ge dat nu gedaan? Awel nu moeten we geen geld uitgeven voor een operatie. Maar nu kan ik geen kinderen meer krijgen. Ja en dan ge wilt er toch maar eentje hebt ge gezegd. Ja voorlopig omdat ik de enige ben die werkt en geld binnen brengt maar wie zegt dat dat zo gaat blijven. Als het financieel beter ging wou ik nog voor een 2de gaan. Ja Erik dat ga nu niet meer eh. Zou ge niet beter naar het spoed gaan eh. Ja het is al goed belt ge een ambulance a.u.b.? Ja is goed en niks zeggen eh. Nee geen paniek. Marcella belt de ambulance. Ja mevrouw wat is er gebeurd? Mijne man is gevallen op het rand van het bad en nu bloedt hij tijdens het plassen en het doet enorm veel pijn. Ja mevrouw we komen er zo snel mogelijk aan. Zeg tegen meneer dat hij er ijs oplegt en gaat plat liggen a.u.b. Oké meneer bedankt voor u hulp.  

Elke Geurts
4 1

Kerkhof-aan-de-Demer (9)

  Sommige formuleringen in mijn Vergunning voor een Private Begraafplaats voor Kleine Creaturen moeten van de hand van burgemeester Schimmelryck zijn. Want wie gebruikt nu de term 'creatuur'? Dat moet uit een geïmpregneerde geest komen. Ignace knikt. Onze nepprofessor weet dat allemaal. Een Australisch Droomtijd kan het zijn. Ook een hindoe, boeddhist, islamiet denkt zo krampachtig. Helemaal van de pot gerukt zijn de scheppingssprookjes van de joden en de christenen. Alles in een dag of zeven, voor wie geen geduld had en graag snel een mens zag komen die de boel verkloten zou. Die Hemelryck is bij de CD&V. Een echte christenhond dus. Zijn ganse jeugd doordrenkt met christelijk kutsap. 'Wezens' ware beter geweest. Dat zou dan wel die akelige mensapen omvatten. Ja. Die worden vanzelfsprekend uitgesloten. Zoiets wil ik niet op mijn Kerkhof voor de Onschuld. En wat met kabouters?, vraagt Ignace die als een schijngeleerde mijn vergunning las. Alfred brengt onze dubbele portie Stoverij op de Wijze van een Stokoude Kok. Ik ben niet van plan te sterven, zegt Alfred  Je gelijkt toch te veel op een kleuter, stel ik hem gerust. Voor een gnoom met menselijke eetgewoontes zal er toch geen plaatsje zijn op mijn kleine grafakker. We proeven onze stoverij en weten het. een dag zonder poëzie eindigt altijd wreed  sinds mijn ontbijt kwam elke stap te vroeg ofwel te laat ik dronk thee, ik mompelde, ik stormpelde over de sporen van een weggelopen trein straks sleept het zijn mij mee omdat ik leven moet de geit die gisteren de nek uitstak terwijl een dolle wind op wielen ons verlegen dorp doortrok zij is niet meer, de laatste druppels melk en bloed die stromen nu niet meer, ik hoop dat ik een plaatsje vind ergens op de achtergrond, liefst in dat zacht langharig zand   - IX - uit de reeks 'Duivelsverzen'

Bernd Vanderbilt
0 0

Tommy, het draakje dat geen vuur kan spuwen.

Morgen is het zover. Dan moet Tommy voor het eerst naar school. De vuurspuwschool.Eigenlijk heeft hij daar niet zoveel zin in. Mama en papa Draak kunnen heel goed vuurspuwen, maar als Tommy het probeert komt er alleen maar rook tevoorschijn."Geen zorgen, jongen," zegt papa Draak dan. "Je zal het wel leren." Tommy gelooft er niets van. Papa heeft hem al zoveel trucjes geleerd, maar het lukt hem toch niet. Tommy ligt in bed. Hij is heel moe, maar zijn buik doet zo'n pijn. Hij wil helemaal niet naar school! Als Tommy de volgende ochtend wakker wordt, staat zijn boekentas al klaar. "Ben je klaar voor je eerste dag op school?" vraagt mama Draak. Tommy zucht. "Het zal wel moeten," zegt hij terwijl hij zijn schouders optrekt. Papa Draak wandelt met hem mee tot aan de schoolpoort en geeft hem daar een afscheidszoen. "Tot vanavond," zegt papa. Tommy zwaait nog een keer naar papa Draak en wandelt dan met zijn hoofd naar beneden de schoolpoort binnen.Tommy zit in de klas bij Juf Katrien. Zij is de allerbeste vuurspuwer die er bestaat en ze begint de dag onmiddellijk met het tonen van haar kunstjes.  Alle kinderen zitten met open mond naar haar te kijken. Dat ga ik nooit kunnen, denkt Tommy. "Zo kleine draakjes, nu is het aan jullie," zegt Juf Katrien. "We gaan de kring rond en dan mogen jullie eens laten zien wat jullie al kunnen." Tommy wordt een beetje zenuwachtig en krijgt weer pijn in zijn buik. Hij hoopt dat er nog draakjes zijn die alleen maar rook blazen.Jana mag beginnen. Zij kan al een klein vlammetje spuwen en heel de klas klapt in haar pootjes. Daarna is het de beurt aan Bent. Zijn vlam komt bijna tot aan de andere kant van de kring. "Wauw," zegt Juul. "Zo cool!"  Eén voor één laten alle draakjes zien wat ze al kunnen. En één voor één is er bij iedereen een vlammetje te zien. Nu is het de beurt aan Tommy. Hij haalt diep adem, zoals papa Draak hem heeft geleerd, sluit zijn ogen en spuwt zo hard hij kan. “Wraah, kuch kuch.” Behalve wat rook is er niets te zien. Geen vuur, zelfs geen klein vlammetje. "Hahaha," Bent begint luid te lachen. "Wat een sukkel, hij kan niet eens een vlammetje maken." Tommy kijkt naar de grond en begint te huilen. Hij wilt niet dat Bent het ziet, want dan gaat hij nog harder met hem lachen. “We lachen hier niemand uit Bent,” zegt juf Katrien streng. “Tommy moet gewoon nog wat oefenen.” Ik ga dat nooit kunnen, denkt Tommy. Bent heeft gelijk, ik ben een sukkel. Tommy ziet papa al aan de schoolpoort staan en krijgt tranen in zijn ogen. Hij wilt morgen niet terug komen naar die stomme school. De andere draakjes lachen hem uit omdat hij de enige is die nog geen vlammetje kan spuwen. “Hé Tommy, dat is niet erg,” zegt papa Draak terwijl hij Tommy in zijn armen neemt. “Je zal wel zien dat je binnenkort hele mooie vlammen kan spuwen.” Tommy huilt. “Ik ga dat nooit kunnen,” snikt hij.  Die avond is Tommy heel stil en als hij naar bed moet, begint hij te huilen. “Ik wil niet meer terug naar school,” zegt hij tegen mama Draak. “Zo erg zal het niet zijn,” zegt mama Draak. “Morgen is alles wel beter.” Die avond heeft Tommy weer buikpijn en wilt hij niet gaan slapen. Er gaat een hele poos voorbij en alle draakjes in de klas worden steeds beter in het vuurspuwen. Alle draakjes behalve Tommy. Hoe hard hij ook probeert, het lukt hem niet.Tijdens de speeltijd blijft Tommy bij Juf Katrien in de klas. Ze legt hem stapje per stapje uit hoe hij vuur moet spuwen. "Zonder vuur is er geen rook, Tommy," zegt Juf Katrien. "Dus ergens diep vanbinnen brandt er een vlammetje in jou.” Tommy bloost. Hij oefent en oefent tot zelfs zijn rook bijna op is. De volgende dag zitten alle draakjes weer in de kring. Bent gaat als eerste. Zijn vlam is nog groter dan vorige keer. Ook bij de anderen is hun vlammetje groter geworden. Dan is het aan Tommy. “Wraah, kuch kuch.” Hij probeert nog een keer en nog een keer. “Wraah, kuch kuch.” Maar het lukt niet. "Hahaha," Bent rolt over de grond van het lachen.  "Ik ben het beu!" brult Tommy naar Bent. "Je bent een gemene pestkop, wraah." Plots is daar een grote vlam. De hoorn op Bent zijn neus staat er zelfs een beetje van in brand. Snel blaast juf Katrien hem uit, alsof het een kaarsje is. Alle draakjes en juf Katrien zijn stomverbaasd. "Wauw Tommy," gilt Jana. "Zo een geweldige vlam heb ik nog nooit gezien." De draakjes juichen en klappen in hun pootjes. Tommy bloost een beetje en stapt naar Bent. "Sorry dat ik zo boos werd," zegt Tommy stilletjes. "Sorry dat ik zo met je heb gelachen," antwoordt Bent. Ze geven elkaar een pootje en besluiten dat ze nooit nog met een ander draakje zullen lachen. Zeker niet als hij geen vuur kan spuwen.  

Joni Motmans
0 0

Campingkwellingen

De ene dag sta je zelf te klooien met het opzetten van de caravan, luifel en het inslaan van piketten. De week nadien zit je zichtbaar te genieten van het gesukkel van anderen. Het opzetten van een tent brengt hoorbaar meer gevloek met zich mee dan het waterpas zetten van de caravan, maar dan hangt die verdomde voortent er nog niet aan. Honderden franse en nederlandse scheldwoorden passeren in een uur tijd de revue. Ouders krijgen korte lontjes, kinderen worden ongeduldig en zweetdruppels vloeien rijkelijk. En dan gaat het plots allemaal heel snel, alles is opgesteld, tafels en stoelen worden van een plaatsje voorzien en ouders vinden de rust waar ze naar op zoek waren. Na een uur of twee is het schouwspel voorbij en keert de rust op de camping terug. De kinderen amuseren zich in de speeltuin die ze toevallig tegenkwamen terwijl ze op zoek waren naar het toilet, ouders gaan de camping ontdekken terwijl ze nadenken over wat hun maaltijd van vanavond zal worden. Stilaan wordt het geluid van bierblikjes die geopend worden hoorbaar en komen de wijnglazen tevoorschijn.Net als mama en papa denken te kunnen genieten van hun langverwachte vakantie, komen de kinderen met hun volgende vraag: "wanneer gaan we zwemmen?" Alsof alle ouders hetzelfde idee koesteren, klinkt het overal "vandaag niet. Morgen misschien." De nadruk op 'misschien' is voor de ouders kristalhelder, maar ze zijn er zich terdege van bewust dat dezelfde vraag de komende zes dagen zich dagelijks meermaals zal herhalen?  

Joni Motmans
3 0

Vakantieherinneringen

“Het bos nog niet inlopen,” hoor ik opa achter ons roepen. “Ik moet het licht nog aansteken.” Vlak voor de grote bomen stoppen we. Opa gaat zoals gewoonlijk naar de boom aan de rechterkant en drukt op de knoest. Gek genoeg komt op dat ogenblik de zon van tussen de wolken en werpt haar stralen tussen de bomen, waardoor het bos oplicht. De jongens joelen, klappen in hun handen en rennen het bos in. Ik ga naast opa lopen en neem zijn hand vast. “Je had weer geluk vandaag,” fluister ik zacht. Opa begint te lachen en knijpt in mijn hand. “M’n Metske toch.” Hij kijkt me aan en glimlacht. “Je wordt veel te slim hé!” We kuieren rustig door het bos, terwijl mijn jongere neefjes over omgevallen bomen klauteren en van stronken springen. “Kijk eens wat ik kan,” roept Jörn. Hij hangt te slingeren aan een dikke tak. De andere jongens lopen zijn richting uit. Jens hangt als eerste naast hem en ook Jitse slaagt er in zich vast te klampen aan de tak. Alexander, de jongste van de hoop, staat als een gek te springen in de hoop ook de tak te kunnen bereiken. Opa tilt hem op en blijft hem vasthouden terwijl zijn handjes zich continu verpakken om grip te krijgen op de tak.  “Oké aapjes, tijd om terug naar om te gaan.” De jongens laten zich los en komen met een plof weer op het mos terecht. “Maar opa, we zijn nog niet naar het kapelletje geweest,” zegt Jörn. De teleurstelling staat op zijn gezicht af te lezen. “Morgen komen we terug samen met oma en Corra, dan gaan we langs het kapelletje en de plantages om te zien of er al appels zijn.”“Joepie,” klinkt het in koor. De jongens lopen terug. Opa rolt een sigaret en steekt hem aan. Het is een man van weinig woorden, maar zijn blik verraadt zijn gedachten. Wat houdt hij van ons. Opa loopt het bos uit, de jongens kijken hem bedenkelijk aan. “Opa, je vergeet het licht uit te doen,” zegt Jens. Opa lacht en draait zich om. Hij druk weer op dezelfde knoest in de boom en dooft zo het denkbeeldige licht.“Om het eerst bij de hertjes,” roept opa en we beginnen allemaal te lopen terwijl hij op zijn gemakje volgt. Plots klinkt er luid gehuil achter me. Alexander is gevallen en heeft zijn knie geschaafd. Ik weet al wat er nu zal gebeuren. Nadat opa het vuil wat heeft weggeveegd, haalt hij de sigarettenblaadjes uit zijn zak. Hij scheurt er een stukje ter grootte van het wondje af en likt eraan. Daarna kleeft hij het op de knie van Alexander. “Zo, helemaal genezen.” Alexander snikt zijn laatste tranen weg en zet het weer op een lopen.  Als we terugkomen, staat oma ons al op te wachten met zelfgemaakte waterijsjes. Corra staat te kwispelen en loopt ongeduldig tussen ons. Elk gevallen druppeltje likt ze van de grond. We gaan weer naar binnen en de geur van versgebakken brood komt ons tegemoet. Vanmorgen mocht ik als oudste en enige meisje helpen met kneden, terwijl de jongens buiten aan het ravotten waren. Ik voel het nog in mijn armen en vraag me af hoe sterk oma wel moet zijn als ze zo een stuk of twintig grote broden kneedt, als ik het al voel na tien kleine broodjes voor ons.Het water komt me in de mond, wetende dat de verse broden, die nu nog liggen af te koelen, vanavond op ons bord zullen liggen.  Na het avondeten volgt het vaste avondritueel. Stil zijn tijdens het nieuws, samen naar 'Lily en Marleen' kijken, één voor één pyjama aan en tandenpoetsen, een zoen en knuffel aan opa die in zijn zetel blijft zitten, allemaal samen op de kamer van de jongens luisteren naar oma die een verhaaltje voorleest en ons daarna super strak instopt. Zo strak dat we amper nog kunnen bewegen. Een kruisje op ons voorhoofd, nog een zoen erbij en dan is het voor de jongens bedtijd. “Oogjes dicht en snaveltjes toe,” zegt oma voor ze de kamer uitgaat. Ik lig alleen op een kamer en mag nog wat lezen. Een uurtje later klinkt er zacht getik op de deur, mijn teken om naar dromenland te gaan. Ik sluit mijn boek en leg het onder mijn bed. Oma pakt me nog een keer stevig in en maakt een kruisje op mijn voorhoofd. “Fa So Sei Samen,” is wat ik versta terwijl ze dat doet. “Slaapwel,” fluister ik terug. Al snel val ik in slaap en wordt pas wakker als de haan begint te kraaien. Op mijn tippen sluip ik naar de slaapkamer van oma en opa en kruip tussen hen in. Ik vlei me dicht tegen oma aan en voel hoe opa zijn arm om me heen slaat.Even later stapt opa uit bed. Nadat hij zijn grijze werkbroek en de rest van zijn kleren heeft aangedaan, gaat hij naar buiten. Tijdens zijn eerste sigaret van de dag, gaat hij langs de volière om de vogeltjes eten te geven. Daarna zijn de kippen, ganzen en kalkoenen aan de beurt. Naast mij begint oma aan haar rek- en strekoefeningen. Ze brengt haar knieën naar haar neus, heft haar benen in de lucht en draait haar nek los. Samen staan we op. Terwijl ik mijn kleren aandoe, perst oma sinaasappelsap met een citroen en pompelmoes erbij. Als ik de keuken in kom, zie ik oma haar armen en gezicht inwrijven met de lege citroenschil. Geen idee waarom ze dat doet en ik durf er ook niet naar vragen.Even later staan ook de jongens in de keuken en kunnen we ontbijten. We krijgen elk een bekertje fruitsap en boterhammen met kirikaas. Als de jongens aangekleed zijn en we allemaal onze tanden hebben gepoetst met die vieze tandpasta die oma speciaal voor ons koopt, zijn we klaar voor een nieuwe dag. “Mag ik vandaag het licht in het bos aansteken?” vraagt Jens verlegen. Oma en opa lachen.

Joni Motmans
22 1

Kerkhof-aan-de-Demer (5)

Elk rund weet het nu. Het favoriete gerecht van Tom de Zieke Griek is biefstuk friet.* Zwarte vla is voortaan ook een specialiteit in het fascistische Ninove. Een fascinerend weetje is ook dat Mussolini het liefst versgesneden look at. Gewoon op brood met olijfolie. Iets met het verjagen van boze geesten, diva's en vampieren. Kim Jong Un eet dan weer het liefst soep van haaienvin, prosciutto en emmenthal. Op de frieten van Tom na, zitten we nog altijd goed wat de menu van Frituur De Bosbrand betreft. De gloednieuwe neofascist Elon Musk lust graag sushi en jawel, Tom zal dat graag horen, his favorite dish is steak. Frieten staan niet vermeld in zijn rechts dieet en dat is een opluchting. Dat hij ook graag chocolade eet, zal hem niet naar Brugge lokken. Wat wel vaststaat: alle ramptoeristen zijn zot van chocoladefondue, net als pyromanen die het gemunt hebben op de Huizen van Verdraagzaamheid. Tot zover de weet-je-datjes. Bart De Pauw hebben we daar niet meer voor nodig. Als hij hier ooit zou binnenkomen, kijken we hem gewoon buiten en de levenden onder de overige bovenvermelde zwarthemden zullen we ook snel herkennen. Aan dat zwarte hemd. Aan hun valse tongval. Hun ogen zijn van wit glas en hun woorden stinken naar ammoniak. Elke pagina mag om een irrelevant voorwoord bedelen. Het doet er niet toe. Zelfs de spin die achter mij in zijn web rust, leest dit niet. Ik zit op mijn gemak. Ignace is hier niet vandaag en er is geen klok die mij in het oog houdt. Toch wil ik daar zijn tegen tweeën. Ik wil Maya Van de Meli in de ogen kijken. Eindelijk. Zij zal mij de vergunning voor mijn private begraafplaats overhandigen en ik zal gelukkig zijn.     *bron: www.wouldbechef.be - V - uit de reeks 'Duivelsverzen'

Bernd Vanderbilt
0 0

Sneeuw (kortverhaal)

“Het sneeuwt,” zei Gilbert terwijl hij naar buiten staarde door het grote chaletraam. “Wat zegt de weervrouw?” Amanda wreef de slaap uit haar door het reizen vermoeide ogen en kwam liefdevol naast hem staan. “Meer sneeuw. En nog meer sneeuw.” Ze trachtte zijn teleurgestelde ondertoon en gerimpelde frons te negeren en liet haar blik dwalen over het uitzicht. Wit. Alles was wit en met dikke vlokken liet de wolk waarin ze gevangen zaten zich leegdwarrelen. Voor haar ogen legde de wereld een zacht deken over het landschap. De centimeters groeiden terwijl ze keek naar al dat wollige schoons. De diepe rust die het winterlandschap uitademde deed haar verstillen. Alles liet ze achter: de drukte, de zorgen, de grootste wereldproblematiek in haar kleine bestaan. Amanda hield van sneeuw, Amanda hield van bergen en natuur. “Koffie?” vroeg ze en schuifelde vervuld van winterblijheid naar de waterkoker om een kopje filterkoffie te zetten. Uitdokteren hoe de koffiezet in het huurappartement werkte was niet aan haar besteed, ze bracht net als vroeger haar filterkoffie gewoon mee van thuis. “Wat anders?” zei Gilbert en Amanda wist niet of hij doelde op de koffie omdat hij steeds hetzelfde dronk of omdat er niets anders te doen was nu. Het sneeuwen zou blijven doorgaan.   “Zullen we onze jas aantrekken en een wandeling maken?” vroeg ze terwijl ze nipte aan haar koffie. Melk, twee suiker. Hij grommelde iets dat ze niet meteen verstond, maar ze vulde het meteen zelf in gedachten in dat hij iets zei over de koude, de natte kleren en het gevaar voor vallen. Ze fantaseerde dat hij iets zou zeggen over de magische lucht, over de speelse vlokken op hun neuzen en over de heldere witheid van het bospad. Gilbert twijfelde al tien jaar of hij nog wel zou reizen, maar de bergen waren altijd zijn leven geweest. Hij kon het niet loslaten. Ook al werden zijn botten strammer en waarschuwde de huisarts elk jaar opnieuw voor de gevaren als hij iets zou breken, hij bleef zijn oude ik najagen. Dus waren  ze ook nu weer duizend kilometer ver gereden om enkele dagen te genieten van hun favoriete winterbestemming. Maar het sneeuwde. Een dump, had het weerbericht vermeld en dat was exact wat er gebeurde. Alsof iemand alle sneeuw van de ganse aardbol had verzameld en hier exact over deze berg uitschudde. Net op de plek waar Gilbert met zijn Amanda en de oude Fiat waren beland.   Zijn neusvleugels trilden een beetje en even dacht ze water in zijn ogen te spotten, maar dat kon ook gewoon van de oogdruppels zijn die hij vast al na het ontwaken had aangebracht. Emotie was moeilijk leesbaar bij Gilbert. Zij daarentegen stroomde nog steeds over van spontane gevoelens. Liefde voor het leven, vreugde om een zingende merel, blijdschap over de kerstlichtjes in de boom. Maar ook intens verdriet toen de buurvrouw kwam te overlijden, of angst dat Gilbert iets zou overkomen en zij helemaal alleen zou overblijven. Liefde voor Gilbert, dat vooral. Elke vezel in haar oude lijf verlangde naar het onderste uit de kan halen, naar zoveel mogelijk samen beleven, herbeleven ook. En net zoals ze jaren met de kinderen in dit dorp hadden sneeuwmannen gemaakt, gesleed van de bergen en de eerste afdalingen van de pistes aangemoedigd, eerst groen, dan blauw, rood, zwart, door het bos, zo zouden ze ook dit jaar weer alle herinneringen herbeleven, met twee. Maar niet vandaag, want het sneeuwde. Het sneeuwde hard.   Meedogenloos volgde de natuur haar eigen pad en Amanda kon niet anders dan die wilde kracht bewonderen. Na de koffie zette ze haar mok op het aanrecht en haalde haar dikke winterjas met bontkraag van de kapstok. Zorgvuldig wikkelde ze haar wollen sjaal om haar broze hals en trok de bijpassende muts diep over haar oren. “Ga je?” vroeg hij en ze knikte instemmend met een korte “hmhm”. Hij staarde nog steeds naar buiten zonder verder te bewegen of te veranderen van plaats of houding. Amanda koos een extra paar lange kousen, trok de hoge sneeuwlaarzen met veters aan en haar warme handschoenen. Uit de keuken haalde ze een kleine draagtas en met enthousiaste ogen en knipperende wimpers gaf ze hem een zoen op zijn neus. “Ik ga.”   Eens buiten dwarrelden niet één lieflijke maar honderden overdadige sneeuwvlokken op haar neer. Ze keek omhoog naar het grote chaletraam en wuifde verrukt naar Gilbert. De sneeuw viel in haar rechteroog, linkerneusgat en op haar koude lippen. Hij stak zijn hand op. “Die is ongerust,“ zei ze tegen zichzelf, “dat ik zal vallen, dat ik niet meer terugkom, dat de hulpdiensten me straks terugvinden in een meter sneeuw. Maar kijk, hier ga ik, Gilbert, hier ga ik!” en als een schoolmeisje huppelde ze in gedachten door de witte straat, weg naar het dorp. De straten waren leeg, net als haar Gilbert bleef iedereen binnen voor hun ramen staan, wachtend op het einde van de storm. De sneeuw kraakte vers onder haar laarzen en het geluid voerde haar terug naar het kindergelach van weleer, het plezier van het wit. Ze dacht aan de sneeuwballen later, toen de kinderen iets groter werden, die haar hoofd raakten en hoe boos ze dan werd en hoe Gilbert haar steevast verdedigde door in de tegenaanval te gaan. Hoe ze dan rolden over de berg, sneeuw tot in hun ondergoed en hoe Amanda dan moest lachen om de spontane kinderlijkheid. Ze mijmerde over de nachtelijke boswandelingen, in pakken sneeuw, met rode neuzen van de glühwein, na het halen van de pizza in het dorp en hoe de jongvolwassen kroost nog steeds gooide met sneeuwballen, nog harder nu, en hoe de dozen op de grond vielen en doorweekt geraakten van het water en de pizza toch nog lekker smaakte naar plezier. Over datzelfde bospad schuifelde ze naar de bakker, die ondanks de sneeuwval toch trouw openging en alle rekken gevuld had met artisanaal brood en huisgemaakte tartelettes. “Deux croissants aux amandes,” bestelde ze, “et deux baguettines, s’il vous plaît. ” Amanda stapelde de aankopen netjes in haar kleine draagtas en na betaald te hebben, keerde ze terug naar het appartement. De trappen onderweg lagen verbolgen onder meterhoge sneeuw, de reling aan de kant gaf haar de houvast die ze nodig had om veilig hogerop te geraken.    Op het bospad rook de wereld naar niets. Hoe heerlijk de wereld die ruikt naar niets, sneeuw is geurloos, smaakloos, kleurloos. Er is geen ballast, geen zwaarte, geen overprikkeling. Er is alleen wit en de voetsporen op de grond. Ze volgde haar eigen sporen in tegenovergestelde richting, nu alweer aan het vervagen door de aanhoudende winterse neerslag. Aan het bankje halverwege het pad hield ze even halt. Het hout was verzwolgen onder dikke pakken sneeuw en wie niet wist dat hier een rustplaats was, zou de bank nooit ontdekken in deze weersomstandigheden. Ze twijfelde, heel even maar, en zette zich toen toch neer in het midden van de bank, dwars door alle sneeuw heen. Links en rechts werd ze door een vreemdsoortige warmte omarmd, alsof ze een fort had gecreëerd om in te schuilen, een geheime schuilplaats. De kraag van haar jas verzamelde sneeuwkristallen en haar laarzen staken keurig vooruit uit de sneeuwberg. “Hoe zou ik eruit zien nu?” bedacht ze en gniffelde om het beeld in haar hoofd van twee benen uit een sneeuwberg, met een vrolijke muts die bovenaan kwam piepen. Toen ze recht stond, haar billen toch snel kouder geworden dan verwacht, bleef een zorgvuldig geplaatste dubbele afdruk achter. “Bips in sneeuw,” gaf ze haar zelfgemaakte natuurkunstwerk een titel en wandelde goedgemutst verder. Niet veel verder keek ze even achter zich, om zich te vergewissen dat niemand haar volgde of kon zien, en toen ze nog steeds helemaal alleen op pad bleek te zijn, zette ze de draagtas neer in de sneeuw. Tussen de bomen, aan de bergflank van het bospad, pronkte een schuin maagdelijk vlak met een dik pak vers gevallen sneeuw. “Dit vraagt om een engel!” schaterde ze in zichzelf en zonder verder nadenken plofte ze haar ganse lichaam achterwaarts tegen de schuine berm in de volle sneeuwmassa. Haar hoofd verdween met de bontkraag in de sneeuw, haar rug vlak achteruit. Haar breed uitgewaaierde armen wapperden de sneeuw op en neer, zodat de vleugels vorm kregen. Heel even voelde zich weer zeven, spelend in de winter met haar broertje en languit op de grond sneeuwengeltjes makend. De herinnering aan het plezier raakte haar diep en heel even was ze zo intens gelukkig dat ze hoopte dat het nooit zou stoppen met sneeuwen. “Gilbert!” dacht ze plots en meteen was ze terug bij zinnen. De croissants. Ze moest de croissants brengen want hij zou nog steeds aan het raam staan wachten op haar terugkeer. De koude kroop over haar rug en benen en heel even dacht ze dat ze niet meer recht zou geraken uit haar eigen sneeuwcreatie. En wat als ze nu echt niet meer zou kunnen rechtstaan uit de witte sneeuw? Met alle kracht in haar dunne benen duwde zich onhandig steunend op haar ingepakte handen recht. Met een versnelde ademhaling en blij hart nam ze de draagtas en zette haar weg verder naar het appartement. Daar waar de lichtjes brandden, daar waar de sneeuw zich had opgehoopt op het terras tot zeker een meter. Daar waar de ruimte zich vulde met koffiegeur en liefde.   “Gilbert?” Het raam buiten was niet meer dan een kader zonder beeld toen ze toch later dan verwacht toekwam. De volle geur van koffie was al wat uitgedund toen ze de kamerdeur stilletjes opende. De lichten fonkelden vrolijkheid, maar de koude sloeg van de ramen af. Geen filter stond te pruttelen, geen tafel was gedekt. De stilte in de ruimte trok de witte kaalheid van het landschap buiten naar een nieuwe dimensie binnen. Ze voelde een verlatenheid die ze nooit eerder associeerde met de winterse taferelen waar ze zo van hield. “Gilbert?” stamelde ze toen ze met haar jas nog aan de lege kapstok opmerkte. Door het raam kon ze nog net een langzaam vervagend spoor zien van Gilberts zware sneeuwschoenen, maat 45. Zware voeten zoekend, schuifelend, verdwijnend in de richting van het bos. En de sneeuw bleef met dikke pakken vallen.

katriendeschrijver
0 1