in repen gescheurd de shoji van het huis in rouw - de kat is dood Een shoji is een deur, raam of scheidingswand bestaande uit rijstpapier op een houten frame.
de fietstocht naar huisvlieg snel voorbijniet in mijn neus! foto: Matthew Inamdar
De woorden drijven weg Hij wil ze pakken maar ze ontglippen zijn zwijgen Haar handen gevouwen Berustend En verstild Zo heeft zij het gewild
Merel, vrolijke aanfluiting van uitzichtloze februariochtenden, is het niet al te vroeg om de winter af te schrijven? Toegegeven, hoe je me keer op keer in de maling neemt, zowat een uur voor zonsopgang, heerlijk.
draaide zich om de bladzijde. Het papier ritselde zachtalsof het wist het waaromde neergevallen bijlhet vermalen denken. Matten uitkloppen konwaar en wanneer een mens het wilde. De timing nam geen tijdgeen tijd tot overweging.De mens klopte gewoon vierkant binnen. Waar het stof vandaan kwamwist enkel god en zijn gezanten.Waar het stof straks neervielwist enkel god en zijn gezanten. Was de schepping nog gewillig? Het blad draaide zich vierkant omritselde en bonkte binnen. Voor het nagesprek bedankte god.Het bleek niet de juiste timing. draaide zich om de bladzijde Het papier ritselde zachtalsof het wist het waaromde neergevallen bijlhet vermalen denken. Matten uitkloppen konwaar en wanneer een mens het wilde. De timing nam geen tijdgeen tijd tot overweging.De mens klopte gewoon vierkant binnen. Waar het stof vandaan kwamwist enkel god en zijn gezanten.Waar het stof straks neervielwist enkel god en zijn gezanten. Was de schepping nog gewillig? Het blad draaide zich vierkant omritselde en bonkte binnen. Voor het nagesprek bedankte god.Het bleek niet de juiste timing.
Ik had gezien hoe het zich manifesteerde/ doorheen het waterland roerde/ ruraal hoe het troosteloze meanders zoogde/ onder mistige dekens/ in verstrengelingen opging Ik had gemerkt hoe het zich vermenigvuldigde/ over weidse velden plaveide/ in zigzag een moederinstinct aan de dag legde/ hoe het stukjes gras baarde/ zaailingen omarmde Ik wou iemand vertellen over de glooiende ontroering/ valavond/ dauw onder klompen hoopte op de getuigenis van een bloedmaan/ de aanwezigheid van de kiekendief Ik kende de plekjes/ naar welke akker het terug zou keren/ kende het ontluikende riet waar het zich verscholen zou houden/ en ik wist dat het geluid zou uitstoten/ ingehouden Ik wist dat waden aan een verzande einder vluchtig was/ maar zwemmen in moeras eeuwig dat juffers onuitwisbare herinneringen voeden/ onkruid onopgemerkt uitdooft Ik zag hoe schaduwen hun paringsdans in een knoop legden/ hun begerige ogen verhulden hoe een fragiel wezen de oever lijmde/ heftig wapperend/ een spoor van gelukzaligheid Ik wist wanneer ik de treurwilg diende te spiegelen/ diende te oogsten/ kon laten begaan de aanblik naar verlangen overhelde/ er aardse kluiten nodig waren/ verankeringen Ik kneedde de rivier naar mijn evenbeeld/ over schokkende vleugels/ nestdrang legde de beginselen van een geboorte in de strijd/ voldaan naar lucht happend Ik aanhoorde de lokroep die zich aan de horizon had vastgebeten/ om leven op te wekken klauwend in een poging bewustzijn open te breken/ de ultieme daad van overgave Ik besefte tijdig dat een stad niet gedijt onder betonnen stolpen/ dat vlees verschrompelt kasseien telkenmaal tot mos verkleuren/ het vacuüm van de dageraad in het onbestemde weerkaatst
Je veegt je voeten aan de buitenwereld, timmert hout voor je ramen. Laat de kale takken maar dansen. Binnen open je je ogen. De deur naar de kelder staat sinds lange tijd weer wagenwijd. Zweetgeur vindt vrijheid in je neusgaten. Je reikt naar een vertrouwde hand. Woorden volgen later, wanneer het licht aan springt en twee heldere ogen elkaar weerspiegelen Geinspireerd op The Waltz of the Eyes van Karin Verhelst
Je praat over de paginas van je boekDat niemand leest noch begrijptZoekt je gezicht in de spiegelWat heb je nodig om jezelf te zijn? Ik denk: een mening is een leugenIk denk dat jij het licht bent dat je schijntDus verlicht het duister niet op zoek naarMaar zoek je in het licht waar Jij jij en jezelf bent
Elk jaar hetzelfde lied ‘Bont is moord’ klinkt het van de ene kant ‘Bont is mooi’ roepen ze vanuit modeland Maar denk nu eens aan al die pijn stroomstoot in arme nerts zijn kont levend villen van de wasbeerhond kaaltrekken van een spartelend konijn Aan welke kant wil jij dan zijn? Meer lezen voor dieren? Welkom op Instagram
de prachtriet pluimen bij het meer, bedekt met sneeuw - zwanen zwemmen langs
Onverwachte hoogtepuntenvan de dag Lekker gekookt en een dutjemet de kat foto: Ben Wicks
Het is stil in de zaal en de stoel trilt onder het zenuwachtige beengestamp van de man aan het einde van mijn rij. Voetstappen zijn hoorbaar en het wordt nu muisstil en donker Het blauwe gordijn rolt open en verdwijnt in de coulissen De microfoon kraakt zachtjes Haar hand grijpt het statief en haar lippen raken het koude zilver bijna aan Een zucht net voor ze begint Die hoorbaar is door de hele zaal De spot gaat aan en schijnt enkel op haar Niets anders is zichtbaar Alle ogen kijken haar aan Adem die wordt ingehouden Zelfs het trillen houdt op. Haar rood gestifte lippen openen zich en het geluid dat uit haar keel komt beweegt zich in een sneltempo tot in elke hoek van de zaal door elke vezel van mijn lichaam Haar ogen stralen een intens verdriet uit Een gebroken hart Dat zingt van ‘Cucurucucu Paloma’ Klanken van een duif die mooier klinken dan het mooiste geluid dat een vogel maken kan Het lied dat elke ziel doordringt Het is alsof ik elk hart dat ooit passie heeft gekend hoor breken rondom mij. De passie wordt verdrongen door verdriet Een zoute smaak op mijn lippen van het water dat de weg neerwaarts zoekt Ik veeg met de rug van mijn hand de tranen in een vloeiende beweging weg.
Terwijl de bladeren vallen aan de uitgedroogde takken, zwem ik in je ogen die drijven in je vermoeide gezichtIk zoek rust waar er geen is, zoals slapen onder een snelwegJe make up is verdwenen met de laatste zon Het uitzicht was geweldig, de val was kort En buiten mijn cryptische woorden had je niets aanIn het donker droeg je schaduwklerenEn ik raakte je schaduw aanEn toen verdronk ik in het laatste licht van je ogenEn je omsloot me als een bloem in de allerlaatste zon
wijzend naar de maan in de vrieskoude nacht; ruitenwissers
Vreugde lachen kan ze aanstekelijk luid om kleine zotte dingen die ze zelf maakt in haar hoofd of erbuiten wervelende wankelend bruisend energiek levenslustig dartelend kind - of zoiets schaterend giechelend wentelt ze iedereen met zich mee in haar draaikolk van plezier erbij staan ernaar kijken niet meedoen geen optie
liever verkies ik bloed te drinken dan toe te geven aan de pijn die mijn binnenste verscheurt de sneetjes in mijn ziel hebben mij toch al opengereten voor ik had bedacht dat er ook maar iets mis met me was dokters proberen me op te lappen weer geheel een mens te maken ik voel dat fysieke hechting mentale eenheid verstoort, dat ik niet wordt geheeld alleen dan uiterlijk
Twijfel gevoed door onzekerheid steekt af en toe de kop op en verslind me in haar scherp gebekte kaken. Dan voel ik me zo zwak als ik me eerder sterk voelde. Dan draait het radarwerk in mijn hoofd en zoekt het uitvluchten waarom ik er toch maar beter mee zou ophouden. Kritiek wordt een wapen van zelfvernieting, het wapen van opgeven dat ik als geen ander hanteren kan. Zou ik? Zou ik toch eens proberen te ploeteren door de modderpoelen van mijn ziel. Mijn ziel die mij maar al te graag zou vasthouden in de veilige duisternis. Ik zal een kaarsje nemen en ploeteren en scheppen. Al schep ik een olielamp voor mij alleen, het zal mijn lichtje in het duister zijn.
hij neemt de sneeuw mee de klas binnen - witte haren
donkere schilderijen wachten in de nissen van de kerk op iemand die wil komen kijken op deze hoogdag van geoorloofde afwezigheid geniet hij op een afstandje van ons waar hij zich veilig waant de bloemen op het binnenplein staren me aan zij weten ook niet hoe je afscheid neemt van iemand die van het leven zelf niet zeker was
hier is geschiedenis overwegend blauw met wat roest dichtgroen van bossen onder een appartementsblok in de stad kolenzwart van industriële revoluties en de meid die in de markthal vecht voor het minst bedorven stukje vlees zwart blijft als het om haar heen ademloos rood kleurt en rot geurt zoals nog altijd bij de beenhouwer het aroma van hardwerkend kinderzweet zijn we vergeten vandaag zijn we allemaal regenboog onzeker of snoepjeskleuren altijd zoet zijn precies hier verspreid ik de geur van grijze steen Gepubliceerd op Het Gezeefde Gedicht en in de Poëziekrant Meer lezen? Welkom op Instagram