Lezen

Soldaten en Prostituees II

(Zo is het hoofdstukje netjes afgerond. Deeltje 1 uit een klein Epos, als dat kan, getiteld 'NIX') De mensheid timmerde al een kleine eeuwigheid aan een weg doorheen het Barre land. Dat stukje wereld pronkte op geen enkele kaart. De zware tochten eisten doorheen de jaren een hoge tol: men mocht al van een geslaagde expeditie spreken als er iemand levend terugkeerde om te melden dat de anderen het niet gehaald hadden. Het Barre Land herbergde vele geheimen en liet zelden getuigen achter. Iedere expeditie bracht waaghalzen, avonturiers en professoren wat dieper de asvelden in, waar soldaten op een nieuwe plek een basiskamp uit de grond stampten.  Vandaag was de dag, glimlachte Cas tevreden bij zichzelf. Vandaag begon de eindsprint naar de voet van De Berg. Een tocht van enkele weken. Van kamp naar kamp, zeulend met al het materiaal en op het tempo van de trage professoren. Maar op het einde van de tocht zette iemand, de koploper van de expedities, voor het eerst voet op de helling. In gras. Groen gras. Dik, groen gras. Hij kon het zelf met moeite geloven. Glooiende hellingen vol groen gras, zo beloofde de folder. Niet dat hij deel zou uitmaken van die laatste groep, Cas' job was om de professoren te begeleiden naar het laatste basiskamp en geen stap verder.  Maar toch... hij zou het kunnen zien, dat gras. Misschien zelfs ruiken. Hij sloot zijn ogen en ademde heel diep in. De geur van gemaaid gras was hem onbekend maar zijn grootmoeder kon er lyrisch over doen. Cas' eigen moeder had hem ooit wel verteld dat de wereld overheersend groen was geweest, in een vaag en ver verleden. Cas kon zich daar niet eens een beeld bij vormden: hij was opgegroeid tussen as en stof. Niemand die nog wist hoe het kon gebeuren, wat er gebeurd was. De wereld verging. En toch niet helemaal. Cas verlangde wel naar iets groens en misschien wat betere lucht want hier op de Rand van de Wereld ademde hij vooral stof in. Alles smaakte een beetje zout. Hij maakte zijn rugzak, hij was intussen een ervaren pakker en tien minuten later verscheen hij op het appèl. Tot zijn stomme verbazing was hij niet de eerste. De jonge prostituee stond er ook, met een versleten rugzak over zijn schouder en een muts over zijn hoofd. Hij droeg een bril met licht getinte glazen en glimlachte verontschuldigend. Cas keek overdreven rond en kreeg een onaangenaam voorgevoel. De jongeman raadde zijn gedachten. Hij haalde gelaten zijn schouders op. 'Sorry, soldaat. Ik moet mee.' 'Mee?' Cas nam hem ongelovig op. De jongeman droeg een paar oude all-stars, een vuile broek en dito shirt dat hem weliswaar goddelijk stond maar verre van geschikt was voor de trip. 'Het vriest daar 's nachts en overdag regent het zure assen. Heb je niks meer geschikt?' 'Ik heb niets warm. De mannen willen me zonder kleren zien, soldaat, niet ingeduffeld.' Hij schonk Cas een blik waarop Cas kon opmaken dat hij dit ook wel moest weten. De hoer bezorgde hem een ongemakkelijk gevoel. 'Dit is het en dit zal moeten volstaan.' De jongeman kauwde op zijn onderlip zonder oog te hebben voor Cas' afdwalende gedachten. 'De heren officieren willen zo tussendoor hun pleziertje en huren mijn lijf voor de komende weken tegen een verzacht prijsje voor het aangedane leed deze ochtend, dus ik ga mee en vries waarschijnlijk dood. Niet dat het iemand iets kan schelen.' Hij zei het zo nonchalant dat Cas bijna lachte. Maar de jongeman maakte geen grapje. Hij vervolledigde de gastenlijst, samen met de oude, kranige veger. 'Sloms, meneer,' salueerde de veger met een sardonische blik. 'Ik ben gehuurd om het de officieren comfortabel te maken.' De dikke, felblauwe, nieuwe jas stond hem belachelijk. Zijn dunne schouders konden het gewicht van de parka nauwelijks dragen maar de grijsaard was duidelijk in zijn nopjes. Hij loerde verlekkerd naar de hoer.  'Vergeet het maar, Sloms. De eerste keer dat je een vinger naar me uitstak, kostte die ondoordachte handeling jou een oog, weet je nog? Jij kunt me niet permitteren, man, en voor geen geld ter wereld ga ik met jou naar bed dus kijk niet zo, ik krijg er rillingen van,' gooide de jongeman achteloos op. Sloms blafte een soort lachje. De hoer slaakte een hemeltergend diepe zucht. 'Alleen in jouw dromen, ouwe man,' mompelde hij. 'Alleen in jouw dromen.' 'Als ik mijn werk goed doe,' de veger stond op de toppen van zijn tenen en bracht zijn tandloze mond tot bij Cas' gevoelig oor. 'Dan is hij mijn beloning.' Hij maakte een bijzonder suggestief gebaar. Cas mompelde iets en maakte zich uit de voeten. De anderen druppelden uit het hotel, de ene al meer geladen dan de ander. Ze namen de nieuwkomer ongelovig op. 'Hij gaat mee,' blafte De Officier met het blauwe oog en smoorde met een woeste blik, dat teniet werd gedaan door dat blauwe oog, alle verdere opmerkingen in de kiem. 'Ik zoek een degelijke outfit voor hem,' wierp Cas op. 'Hij kan zo echt niet mee.' 'Jij blijft hier, soldaat, die hufter is mijn zorg, niet die van jou,' beet De Officier hem toe. Cas klemde zijn kaken op elkaar. De hoer gluurde vanuit zijn ooghoeken naar Cas en knikte, dankbaar voorde poging. 'Iedereen klaar?' De expeditie werd uitgezwaaid door het voltallige hotelpersoneel en een hoop smachtende jongemannen die stuk voor stuk met tranen in de ogen hun gezel uitzwaaiden. De jongeman liep de vierde in de rij, vlak achter De Officier. Hij beschikte over een verrassend goede conditie, zag Cas tevreden. Hij hield moeiteloos het tempo bij, met een energieke tred en rechte rug. Als een kind op dagtocht. Cas zelf sloot de rij, zijn vaste plek. In zijn hand rustte een stevige bijl, het enige nuttige wapen op zo'n tocht en handig voor allerlei andere klusjes. Hij kon over de koppen kijken, tot helemaal vooraan. De rij telde 23 leden: tien geoefende soldaten met een goede staat van dienst in het Barre Land, vijf hogere officieren op zoek naar eer en glorie, één jongeman op all-stars om de bedden warm te houden, één veger zonder duidelijke taak en zes professoren op de missie van hun leven: op zoek naar die ene plant die vrouwen terug in staat stelt om dochters te krijgen voordat de mensheid alsnog uitstierf...   

De Donderklif
43 1

Haas Halfweg en het Boek van Alles

Na lang rennen komt Henk aan bij het Spiegelmeer, aan het uiterste achtereind van het Schemeringse Beestenbos. Hier, onder de oude eik, ligt de ingang van het berenhol. Tok-tok-tok! Kriepende stoelenpoten. Dan slome, zware voetstappen. Het luik zwaait open, en een verblinde Boekie Beer vraagt: 'Wie is daar?' De oude schrijver heeft in geen jaren nog bezoek gehad. 'Henk, meneer,' zegt Henk. 'Henk de Haas.'   ◊   Terwijl Boekie voorgaat verkennen Henks ogen het hol vol prullen, vuile vaat en stoffige boeken. Boekie Beer is een sloddervos, denkt de haas. Beer zet twee glazen frambozensap op tafel. 'Vertel. En geen u of meneer hoor. Meneer woont hier niet.'   ◊   'Wel, Henk dus. Maar iedereen noemt me Haas Halfweg. Dat zit zo: het minste leidt me af. Dan vergeet ik wat ik van plan was, en kom niet verder dan halfweg. Heel vervelend. Ik ben al blij dat ik tot hier geraakt ben.' 'Oei,' zegt Beer. 'Maar wat kan ík daaraan doen?' 'Nou, jij hebt toch massa's boeken geschreven? Als iemand me kan leren hoe je iets afwerkt, dan jij wel.' 'Daar heb je een punt,' vindt Boekie. 'Mag ik hier ... een tijdje wonen en kijken hoe jij het doet? Ik kan voor je koken! Ik zal poetsen en jou nooit in de weg lopen.' De ouwe schrijver kijkt eens rond en ziet meteen de voordelen. Van achter zijn voorpoot fluistert hij: 'Zal ik je alvast een tip geven? Als ik afgeleid raak? Boekie Beer, zeg ik dan, hocus focus! Vaak gaat het daarna beter.' Plots veert Beer recht. 'We doen het!' juicht hij. 'We doen het!' juicht ook Haas. En ze beginnen samen een gek dansje.   ◊   De volgende dag. Aan de afwas staat Haas lang voor zich uit te staren. 'Hocus!' roept Beer. 'Focus!' roept Haas, en hij werkt verder. Stik, het water is koud.   ◊   Boekie Beer loopt op wolkjes. Hij heeft meer tijd dan ooit om te schrijven, het eten is lekker en hij hoeft niet langer tegen zichzelf te praten. En Haas? Die lacht zich rot met Boekies onuitputtelijke verhalen. Je zou ze stilaan beste vrienden kunnen noemen.   ◊   Op een avond liggen de beste vrienden sterren te kijken. Zonder een woord te zeggen wijst Haas de Grote Beer aan. Want samen lang zwijgen, ook dat kunnen ze prima. Luisteren naar de stilte. Wat een rust. En alleen iets zeggen als het belangrijk genoeg is. De rust verstoor je niet zomaar.   ◊   'Beer?' 'Hm.' 'Waarom heb jij eigenlijk geen succes meer? Ooit was je toch beroemd?' Boekie glimlacht. Hij wacht tot de woorden van Haas uit de lucht zijn verdwenen. 'Ach, roem. Herkend worden, op tournee gaan. Geen tijd om te schrijven en geen moment voor jezelf. Genoeg, zei ik. Ik stop.' 'Oehoe,' zegt een uil. 'Sindsdien werk ik aan mijn Boek van Alles. En slaap ik tenminste in mijn eigen bed.' 'Oehoe.' 'Ik zou best beroemd willen zijn,' fantaseert Halfweg.   ◊   Vandaag poetst Haas de boekenhoek. Plots stormt hij de schrijfkamer in, wapperend met schriftjes. 'Beer, Beer!' 'Je stoort!' 'Maar kijk wat ik net vind? Een hele stapel verhaaltjes ...' 'Och, die liggen er al zo l...' '... waar heb je me niets van hebt verteld? Mag ik er tekeningen bij verzinnen? Asjeblieft? Heb ik eindelijk iets om af te werken.' Boekie zucht diep. 'Ik wist niet dat jij kon tekenen?' 'Ja hoor,' antwoordt Haas. 'En dit lijkt me een uitstekende oefening in hocus focus.' 'Misschien heb je wel gelijk,' zegt Beer. 'Ach, waarom ook niet. Probeer maar. Kan ik tenminste verder werken.'   ◊   Boekie knabbelt op een stuk salami. Halfweg bladert in het eerste schriftje. 'Leuk verhaal,' zegt Haas terloops. 'Maar ... is je vos niet te perfect? Van mij zou hij gerust mogen stotteren of zo.' 'Nooit!' brult Beer, terwijl hij bam! met zijn klauw op het tafelblad slaat en een mondvol salamibrokken in het rond spuwt. 'Het zijn mijn verhalen en daar verander jij geen woord aan!' Haas davert. Zoiets moet ik nooit meer proberen, denkt hij.   ◊   Een mijlpaal! Nooit eerder heeft Halfweg iets afgewerkt. Beer is onder de indruk: met de prenten van Haas komt Vossie Snots Zoeke Zakdoek helemaal tot leven. 'Maken we er een boek van?' vraagt Haas, hoopvol. 'En weer succes hebben? Niets van.' 'Maar we zijn geweldig samen! Beer, je maakt een grapje?' 'Toch niet. En ik verander niet van gedacht.' 'Spelbreker,' mort Haas. Zijn stem klinkt naar ontgoocheling. Boos en triest tegelijk.   ◊   Na een slapeloze nacht zegt Beer: 'Hier, Haas. Delen een, twee en drie.' Echt? Halfweg mag het Boek van Alles lezen! Zo hoopt Beer zijn vriend terug op te vrolijken. In het zonnetje, achterovergeleund tegen een boom, verslindt Haas bladzij na bladzij. Hij maakt twee stapels: "gelezen", en "te gaan". Op beide legt hij een kei, stel je voor dat er plots wind opsteekt! Wauw, het Boek van Alles is beestig interessant. Al wat je maar kunt bedenken zit erin. Bijvoorbeeld: hoe je je veters kunt knopen met je poten in het verband. Of hoe de Gletsjerglijbaan wegsmolt, en er een modderstroom voor in de plaats kwam. Zelfs wat heel erg ingewikkeld is, weet Boekie met puik bedachte grapjes uit te leggen. Zodat iedereen het kan begrijpen. Zelfs die domme Erwin Ezel van de Oenenhoek.   ◊   Plets. Een regendruppel. Dan nog een. En nog een. Terwijl Haas Halfweg zich naar binnen rept, ziet hij nog net hoe de post uit de brievenbus puilt. Haastig dropt hij zijn twee stapels in een hoek en rent weer naar buiten, waar intussen een fikse bui plenst. Halfweg roefelt de post bij elkaar. Hij zoeft naar binnen ... oei, zo laat al? ... en legt haar ... hup! ... boven op de "gelezen"-hoop van het Boek van Alles. Haas dekt de tafel en begint aan het eten voor de avond.   ◊   De volgende ochtend. Na het ontbijt trekt Boekie de deur van zijn schrijfkamer dicht. Die zie ik voor vanavond niet meer terug, denkt Halfweg. Prima, kan ik lekker veel lezen. Och, die post ligt er nog. Maar ... diepe kraters? En al het papier kleeft aan elkaar? Wat een ramp, ook de "gelezen"-stapel zit vol gaten. Slakken! O nee, die zijn mee naar binnen geraakt. Verscholen tussen de post. De hele familie zit te smullen van het Boek van Alles. Hun slijm doet de vellen aan elkaar kleven. Wat nu?   ◊   Haas Halfweg gooit de slakken het bos in, zo ver als hij maar kan. Daarna gaat hij een poos besluiteloos naar de schade zitten kijken. Maar wacht, denkt de kleine haas plots. Ik heb dit gisteren pas gelezen, ik wed dat ik het kan herschrijven! Toch? En Halfweg gaat aan de slag.   ◊   Na een lange werkdag komt Beer boven water. 'Hebben we iets lekkers?' Ai. Leg het nu maar uit, Haas.   ◊   Beers honger is meteen verdwenen. Nee toch, al dat vele werk? Hij grist het dikke pak papier van tafel en bladert er jachtig doorheen. 'Ik heb alles zo goed mogelijk hersteld,' probeert Halfweg. 'Dacht ik niet!' snauwt Boekie. 'Er waren stukken die ik me niet kon herinneren,' jammert de kleine haas. 'Die kreeg ik niet helemaal goed.' 'Onzin!' vindt Beer. 'Bladzijde veertien? Een haas ziet dit natuurlijk heel anders ... en dan drie alinea's waarin je me tegenspreekt en tracht uit te leggen waarom wortelpuree wel lekker en gezond zou zijn!' 'Maar ... het is een Boek van Alles?' redeneert Haas. 'Dan moet het toch ook een Boek van Iedereen zijn? Enkel jouw mening is zeker niet Alles!' 'Voor mij wel,' zegt Beer. 'En het is mijn mening dat je kunt gaan. Nu. Meteen. Pak je spullen en vertrek.'   ◊   Wanneer Halfweg het bos in schuifelt, hoort hij achter zich nog één keer het luik kriepen. Omkijken doet hij niet, hij probeert alleen maar overeind te blijven onder de harde woorden die Boekie Beer hem achterna brult. 'En dan nog iets: je hebt het niet, Haas! Je hebt het niet, en je zult het nooit hebben. Zonder mij bak je er niets van, jij ... knaagdier!'   ◊   Wel twee maanden lang blijft Halfweg met verdriet in bed. Hij kan maar niet geloven dat zoiets stoms is kunnen gebeuren. Hij hield zo van Boekie, en hij mist zijn gezelschap. Mist Beer hém dan niet? En al die kwetsende woorden, waren die echt nodig? Halfwegs hart lijkt elke dag wat dieper weg te zinken. Tot het ergens achter zijn navel blijft steken.   ◊   Dan heeft Haas er genoeg van. Wie wil er nu een ton vol tranen zijn? In zijn hoofd draait hij een soort kraantje open, zodat het verdriet eindelijk weg kan. Maar kijk: hij vult de ton meteen weer op, met woede. Wat een nepvriend was die Boekie!   ◊   Haas Halfweg schrijft en schildert nu onophoudelijk. Zijn eerste verhaal gaat over een vos ... die stottert. Er volgt een tweede boek. En een derde. Elk boek heeft nog meer succes dan het vorige. Tijdens de tournee Haas Halfweg leert hij de knepen van het voorleesvak. Al snel voelt hij zich thuis op het podium. Nu zit ook de tweede toer erop. Halfweg en Verder duurde langer, de zalen waren groter, hij werd verwend als een koning en heeft landen gezien waarvan hij niet wist dat ze bestonden. Eindelijk staat Haas aan de top. Tijd om Boekie op te zoeken, denkt hij. Je zat er helemaal naast, maat. Zie je wel dat ik het kon.   ◊   Wanneer Haas aankomt bij het Spiegelmeer, aan het uiterste achtereind van het Schemeringse Beestenbos, ziet alles er nog precies hetzelfde uit. Net alsof hij hier nooit is weggeweest. Maar dat is hij natuurlijk wél. Vandaag staat hij opnieuw als een vreemde voor het luik. Dat doet zijn hazenbuik een beetje kriebelen. Tok-tok-tok! Kriepende stoelenpoten. Voetstappen, wat slomer en zwaarder dan toen. Het luik zwaait open, en net als die allereerste dag vraagt Boekie Beer, verblind en verrast: 'Wie is daar?' 'Ik ben het,' zegt Haas. 'Haas Halfweg.'   ◊   'Halfweg?' herhaalt Beer. 'Beste kerel, wat ben ik blij jou terug te zien! Waar bleef je zo lang?' Daar begrijpt Haas niets van. Ze hadden toch mega ruzie? 'Zo moet je niet beginnen,' zegt hij, met een klein bibbertje in zijn stem. Stom, nu lijkt hij minder stoer dan hij zou willen. 'Ik ben al jaren boos op jou ... é-é-én dat blijf ik ook. Denk nu niet dat ik plots ... ik kom gewoon bewijzen dat je het fout had.' 'Natuurlijk had ik het fout,' zegt Beer. 'Wacht, kom binnen, ik moet je wat uitleggen.'    ◊   Het schrijvershol ligt er weer net zo vuil bij als vroeger. Terwijl Boekie uitschenkt, opent Haas zijn rugzak en knalt met een boze frons zijn drie succesboeken op tafel. Frambozensap klotst uit de glazen. 'Niet slecht toch, voor een ... knaagdier? Ik reis de hele wereld rond. Iedereen kent me nu.' Beer maakt zich niet druk om het gemorste sap. 'Weet ik,' zegt hij, terwijl hij ... 'Hoezo, weet ik?' ... rustig naar de leeshoek stapt en daar net diezelfde Halfwegverhalen van het schap neemt. 'Ik heb jou op de voet gevolgd,' legt Boekie uit, en hij duwt zijn stukgelezen boeken in de slappe poten van de verbaasde Haas. 'Zullen we dan nu iets drinken?'   ◊   'Ik ben helemaal in de war,' zucht Halfweg. 'Proficiat,' zegt Beer. 'Echt, ik meen het. Je hebt het schitterend gedaan.' 'Maar je riep de vreselijkste dingen? Je hebt me eruit gegooid!' 'Dat was ... een duwtje in de rug.'   ◊   'Wel, jij durft!' windt Haas zich alweer op. 'Wacht nou even,' zegt Boekie, 'ik probeer het je net uit te leggen. Wij samen, dat was ... beestig. We waren goed in samen. Maar samen was niet goed voor ons. Of toch niet voor jou.' 'Hoezo dan?' vraagt Halfweg, met ergernis in zijn stem. 'Ik remde je af, Haas. Jij popelde om de top te bereiken, terwijl ik ... daar al was geweest. En jouw stotterende vos? Die had je zomaar aan mij verspild, als ik dat tenminste niet had verboden.'   ◊   Halfweg zit te luisteren met zijn lange oren vol ongeloof. 'Jij moest hier weg, kleine vriend. Maar hoe kreeg ik jou ooit zover?' 'Had dat toch gewoon uitgelegd,' mokt Haas, 'dan was ik wel uit mezelf vertrokken.' 'Geloof je dat echt?' zegt Beer. 'En had je dan iets bereikt? Oké, met hocus focus kom je een heel eind. Daar krijg je nog wel een boek mee klaar. Maar daarna? Er zijn wel hónderd beesten met een boek. Aan de top is geen plaats voor honderd, Haas. Om daar te geraken moet je willen, harder dan al die anderen, willen uit het diepste van je schrijversziel.' Boekie wijst naar de Halfwegverhalen op zijn tafel. 'Als ik je niet had weggejaagd, had je deze nooit geschreven.'   ◊   Haas Halfweg begint het te snappen. 'Ik moest eerst woest zijn ...' En Beer maar knikken. 'Dat ongelukje met de slakken was mijn kans. Dus ik deed wat nodig was, ook al brak ik zo je hart ... en het mijne.' '... en woest wás ik!' roept Haas, en hij springt boven op zijn stoel om stoom af te laten. 'Ik zou wel eens tonen wat ik kon! Slagen, helemaal alleen! Beroemd worden en jou, stomme Beer, je ongelijk bewijzen!' 'Een doel dat ík jou gegeven heb.' Haas trekt zijn snorharen recht en daalt opgelucht zijn stoel weer af. 'Dat is het,' zegt Beer. 'Willen, willen, willen, en dan hocus focus. De magische formule om niet op te geven halfweg.' Boekie en Halfweg geven elkaar een high five. 'Trouwens,' zegt Beer, 'die treurige spotnaam kun je nu wel laten vallen. Halfweg is verleden tijd, jij bent gewoon Henk. De beroemde Henk de Haas. En ik ben trots dat ik je vriend mag zijn.'   ◊   Toch is er iets wat haas Henk nog altijd niet begrijpt. 'Maar Boekie,' vraagt hij, 'waarom ben jij eigenlijk niet écht kwaad op mij? Ik heb je Boek van Alles toch vernield?' Beer glimlacht. Zo ziet hij er lief en vredig uit. Als iemand die intussen oud is en wijs, blij met hoe de dagen zich vullen als vanzelf. 'O, eerst was ik wel een beetje boos,' legt Boekie uit. 'Maar lang niet zo erg als je dacht! Wist jij veel dat ik mijn klad nog had.'   ◊   Henk de Haas tuimelt werkelijk van de ene verbazing in de andere. 'Dus ...' 'Juist,' zegt Beer. 'Het enige wat me te doen stond, was alles weer overschrijven in mooie, zwierige Boekie Beerletters. Vervelend, maar ook niet meer dan dat.'   ◊   'Maar toen gebeurde het. Al na een paar regels brak de punt van mijn ouwe schrijverspen. Alsof ze wou zeggen: Beer, waar zijn we nu eigenlijk al zo lang mee bezig? Elke dag gebeurt er in de wijde wereld meer dan jij in je hele leven op papier kunt krijgen.' Beer draait een paar rondjes met zijn laatste centimeter sap. 'Dat is helemaal waar, besefte ik ineens. Een Boek van Alles? Domste plan ooit, Alles is te veel. Tja, en toen ben ik dus gestopt.' Boekie slaat zijn sap achterover en zet het lege glas op tafel. 'Geloof het of niet: dat voelde aan alsof ik voor het eerst in jaren weer adem kreeg. Dus dank je, Henk de Haas, voor de slakken. Het ongelukje. Ik had me geen groter geluk kunnen wensen.'   ◊   Die avond, precies als vroeger, liggen Haas en Boekie in stilte sterren te kijken. Samen lang zwijgen. Nee, dat zijn ze niet verleerd. 'Je mag hier wel weer komen wonen,' denkt Beer. 'Doe ik,' denkt Henk terug. 'Henk Haas?' denkt Boekie, een beetje aarzelend. 'Sorry nog, voor al het verdriet.' Daar moet Haas een beetje van kreunen. 'Maar ik wist dat het goed kwam!' denkt Beer, heel overtuigd. 'Want je hebt het. Natuurlijk wel.'   ◊   Henk de Haas zwijgt nu nog stiller. Zijn oogjes blinken een beetje. Boven hem fonkelt de Grote Beer, heel even maar. Dat lijkt wel een knipoog. 'Bedankt, Boekie,' fluistert Haas in gedachten, zo warm en zacht dat zijn makker het zeker kan voelen. 'Sorry, dat ik aan jou heb getwijfeld. Je bent een echte, grote beer. En de beste vriend ter wereld.'     EINDE       Haas Halfweg en het Boek van Alles, met illustraties van Evelien Van Landeghem, is te koop via de webshop van de auteur. Aanbevolen voor lezers van 7 tot 10 jaar — en hun ouders.

Marc Terreur
17 1

Zes Alinea’s en een Titel

Mijn pa zei altijd dat ik moest stoppen met janken, dus schrijf ik. Ik neem letters in mijn hand, schudt ze even goed en smijt ze de lucht in, waarna ze verspreid op het ruwe tafelblad landen. Schrijven is gokken. Zolang de letters, juist voor de zwaartekracht hen neerhaalt, ogenschijnlijk roerloos in de lucht hangen, heeft de schrijver hoop. De woorden zijn gevallen. Ik probeer hier en daar wat te veranderen, verbuig mij een weg tussen een dichtbevolkte werkwoordelijke eindgroep. Het onderwerp kan wat subjectiever en de adjectieven mogen wat meer bijvoegen. Uiteindelijk is er geworpen wat er gesmeten is. Verbouw naar hartenlust, op een slecht fundament zal het huis scheef staan. Wil ik winnen, moet ik bluffen. Ik kan de groene kop van mijn collega-gokkers al rieken, wanneer ik mijn lege hand op dat ruwe tafelblad leg. Daarvoor moet ik natuurlijk eerst eens winnen. Laatst verloor ik van een man die eerst zou afvallen in Sjakie en de chocoladefabriek, een vrouw met het zindelijkheidsniveau van een zesjarige en een doctor die moeite had met de spelling van het woord ‘paard’. Tussen al dat edel volk danste ik als een hofnar op een lied over alledaagse liefde met nota bene een Latijnse titel. Een oude wijze koning zei ooit: “Had de nar leren vechten, dan was hij een ridder.” Dus ik zocht naar een sparringpartner, iemand om de fijnere technieken van te leren, om de dodelijke pen als een swingend zwaard te hanteren. Als gezalfde ridder kan ik drie Leuvense jonkvrouwen misschien wel het hof maken. Een prins op een witte velo, was de ideale leermeester geweest. Ik besloot om de externe raadsman van het kiesorgaan op te zoeken. Deze zeilende reporter bood echter niet veel nieuws. Iedere schrijver is verplicht zijn eigen boontjes te doppen. Uitzichtloos vergrijp ik me aan de vertrouwde, fenomenale feminateek. Het is een gemak dat mijn idolen gestorven zijn. Afgekeurd door Louis Paul Boon smeet ik mezelf voor een camion op de Kapellekensbaan. Mijn vader, een andere gesneuvelde idool –een man die de stoffige bladeren van een schelmenroman verdient, wat ik hem in mijn hoedanigheid als schrijver ooit wel schenken zal- leest langs mijn schouder mee, naar alles wat ik neerpen. Als enige kent hij echt al mijn woorden, zelfs de geschrapte. Te grof, te melig, te zielig, te vernederend, te gevaarlijk, te eigenwijs. Ze vormen een wirwar van versmachtende neerslachtigheid, ongeziene hoogmoed en perverse fantasie. “Zoon, ge zijt weer aan ’t janken”, hoor ik zijn echo zeggen. “Maar papa toch, het Nederlands is dan ook een jankende taal.”

Ybe Terryn
16 0

Writer’s Block

Het is een koude winterdag… Waarom winter? Laten we anders zeggen dat het zomer is. Dat het zonnetje schijnt, de vogels fluiten en andere zon-gerelateerde activiteiten bezig zijn. Het is een warme zomerdag… Ziet u wel, het klinkt al beter, daar wordt de mens direct opgewekter van. Laten we die warm nog vervangen, want wat zegt dat eigenlijk ‘warm’. Wat is een mens nu met een onduidelijke temperatuuraanduiding. Warm; dat kan 27 graden zijn of 39 en er is toch een merkbaar verschil tussen de twee. Bij 27 gaat men een wandelingetje maken, komt wat bekenden tegen, nodigt ze uit voor een frisse pint terwijl de buurman worstjes staat te grillen. Bij 39 kan een mens de slaap niet vatten omdat die dreigt te verdrinken in zijn eigen zweet, bedekt hij puffend de ramen van zijn huis en verhuist met zijn ballen over de grond slepend hopeloos van zitplaats naar zitplaats op zoek naar het plekje, waar het net dat tikkeltje kouder lijkt te zijn. Het is een zwoele zomerdag. Zwoel, mensen krijgen goesting in onveilige strandseks, jongeren willen de alcohol in hun bloed voelen en de decibels in hun oren. Geschiedenis is geschreven tijdens zo’n zwoele zomerdag; Jimi Hendrix speelde met zijn tanden op Woodstock, Neil Armstrong zette een kleine en grote stap tegelijkertijd(!) en Hitler zond zijn troepen richting Polen. Er gebeurt voor elk wat wils op een zwoele zomerdag. ’t Is zelf een alliteratie. Zwoele Zomerdag. Maar het is zo’n standaarduitdrukking. Het brengt ons nergens. Plaatsbepalingen bepalen, tijdsaanduidingen aanduiden, bijvoeglijke naamwoorden bijvoegen, het doet er eigenlijk niet toe. Is de wereld dan niet even grijs of zonnig als de waarnemer dat zelf wil? Op een moment in de tijd… Het nieuwe doel, zonder verplichte leesomleiding, letterfile of woordenbotsing rechtstreeks naar de eindbestemming. Maar wat zou dat dan mogen zijn, het einde, het punt waartoe men komen wil? Een ultieme waarheid, dat heeft het postmodernisme al lang gelyncht. Houdt het leespubliek dus vooral niet bezig met waarheden rond hun strot te hangen. Op een moment in de tijd zit een man. Lederen schoenen houden zijn berkrompen lichaam recht. Hij kijkt op zijn horloge, de grote wijzer bevindt zich precies tussen de elf en de twaalf. Hij kijkt op en ziet een trein aankomen. Het piepende geluid van de remmen ontwaakt hem uit zijn loomheid. De deuren gaan open, zoals enkel treindeuren opengaan, met een ongelooflijke blijk van triestigheid. Hij staat even stil bij zijn vrouw die denkt dat hij momenteel doelloos contracten uittypt, alsof hij nooit zijn ontslag had ontvangen. Hoelang duurt het voor ze opmerkt dat al zijn kleren niet meer in de kast hangen. Hij klemt de bruine reistas nu steviger vast. De conducteur ziet hem staan en maakt een handgebaar. Het is nu de laatste kans om op te stappen. Hij voelt zijn voeten in drijfzand wegzakken… Schrijven we dan over een depressieve man? Dat is te saai en daarbij mannen zijn zo passé. Men heeft genoeg verhalen over mannen, over hun misdaden, hun kortzichtigheid, het achter hun lul aanhollen. De blanke hetero man is de ultieme vijand van de 21ste eeuw, dus het beschrijven van zo’n schepsel door gevoelens eraan toe te kennen, dat werkt alleen maar contraproductief. Men schrijft beter over de vrouw, het goddelijk wezen dat zelfs na meer dan tweeduizend jaar oppressie nog altijd straalt, als de zon die zou kunnen aanwezig zijn op een moment in de tijd. Maar het is te moeilijk om een vrouw te beschrijven, niet-vrouw zijnde. Hoe schrijft men tegenwoordig dan over een man? Voeg er wat transvetten bij. Een beetje boter voor de anders zo saaie boterham. Op een moment in de tijd zit een persoon, hij/zij kijkt in de spiegel naar zijn eigen lichaam, een fabrieksfout, maar geen klachtendienst waarnaar gebeld kan worden, geen garantie, geen proefperiode. Je lichaam, een ultieme aankoop waar je niks in te kiezen hebt. Geen tweede aan de halve prijs. Het enige bruikbare model. ‘Wat haat ik de mijne.’, zegt hij/zij nu onbewust luidop. Nee, doe het niet. Dit is fraude. Het is te pretentieus. Misschien toch liever iet wat persoonlijker, maar dat kan eigenlijk al helemaal niet wanneer men schrijft om aan de verwachtingen van een publiek te voldoen. Woorden verliezen hun betekenis in ruil voor een doel. Houdt alstublieft ook rekening met de schrijfregels. Wil je eruit gekozen worden, zorg dan voor iets gestructureerd. Geen schrijver kan in de roos schieten zonder spanningsboog. Classicisme zoals Mozart, of iets meer buiten de lijntjes á la Beethoven, maar blijf toch ver weg van het Impressionisme. Het is een koude zomerdag of een warme winterdag en een niet nader gespecifieerd specimen van de menselijke soort kijkt naar de wereld en ziet dat het naar de kloten is. ‘Het’ wil schrijven, een boodschap verkondigen, de wereld veroveren. ‘Het’ denkt, over alles wat ‘het’ schrijven kan. Wat jeugdtrauma’s, mislukt liefdesleven, een dode vader. ‘Het’ beseft dat ‘het’ dan maar beter iets fictief verzint. Bij gebrek aan inspiratie trekt ’het’ er dan maar op uit en houdt halt bij de eerste degelijk ogende tearoom. ‘Het’ bestelt een bier, het is goed uitgeschonken, het witte schuim kromt zich aan de rand van het glas. ‘Het’ hoort hier niet thuis en al helemaal niet op dit moment. De fietsclub voor bejaarden laadt hun elektrische tweewielers op, terwijl ze klagen over hun ruggenwervel dat verdraaid zit of over hun buikzak die alweer vol pis zit. Het kijkt dan maar naar buiten. Een groep twintigers verplaatst zich over de straat, ze springen van de ene kant naar de andere, zoals ze dat ook doen met hun onderwerpen. Daar hoort ‘het’ bij, of beter, daar wil ‘het’ bij horen. Wat droomt ‘het’ ervan om wat simpeler te zijn, tevreden te zijn met de simpele doelen des levens. Een schoon meiske, een glaasje meer kunnen drinken dan die rechts van u, een baantje met genoeg cijfers om te vergeten dat men het eigenlijk haat. Maar nee, ‘het’ wil meer. ‘Het’ kan niet genieten van de zonsondergang, want ‘het’ wil het beschrijven, het vatten. ‘Het’ tuurt rond, een ander specimen van de menselijke soort passeert in het gezichtsveld. Wat een exemplaar van de homo sapiens! Het is van dat kaliber, waar dit bierdrinkend exemplaar de evolutie wel mee wil bevorderen… Men schrijft dan zonder al te veel nadenken en kijk wat er dan uitkomt: Middelmatigheid. Is het wonder dan uit de wereld. Wat moet een mens aanvangen met een tekst als deze? Waar is de fantasie naartoe? Een fictieve wereld creëren waar lezers uren kunnen in verdwalen, dat is pas schrijven! Dwergen die achter een ring aanhollen, tovenaars op school en pratende beesten, dat is pas imaginatief. Het leidt de mensheid eigenlijk ook nergens, ’t verkoopt tenminste. …‘Het’ volgt het wezen, volgt de cadans van de benen die frivool een drie vierde maat slaan. Dat soort dat de mens al eeuwen op de benen krijgt. Als ‘het’ nu wat gewoner was, dan had ‘het’ kunnen opstaan, en de hand vragen voor deze wals. Maar ‘het’ is dat soort mens dat uit alles meer wil halen waardoor het achterblijft met minder. Toch staat ‘het’ op en laat het kerkhof voor bijna-lijken achter. Keert terug naar de jongere wereld, waar men nog bezig is met het leven te zoeken in de plaats van het te verliezen. ‘Het’ loopt achter die ritmische benen. Wanneer ‘het’ ze ziet verdwijnen aan de hoek van de straat, versnelt ‘het’. Leefde men nu in het caleidoscopisch liefdesparadijs van ‘Love Actually’ of zijn Vlaams gehandicapt broertje ‘Zot Van A’ dan zou deze actie niet als stalken bestempeld worden. ‘Het’ volgt dat sierlijke wezen, tot aan het eindje van een landweggetje. In het begin van die weg had een bord gestaan, een rode driehoek met een zwart uitroepteken erin en de woorden ‘weg in slechte staat’ eronder. ‘Het’ had even moeten grinniken, want de weg ligt effectief in een slechte staat, de staat der Belgen. Ondertussen bereikt ‘het’ de natuurlijke habitat van het prooidier. In de verte kan ‘het’ zien hoe het wezen de deur met een sierlijke zwaai toewerpt. Oh, wat is het een interessant diertje. Het lijkt zich van niets aan te trekken. Ontwaakt in het nest. Haalt wat voedsel voor de avond. Kruipt terug in het nest. Alleszins geen kuddedier. Iets wat maar een keer per jaar de instinctief verplichte paringsdans uitvoert… Komaan zeg, nu is het een gluurder geworden. Wat is het volgende? Hemzelf aftrekken bij het zien van haar naakte lichaam in de douche. Zo creëert men geen sympathie voor je hoofdpersonage, maar kijk het is nog niet te laat. Maak hem gewoon een beetje raar, niet sociopathisch. Raar dat vinden meisjes nog wel schattig, zo’n Robert Pattinson die u bekijkt in uw slaap, maar liefst geen Alex DeLarge die u probeert te verkrachten op de negende symfonie. …‘Het’ keert terug naar huis, zeg maar krot. Het is in zo’n slechte staat dat de kotjesmelker het zelf niet meer zou kunnen verkopen aan een armoedige student. Het is bestemd voor mensen zoals ‘het’. Een gediplomeerde die traag begint te beseffen dat zijn beste jaren achter hem liggen. Het is cliché, mensen zeggen het de hele dag door. Beste jaren daar, schoonste tijd hier. Wat ze er echter nooit bij vertellen is het knagend besef dat men er eigenlijk niks heeft uitgehaald, uit die zogenaamde beste jaren. Hoewel nagenoeg alle wilde feesteverzwijnen uiteindelijk toch getemd worden door een stel tieten dat met de toegang tot haar gleuf het dagelijks alcohol gebruik terugschroeft naar maandelijks of zelfs heimelijks, is ‘het’ toch wat jaloers. ‘Zij hebben ten minste iets om op terug te kijken’ , denkt ‘het’. Een parabel dat ze blijven herhalen, dat ze aan hunzelf voordragen wanneer de toegang tot de gleuf weer eens werd ontzegd. ‘Het’ heeft niks te vertellen. Was het niet dat ‘het’ op de gelijkvloers woonde ‘het’ had al uit het raam gesprongen. ‘Het’ dacht terug aan het jonge stel benen. Het poepje dat zich erboven bevond. ‘Het’ haat zichzelf, vooral de sociale angst die ‘het’ in de keel voelt hangen, iedere keer ‘het’ een interessant specimen ontdekt. ‘Het’ trekt er maar op uit. Vindt zichzelf een nieuwe drinkplaats, iets wat eerder als club dan als café kan omschreven worden. Met wat jongere mensen, al zijn het niet de populairste. Twee open en te blote lesbiennes drinken uit hetzelfde cocktailglas. Drie stoners staren tussen hun rasta’s de leegte in en vier nerds spelen een diplomatisch partijtje snooker. Groepen mensen die door de rest als te ver afwijkend van de norm beschouwd worden. ‘Het’ zit aan de toog, waar de mensen nog verder van de norm strandden. ‘Het’ telt het aantal lege glazen tot de serveuse ervoor wandelt. Een serveuse die ‘het’ pas na drie glazen whisky als iet wat aantrekkelijk zou bestempelen. ‘Het’ telt zolang de blaas het volhoudt. Na de opgave ervan, wanneer ‘het’ met de riem nog los en het toilet achter zich binnenwandelt, ziet ‘het’ dat stel benen opnieuw. ‘Het’ kijkt langzaam omhoog. ‘Het’ ziet: ogen, een neus en twee lippen. Meer zelf, ‘hij’ ziet haar bruinige ogen, haar schattige neus en haar volle lippen. ‘Hij’ voelt iets gloeien, wil roepen. ‘Hij’ weet het is nu of nooit… Godverdomme, ik maak toch ook nooit iets af.

Ybe Terryn
4 0

Luxuria (Shortlist ThisIsHowWeRead 2021)

Stelt u eens voor, ge hebt net uw examens gedaan en tot uw groot verschot hebt ge geen enkele buis. Ge snapt er eigenlijk niet echt iets van, maar kijk ‘t wonder is geschied. ‘t Is zelfs zo’n mirakel dat ge u begint af te vragen of ge toch niet zou beginnen geloven in God, maar dan ziet ge al uw zonden voor uw ogen verschijnen en beseft ge dat ge al van de Stairway to Heaven gedonderd zijt en gewoon wat zit te cruisen op de Highway to Hell. Voor ge het van uw eigen doorhebt zijt ge uzelf aan het bekijken in de schaduw van de zeven hoofdzonden en ge hebt ze allemaal, buiten degene die ge wel zou willen: Luxuria. Wat ge niet zou geven om een keer te mogen proeven van de verboden vrucht. Ge vraagt u af hoe het zelf zover gekomen is. Ge hebt u altijd wel wat kunnen afleiden met extravagante fuiven en andere conformerende oppervlakkigheden die zo rijkelijk vloeien in dit farmacopornografische tijdperk. Tot ook dat in elkaar zakte en de leegte dat het leven is overbleef. Ge zijt een zondig mens en in die leegte vergrijpt ge u dus maar aan de wondere wereld van online pornografie en terwijl ge naar een of ander quasi-incestueus filmpje aan het staren zijt, kijkt ge naar uw lid, maar ge zit daar nog steeds met een bloedtekort. ’t Is dan dat het besef binnen sijpelt. Ge mist iemand.Ge mist een contact om mee te knuffelen, ge mist een tong om van te proeven, ge mist een relatie waar ge uw tanden in kunt zetten. Ge mist een sensatie die ge nog nooit gevoeld hebt, ge mist een liefde zoals ge die enkel nog maar zijt tegengekomen op het witte doek, ge mist een overheersende drang om iemand te bespringen, maar ge zou godverdomme niet weten wie. Plotseling hoort ge terloops iemand tegen u zeggen: “Waarom gaat ge niet een keer op Tinder?” Hoewel ge een vermoeden hebt dat zoiets niet voor u is weggelegd, weet ge niet wat anders aan te vangen. Ge start dan maar een zoektocht naar een paar kiekjes die volgens u het vrouwelijk geslacht wel bekoren kan, al lijkt die zoektocht meer op een schattenjacht naar imaginair goud. Ergens vind ge toch een paar pics die er wel door kunnen, nu nog een halfgebakken bio en hup ge zijt onderweg. Voor ge het weet zijt ge zelf ook al een fervente swiper. En plotseling zorgt de man van hierboven voor een nieuw mirakel: ge hebt een match, maar na drie berichten hebt ge het al volledig gehad. En uw interesses, samen met uw 100 dagelijkse swipes, zijn op. ’t Is dan op de derde dag, dat ge er een eind aan maakt en terwijl de app aan het verwijderen is, kijkt ge door uw raam, naar de wereld waar iedereen op non-actief is gezet. Ge krijgt een sprankeltje hoop, want ge weet dat er ergens in deze afgeplatte, non-actieve wereld een profiel voor jou rondloopt. Maar God: “Verdomme, ik weet niet hoe ik ze moet tegenkomen.”

Ybe Terryn
10 1

De Wedstrijd

Uw ogen gaan traag open. Uw maag is nog aan ’t draaien en uw rug voelt aan alsof ze al uw wervels eruit hebben gehaald en verkeerd terug ingestoken. Het is de ochtend na uw doop. Want ja, ge zijt nu eenmaal student en als student is het uw plicht om foute keuzes te maken. Ge stamelt de trap af, voetje voor voetje, zoals ge dat als kind ooit geleerd hebt. Ge gebruikt uw bilspieren als sluis voor uw endeldarm, want ge moet ongelooflijk schijten en ge voelt al welke soort het zal worden. Als ge eenmaal op de gemeenschappelijk kotpot terechtgekomen zijt, komt er meer vocht uit uw achterste dan uit uw pisbuis, en ge weet dat dit tegen het oorspronkelijke ontwerp van de schepper in gaat. Het lucht toch op, al die vuiligheid uit uw lichaam persen, detoxen, om het met een 21ste eeuws neologisme te zeggen. Plotseling ziet ge uw zwaar-verdiend lintje nog rond u hangen. Een van de kringleden vertelde u dat de eerste nacht slapen met uw lintje geluk bracht en wie zijt gij om het lot uit te dagen. Geluk dat ge nodig zult hebben, want om twintig uur wordt ge in Leuven verwacht voor een literaire prijsuitreiking, die zo lang op zich liet wachten dat ge zelf niet hoeft te kampen met Alzheimer om uw eigen column vergeten te zijn. Met een darmkanaal waar de stroomsterkte al wat afgenomen is en een vriend aanwezig door een cocktail van sociale ondersteuning en amicale verplichtingen, waggelt ge met uw overbelaste rug de trein op. Aangekomen in Leuven, wat als lichtpuntje in dit donkerzwart universum één van ’s werelds mooiste steden is, wandelt ge voorbij de kookstudio van Jeroen Meus en komt aan in een pretentieuze boekhandel, die vijfentwintig percent meer vraagt omdat ze zichzelf niet ‘Standaard’ vinden. Na wat schaamteloze reclame voor een quasi-literaire scheurkalender en een ellenlang interview waarbij tot ongenoegen van de schrijfster en het dertigkoppig publiek het hele boek verklapt werd, gaan ze eindelijk over naar de uitreiking, de enigste reden waarom ge überhaupt aanwezig zijt. Eerst betekenisloze formaliteiten -Iedereen proficiat en blijf zeker schrijven- en dan komt het. Ge zou het nooit van uzelf toegeven, maar ge zijt gespannen. Ge krijgt wat klamme handen en die oncomfortabele stoel wordt zowaar ondraaglijk. En dan hoort ge uw naam en alles zakt ineen, als een mislukte pudding. Uw naam, Ybe (Y-B-E) valt als eerste. Hoewel ze de valse woorden van willekeurige volgorde hebben uitgesproken, zit ge daar toch maar gewoon te zitten en wanneer ze later het begin van de top drie aankondigen, voelt het alsof iemand die slappe pudding (gij dus) op de grond kegelt. Dan mag de winnaar zijn column voorlezen en er wordt op die uitgesmeerde pudding nog eens gestampt. Zo ver voor het lintjesgeluk dus. Ge beseft ’t dan, ge zijt weer bedrogen. Bedrogen door iets waar ge zelfs al meerdere malen door bedrogen zijt en waarschijnlijk ook nog veel aan zult mispakken. Ge laat nog een foto van uzelf nemen, waarop uw groene glimlach bijna voor te veel tegenlicht zorgt. Ook neemt ge nog een gratis glaasje cava mee, om toch het gevoel te creëren iets uit de avond gehaald te hebben, dan maakt ge u zo snel mogelijk uit de voeten. Uiteindelijk gaat hier maar om een derderangs blogsiteje dat zichzelf content stelt met de achterkamer van een boekenwinkel voor haar ‘grote’ literaire avond en wat simpele boeken uitdeelt als hoofdprijs. Even serieus: Wie leest er nu een biografie over fucking Beyoncé wanneer grootse schrijvers zoals Louis Paul Boon en Gabriel Garcia Marquez op u liggen te wachten? Dit hele voorval zegt waarschijnlijk meer over de huidige toestand van de schrijfwereld dan de blog zelf. Ge wandelt terug naar ‘t station en uwe maat doet zijn uiterste best om over alles behalve de wedstrijd te spreken, en ge doet gewoon mee. Simpele conversaties, over Jeroen Meus (opnieuw) en zijn restaurant Würst, over het feit dat kroketten uit de muur halen niet meer exclusief Hollands is en de afgezwakte kaartjescontrole op de trein. Ondanks maalt uw hoofd toch voort en later als ge aan uw moeder het spijtige nieuws meedeelt dringt het helemaal tot u door. Ge zijt opgelicht omdat ge terug geloof had, straffer nog dan geloof, ge had weer eens hoop. Na een iet wat te formeel dankwoord aan uwe maat, die tenslotte zijn avond voor u heeft opgeofferd, neemt ge de tram. Na tien uur rijden ze bij De Lijn niet meer tot aan uw kot en moest ge nog twintig minuten stappen. Plots kwam een snoeiharde regenvlaag uit de lucht vallen. Ge kan wel beginnen wenen, maar ge zou ’t niet eens voelen, want ge zijt toch al kletsnat. Ge komt terug uw kot binnen en een lieftallige kotgenoot heeft een koffiekoek voor u meegebracht. Het is middernacht, toch steekt ge die suisse maar al te graag in uw mond (omdat het kan). Ge laat uw rug weer even rusten op uw zachte bureaustoel. Ge zet uw laptop aan en opent Word. Ge kijkt naar uw lintje en ge voelt even plots als de regenbui geluk over u stromen. Het boeit u niet meer. Met uw vingers in de aanslag begint ge te schrijven in exact dezelfde stijl waarmee ge juist verloren zijt (omdat het kan). Al fluisterend stuur ik een quote van de grote Frank Zappa mijn lege kamer in: “My texts are dumb, so what?”

Ybe Terryn
5 0

One Night Stand (Het geestelijke vervolg op 'Kanker')

De bibber zit nog in mijn hand wanneer ik van het podium stap. Heftig, choquerend, eigenwijs, speciaal, dat zijn zo de verzamelde commentaren. Van mezelf vond ik nochtans dat ik me heb ingehouden en bijvoorbeeld een drie pagina’s lange beschrijving van een Peruviaanse orgie met cactussen en dwergen er last minute heb uitgeknipt. Ik neem plaats in de zaal. In mijn bibberende handen heb ik een blad vast waarop mijn verhaal stond. Poëtisch proza noemde ik het en het publiek had het maar te slikken. Ze vormden ten slotte verre van wat je zou noemen ‘de literaire elite’. Het stuk bevatte reminiscenties aan mijn dode vader, hopeloze toekomstdromen en waargebeurde seksuele escapades die ik met een flinke peperbus aan fictie bij kruidde. Het droeg de titel ‘Kanker’. Ik zinder nog wat na in de stoel en in de stoel naast mij zit een vrouw of een meisje -ik weet nooit hoe ik ze omschrijven moet, die eierstokdragende wezens van rond mijn leeftijd, het zijn vrouwen noch meisjes. Bon, er zit er dus zo’n half-vrouw half-meisje naast mij. Ze glimlacht. Die donkerbruine krullen, dat rond brilletje en die groen-gestreepte trui die ze wel dagelijks lijkt aan te doen; “Exact wat ik van u had kunnen verwachten”, zegt ze.  En ze kijkt mij aan gelijk het einde van mijn stuk niet over haar ging. Alsof ik zonet niet mijn liefde voor haar vergeleken heb met de kanker die mijn vader velde. “Ge had stress”, zegt ze. Ja natuurlijk had ik stress, denk ik dan. Als ik de ambitie koesterde om mijn teksten voor toeschouwers af te rammelen, was ik wel stand-upcomedian geworden. Ik ben een sit-downwriter en schrijf teksten omdat ze gelezen zouden worden en niet omdat ik ze zou kunnen voorlezen, die voor vanvoor is er teveel aan. Maar ja, ge kunt moeilijk een blad op podium leggen en zeggen: ‘kijkt er naar” Tot de verzamelde kritieken op mijn werk behoorde ook die van een vrouwelijk koppel, waarmee ik bedoel een koppel vrouwen en die zeiden dat mijn tekst homofobisch was. Welja en twee vrouwen zijnde, die samen in bed duiken en mij ooit eens vertelden dat scharen en mythe is, hebben zij nu net wel het recht om dat te vinden. Dat is zoals een ne-, ik bedoel anderskleurige mij zou vertellen dat ik een racist ben. Dan zou ik wel verplicht zijn om eens naar mezelf te kijken. En zo wil het dat ik naar mijzelf keek en zag dat ik dringend naar de kapper moest, mijn baard nog eens moest trimmen en mijn speknek toch wel wat aangedikt was en dat alles terwijl ik nadacht of ik al dan niet homofobisch was. Ik besloot van niet, meer nog, ik besloot dat mijn ideale relatie met een man zou zijn. Magisch, zou het zijn. Tv? Ja. Bier? Ja. Chips? Ja. Goesting? Altijd. En van de vrouw en haar grillige wispelturigheid zou niks in huis komen. We zouden lachen om epistels aan vunzig gepraat. We zouden tientallen nazi-zombies afknallen in een of ander goedkoop computerspel. We zouden scheten eruit persen tot er kak bij komt. We zouden zonder gene wenen en elkaar uitlachen omdat we zonder gene wenen en we zouden na vijf minuten huilen een klets tegen elkaars kop geven en zeggen: ‘stel u niet zo aan, blèter’ En we zouden het verdomme goed hebben. Maar ach, lot wil dat mijn simpel bestaan ineen zakt als ik nog maar de contouren van en goed stel borsten zie. Daarbovenop zou ik nooit, maar dan ook nooit iets in mijn anus willen proppen. Al was er wel eens een meid die dat heeft geprobeerd. Hijgend in haar nek was ik me bovenop haar aan het uitsloven toen ze vroeg: “Moet ik eens iets speciaals doen”. En in mijn geagiteerde toestand moet ik die woorden niet volledig hebben opgevat. Ik kuste haar hals, totaal niet gerelateerd aan de vraag die mij zojuist gesteld was geweest, gewoon omdat ik halskussen tijdens seksuele handelingen zo nu en dan wel eens doe, maar die meid moet die natte, drukkende lippen tegen haar lijf, opgevat hebben als een-of-ander jawoord. Een paar tellen later voelde ik een koude vingernagel bij mijn kringspier koteren. Totale paniek in mijn lichaam. Ik schrok zo hard dat ik ervan opveerde. In een haastige ontsnappingsbeweging plantte ik geheel per ongeluk mijn knie in haar aangezicht. Er weerklonk een krak, als het knappen van een krijtje. Het was haar neus. Het bloedde. Zij bloedde. Ze bloedde daar heel dat bed onder gelijk, nou ja, gelijk het haren eerste keer was. “Waar was dat voor nodig?”, vroeg ik haar terwijl ik met vellen keukenpapier de rode stroom uit haar neus probeerde tegen te houden. Ze negeerde mijn vraag. In absolute stilte zat ze daar. Het bloed vloeide. De keukenrol raakte op. Ik vroeg haar wat ik moest aanvangen. Toen sprak ze: “Twee verdiepen naar beneden, linksaf en de tweede deur aan de linkerkant” Ik knikte, gaf haar de twee laatst vellen, nam haar hand vast en drukte die tegen haar neus, ‘blijven drukken’, ze ik. Daarna deed ik mijn onderbroek aan en liep de gang van het kotgebouw in. Het was een smerig gebouw, groene schimmels aderden in de rechterhoek van het plafond. Voor Kamer 12 stond een emmer, waar er om de zoveel tijd een druppel in viel. Het getik was metronomisch, met een gepunteerde kwartnoot tussen elke klets. De instructies van het meisje waren duidelijk en ik vond het toilet zonder moeilijkheden terug. Ik drukte de lichtschakelaar in, maar het licht sprong niet onmiddellijk aan. Het flikkerde zoals een oude TLC-lamp, het was waarschijnlijk een oude TLC-lamp. Het is dat ik niets van lampen ken, er slechts tegenaan loop. Telkens het licht flikkerde bemerkte ik de algemene vunzigheid waarmee het toilet omgeven was. De gebruikte vellen op de grond en de ooit witte wc-borstel die bijna volledig bruin zag. Op de drukknop waren dertien vette vingers te tellen. In de pot zelf klitten harde brokken stront aan de rand. De lamp hield op met fikkeren en sprong eindelijk aan toen ik met twee rollen wc-papier in de gang stond. Mijn hand bevond zich alweer op de lichtschakelaar om het te doven. “Ik heb twee rollen meegenomen, wie weet wat je nog allemaal van plan bent”, zei ik terwijl ik de kamer binnenkwam. Het meisje lachte groen. De twee laatste vellen die ze nog steeds gehoorzaam tegen haar neus drukte waren donkerrood geworden. “Bon”, zei ik, “ongemakkelijk of niet, hier kom je toch niet uit zonder een woordje uitleg.” “Ik…, Ik, Ik weet het niet”, stamelde ze, “ik had ergens gelezen dat je zo je partner kon verassen in de slaapkamer, zo wat nieuw leven blazen in je seksleven” Ontmoet ik eens een meid die leest, leest ze zever. “We zijn toch helemaal geen partners”, lachte ik terwijl ik nog twee extra vellen wc-papier afscheurde. Ze ontweek in absolute stilte mijn blik. Ik wou vragen of alles wel goed was, want die neus bloedde wel heel veel, zelfs voor een neus. Dat is iets wat m’n grootmoeder vaak zei, dat een neus kan bloeden, en daarmee bedoelde ze meer dan andere lichaamsdelen. Als kind kon ik wel nog eens last hebben van een bloedneus, en dan dacht ik dat mijn hersens aan het afsterven waren, dat al mijn verstand er gelijk mee uitliep. En wat zou ik zijn zonder mijn verstand! Ik werd daar zo angstig van dat ik begon te schreien. Grootmoeder zei dan: “ach, dat is niks ventje een neus kan nu eenmaal bloeden. En daarbij”, ging ze verder,” Als ge zo bang zijt dat ge uw verstand verliest loop dan met uw hoofd naar achteren, dat verstand stroomt dan zo terug op zijn plaats.” En ik liep soms een kwartier naar het plafond starend, zodat ik geen druppel verstand zou verliezen. Maar zoals dat meisje haar neus bloedde, zo had ik nog nooit een neus weten bloeden en het was daarmee dat ik dus wou vragen of alles in orde was. En de zin was nog niet gevormd of de tranen sprongen in haar ogen. Het waar geen fysieke-pijn-tranen. Het waren emotioneel beladen tranen. Grote tranen, die hun volume te danken hadden aan het feit dat er zo lang tegen gevochten was. Ik heb het verschil altijd kunnen zien tussen de kleine, licht theatrale tranen, de geef-mij-eens-wat-aandacht tranen en de echte tranen die haast als een ontlading over de wangen rollen. Die laatste zijn een uitspatting van een emotie, de ontlading van een schaamte waar al te lang mee rondgelopen is. Ze greep me vast, legde haar hoofd op mijn borst en huilde. Snot mengde zich door het bloed en dit goedje nestelde zich tussen mijn borsthaar. Ik legde mijn armen rond haar en drukte ze wat steviger tegen me aan. “Auw, mijn neus”, gilde ze, waarop ik mijn greep loste. “Nee”, snikte ze, “neem me terug vast, gewoon… gewoon iets minder hard”. Dat deed ik. Ik streelde met mijn hand door haar blonde haren en wachtte tot het huilen in hevigheid afnam. “Zo erg was dat nu ook weer niet hoor, die vinger”, suste ik, hoewel ik het sterk betwijfelde dat de tranen om die reden haar ogen ontsprongen. Echter gaf ik haar met die opmerking de mogelijkheid om het wel daaraan te wijten. Dat fatsoen moest ik hebben, we kenden elkaar ten slotte slechts enkele uren, dan hoeft men ook niet te verlangen dat iemand daar zijn diepste geheimen opbiecht. Ze wrikte zich los uit mijn greep. De grootste tranen waren gepasseerd, haar ademhaling stabiliseerde en op het moment dat ze in mijn ogen keek wist ik dat ze het niet daaraan zou wijten, dat ze haar geheim aan mij zou openbaren, aan dat gastje dat ze een paar uur geleden leerde kennen. “Mijn vriend heeft het uitgemaakt”, proestte ze, “omdat ik saai was in bed”. En op het moment dat ze het woord saai uitsprak, barste haar gezicht weer en huilde ze verder. Ik nam ze terug in de armen. “Saaie seks?”, zei ik, “dat is een oxymoron” en tussen de tranen door voelde ik ze tegen mijn borstkas lachen. Wat me blij maakte. Ze kende het woord ‘oxymoron’, iets wat niet iedereen gegeven is. Per slot van rekening heb ik een zwak voor slimme vrouwen. “Maar eigenlijk”, bedacht ik luidop, “zit daar wel nog iets in.” “Hoezo?” vroeg ze “Wel, mag ik allereerst een gokje placeren?”, vroeg ik haar. Ze knikte. “Toen je me daarnet pijpte was je meer bezig met hoe goed jij bezig was, dan met hoe goed ik me voelde.” En met die zin haalde ik eensklaps alle emotionaliteit uit haar. Ze wrikte zich los uit mijn omhelzing en wreef haar ogen met de achterkant van haar handen droog, vol ongeloof. Ze nam een analytische houding aan. “Ik zie het verschil niet”, fronste ze. “Dat komt toch op hetzelfde neer, als ik goed bezig ben”, bedacht ze, “dan voel jij je goed en vice versa.” Ze kende de woorden vice versa ook, al is dat al iets meer mensen gegeven. “Wel”, zeg ik, “in uitkomst zijn ze gelijk, maar als vertrekpunt zijn ze anders. Seks is geen performance, of het zou geen performance mogen zijn. Het zou enkel kunnen gaan om het plezier van de ander.” “Ik ben mee”, zegt ze, “maar dat verklaart nog altijd niet waarom seks nooit saai zou kunnen zijn.” “Ja”, zei ik, “het is dan ook geen letterlijke uitspraak, uiteraard kan de act van het vaginaal penetreren héél saai zijn, maar als je seks definieert als het plezier verschaffen aan de ander, dan kan het nooit slecht zijn, want als de ander geen plezier heeft, is het geen seks.” “Als je het allemaal zo bekijkt, ja dan zit daar wel iets in, ja. Maar als jij met die filosofie rondloopt, had jij dan niet de beste beffer moeten zijn die ik al ben tegengekomen.” “Was ik dat dan niet?”, lachte ik. Ze glimlachte sluw, maar schudde toch van niet. “Ach ja”, zei ik, “de grootste geluksfilosofen waren depressief, theoretische geniën, maar praktische brakkers.” “Nou, nou, nou” verzekerde ze me knipogend, “zo brak was het nu ook weer niet” “Ik ben dan ook maar een halve filosoof”, zei ik. Ik nam nog een paar vellen wc-papier. Deze rolde ik op in kleine propjes en duwde ze in haar neus. Het zware bloeden was gepasseerd, de propjes zouden het even moeten houden. Ze bood mij een washandje aan, ik aanvaardde die en maakte mijn borst aan de wastafel bloed- en snotvrij. “Was ik de eerste?”, vroeg ik terwijl ik me met een handdoek droogwreef. “De eerste wat?” “Da eerste na je vriend.” “Ja”, knikte ze. Het werd stil, we wisten allebei niet wat we met die informatie moesten aanvangen, eigenlijk wist ik ook niet waarom ik ernaar vroeg. Ik keek haar aan. Zij mij niet. Zij keek naar de grond alsof ze in die vieze houten planken haar hele leven zag voorbijgaan. “Weet je wat ik raar vindt?”, zei ze na een tijdje, geheel zonder haar hoofd van de grond te richten. “Ik heb het gevoel dat ik niet eens echt van hem hield.” “Misschien was dat wel de echte reden waarom het niet marcheerde”, zei ik. Ze zuchtte verslagen, zocht even in haar gedachten naar een passend weerwoord, maar gaf op. Toen richtte ze haar hoofd van die houten planken, recht naar mij. ”En jij”, vroeg ze, “Heb jij al ooit van iemand gehouden?” “Ik weet het niet”, antwoorde ik. “je weet het niet?”, zei ze. “Ik weet het niet als in ik praat er liever niet over” “Ja, dus” “Ik zeg dat ik het niet weet”, zei ik opnieuw. Korter en luider. “Het is al goed”, zei ze, het zijn mijn zaken niet” Opnieuw werd het stil in de kamer. Ditmaal zo stil dat ik de druppels in de emmer voor deur twaalf kon horen vallen. Het meisje kroop in bed. Ik volgde haar voorbeeld. Beide staarden we even naar het plafond. Ik bemerkte geen schimmels, niet in haar kamer, dat maakte me blij. Ze draaide zich om, legde haar hand op mijn droge borst en zei: “Je bent een goede jongen” In mijn gedachten vormde zich een collage van alle vrouwelijke gezichten die dat al tegen mij gezegd hadden. De momenten waarop ze het zeiden, de achtergrondkleuren, hun intonatie, de toonaard, hun gezichtsuitdrukking, de glans in hun ogen, de exacte woorden. Als korte videofragmenten naast elkaar. In het midden speelde het filmpje van de laatste vrouw, ofja de voorlaatste, de vrouw voor het meisje dat toen mijn borst lag te strelen. Die met haar donkerbruine krullen, dat rond brilletje en die groen-gestreepte trui die ze wel dagelijks lijkt aan te doen. En bij haar had ik mezelf voorgenomen om de volgende vrouw die dat ooit tegen mij durfde te zeggen een klap voor haar kop te geven. Maar ja, dat zou dan dat meisje naast mij zijn en dat meisje had al een bloedneus. Daarbij zou zij mijn slag totaal niet verdienen, want ze vormt ten slotte de uitzondering, het unicum, het enige fragment waarbij het verhaal niet klopt. De enige vrouw die de woorden ‘je bent een goede jongen’ tegen me uitsprak en mij ook neukte. Nee, de vrouwen die me daadwerkelijk geneukt hebben, vinden me meestal een klootzak, omdat ik hun berichten negeer, telefoontjes laat rinkelen, ze niet begroet, vergeet dat ze bestaan en omdat ik ze de avond zelf achterliet alvorens het zonlicht vanonder de gordijnen straalde. Ik kan er niks aan doen, dat komt door de woorden van mijn vader. Op een dag, met de terminale kanker wijdverspreid in zijn slijmende bek, zei hij tegen mij: “Ybe, luister eens, een schone vrouw, daar wil je niet mee slapen, daar wil je naast wakker worden.” En ik begreep toen eigenlijk niet waarover hij het had, mede omdat ik op dat moment slechts elf jaar was en nog veel moest leren over de bloemetjes en de bijtjes. Zes en driekwart jaar later ging ik met bloedheet mokkel naar bed, werd ik ernaast wakker, herinnerde ik mijn vaders woorden en besefte ik dat het geen schone vrouw was, ondanks haar schattig snoetje, stijl bruine haren en egale zuiderse huid, dat blonk in het door ochtendlight onthulde nachtzweet. En ja, sindsdien probeer ik bij de wijsheid van mijn vader te leven en enkel met echt schone vrouwen naar bed te gaan, maar zoals Jezus, prijs zijn naam, al doorhad, is de mens een zondig wezen. En zondige wezens hebben achterpoortjes nodig in hun eigen principes. Mijn achterpoortje is dat ik me probeer uit de voeten te maken voor de wekker afloopt, zodat ik niet met een niet-schone vrouw hoef wakker te worden. “Klootzak”, zei één van diegene waarbij dat me gelukt was. Deze was een blondine, met zachte krullen ter hoogte van haar schouders en een paar joekels van tieten waar ik me die bewuste nacht toch even heb mee kunnen bezig houden. Ze gaf me een klap in mijn gezicht waardoor ik een volle beker bier op de grond liet vallen. Kijkend naar mijn verloren pint, herinnerde ik mij hoe ik haar de avond zelf niet eens had hoeven trakteren, en was geamuseerd bij de gedachte dat ze me op deze manier toch nog twee euro en een half kostte. “Wij hebben seks gehad”, riep ze. En wat kan een man daar op zeggen. Het is niet dat ik de herinnering nodig had. Ik wist het nog. Het is gewoon dat het me geen drie rosse frank waard was. Ik bleef kalm, stoïcijns kalm. Ik keek door haar, alsof ze niet bestond. De spanning groeide op haar gezicht. “Wil je mijn lief zijn”, grijnsde ik. “Nee”, zei ze, “natuurlijk niet” “Wat wil je dan precies van me”, hield ik betweterig mijn schouders op. En de blondine keek mij aan alsof ik haar zojuist gevraagd had wat de voormalige naam van de hoofdstad van Vietnam was. Het is dat je vrouwen nooit mag vragen wat ze willen of ze horen het donderen in Keulen, Maastricht en Duinkerke tegelijkertijd. Och, wat kan ik het toch helemaal gehad hebben met de verwachtingen van mijn scharrels. Alsof ik hen iets verschuldigd ben, omdat ze me een avondje plezierden. Alsof ze die bewuste avond met een diep uitgesneden decolleté rondliepen om de contouren van haar persoonlijkheid in de verf te zetten, alsof ze uit mijn dronkemans-avances kon afleidden dat ik een stabiele toekomst voor haar zou kunnen bouwen, dat ik een goede vader zou zijn voor haar kinderen. Alsof dat de reden was waarom ze na twee uur al op haar knieën zat. Het is ten slotte niet mijn probleem dat ze bevestiging zoekt in de eerste-de-beste gladde paling die ze tegenkomt. Maar ieder mens verdient het wel, bevestiging. En liefde, dat verdient ieder levend wezen. En zelfliefde, dat wens ik iedereen toe. Ook die blondine, waarvan haar handpalm nog steeds in mijn gezicht stond. En ik vertelde haar dus niet de waarheid. Dat ik die avond op zoek was, dat mijn vrienden in de vooravond vroegen hoelang ik al droog stond, dat ik moest antwoorden met meer dan drie maanden, dat ik dat lang genoeg vond, lang genoeg om mijn principes nog eens aan de kant te schuiven, dat ik meer dan nodig gedronken had, dat ze naar mijn dwaze praatjes luisterde, dat ze mijn mopjes wist te appreciëren dat ik niet te veel moeite hoefde te doen, dat ze wel nog iets had, dat ik de liefde maar niet te pakken krijg, dat ze een afleiding vormde, dat ik van een ander houd, dat ik haar probeerde te vergeten, dat ik goesting had, dat mijn testosteron hoog stond, dat mijn ego het simpelweg nodig had. Zo eerlijk was ik dus niet, ik bleef beleefd en vertelde haar dat het maar voor één nacht was en dat het me speet als dat niet duidelijk was. Om af te sluiten wenste ik haar iemand beters toe, waarmee ik bedoelde iemand die haar lichaam zou penetreren omwille van haar vast wel schattig karakter en intelligente inzichten en haar zou knuffelen omdat hij haar wil knuffelen en niet omdat het omhelzen als een sociale verplichting aanvoelt na seksuele betrekkingen. Kortom iemand die haar werkelijk liefheeft, iets wat we, zoals eerde gezegd, allemaal wel verdienen. Ik lag daar dus op dat bed, naast het meisje met twee lichtrode propjes in haar neus. Ik staarde naar de opgedroogde bloedvlekken op het laken. Het was een wit laken. Hier en daar stonden er grijze vierkanten op, een uiterst modern patroon. Het was een laken zonder persoonlijkheid. Het zei niets over de persoon die er zicj er dagelijks in nestelt. Als ik problemen heb met de moderne designs en architectuur is het wel dat niks nog karakter lijkt te hebben, dat er niet meer vanuit zichzelf wordt gecreëerd, maar dat er van op een afstand wordt geobserveerd. Ik bestudeerde haar gezicht. Ze moest nog wennen aan dat papier in haar neus. Telkens ze inademde probeerde ze dat eerst nog via haar neus te doen. Haar neusvleugels zetten kracht en de propjes werden aangezogen, tot haar lichaam besefte dat de weg gebarricadeerd was, en haar mond het overnam. Ze leek er zelf niet van bewust. “Ik heb een vraag”, zei ik. Ze hief haar hoofd van mijn borst en keek me aan. Ze bevestigde zo dat mijn vraag gesteld mocht worden. “Mag ik over jou schrijven?”, vroeg ik. “Natuurlijk”, zei ze, “op een voorwaarde, als je dat doet van mijn beste kant.” “Welke mag dat zijn?” “Mijn linker”, zei ze en ze liet mij die kant zien. Inderdaad het was wel een mooie kant, egaal met een schoonheidsvlek die het middelpunt vormde van een pythagorische driehoek tussen haar mondhoek, oorlel en neusvleugel. “Het zou wel kunnen”, zei ik, “dat je mooiste kant wat aangetast is door je zonet verminkte neus.” “Ach”, zei ze, “neem me dan maar gewoon langs de achterkant” Zo het geschiedde. En na tien minuten en zesentwintig seconden kwam ik klaar, gelukkig, ik vreesde namelijk even dat het niet ging gebeuren. Ik heb mij eens laten vertellen dat niet klaarkomen, veel erger is dan onmiddellijk klaarkomen, iets met het zelfvertrouwen. Zij kwam ook klaar of ze deed tenminste alsof, wat ik evenzeer apprecieerde. Ze zag er hoe dan ook tevreden uit. “Kun je me wat van dat wc-papier geven”, pufte ze, “ik hou het graag proper” Ik gaf haar wat van dat papier en ze wreef ermee tussen haar benen. Ik scheurde twee extra vellen af en propte ze op. “Uw neus is weer beginnen bloeden”, zei ik. “Van al uw heftigheid”, zei ze. “Was ik zo heftig dan?”, vroeg ik. “Heftig genoeg voor iemand met een gebroken neus” Ik had de propjes ververst en ik legde mijn hoofd in de welving van haar schouder en kuste haar hals, “ik kan ook heel zacht zijn, hoor”, fluisterde ik. “En ik kan ook heel heftig zijn”, zei ze terwijl ze zich voorbereidde op een heuse worstelbeweging. De schouder waarop mijn kin rustte ritste weg. Ze sloeg haar linkervoet over mijn lichaam. Zo kwam ze recht voor me zitten, op mijn buik, een positie die we nog niet hadden ingenomen. Ze greep mijn hals vast, alsof ze me stikken wou. Het was een zachte hand, zo zacht als handen konden zijn. Lachend stribbelde ik tegen, met een derde van mijn kracht. En best, had ik mijn volle kracht gebruikt, kon ik haar de kamer door gezwierd hebben, tenger ding dat het was. Het mager lijfje troonde zich als een standbeeld voor me uit. Haar ribben, waar een flinterdun laagje vel overplakte, gingen haastig op en neer. Vanuit dit perspectief was de onderkant van haar neus en de stukjes papier erin heel zichtbaar. In haar rechterhand hield ze een ander stuk papier vast, het papier waar ze daarnet om vroeg, het papier van tussen haar benen. “Ruik!”, riep ze en kneep met dat papier mijn neus dicht. “Hoe wil je dat ik ruik als je mijn neus helemaal dichtknijpt”, vroeg ik met een nasale stem. Waarop ze haar handgreep iet wat loste. Ik rook. Een lange, krachtig sleur van lucht aangezogen door mijn neus. Er was verbazend weinig aroma, de meest overheersende geur was gewoon papier. “Flinke jongen”, zei ze. We kusten. Het wc-papier bevond nog half tussen onze lippen. Het overviel me dat het met alle mogelijke lichaamsstoffen in contact was gekomen, behalve diegene waarvoor het ontworpen was, stront en urine. “Zozo”, giechelde ze, “je was wel snel om dat papiertje te ruiken, niet eens veel protest.” “Ik vind daar niks ergs aan”, zei ik, “welke schade zou het aan mijn neus kunnen berokken, ik heb het daar tenslotte eerst persoonlijk schoongelikt” Ze keek peinzend in het rond. “Vind je het niet raar” zei ze, “hoe sommige mensen kunnen vrijen, maar toch een degout hebben van elkaar in iedere ander context, mijn vriend bijvoorbeeld, die man durfde mijn tandenborstel niet aan te raken, zelf niet met zijn handen en als we op restaurant gingen, weigerde hij ook maar één hap van mijn bord te nemen, zo’n dingen vond hij vies.” “Toch een speciale eend, die vriend van u” “Ex-vriend”, zei ze, alsof ze vooral zichzelf daaraan probeerde te herinneren “en jouw ex, had zij ook rare fratsten?” “Ik heb geen ex”, zei ik. “Op die manier”, zuchtte ze. Terwijl ze in mijn ogen keek had ik het gevoel dat ze me volledig zag, zoals enkel mijn moeder me ‘ziet’. “Laat het”, fluisterde ik en kuste haar voorhoofd. “Goed”, zei ze, “ander onderwerp dan. Schrijver, dat zei je toch” “Ik zei niet dat ik een schrijver was, ik heb enkel gevraagd of ik over je mocht schrijven” “Ja zei ze, en wat is de kans dat ik ooit een boek van gerenommeerd auteur Ybe…” “Terryn”, vulde ik haar aan. Dit was een ideaal moment om ook haar achternaam te vragen. Dat deed ik niet. “Ja dus”, herpakte ze zich, “de kans dat ik ooit een boek opensla van gerenommeerd Vlaams auteur Ybe Terryn en wat over mezelf lees, hoe groot is die?” “Klein”, zei ik. “Echt?”, vroeg ze, “geen grote ambities?” “Ambities, dat wel”, zei ik, “de kans dat jij in mijn boeken verschijnt schat ik gewoon niet zo hoog.” “Bedankt voor het compliment”, knorde ze. Ik voelde een nieuwe stilte aankomen en ondervond daarbij de nood om hem pratend in te vullen. “Ik zou het heel graag willen”, reflecteerde ik, “schrijver worden, maar tot nu toe heb ik slechts één column gepubliceerd en ben ik één keer in de finale geraakt van een kleinschalige wedstrijd, bij de laatste acht. Laat ons eerlijk zijn, dat is simpelweg niet genoeg om te bloeien in het dorre landschap dat de hedendaagse literatuur is. Er is wel een scenarist en toneelschrijver, die in z’n eigen woorden zei dat ik een gouden pen heb, maar ach, die man is een soort van familie dus dan telt dat niet. Toch is de kans dat ik daadwerkelijk auteur wordt, gerenommeerd of niet, dat valt dan nog wel te zien, reëel. De kans is reëel omdat ik er sinds mijn eerste schrijfsels van droom, en ik geef niet gemakkelijk op. Ik haat opgeven.” In mijn hoofd vormde zich opnieuw een collage aan videofragmenten, het waren ditmaal geen talloze vrouwen met eenzelfde boodschap. Slechts één vrouw speelde de hoofdrol in ieder fragment. De filmpjes varieerden, van blikken, opvattingen, oogwendingen, aanrakingen tot ellenlange conversaties. Ze waren allemaal anders, maar zij was in elk filmpje gelijk. Haar donkerbruine krullen, dat rond brilletje en haar groen-gestreepte trui die ze wel dagelijks lijkt aan te doen. Het enige filmpje dat ook in de vorige collage voorkwam, was het middelste. “Je bent een goede jongen”, fluisterde ze. “Dromen opgeven”, zei ik, onwetend hoeveel tijd ik in gedachten had doorgebracht, “haat ik het meest van al” “Ik hoor de pijn in uw stem”, zei het meisje op mijn borst. “Mezelf ervan overtuigen dat we niet bij elkaar pasten, dat ze niet de ene was, was niet het moeilijkste. Opgeven, dat is het moeilijkste. Jezelf erbij neerleggen dat het gewoonweg niet lukt. Dat alle geïnvesteerde tijd en bekommernissen tot niets leidden, dat alles wat je wou geven niet ontvangen werd. Vrede nemen met het feit dat juist datgene wat je zo verlangt buiten je handbereik ligt, dat is het moeilijkste. Als ik in haar ogen kijk zie ik niets meer dan mijn schaamte, mijn tekortkomingen, mijn eigen falen.” Het werd weer stil. Het getikt van water werd terug hoorbaar. Die verdomde emmer voor kamer twaalf moet ondertussen wel gevuld zijn. dacht ik. Het meisje lag roerloos naast me, uit schrik dat iedere beweging door mij als ongepast zou worden ervaren, zich afvragend waar mijn plotselinge eerlijkheid vandaan kwam. In haar adem voelde je ze twijfelen “Ik loog niet toen ik zei dat ik het niet wist. Ik weet het oprecht niet. Ik weet niet of dat gevoel, waar bruggen eerder onder lijken te breken, dan dat er worden op gebouwd, wel als liefde zou mogen bestempeld worden, of ik zelf wil dat het zo benoemd wordt.” De twijfelende adem naast mij hield op. Het meisje had de gepaste reactie gevonden. Ze wierp haar been over mijn lichaam en kruiste haar armen rond mijn schouders. Met haar hoofd vleide ze op mijn borst. Ik greep haar vast. Een arm op haar achterhoofd en de andere rond haar middel. Ik kneep haar vast. Haar tenger lichaam volledig tegen me aangedrukt. Als ik nog een beetje meer kracht gaf, zo leek wel, kon ik haar ribben breken. Ik sloot mijn ogen, wat altijd een gevaar met zich meebracht. Met gesloten ogen kan de hele wereld veranderen. De mond waar je tong in bevindt, de benen waar je hoofd tussen zwoegt, het kussen waar je hoofd op rust, de lege kamer waar je voor zingt. Dit alles kan veranderen in de mond waar je tong naar verlangt, de benen waar je achterna holt, de zachte buik waarop je hoofd wil rusten, het eenkoppig publiek waarvoor het lied geschreven werd. De realiteit vervangen door de fantasie, door dromen. Een droom zo zoet dat deze je ogen dichtlijmt, want daar waar het licht weerkaatst wordt, waar de tijd altijd even snel gaat, waar alles juist en fout is, waar de logica de rede vervloekt. Daar waar de ogen open zijn, daar is de nachtmerrie. Zo hield ik ook dan mijn ogen dicht, maar niets veranderde. Het meisje bleef haar blonde lokken bewaren. Ze werden niet vervangen door donkerbruine krullen, dat rond brilletje bleef uit en een groen-gestreepte trui die ze dagelijks zou kunnen aandoen omhulde haar bovenlichaam niet. Zelfs met mijn ogen toe dacht ik aan het meisje waarvan haar hartje tegen mijn lichaam tikte. Hoe ze me wist te verbazen met haar intellect, hoe medelevend ze was, hoe onvoorwaardelijk geïnteresseerd in mijn verhaal, hoe teder en zacht. Ik had een vechtertje in de armen, dat voelde ik. Geen enkel verwend nest, wordt door hun ouders in zo’n erbarmelijk kot achtergelaten. Nee, zij heeft al geknokt in haar leven, voor wie ze is, voor wat ze wou en voor dit kot, waarvoor ze hoogstwaarschijnlijk twee keer per week, opdient in een restaurant op de Korenmarkt en er de schunnige opmerkingen van corpulente veertigers tolereert, hopend op dat percentje aan fooi waarmee ze eens een avondje jong kon zijn. Ze voelde… anders. Minder verward dan de verdwaalde zeeparels met chique kamers en apparatuur waar een startersgezin met een gemiddeld inkomen niet bijkan. Die naar Gent worden gevoerd en opgehaald al waren ze de troonopvolgsters zelf, die -erger nog-  zelf ook nog eens geloven in de unieke blauwheid van hun vergiftigend bloed. Verwende duifjes, beschermde kalfjes, die amper weten hoe hard het leven kan zijn. Ze verwachten dat de rode loper wel voor hen zal uitrollen. En als het eens wat moeilijker gaat, als het leven eens wat levensechter wordt, vluchten ze naar een ander pad. Het pad waar gemakzucht en geluk met elkaar verward worden, waar de wreedheid van het leven nooit ontdekt wordt en bijgevolg de schoonheid ervan nooit geapprecieerd, waar niks hun fout is, waar men amper weet wat men wilt, laat staan dat men beseft wat men heeft. Ik opende terug mijn ogen. Het meisje ademde nog steeds op mijn borst, mijn haren bewogen met haar uitgeblazen lucht mee als palmbomen in een zuiderse storm. Er was vrede, er was rust. We waren vredig, wij waren rustig. Twee individuen die het individuele niet overstegen, maar het aanvaardden. Het was met bewondering dat ik naar haar keek. En dan vroeg ik mij af wat er met me mis was, waar het bij mij foutliep, want daar in mijn armen had ik alles waar een man kan van dromen. Het meisje had humor en een gouden hart. Ze creëerde een sfeer waar mijn bekommernissen voor het eerst uitgesproken werden. Ze had pit en karakter. Ze was een vrouw, maar eerder nog een mens en aanvaarde dat mens-zijn. De fragiliteit en onzekerheid ervan. Ze was knap, zelfs met haar recent verminkt neusje, dat slechts een schattige imperfectie op haar snoetje vormde. En ondanks het kleine akkefietje zelfs goed in bed. Elke man die dat in zijn armen kreeg zou het verstand moeten hebben om het nooit meer los te laten. Wat zocht ik dan toch? Wat ik wou ik? Wat hield mij tegen om haar ter plekke ten huwelijk te vragen? “Waaraan denk je”, vroeg ze de stilte en mijn gedachtegang doorbrekend. “Dat we zouden moeten trouwen”, zei ik.  “Och jongen, laat me niet lachen”, gniffelde ze, “dit was slechts voor een nachtje, hoor” De spieren in mijn gezicht vertrokken en voor de laatste keer die nacht spanden ze samen, in dezelfde sierlijke beweging, vormden ze op mijn gelaat: een lach. Het was nog donker toen ik weer wakker werd. Ik keek naar mijn kleren verfrommeld naast het bed, hoe gemakkelijk ik ze kon aandoen. Ik keek naar de deuropening, hoe geluidloos ze zou openen. Ik keek door het raam, hoe onopgemerkt ik kon vertrekken. Ik keek naar haar, hoe vredig ze lag te slapen. Ik keek op de klok, het was kwart over zes. Ik bleef liggen.

Ybe Terryn
13 0

De Nacht is Duisternis

Ze heeft zwart haar. Als een kluwen van pas gesponnen draden hangt het over haar schouders. Bruin, vindt ze zelf, heel donker bruin. Haar ogen, die zijn bruin, als gerijpt ebbenhout, heel donker bruin. Met haar witte gympjes kuiert ze over rustieke Gentse plaveien. Ik ernaast, met mijn zwart bevuilend schoeisel. Ze praat. Haar zoete stem doet de ijzige lucht smelten. Ze spreekt in de beleefdheidsvorm. Om de zoveel woorden word ik verwend met een zonderlinge u-klank. En als ze wat gedronken heeft verandert die ‘u’ in een aanslepende, vervlaamste ‘gij’. Ik luister zo aandachtig dat ik haar niet versta. We wandelen niet alleen. Jonas, Fleur , Marieke, James, Xander en Erika wandelen met ons mee. Hun namen zijn niet belangrijk, ik had ze niet moeten noemen. Haar naam is wel belangrijk, ze zal niet genoemd worden. Wij vormen de bende, een groepje vrienden. Wekelijks delen Erika en Jonas het bed, ooit werd James eens door Marieke afgetrokken en op een broeierige zomerdag in de festivalweide van Rock Werchter vingerde Xander een hurkende Fleur tot ze ervan omverviel. Ik lijk wel de enige die het woord ‘vriend’ waardig is, zoals gedefinieerd staat in de platonische Van Dale.    “Een goede vriend”, introduceert ze me, ”en een toffe gast”, voegt ze eraan toe. Keurig glimlach ik naar het klein en verlegen, blonde meisje naast haar. “Ik ben inderdaad wel een toffe gast”, knipoog ik, “en blijkbaar ook haar vriend”. “Een vriend”, verbetert ze met een uitnodigende geste richting haar zwijgzame kennis. Omdat een ongemakkelijk mens nu eenmaal lacht, lach ik. Ik hoef en wil haar nooit met een onbepaald lidwoord introduceren. Ik ben slecht met meisjes, vindt ze en dropt me daarom bij een van haar kennissen, start een introductiegesprek dat trager op gang komt dan een Tinderconversatie, en maakt haarzelf daarna ‘subtiel’ uit de voeten. Tijdens zo’n gesprekken ondervind ik mezelf alsmaar beter worden in het veinzen van interesse. Zelfs dit kleine, blonde muurbloempje, zorgvuldig door haar uitgeplukt, geef ik het gevoel iets meer te zijn dan simpel onkruid langs het pad. Tijdens het gesprek kan ik het niet laten om haar -mijn zwarte roos, mijn bruin viooltje, mijn groen vergeet-me-nietje, mijn hele fucking vlindertuin- vanuit mijn ooghoeken te bespieden. Ze begroet een kerel. Hij is groter, vlotter, breder, simpelweg beter. Ik besluit om het zorgvuldig geplukt muurbloempje achter me te laten en begeef me richting de toog, waar ik een oogje in het zeil houden kan. Ik ben inderdaad slecht met meisjes.  Terwijl de barman mijn pint tapt, komt Jonas naar me toe. Ik zou het bijna vergeten, maar de rest van ‘de bende’ is ook in deze kruisbestuiving tussen een club en een café te vinden.  Xander en Fleur dansen op de muziek, James en Marieke zitten buiten op een bank en Erika papt aan met een van vaders geld opgesmukte ingenieursstudent. “Kijk die gast, met een polo over zijn hemdje, die denkt dat hij het is”, spuwt Jonas. Ik knik afwezig en blijf knikken terwijl Jonas verder raaskalt over Erika en die kerel. Haatdragende woorden spreekt hij, alsof ze recht voor zijn ogen aan het neuken zijn. Tussen zijn kletterende zinnen door kijk ik naar haar. Met een scheef oog zie ik ze nog altijd met die betere, grotere kerel conversatie houden, ze lacht zelfs, tot mijn genoegen zonder haar unieke fonkeling. Jonas gaapt eens naar Erika, die twee houden van elkaar, dat weet ik, dat weet iedereen. Ik spoor hem aan om volledig voor Erika te gaan, zodat al dat nutteloos neuken kan stoppen en ze eindelijk vrijen kunnen. “Wat heeft een man te verliezen?”, vraag ik en voor hij antwoorden kan, draai ik me weer in haar richting. Alle vriendelijkheid is eindelijk van haar snoetje gevallen en met haar zwierende zwart-donkerbruine lokken geeft ze de sterkere, betere kerel het nastaren. "Alles.” Jonas volgt mijn advies op. Hij is zojuist opgestaan, heeft Erika van die omhooggevallen materialist gepikt en naar buiten geleid, waar ze nu ambras maken, niet ver van het bankje waar James en Marieke keuvelden. Die laatste twee hadden, begrijpelijk, geen zin om de zoveelste opvoering van die eerste twee hun theatraal drama aan te horen en hebben zich bij het dansende duo vervoegd.  Dansen is hier een te groot woord voor met je rechterarm in de lucht -lichtjes gebogen, geen nazigedoe- net naast de beat te springen. Gelukkig voor het nachtleven bestaan er vrouwen met vlezige konten die daarbovenop ook nog eens zo vriendelijk zijn om die heen en weer te slingeren. Bon, die konten zijn helemaal niet belangrijk, omdat ik nu eenmaal een borstenman ben en omdat de enige kont waar ik me wel voor zou uitsloven zojuist het club/café verlaten heeft. Ik zag haar zwart-donkerbruine krullen nog net voor de deur dichtviel in een rustige nachtbries wapperen. Ik wil haar achterna, want ik moet alles weten: waar ze is, wat ze doet, wie ze spreekt. Haar achtervolgen langs elke steeg, voorbij elke hoek. Gewoon rechtuit stalken, vieze gluiperd dat ik ben. Goddank heb ik daar de ballen niet voor. Ik bestel nog een pint. Jonas en Erika zijn nergens meer te bespeuren, bemerk ik terwijl het bittere sop mijn maag binnendruppelt. Na hun ruzies beseffen die twee dat ze elkaar toch minder haten dan liefhebben en eindigen met een agressieve vrijpartij, ergens in het slijk van een groene Gentse gracht. In de stilte net voor een muzikale drop, denkt Fleur, hoewel ik geen bepaalde focus heb, dat ik haar aanstaar. Ze neemt Xander bij de hand en stapt op me af. Er is veel veranderd sinds de festivalweide van Rock Werchter, Xander en Fleur hebben elk een lief en zolang ze onder een bepaald promille blijven, worden die ook gerespecteerd.  Fleur vraagt mij waarom ik hardnekkig naar de club blijf komen, hoewel ik me er nooit lijk te amuseren. Ik weet waarom. Ik hou het voor mezelf, dat is mijn taak als man, daarbij hoef ik geen advies en al helemaal niet van deze twee. Ik weet wat ik moet doen, ik durf het niet. Een feit dat enkel een extra reden zou zijn om met mij te spotten. “Je bent niet verplicht om altijd met ons mee te gaan hoor.”, beaamt Fleur terwijl ze haar hand op mijn knie legt. Ik knik en bestel een pint. Later, wanneer het duo, Xander en Fleur, na een paar pogingen om een gesprek met me te starten het dansen hervat, bestel ik nog een. Nog later, wanneer het duo, Erika en Jonas, bezweet en verwilderd met groene Gentse grassprietjes in hun haren zich terug bij de rest voegt, bestel ik er ineens drie.  Ik begin het te voelen, de drank, heb moeite met focussen, beweeg trager en mijn kop lijkt alsmaar zwaarder. Wanneer ik rechtsta om te gaan zeiken, moet ik mijn hoofd als een bobblehead balanceren. Ook heb ik moeite met mikken, mijn pisstraal brandt op het topje en mist het heen en weer zoemend vliegje in de piscine. Van die toiletten teruggekeerd in de zaal word ik overladen met prikkels. De muziek snijdt in mijn oren. De draaiende lampen geven me koppijn. Strompelend ga ik naar buiten en zet me op de bank waar Fleur en James kletsten, of waren het Marieke en Xander? Mijn spieren verslappen en ik staar voor mij uit. Mijn hart pompt bloed door mijn hersenen, ik voel het rode vocht door mijn hoofd klutsen. Ik wil slapen, maar geef mijn ogen geen toestemming te sluiten. Ik ben nog niet uitgekeken. En dan zie ik haar voorbij lopen, terug van God-weet-waar. “Wat zie jij er dronken uit!”, giert ze en ik lach, haper wat woorden en mompel mezelf rechtop. De warmte van haar nabijheid doet me smelten. Ik doe het(!), sluit mijn ogen, leun naar voren en terwijl ik mijn lippen tegen de hare aandruk, pluk ik er een zwart-donkerbruine krul van tussen.  In gedachten. In werkelijkheid ontstaat er een ongemakkelijke stilte, waarna zij over mijn schouder wrijft en spottend fluistert dat ik best geen bier meer drink. Tussen haar woorden ruik ik de amandelgeur van haar shampoo. Ze lacht voor ze een sierlijke draaibeweging maakt en ik moet me er, zoals altijd, aan herinneren dat ze zo naar iedereen lacht.  Teleportatie is mijn nieuwe kracht. Na een telkens wisselend aantal pinten verwerf ik die. Ik zit buiten (poef) sta plots aan de toog. Er staat een pint klaar en ik ga ervan uit dat het de mijne is. Even denk ik aan haar adviserende woorden. Ik voel haar tedere hand terug op mijn schouder. Zou ik best geen bier meer drinken? Ach, waarom zou ik haar advies opvolgen, alsof ik naar haar heb te luisteren, alsof ik ‘haar’ ooit ‘mijn’ zou kunnen noemen. Mijn ogen, mijn oren, mijn snoetje, mijn armen, mijn punttietjes, mijn slanke benen, mijn glimlach, mijn wandelgangetje, mijn gympjes, mijn zwart-donkerbruine haren. Godverdomme, zeg ik en klets het bier tegen het achterste van mijn keelgat. Mijn maag duwt een deel terug. Het goedje raakt slechts halverwege mijn slokdarm. En godver-drie-domme staat ze daar alweer niet te konkelfoezen met een of andere kerel. Er is geen man die ik ooit bij haar heb weten scoren en toch wil ik iedereen die de pretentie bezit haar aan te spreken een klap voor z’n kop geven. Een vuist in zijn smoel waardoor zijn tanden de goot in verdwijnen. Ook daar heb ik de ballen niet voor. Ik wrijf eens over mijn kruis om na te gaan of ik überhaupt wel ballen heb. Man, puf ik tegen mezelf voor de duisternis in mijn ogen toeslaat, wat ben ik zat.    “Blijf van mijn lijf”, schreeuwt ze. De duisternis valt weg, mijn zintuigen worden wakker, kleuren vormen zich traag rondom mij, piepend geluid verandert in muziek. Wat heeft plaatsgevonden? Wat is er gebeurd? Wat heb ik gedaan? Ontsteld staat zij erbij en vanuit mijn linkerhoek snellen Xander en Jonas met sussende gebaren op mij af. Ze pakken me bij de arm. “Wacht”, roep ik en stribbel tegen, “Laat me los, klootzakken!” Ik moet naar haar. Ik moet haar spreken. Ik moet het weten. Al vluchtend neemt zij Fleur bij de hand. Ziet ze dan niet dat ik haar nodig heb? Keer toch terug! Ze is van mij. Mijn!  In een poging mezelf uit de greep van Xander en Jonas te verlossen stoot ik met mijn elleboog tegen Xanders kaak, bloed spettert op mijn gezicht, wat smaakt het goed, lichtzuur, als karnemelk. Jonas antwoordt met een stomp in mijn maag. Ik braak ter plekke, mijn kleren vol brokken, mijn lichaam zakt in elkaar. Ik geef mezelf over. Hangend tussen Xander en Jonas, stinkend naar mijn eigen spuugsel hijsen ze me naar buiten, als een gedrogeerde straatcrimineel. Kort voor ik de club verlaat kijk ik van over mijn schouder nog eens in die zoetbruine ogen, die heel donkerbruine ogen. Ik vind enkel bitterheid. Als een zak vol rotte aardappels word ik op koude kasseien gesmeten en achtergelaten. “Blijf van mijn lijf”, hoor ik steeds weer. Een doordraaiende grammofoonplaat in mijn hoofd. Alles is verloren, vernietigd door de alcohol, gewist. Alles, behalve haar gezicht. Haar gezicht blijft. Het kruipt tussen de vliezen van mijn ogen en ik krijg het er niet meer uit. Het prikt en piekt en jeukt en ontsteekt, en ik traan. Haar gezicht, vol met angst en irritatie en ontzetting, emoties die haar prachtig snoetje met een mes bewerken. Ik maak alles lelijk, zelfs het mooiste wat ik ooit zag. Tussen gebruikte sigaretten en vastgeplakte kauwgoms crepeer ik, walgend van de drank en kotsend van mijzelf. 

Ybe Terryn
29 0

Over de verloren wijs van het lijdend onderwerp

Een moord. Bloedspetters in het rond, een kogel door de kop of een mes in de rug. Kortom Hollywoodtaferelen, dingen die we als simpele Vlaming daar ook liever houden. Hier verliest een veertienjarig meisje, verkracht en tot zelfmoord gedreven, het in populariteitscijfers van een zielige oude rokkenjager die zijn hoogste koekentroef eigenlijk al lang had gespeeld. Moord en misdaad, we doen liever alsof ze er niet zijn. We wijzen daarvoor naar Amerika, waar alles dubbel zo erg is, daar vermoorden ze zelfs moordenaars. Zolang Dutroux en ander Waals gespuis achter tralies blijven is de Vlaming content. Laten we ons dus niet verder bezighouden met zo’n futiliteiten als geweld en agressie. Wij, als West-Europeanen, hollen de pretentie achterna en hebben het over abstracte moorden, zoals de moord op God met Nietzsche als kroongetuige. Ikzelf zal nu de pretentie gewoon voorbijsteken en het hebben over ‘De moord op de Nederlandse taal’. Van alle aanslagen op het Europese vasteland zijn die van de Engelsen het zwaarst. Zelfs de Fransen verzinnen geen nieuw woord meer voor ‘chat’ en als zelf de Fransen het opgeven dan kunnen we het echt wel schudden, zo leert de Tweede Wereldoorlog. De taalpurist voelt het mes dieper snijden wanneer zelf het vernieuwingscongres van de christendemocraten opnieuw een Engelse titel draagt, een hopeloze poging van een stervende partij om hip te zijn. Dat is het natuurlijk, het Nederlands is niet hip meer. Het woord hip is zelfs niet hip meer. Dingen zijn cool tegenwoordig. Koud, zoals die taalpurist die na een week met een mes in de rug zal teruggevonden worden. We zijn de voeling kwijt. Begin 14de eeuw antwoordden we op de Franse avances met een goeiendag, nu proberen we de Walen hopeloos salut te zeggen. Toen Gerard Vermeersch vorige editie stikte in de taalfouten kon ik mijn lach niet onderdrukken. De ironie werd me te veel, want als men er even over nadenkt, is het Vlaams op zich een taalfout. Maar Gerard ligt daar nu wel effectief te stikken en het doet me toch pijn. Ik wil dat zootje ongeregeld uit zijn keel verwijderen. Wat hij nodig heeft, is wat vloeiend, verhelderend Nederlands, maar ik heb alleen Verkavelingsvlaams te bieden. Dus vlucht ik naar Nederland, waar de mensen nog klappen met hun handen en niet met hun bek. Ik vlucht weg van de inquisitie en probeer te ontsnappen aan mijn vervlaamst Nederlands en op zijn beurt weer verengelst Vlaams. Eenmaal aangekomen merk ik dat zelfs Nederland zwicht onder het strenge Engelse regime. Het achterhuis van Anne Frank noemen ze tegenwoordig  een tiny house. En uit pure wanhoop doe ik het ondenkbare. Ik collaboreer met een Duitse Amerikaan genaamd Henry Heimlich. In zijn greep krijg ik die onregelmatigheden er eindelijk uit. En dan plots zorgt een volta voor spanning. Gerard neemt me mee naar zijn wereld. We wandelen samen door het taalparadijs. Achter mij sprint een luipaard, naast Gerard rust een lui paard. Er vliegen tien vogels in de lucht en we hebben er elk nog één achter de hand. Ik construeer het pad voor me, tot ik plots merk dat hij niet meer mee is. Ik kijk om en dan weet ik het, dit is het afscheid. Achter hem staat zijn huis waar hij negen maanden aan gewerkt heeft, maar ik moet verder, mijn eigen eigenaardig huis construeren, waar een Engelse airco en een Franse fauteuil ook deel uitmaken van het interieur. Een vreedzame ontsnappingspoging aan de wrede realiteit. Een afgewerkte toren van Babel. Een droom.

Ybe Terryn
3 0