Lezen

The Flameman whose heart shivered

Everyone of the village of Evol would abandon their homes on the coldest day of the winter. For just one night they would flee and sleep out in the snow. For that night the Flameman came to the village. And everyone of the village Evol deeply feared the Flameman. They feared his presence so much they would leave everything except for their clothes and hearts behind so Evol would look like a ghost town the night he visited.The Flameman was always cold and shivering despite being made of orange and yellow and red radiant flames.On the coldest day of winter he would come to Evol looking for warmth. The Flameman was always cold and shivering despite being made of orange and yellow and red radiant flames.Every time he came he found a dark, abandoned and silent village of black and blue and grey.The Flameman would snuggle up in all the blankets and cushions of Evol. Just before he fell asleep, he felt something pull on one of the blankets. He threw everything off him and saw a little girl and her husky. The Flameman stared at her.The little girl stared back. ‘My mama is very cold sleeping in the snow. She won’t stop shivering,’ she said.The Flameman stared at her. ‘Could I please have just one of these blankets for her sir?’The Flameman wiped some snow off the husky’s hair. ‘These blankets haven’t made me warm at all. So I guess you can have them, sure.’The little girl felt the tremble in his hand as he wiped snow off her strawberry hair. ‘You’re also shivering,’ she said. ‘It’s winter. What to do about it?’ the Flameman snorted. ‘Well, the people of my village all go sit back to back in one big circle when we try to sleep.’‘And how’s that working out for your mama?’‘Well, your hand is pretty warm. Why don’t you join us?’ ‘My hand is warm?’ The Flamemans eyes lit up. He nodded to the little girl and they went to the people hiding from him. They were all asleep next to each other. Shivering.Together, the Flameman and the girl covered every one of them with blankets so they would shiver less.The little girl thanked the Flameman and went to sleep in her mother’s arms.The Flameman stared. The husky was the only one left without a blanket. So the Flameman let him snore and sleep in his lap. He could here the breaths of everyone around him. Their heartbeats. Soon as he tried to sleep his longues breathed with theirs.His heart burned with theirs.In that moment his fires flamed a color they had never flamed before. Pink.And every villager stopped shivering. When the villagers woke up they were pleasantly surprised by the blankets. Having survived the night they hugged and cheered while the little girl and the husky searched for the Flameman.But they couldn’t find him.Everyone walked back to the village in the morning air.The snow was as white as the clouds and sky was orange and yellow and red.There was another surprise waiting for the villagers of Evol.From that day forth every day was a warm one, because all their torches were lit with radiant pink flames that burned forever. The crackling of the fire in rhythmic sync with the heartbeats of everyone.  

Émile K.
0 0

Zeven zonden

Wandelweekend dag 3 Ze zijn terug thuis in de Vlaamse Ardennen. Ze ligt in bed, hij kruipt erbij en knipt het licht uit. Zo onverwacht. De routine om te lezen in bed doorbreekt hij zelden, maar als hij het doet wordt ze meteen stil. Ze luistert, voelt en kijkt in het duister. Hij ligt op zijn rug, zijn handen gevouwen. Er is rust. Hij lijkt te wachten. Hij staat open. Ze denkt aan gisteren, aan de abdij en de pot met erwtjes die op tafel stond. Hij vroeg of ze echt waren en wou ze mee naar huis om te laten groeien. Ze nam er zeven uit het potje en stak ze in zijn borstzak. Hij vroeg of het wel genoeg was, of ze er niet beter 70 meenam of het hele potje. Ze zei: je hebt gelijk, de kans dat ze allemaal groeien is klein. Dus stak ze er nog zeven in haar broekzak om de kans te verdubbelen. Ze begint zacht te praten. Vraagt of hij weet waarom ze zeven erwtjes nam. Mijn zeven zonden, vraagt hij. Nee, dan had ik er toch zeventig meegenomen zoals je voorstelde antwoordt ze al lachend. Jij bent diegene die al lang niet meer te biecht is geweest reageert hij. En ze hoort zijn plezier. Ik wou anders vandaag wel, kaatst ze terug, maar je durfde mijn biecht niet afnemen. Het is wel een kerk, die fantasieën van jou kunnen echt niet in een kerk, zegt hij alsof hij altijd de heilige is geweest, en daarbij het gaat nu toch niet, ik kan en wil het nu niet. Dat begrijpt ze.  Dan vertelt ze zacht dat hij haar op de zevende voor het eerst gezoend had en dat zij op een zevende verjaart en zeven altijd haar lievelingsgetal was, samen met drie en éénentwintig. En dat ze naarmate ze ouder werd ontdekte dat haar lievelingsgetallen ook magische getallen waren. Hij zegt dat zijn lievelingsgetal drie was en hij op een derde verjaart. Zij zegt: dan moeten we misschien op een éénentwintigste trouwen, maar het jaar dertig zal te vroeg zijn met al die blokkades van jou, we zullen het jaar zeventig nemen, tegen dan weet je het misschien wel. Hij lacht. Hij wacht even, dan veert hij recht en neemt zijn telefoon. Hij wil weten waarom het magische getallen zijn. Hij leest voor. De uitleg is passend voor wie zij zijn. Ze wordt slaperig en brabbelt nog: drie en zeven, het kan geen toeval zijn, we passen gewoon. Ze denkt aan de erwtjes in haar broekzak. Morgen moet ze die een veilig plaatsje geven. Het is stil. Hij heeft zich intussen naar haar toegedraaid. Mijn erwtjes ben ik kwijt, zegt hij droevig, en ik weet precies waar: bij de boomstronk waar we gerust hebben. De wandeling vandaag ging eerst weer door het bos. Het was koud, maar zonnig. Zij deed een sjaal aan, maar was meteen aan het zweten. Hij vroeg om het half uur of hij haar rugzak niet moest dragen en wist dat ze nee ging zeggen en dan volgde zijn hoofdschudden en een omhoog getrokken mondlijn omwille van haar koppigheid. Wat hield ze van die mondlijn en alle vormen die ze aannam in harmonie met de blik in zijn ogen: droevig, bezorgd, vertwijfeld, boos, speels, blij, verliefd. Alles kwam via die mondlijn naar buiten.  Na een goed uur wandelen kregen ze aan de rechterzijde de weidsheid van de hoge venen te zien. Schoonheid waar je stil van werd. Hij deed zijn hemd uit en legde het op een boomstronk om te zitten mijmeren in de verte. Zij ging naast hem zitten. Ze vertelde over haar angst van vleesetende planten en afgevroren voeten als je vast kwam te zitten in de venen. Hij deelde zijn herinneringen uit zijn kindertijd. En toen zwegen ze. De zon in hun gezicht. Hij ademde diep in en zei dat hij zo graag in vrijheid en weidsheid wou leven, maar zo vast zat en geen uitweg zag. Zij wreef over zijn rug. Zijn last kon ze er niet van wegwrijven. Ze kon er alleen wat liefde inwrijven.  Bij het opstaan vielen de erwtjes uit zijn hemd, daar in niemandsland, ontsnapt om in de lente uit te breiden, in alle weidsheid en vrijheid, net als hun liefde.  De erwtjes liggen daar perfect zegt ze. Ze zoekt zijn hand en valt in slaap. 

Fien SB
54 3

Over de helft

Wandelweekend.  Door miezerige regen een bospad 400 meter afdalen over een lengte van enkele kilometers. Even een stop in een dorpje om binnen te gluren in het leegstaand gasthof waar hij 40 jaar geleden met zijn vader kwam.  Zou dat vrouwtje nog leven? Wellicht wel, want het interieur is nog exact hetzelfde.  Zij stapt het toeristisch kantoor binnen, hij de kerk. Hij komt buiten met een rugzak vol kaarsen. Ze lacht. Eén of twee waren blijkbaar niet genoeg, de komende jaren kunnen we nog veel hulp van hierboven vragen. Heerlijk vindt ze de trekken van zijn mond en zijn pretoogjes op zo'n momenten! Ze gaan verder door het bos, helemaal naar boven nu, tot het plateau. De kilometers die volgen zijn een verademing na het gesloten bospad. Die weidsheid. Geelgroen wintergras, hier en daar kleine groepjes naaldbomen. Hij kijkt vaak naar haar, neemt haar vast. Haar hoofd is leeg, haar hart vol. Er is rust.  Ze eten iets en lachen met elkaar. Als ze terug verder lopen voelen ze de stijfheid in de benen. Zij overdrijft wat, hij lacht. Ze zijn over de helft. Ze vraagt zich af hoe het er uitziet als de brem in bloei staat. Hij vertelt over everzwijnen en over hun overwinning op beroepsmilitairen tijdens een oefening in het leger. Ze kijkt hoe hij bovenop een vervallen bunker kruipt en neemt een foto van hem rechtopstaand in de winterlucht. Ze houdt van die man.  In het verlaten dorp wordt ze niet overspoeld met gedachten aan de wereldoorlog. Ze krijgt niet dat luguber gevoel waar ze voor vreesde. Nee, in de kerk overvalt haar plots weer dat verdriet. Haar nichtje die het leven verliet. Het beeld van een trein. Haar lach die ze nooit meer zou zien. Eén, twee, drie, vier tellen inademen, vasthouden en weer uitademen. Nu niet huilen. Hij fotografeert haar, ze ziet het niet. Had ze maar een pen, dan kon ze hier wat voor haar neerschrijven op de gedenksteentjes.  Ze gaan verder, door struikgewas naar beneden, naar de kazerne waar hij sliep. Ze ziet de foto's weer voor zich. Hij in een kamer met zijn mooie kont voor de grap ontbloot, hij met baret naast zijn kameraden, hij in camouflagepak. Ze was toen vast ook verliefd geworden. De weg tussen de kazerne en de auto is lang. Ze hebben 18 kilometers in de benen. Vroeger was dit niets, maar het afgelopen jaar was zwaar en de wandelingen licht.  Ze huppelt en zwaait haar armen los. De laatste snokskes vraagt hij.  Terug bij de auto aangekomen omhelzen ze elkaar. Wat een mooie eerste dag!  

Fien SB
29 2

Sounds of Soundos.

De hele week las ik over haar en over hem, over de vurige discussie, over haar melding en zijn fout. Over haar cijfers en zijn vriendinnen. Over haar, over hem. Ik hoorde haar geroep, ik zag zijn onhandigheid. Ik zag haar fluo haaknagels, ik zag zijn achteruitdeinzen. Ik hoorde en zag sounds of us; journalisten en specialisten die de discussie gingen ontleden. Ik las de schrijvers met een mening of een poging tot inname van een standpunt. Heb ik een standpunt? Dat vroeg ik me af. Ik voelde me aangetrokken tot hem, niet tot haar. Haar geroep en getier had ik gezien, ik had daarachter verdriet vermoed. Ik had zijn opmerking niet fout gevonden. Ik had zijn lach niet ontwapenend gevonden.  Ik zocht het midden, zag de kampen, ik wilde noch rechts noch links. Als buitenstaander zocht ik het midden. Stond ik er echt buiten dan? Ging die onveiligheid dan aan mij voorbij? Ik, die erin was opgegroeid? Kon ik iets zeggen over die onveiligheid? De viespeuk in de auto met zijn ontbloot geslacht is een vage herinnering. De verkrachting in dat hotel is slechts een vage herinnering, en toch werd ik verkracht door mijn toenmalig lief die gedrogeerd wilde krijgen wat ik moest geven en dat toch niet deed. Kon ik iets zeggen over mijn vader die me nooit betaste maar wel bekeek; heel subtiel met zijn ogen onder mijn rok naar mijn tienerbenen. De hele week las ik over hem, over haar, over de verhitte discussie. Ik dacht aan dit beeld (zie foto) het werk van Mark Manders. De krop, de keel, woorden om uit te breken. Ik dacht aan de mannen die de vrouwen angstig maken, de verhalen van meisjes die slachtoffer werden aan meisjes die het nooit wilden worden. De serie over de serieverkrachter Sambre. De woorden van mijn moeder die slachtoffer werd van het geweld van mijn vader. Daar dacht ik aan, aan die angst waar ik nog niet volledig van bevrijd ben. Ik hoop maar dat de sounds of Soundos niet méér meisjes bang zullen maken want tegen de cijfers geen enkel argument. Zijn er cijfers van meisjes die van hun angst afraken, en hoe deden ze dat? Ik hoop maar dat de sounds of Bart veilig aanvoelen voor zij die met angsten kampen. Ben ik nu toch langzaamaan richting één kamp aan het redeneren? Ik wil niet links, niet rechts. Ik wil het midden. Ik wil mezelf, alle vrouwen veilig. Ik wil de mannen met viezigheid in hun hoofd, de mannen met slechte plannen in hun hoofd in het midden van het plein, op een podium op het plein, met zeer luide woorden die zij uitspreken, geen getier en geroep maar oprecht en beschaamd horen zeggen wat er mis loopt in hun hoofd. Ik wil ze horen zeggen dat ze het zelf vreselijk vinden, dat ze willen ophouden, dat ze vrouwen veilig willen, dat ze niet meer en nooit meer, dat ze berouw hebben, dat ze vrouw willen zijn om te voelen wat het is een vrouw te zijn, dat ze opnieuw mens willen worden. Ik wil ze in het midden van het plein of in de lotto arena; alle mannen die in hun leven vrouwen een onveilig gevoel hebben gegeven. Ik wil ze horen zeggen dat ze dan zelf onveiligheid hebben ervaren, dat ze zich niet geliefd en gewenst hebben gevoeld. Ik wil ze horen zeggen dat ze het niet voelen, niets voelen en opgesloten willen worden, gestraft willen worden. Dat iemand (een beul) met een hakbijl hun geslacht mag maaien. Dat moet toch kunnen.  Heb ik nu een standpunt waar ik me goed bij voel?

Ingrid Strobbe
6 0

Beste café

Het moet een uur of vier geweest zijn maar dat doet er niet toe. Ik ken hem sinds jaren, jou kende ik niet. En toch had ik ooit een deel van je gezien. Je had toen een terras dat in een steeg stond, in niemands weg de wijn op de tafels. Mensen met pratende monden, niemand die huilde van geluk. Ik had alleen naar je gekeken, niet van jou gebruik gemaakt. Op enkele meters van je vandaan mochten we de feestzaal betreden, daar ging het concert door. En ik hoor op de radio dat Paul van Nevel jarig is. Tachtig is hij vandaag. Zijn ensemble bracht hemelse klanken voort. Toen in die imposante zaal, mijn foto's zijn zeven stille getuigen. Beste café, vanaf nu heb je een naam en een interieur. Ik ken de wenteltrap die in je huist. Op jouw spiegelende binnenkant leest men wat er te eten valt. Prijzig de gerechten. Duur de gesloten flessen. Wij hebben jou geopend zoals het hoort, dwz...meteen achter ons de wind buiten gehouden, ze duwde kort tegen de deur maar mijn heup duwde terug. Jouw glimlach viel in het slot. Ja, ik noem een voordeur een glimlach. Wanneer ze oprecht is, worden we een antwoord gewaar op ons gelaat. Hij zat naast me, ik naast hem. Twee dames tegenover ons in een vrolijk gesprek, met een bestek dat deels in hun monden verdween. Ik zag voor het eerst jouw trots! Jouw toog waar je geen barkrukken verdraagt maar waar het licht zacht is en warm haar kleur. Beste café, het duurde niet lang, ik nam een foto van je. Je liet dat zomaar gebeuren. Nu ik het beeld bekijk zie ik de mannen in kaders, ze zullen wel belangrijk zijn. Wie zijn ze? Het koningsblauw valt op. De geur van haar parfum brengt me onmiddellijk terug naar waar ik zit, de vraag om af te rekenen, haar dienst zit erop.   (een schrijfoefening, stroomschrijven) 

Ingrid Strobbe
3 0
Tip

Kaartenhuis

Ken je Spinvis, de Nederlandse zanger? Of band, daar is wat discussie over.  Ik ging naar een concert waar de band uit twee muzikanten bestond. De band bestond uit twee muzikanten, maar het was ongelooflijk hoeveel muziek ze maakten. Ken je Spinvis? Ik ging naar een concert waar ze met twee muzikanten een hele band leken. Ze werkten met loops. Ik ging naar een concert, waar ze met loops werkten. Ze speelden alles live, namen het ter plaatse op en maakten een loop. Waarna ze andere instrumenten namen en nieuwe lagen toevoegden. Echt knap. Ken je Spinvis? Ze werken met loops op hun concerten: eerst drums en bas, dan gitaar en keyboards. Twee muzikanten, maar ze spelen alles. Ze bouwen de muziek op in lagen. Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij, ik kon het allemaal goed zien. Eerst speelden ze drums en bas, dat namen ze ter plaatse op en maakten zo een eerste laag. Ze werkten met loops. Daarna speelden ze andere instrumenten. Ze waren maar met twee muzikanten. Echt knap. Je had erbij moeten zijn. Hun teksten zijn ook bijzonder. Het lijken allemaal losse zinnetjes. Net zoals de muziek. De lagen en de loops. Ze bouwen het op met twee muzikanten. Het wordt telkens meer. Ik had twee tickets, maar ben uiteindelijk alleen gegaan.  Ken je Spinvis? Ik was graag met je naar hun concert gegaan. Het was echt knap. Ze bouwden hun muziek op met loops. Ze speelden met twee muzikanten alle instrumenten. Met pedalen en computers namen ze alles op. Ik kon het goed zien, ik zat op de derde rij. Je had erbij moeten zijn. De plek naast me was vrij. Ik had twee tickets. Ik hou ook van hun teksten. De teksten waren… hoe zeg je dat? Jij weet altijd het juiste woord. Associatief? Is het dat? Je had erbij moeten zijn. Ik had twee tickets. Ze waren maar met twee muzikanten, die alle instrumenten speelden. Ze bouwden de muziek op met loops. Laag na laag na laag. Echt knap. Als een kaartenhuis, een muzikaal kaartenhuis. Soms moesten ze opnieuw beginnen, als één van de loops niet goed zat. Als ze niet in hetzelfde ritme zaten. Maar ook dat opnieuw beginnen hoorde erbij. Het knapste nummer was Kom terug. Je kent het zeker, dat wordt ook op de radio gespeeld. Maar dan is het natuurlijk af. Terwijl op het concert… Ken je Spinvis? Weet je hoe ze het doen? Ze zijn maar met twee muzikanten, ze bouwen samen een huis, met loops. Eenvoudige melodieën, vaste ritmes, maar toch, samen wordt het… meer? Je had erbij moeten zijn. Ik had tickets op de derde rij. Je kon perfect zien hoe ze het deden met pedalen en computers. Alsof ze telkens opnieuw begonnen aan hetzelfde nummer, maar toch werd het groter en groter. Een huis, een kaartenhuis. Echt knap. Kom terug. De muziek is mooi maar op een bepaalde manier droevig. Ik weet niet hoe dat werkt, ik ken niets van muziek. Mineur-akkoorden of zo? Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij. De stoel naast me was leeg. De muziek is heel… jij zou zeggen fragiel… ze bouwen het op met loops. Soms ging het mis. Misschien was het daarom een beetje droevig? Het is niet hetzelfde op de radio of cd of Spotify… Jij hebt natuurlijk de vinyl. Past er wel bij. Beetje retro, knutselmuziek. De teksten zijn ook erg knap. Net als de muziek. Ze bouwen op met laagjes, het lijkt niet samen te hangen en toch wordt het groot. Ze zijn maar met twee muzikanten, maar door alles juist te doen lijkt het een heel orkest. Eerst speelden ze gewoon drums en bas. Ritme, een eenvoudige melodie. Ze waren maar met twee. Toch lukte het. Ze werkten met loops, ik kon het perfect zien vanop de derde rij. Pedalen, computers, de stoel naast me was vrij. Alles moest kloppen. Als het misging begonnen ze opnieuw… en opnieuw… en nog eens als het moest. Tot de melodieën klopten met het ritme, en de teksten aansloten op de akkoorden. Droevig maar mooi. Mineur-akkoorden misschien. Ze speelden Kom terug. Je had erbij moeten zijn. De teksten zijn echt knap, echt iets voor jou. Zo subtiel, bijna onbegrijpelijk. Elke zin apart betekende niet veel, soms valt het zelfs in herhaling. Maar de opbouw, de herhaling, maakt er iets meer van, iets groter. Net zoals de muziek. Het is opgebouwd in lagen, zoals een kaartenhuis. Kom terug. Ken je Spinvis? Kom terug. Dat is hun mooiste nummer. Vind ik. Ik ging naar het concert, weet je, ik had twee tickets, maar je kon niet. Jammer, want het was echt knap. Ik zat op de derde rij. Ze werkten met loops. Ze bouwden hun muziek en teksten heel voorzichtig op, laagje per laagje. Ze lieten elkaar nooit los. Ze waren met twee muzikanten, ze namen de instrumenten live op. Je had erbij moeten zijn. Kom terug. 

R.F.G. Vandenhoeck
110 3