Lezen

Duikelend noorderlicht

  Anderzijds mag dat geen verrassing zijn. Ik weet goed, hoe onze dood seconden vierendelen kan. Wees dat maar zeker. Hij is van ons allen. Verstoppen doet hij zich nu eenmaal nooit. Het is vooral angst die in ons leeft en vindt dat hij dat nodig heeft. Het witste laken. Die rode tentjes. Die grote stenen platen twee bij één. Putten die met plooimeters gecontroleerd en diep genoeg bevonden worden. Zijn rug zal hij nooit buigen wanneer dagen vragen wat geduld te rapen. Graaf dat gat en zwijg. Zet je op de knieën, droom nog even van het noorderlicht en duikel dan. Zijn gefluister is altijd kordaat. Hier in dit achterhoofd heeft hij een eigen spreekgestoelte en verkondigt daar geregeld dat het stilaan menens wordt. Ik weet wat hij bedoelt. Hij wil helaas niet zeggen hoe het moet. Dat zal hij zelf beslissen omdat ik te laf ben. Meestal komt dat door een zonnestraal die zich door luiken waagt en hoopt dat ik hem nog verdragen kan. Er staat een glas met water naast mijn bed en die matras is de woestijn waarin de druppels van de tijd verdwenen zijn. Onmetelijk. Zo lang lig ik hier al. Het hielp niet toen ik beide wijzers van de klok wat inkortte. Ooit werd er nog gedanst rondom de boom waaruit dit hout gewonnen werd. De poten van dit ledikant, die hadden zo veel tijd om na te denken dat ze intussen weten hoe een toren rechtop slaapt. Mijn ogen kennen nu de bron van elke traan en zijn debiet. Dat is niet groot en ze geraken nooit voorbij de wang. Terwijl mijn nek dit hoofd nog even draagt, vraagt mijn hand aan het raam, of het luik zich fijn gesloten voelt. Daarna volgt mijn blik de wolfspin die een vaste route volgt. Eerst langs die barst van lang geleden. Dan over deze balk om daar, steeds in hetzelfde schilderij, weer te verdwijnen tussen Elpis en Apollo. Ooit wordt alles ingeslikt. Het is de kracht van zwarte gaten die veel sterker zijn dan ik vermoedde. Ik was nog jong, geloofde in een zinvol middenstuk. Elk grijze wolk vloog mij voorbij alsof het water dat zij droeg, slechts milde nevel worden zou. Gelijk een duizendpoot met nieuwe laarsjes pronkt, zo wandelden de uren ongenaakbaar door het bos. Volg me dan als je kan. Zo plaagden motjes rondom mij. Hun vlindervlucht werd nooit ruw onderbroken door een zuchtje wind. Zo leek het toch en daar heel hoog, toen ik een besje wilde plukken uit een hemelstruik, zong hij voor mij een deuntje. Het ging niet over hoogtevrees. Het was een maretak die liedjes kende over zacht verlies. Over een fleurig graf. Ik zag dat hij. Die maretak. Gebogen takjes had vol dapperheid. Ik vroeg nog snel. Waarom hij bladeren verdroeg, met daarin van het beste gif.     uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
6 0

Thanatos

  Om het betere uit willekeur te redden heb ik eigenwijs een kleur of drie gekozen die geen oog kan zien. Alles zit voorlopig nog verborgen onder sneeuw, misschien een laagje water, stof hetzij de neerslag van een droevige vulkaan. Als ik vertel dat het onzichtbaar is, gelooft de horizon mij niet. Zeven dag kozen elk een zintuig. Twee dimensies lachten toen het overige vlug volledig wilde zijn. Er schuilt zo veel achter die muur. Het is een storm die aangelopen komt over de bodem van weleer. Telkens opnieuw vergaat hetzelfde schip. De man. De muis. Vier luizen in de haren van de kapitein. Ze speelden met de kaarten van vermetelheid. Het onvoorziene wilde ze verrassen. Vraag me niet waarom. Droogte heeft op oceanen nooit een ziel gered. Onder water wachten er geen bergen op het zakken van de zeespiegel om ranke flanken zon te laten proeven. Ze vingen bot, een restje heil, daar op hun boot. Het is een ark die denkt dat alle soorten uit een koppeltje bestaan. Dat zeekaarten zonder een kust veel juister zijn. Boven dit land hangt er een zweem van luchtige gedachten. Zwaartekracht leeft zelden in de geest van vlinders die mij kennen. Zij weten wat ik blind gekozen heb, geen nectar voor de wrange blik van spinnen die in lege netten kalm de nacht besluipen. Bij duisternis. Als niemand nog de tinten van geluk kan zien, dan wentel, woel ik als een bratte enkeling en valt hij uit een wolk de lichte mens. Dat ruikt hij blind. Mijn vriend heet Thanatos. Hij grijpt nog niet. Hij weet wanneer ze komen. Hand en hand. Mijn tijd en zijn ultieme kans.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
2 0

Over een konijn

  Ik zal mezelf niet langer kunnen overvallen met een mes. Dat is verleden tijd en op Aswoensdag komt de schoorsteenveger. Netjes in kostuum. Hij loopt voorbij de kerk. Er zit een kruisspin op de muur van ongeloof. Er is geen plaats meer op zijn lijf voor grijs toneel en nog meer dood of beeltenissen van de zieke mens. In het complot zit ook een rookverdelger. Zij denken allemaal dat aan mijn huis iets te verdienen valt. Iemand heeft onlangs een allumeur geschonken aan mijn brievenbus. In het dorp groeit nochtans alles recht, wordt van bedrog niet eens gesproken op het pleintje naast dat witte huis. Daar woont iemand die valse tanden maakt voor klokken die zich stukbeten op vredestijd. Ik ben het bijna zeker. Als de bel gaat op de speelplaats van naïviteit, dan weet de directeur hoe blind het kind nog is. Hij speelt ook zelf een instrument of drie. Triangel. Gong. Het setje glazen half gevuld met water blijven altijd staan. Het aanrecht is dat reeds gewoon. De oren van de muur. Ze luisteren niet meer. Zo werkt dit dorp. De bakker tovert brood, de boer een vis of twee want in de sloot zit veel verborgen. Morgen komt een ambtenaar hier alles meten. Waterstanden, diepte van gesprekken in het enige café. Hij zal niet langer controleren of het mes zich scherp genoeg gemaakt heeft voor het einde van mijn leven. Het zal niet meer gebeuren dat een paard zichzelf in stukken snijdt. Dat komt omdat er aan de eindstreep zo veel mensen staan. Zij houden daar niet van. Geloof dit niet. Het hobbelt slechts. Het is een houten ding dat ik al heb toen die oranje kleur nog rood mocht zijn. Ik had nog bloed dat zonder zorgen stroomde. Echt. In ben het bijna zeker. Als de lente komt, dan zal het gras weer eens proberen hoog te worden, mooi te zijn, volgroeid. Zaden zullen echter niet verschijnen. Kortgewiekt wordt alles rondom mij en in de Molenstraat loopt er een hond. Hij is van mij. Hij blaft niet als de wind een vreemde toekomst brengt. Het is het trouwste dier uit gans de streek, telt nooit mijn tenen, vertrouwt erop dat ik niet weg zal lopen richting kerkhof, ook niet naar het eindstation. Zijn kopje aait mijn huid terwijl mijn hand vertelt. Over. Een. Konijn. Dat niet zo diep onder de oppervlakte leeft. Alleen maar beeft als er een wortel dreigt te bijten. Of wanneer de adelaar. Zomaar op regendruppels drijft.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
5 0

De schaduw van geluk

  Op een schommel dommelt evenwicht. De rust zij tuimelt altijd richting zwaartepunt. Niets luistert naar mijn wil. Ik zou veel liever drijven zonder iets te moeten voelen. In de lucht. Daar durven vogels zomaar vliegen over zee al is het water veel te zout om zich te laven. De oceanen zijn gemaakt voor langgerekte stromen en het zingen van een walviskoor. Zoeter zijn de dagen als de tijd geen misdaad plant. Hij is nochtans steeds onderweg. De gezant van ongeluk draagt onder zijn tenue een t-shirt met daarop een olifant. Ik heb weer eens gedroomd. De nacht was van kristal en ieder laagje ijs op warme hoop, het brak. Zijn poten zijn zo zwaar een draak kan zijn. Ik sprak tegen mezelf die wartaal van altijd. Over een fris begin. Toen er nog kikkers zwommen in mijn glas dat ik een vijver noem wanneer de wereld veel te groot lijkt voor een kind met nieuwe ogen. Over het middenstuk. Die romp van schepen tussen boeg en roer. Ja, er bestaat een theorie die altijd heeft beweerd dat bootjes moeten drijven. Zolang rivieren zich niet vullen met te hete lucht. Ik heb de gaskraan afgezet. Mijn masker weggelegd. Er stak een blik achter dat scherm die niemand had verwacht. Ik heb een oog te veel. Het ziet geen kleuren, enkel diepe gloed. Kijk mij niet aan. Dat zeg ik altijd tegen ijsvogels. Ze zitten meestal op een tak te wachten op de dooi van bange dagen. De lente mag zich haasten, denkt de bol met in zijn hart een bloem. Over het einde durven enkel gieren vliegen. Hun vleugels en hun bek, zij kennen goed de weg naar restjes levensmoed. Die liggen doorgaans aan de rand van het bestaan. Toen er nog kikkers zwommen in mijn glas. Zolang de draak zich maar vergist tussen het spook en schimmen in mijn hoofd. Ik spreek die wartaal liefst wanneer een langbek naar een dikkop vist. Ik heb de gaskraan afgezet. De vinken hebben nog geen pan gekozen om hun blindheid te vergeten. Gebakken smaakt verdriet niet beter, lacht de zon. Er wordt nochtans al lang op hem gewacht. Op hem die slome kerel. Ja, die zendeling met in zijn rugzak salami op kruimels die wat brood proberen zijn. Kijk mij niet aan. Dat zegt hij ook. Ik ben zo traag dat rampspoed met gemak mijn hielen strelen kan. Ik struikel dan. Over de schaduw van geluk.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Beaulieu-sur-Mer

  Er is een racecircuit ooit aangelegd op deze rug. De littekens verbinden wegen waar een korstje heeft geleefd. De auto’s reden door mijn hoofd. Er was een gat gemaakt voor duiveltjes die met hun zwart geweld het lot bestuurden richting rechteroog. Aan deze kant werd ik voorgoed volledig ongevoelig voor het rode licht dat avonden soms blind beloven. De lens is er zelfs uit. Ik draag daarom meestal een ooglap. Het is een stukje stof gescheurd uit een bedrogen vlag. Men sprak van landverraad toen ik de zee verkozen had. Ik heb mijn koersmobiel verkocht aan een piloot die ‘s morgens pap met brokken at. Ik heb mij met dat geld een vliegdekscheepje aangeschaft. Het was te klein geworden voor de aanloop van de reus, die er zijn stappen wilde tellen. Alles richting ondergang. Een pas of tien misschien en hij lag overboord. Zo gaat dat vaak in sprookjesland. Het is nu helemaal van mij. Hier aan de linkerkant is er die grote vlakte voor het ene vliegtuig dat ik heb. Het is een dubbeldekker uit een oorlog heel dichtbij. Ik vecht nochtans al lang tegen de molens op de wal. De dwaaltocht wil mij nog niet laten gaan. Het was Frestoen die me beval. Ik moest, ik zou in Noorse fjorden naar verkoeling zoeken voor een zomer die niet sterven wilde. Onderweg trof ik de herfst. Dat was vlakbij Beaulieu-sur-Mer. Ge zijt verkeerd, vertelde een verlaten strand. Je bent hier aan de Mediterranée. Het was midden november en de doden sliepen weer zeer diep zodat ze al die bloemen snel vergaten. In het familiegraf werd het opnieuw heel stil. De eendagsvlieg zij zweeg. Daar is een kerkhof op het strand met tussen al die zerken slechts één stoeltje voor de kapitein van dat verlegen vliegdekschip. Ik kijk hier nu vanop de wal naar al hetgeen mijn ziel bezit. Wat ijzer in een grijze vorm, een vliegtuigje dat bijna overlijdt. Er is een racecircuit, hier achter mij. Het loopt over die berg tot in het dal waar ik geboren ben. Daar wil ik niet meer heen. Het zijn de milde wolken die over de wonde strijken. Elke dag opnieuw rijdt er een trein langs de rivier waarin verleden stroomt. De machinist hij weet van niets. Hij denkt dat alle tunnels zijn gegraven door een grote rat. Hij rijdt daarom liefst traag. Het is altijd zijn eerste rit. Misschien is verderop de rat nog in de weer en ligt daar nog geen spoor. Ik heb die speelgoedtrein gekocht nog voor ik racen kon, nog voor ik ben verongelukt. De eerste keer verscheen dat gat. Het werd niet dichtgenaaid, gewoon ontsmet en ik mocht gaan. De tweede keer heb ik mijn rug zelf opgelapt. Met dank hen, de spiegel in de gang, die haakjes en die tang. Ik prijs ook hem, de kangoeroe die mij vergat, want anders was mijn reis zo zacht geweest. Ik dank ook iedereen die oorlogsschepen doelloos schenkt. Ook hen die treinen stelen, sporen eeuwig rusten laten, eindstations hun langverwachte leegte schenken. Tot slot, Frestoen, gij zot, geef mij dat oog terug! Het ander wil mij niet geloven. Als ik beweer dat scheel kijken bestaat. Wanneer het tranen laat. Dat beste oog. In eenzaamheid. Voel ik die rat. Ze loopt over mijn rug. Ze is de weg weer kwijt.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
3 0