Lezen

De badkuip is van goud

  Ik was erbij. Ik kan het weten. Echt. Geloof me vrij. Ik was erbij. Ik heb geproefd. Ik at samen met hen. Gewoon wat kool nog voor ze stierven. Er was geen tijd. De kool kon niet eens gisten in het bad en de bokalen bleven leeg. Ik was erbij toen eerst nog alles blonk. Hun glimlach. Valse tanden. Ginds is niets of weinig van goedkoop plastiek. Geloof me vrij. Het leven is soms mooi en waardevol. Zolang geen man je zoekt. Wij zaten daar verscholen in die grachten. Sliepen er in holen. Ik was erbij. Een dronkene hij zei zelfs dat het jaar van goud had kunnen zijn. Dat was het ook. Ik hem een heuptasje. Echt boordevol. NU Dit is een jaar dat lijdend volgt. Het zal weer zijn van goud. Daarvoor heb ik een sterke tang. Ik trek ze dapper uit wanneer het kan. Wanneer het lot hun leven vindt. Wanneer een bom hen plots de ziel ontneemt. Ze zijn zo dood als het maar kan, mevrouw, meneer Pas dan trek ik die tanden uit. Geloof me vrij. Ik ben erbij. Het is mijn hand, mijn tang, die gouden jaren vult. Echt. Alles. Zit hier in die tas. Een gouden eeuw of twee en het gebit van rijke tijden. Ik heb thuis niet lang gewacht. Ik ging er zelf op af. Ik hoorde van die rijken. Echt. De welvaart moet je zoeken. Dat heb ik gedaan. Doch al die zielen smeken mij nu luid. Help mij snel nog in dat bad. Ik ben zo vuil. Ik stink naar mensheid die mij rotten doet. Zo kan ik niet verschijnen ginds ver weg. Ik was ze nu echt allemaal. Voorzichtigweg. Zeer langzaam. Één voor één. Daarna schenk ik dat goud met liefde aan een zinloos doel dat zonder tanden langs de straat te blêten ligt. Ik schiet mezelf schoon door de kop. Ik ben erbij. Ik ga eraan. Mag met hen mee.     uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
5 0

Mieren voor de gier

Met haar altijd erotische lippen eet Lolita brood. Dat gebeurt bijna dagelijks. Ik wacht steeds tot die eerste beet. Ik roer nimmer suiker door mijn koffie. Alvorens zij die hap heeft doorgeslikt. De krant is van papier. De gier zit op de nok van het dak. De mier verschuilt zich in de menigte. Dergelijke evidenties. Neen. Ik schrijf ze nergens op. Ik ben immers niet zot. Dat weet de verse dageraad. Lolita glimlacht. Omdat zij wonder boven wonder mijn gedachten lezen kan. De gier hij lust ze allemaal. Ze kunnen zich slechts tijdelijk verstoppen in een spleetje smaller dan zijn nek. In een holte dieper dan zijn snavel. Wij weten dat het nonsens is. Ons leven. Deze wereld. Een gier die zich met mieren voedt. Ik lees het papier. Terwijl Lolita doorbijt verdereet. Hier staat het, in De Standaard. Zelfs de trouwste vogelsoorten gaan uit elkaar wanneer de temperatuur stijgt. Ik lees deze kop zowaar luidop terwijl haar keel aanstalten maakt. Om nog eens te slikken. Bij dergelijke rampberichten. Is aarzeling niet aan de orde. Ik sta op. Ik zet de thermostaat wat lager. Ik wrijf over haar linker schouder omdat zij altijd. Met de linkerhand haar kopje grijpt. Zij drinkt zwart. Zij glimlacht. Hoe moet het dan verder? Als de lente komt. De bodem opnieuw warmte krijgt. Wanneer de zomer zich weer zonder schaamte meldt. Wij spreken altijd schoon tegen elkander. Wij vegen mieren op. Wij zetten ze buiten en wanneer wij kip eten. Dan is de karkas voor de gier op het dak. Bovendien schamen wij ons zelden. U moogt dat gerust weten. Lolita en ik. Wij zijn van de vogelende soort. Achteraf liggen wij altijd hand in hand. We staren dan naar het plafond. Naar de sterrenbeelden die ik daar geschilderd heb.  Dat beweer ik toch en wij denken nooit terug aan het gevogelde. Luisteren enkel naar de mus. Die één vleugel strekken onder de Boomse pannen. Ik zeg haar dat ik het ook niet weet. Hoe het verder moet. Of dat koppeltje zwaluwen nog terugkeert. Hoe wreed de opwarming tekeer zal gaan. We blijven liggen. Hand in hand. Het vel. Het is volkomen naakt en wij slapen. Op een rug die ons verdraagt. Terwijl een wolfspin stil het koude glas betreedt. Ons hart een ritme vindt. Dat ons nog even leven laat.   uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
6 0

De laatste uren van het jaar

De tijd gaat snel, u kent dat welDe laatste dag van het oude jaar een dag meer   wie voelt dat nog elke nieuwjaarsbrief is klaar De laatste bus   de laatste groet de laatste baxter  omdat het moet hoewel dat echt niemand weet verstandig denk ik   ik vergeet De laatste uren van de laatste dag dat het feestelijk  rustig  blij  gezellig zot of wat u ook  wenst    wezen mag ’t is voorbij   en dat is stellig De laatste blog   wat nog te schrijven wat zal u lezen   zoveel om te zwijgen jaaroverzichten, diepte-  hoogtepunten bij verkiezingen al eens wat stunten Oorlogen en hun misdaden vaak in meervoudige kwadraten een ziekenhuis voor één soldaat nogal wiedes wie dan ‘winnen’ gaat Optim- pessim- realisme in zo’n statistiek gewrongen ’t wordt Gauss-curve toerisme weer een eindterm afgedwongen Narcisten en puristen van horen zeggen  wat we wisten kleuters in de Wetstraat als dat maar niet tegenslaat Elke avond vol bekende mensen toch maar één Warmste Week wie weet nog wat we vorig jaar wensten wie vat nog echt de onbekende leek U ziet, ik weet niet echt wat schrijven mijn plannen zijn voor volgend jaar dat is over enkele uren en mijn Nieuwjaarsbrief is – wéér – nog niet klaar Al wat wenselijk is, een richting die goed voelt om te volgen en ruimte om af te slaan   bij twijfel begin gewoon van voor af aan Van schrijven lezen uitdaging mooi taalgebruik   en zo mogelijk geen fouten  dat blijkt een heel ding ik oefen zelf ook daaraan Allez, tot volgend jaar, nu is ’t gedaan !  Anne-Mie

Anemos
7 0

Ik weet nog…

Van mijn derde tot mijn vijfde levensjaar herinner ik mij van de kleuterschool alleen de namen van enkele zusters. Het was toen nog niet zo lang geleden dat in België in het leger en in de scholen de gezagvoerders Franstalig waren. De nonnetjes waren dus soeurs en hoorden als zodanig te worden aangesproken. Ik weet nog dat Soeur Marie-Louise op de ronde kachel in de klas in een grote pan een pannenkoek bakte waarvan ze partjes trok. Elk kind kreeg op een blaadje bakpapier een stukje pannenkoek. Soeur Gertrude mocht dan al boomgroot zijn, iedereen was verliefd op haar en op haar chocolademelk die ze in grote blinkende koperen ketels klaarmaakte. Begin december leerden we sinterklaasliedjes zoals: Sinterklaas is jarig, ‘k zet mijn schoentje klaar, enz…Af en toe leerden we een Frans liedje. Eentje heb ik opgezocht en ik vond deze tekst. (Voor wie de taal niet meester is, heb ik er de vertaling bij gezet.) Ô grand Saint Nicolas, (O, grote Sinterklaas)Patron des écoliers, (patroon van de leerlingen)Apporte-moi des pommes (leg wat appels)Dans mon petit panier (in mijn mandje)Je serai toujours sage (ik zal altijd braaf zijn)Comme une petite image (braaf en stil)J'apprendrai mes leçons (ik zal mijn lessen leren)Pour avoir des bonbons. (om snoepjes te krijgen) Venez, venez, Saint Nicolas, (Kom, kom, Sinterklaas…en tralala)Venez, venez, Saint Nicolas,Venez, venez, Saint Nicolas, et tra la la... In het rijke repertoire van Nederlandse sinterklaasliedjes valt op dat de tekst soms in Nederland en Vlaanderen niet altijd overeenkomt. Geen idee hoe dat komt, al kan de religie er iets mee te maken hebben: het gereformeerde Nederland versus het katholieke Vlaanderen. De Franse teksten zijn ook soms verschillend. Zo zongen wij: Apporte-moi du sucre (leg wat suiker ipv appels)Comme un petit mouton (als een lammetje ipv braaf en stil)Je dirai mes prières (ik zal mijn gebedjes opzeggen ipv mijn lessen leren)Dit had mogelijk te maken met het feit dat net na de oorlog er aan kinderen veel suiker werd gegeven om zogenaamd aan te sterken en dat er moest gebeden worden. Terwijl ik de liedjes hardop meezing (sorry, buren), denk ik terug aan de pikdonkere nachten waarin ik mij bang afvroeg of de sint gemerkt had dat ik niet zo braaf geweest was als een lammetje. Als de nacht nadien de heldere maan door de bomen scheen en de ontelbare sterren fonkelden, wist ik dat hij weerom plechtig zou verklaren dat er dit jaar geen stoute kinderen waren.  

Vic de Bourg
22 2

Toevalstreffer

De slotpoort is de enige toegang tot het versterkt kasteel. Als de brug is opgehaald, komt er niemand meer in. Weinigen weten dat er nog een buitendeur is die achteraan uitgeeft op de slotgracht en toegang verleent tot de vroegere kerkers. Aan de overkant van het water blijft ze onzichtbaar door de dichte klimop die tot aan de kantelen reikt.   Het is geen weer om een hond door te jagen, maar Rodolf wacht geduldig in zijn sloep tussen het hoge riet. Zijn waadpak, rubberen lieslaarzen en waterdichte winterjas beschermen hem tegen de ijzige noorderwind. Daar ziet hij het schijnsel achter het gebladerte, het teken dat hij kan overvaren. De striemende regen deert hem niet. Anita, de keukenmeid van het kasteel houdt zich aan hun afspraak.In een oude deken heeft ze de twee kostbare kandelaars gewikkeld die ze eerder ontdekte in een afgelegen en vergeten kamer van de burcht. Haar lief, Rodolf, heeft dit plan bedacht. Moeizaam meert hij aan bij het vermolmde opstapje. Met de roeispaan tikt hij op de deur die in al haar voegen kraakt als Anita ze openrukt.  In het pikkedonker zijn de geliefden slechts schimmen. Ze praten niet met elkaar ook al overstemt het gure weer alle geluiden. Voorzichtig zakt de buit in het bootje. De deur sluit weer en de sloep vaart weg. Rodolf schuimt alle markten af zowel rommel, brocante als antiek. Zo dikwijls ze kan, vergezelt Anita hem. Vandaag geniet hun stand op de antiekbeurs veel bijval, niet in het minst door het uitzonderlijke koppel kandelaars die ze tentoonstellen. “Te laat”, sist Anita. Ze ziet haar bazin, de kasteelvrouw, resoluut naar haar toestappen.“Anita! Wat leuk je hier te ontmoeten en wat een prachtige kandelaars hebben jullie meegenomen. Mijn vader had vroeger soortgelijke exemplaren, die totaal zoek zijn geraakt.”

Vic de Bourg
15 1