Lezen

Fietsketting en ducttape

Sinds m’n tiende had ik al erg veel last van m’n gewrichten. Reuma zo bleek. “Juveniele spondylo arthropatie.” Zoveel pijn in knieën, enkels, …, tja, gewrichten, hey. Vingers, handen en polsen ook. Aanvankelijk was ik eigenlijk zeer ‘athletisch’ aangelegd en presteerde in haast iedere sport die ik probeerde vanzelf bovengemiddeld goed of beter. Ietsje later ‘voor de sport’, "de thrills", voor de kick mocht ik in m’n tienerjaren graag af en toe stevig gaan knokken. In wederzijdse toestemming en doorgaans op ‘n afgesproken plaats en tijdstip, tenzij je bijvoorbeeld in park of steegje eens één of meer van ‘hen’ tegenkwam. In dat geval representeerde je dan je wijk en liet je gelden, of ging alleszins níet flauw, opgerold op de grond de schoppen en slagen liggen incasseren! Neen, in geval van plotse overmacht kon je er toch prat op gaan dat één of enkelen van de anderen zich zeker ook nog deze ‘ontmoeting’ ’n paar dagen zou herinneren… In plaats van inzien dat ’t park groot genoeg was en er alles voor had om er samen één groot feest van te maken, werd het park dus, en zéker de grot ín de berg aan de vijver, van ‘de winnaar’. “Territorial pissings”, zou je heel simpel en juist kunnen stellen.   Eigenlijk was het maar ’n spelletje, maar zeker níét één da ‘k aan mijn of úw kinderen zou aanraden! Zo sneden we wel, maar stáken niet, begrijp je?! Mooi en ’n goed voorbeeld van hoezeer het van inborst eerder ’n spel was, al waren de gevechten en wapens écht, werd het helemaal wanneer ’n enkele keer de politie dan het quasi volledig ommuurde parkje, in hun legendarisch klungelachtige stijl zéér opvallend en via één of alle van de drie- à viertal ingangen binnenviel. Hoe ze hun zaklampen trachtten richten op alles wat bewoog vanuit ’n naar alle kanten op, uitéén stuivende bende jonkies en hoe we, hoewel elkaar nét nog bekampend, plots broederlijk en met ’n gezamenlijk doel, om de domme politie lachend, de struiken door, bomen in en zo uiteindelijk over muurtjes heen hielpen, zodat de flikken toch maar weer níemand konden vatten. Enerzijds kon niemand zo namen gaan noemen en anderzijds genoten we uiteraard bovenal van het gegeven hen gezamenlijk weer eens te kakken gezet te hebben én weer maar eens het nakijken gegeven. Hoe geweld en hebzucht ook voor menig bordspel inspiratie zijn, had ik al vroeg in de smiezen en ik vond ze bovendien saai. Met “4 OP ‘N RIJ” echter, had ik nooit echt problemen, behalve dan hoe ‘Kans’ bepaalde wie eerst mocht beginnen én hoezeer wie al dan niet ‘rijker of armer bedeeld was’ in aanleg en inzicht zonder twijfel óók ’n bepalende invloed had! ’n Fundamentele ongelijkheid, waarin winnaar noch verliezer méér of minder waard was dan de ander, geloofde ik. Enfin, bij het gebruik van wapens zoals ik eerder noemde, moet u zich in een landelijk Vlaams dorp van 20 000 inwoners in de jaren negentig zeker geen grootstedelijke Amerikaanse toestanden met vuurwapens voorstellen, hoor! Daar kwam ik nog iets later pas voor het eerst mee in aanraking. Luchtbuksen wél, maar die werden niet gebruikt in gevechten, enkel vriendschappelijk om ‘soldaatje’ mee te spelen met platte loodjes. Denk ‘paintball’ maar zonder verfvlekken en een ietsje spannender toch! Yep…, géén vérfvlekken! Neen, de wapens waarmee we ons uitrustten waren hoogstens boksijzers, baseballbats, messen, loden pijpen, of ’n waaier aan huis-, tuin- en keukenmiddelen zoals aanstekers, sleutels of kurkentrekker om je vuisten mee te verstevigen of ‘veredelen’ tot wapen. Met enige schaamte toch moet ik toegeven nog stééds ‘n tikkeltje trots te zijn op de inventiviteit van m’n zelfverzonnen en -geknutselde wapen, maar tegelijk ook m’n spijt erkennen over hoe ik hiermee tevens de lelijkste, tot op heden zichtbare, schade aan ’n jongen z’n gezicht toebracht. Enkele onuitgesproken regels die gehanteerd werden, daar ’t vechten zoals gezegd, hetzij met risico’s, eerder ’n bepaald extreem sport- en spelgehalte had dan wel échte kwade bedoelingen, waren bijvoorbeeld ‘het níet op hoofden knuppelen, maar op lichamen wél’, ‘op elkanders muil boksen, maar geen ogen eruit wippen’, ‘wél snijden, NIET steken’, enzovoorts. We mikten en rekenden absoluut op blauwe plekken en dito ogen, bloedneuzen en -lippen, ’n snijwond hoogstens misschien, maar vooral niets onomkeerbaars dus eigenlijk… Soit! Ik benadruk graag  expliciet dat het stukje geheel misplaatste trots waarover ik me overigens schaam dus énkel, hoe verknipt ook, het bedénken en creëren van ‘mijn wapen’ betreft en dat ik zonder twijfel besef hoe ziek in ‘da coconut’ dit bijgevolg ook blijft. Verder rest enkel spijt, niet zozeer over het gebeurde feit, maar naar ‘Die Andere’ toe, ook al blijkt het uiteindelijk ’n enorm sexy litteken geworden te zijn, waarover hij zélf niet rouwig is achteraf bekeken, zo kwam ik te weten.   Oké. Dus…, ergens in een beek naast één van de vele weilanden waartussen ik in ’n daar neergepootte sociale woonwijk opgroeide, vond ik eens een danig verroeste fietsketting, waarmee we spontaan en duidelijk al een beetje ‘van ’t paadje’ ’n soortement van ‘twisted frisbee’ poogden en terzelfdertijd al de natuurlijke reflex ontdekten toch best weg te duiken wanneer dat ding jouw richting uitkwam. Zeker niet iedere worp was geslaagd, maar m’n eerste was echt uitmuntend mooi en waarschijnlijk daarom nam ik het ding mee, zonder specifieke bedoelingen, behalve waarschijnlijk oefenen op de worp. Aanvankelijk onschuldig dus. Totdat er naar aanleiding van weer ’n in het park afgesproken knokpartijtje tussen ons, ‘die van de Molenakker’ en ‘die van de Kerkhovenakker’, de schoffies van die éne andere sociale woningwijk in het dorp, het zieke plan ontsproot om iets met die oude fietsketting te zullen gaan doen. Het idee ermee te zullen gaan gooien werd, ondermeer door gebrek aan oefening, al snel gesoponeerd vanwege enorm ‘on-stoer’ indien je iets wanneer ’t erop aankomt keihard naast gooit én bovendien risico loopt het dan wél raak teruggeworpen te krijgen. Stel je voor, dat zou bepaald niet ‘cool’ zijn…!   Neen, ik moest ermee uit kunnen halen als ware het één of ander ninjatuig. Een verroestte fietsketting ga je niet met je blote poten vasthouden, dus leek één van m’n vaders werkhandschoenen wel ’n puik idee, tot op het moment dat in de garagekast pál bovenop ’t paar handschoenen ’n rol ducttape bleek te liggen. Dat was het!! ’n Ducttapen handvat…, met flink wat lagen tape werd het ideale handvat voor m’n gevaarlijke lus roestige metalen schakeltjes bewaarheid en ik genoot van de bewondering toen ik het uiteindelijk toonde aan m’n kompanen!! “Wow…, écht ziek!”, was in deze dan ook als ’n heus compliment bedoeld en ik nam het trots binnen. Op de bewuste avond zelf dan, begon het zoals gewoonlijk. In het wilde weg op elkaar afstevenen en ik met mijn wapen merkte pas toen hoe doeltreffend het eigenlijk wel bleek na de eerste meppen die ik, volgens de ongeschreven regels, op torso's, schouders, benen en armen uitdeelde en merkte hoezeer de ontvangers toch mooi maar eventjes ineenkrompen en je ze ’n trap, vuist of elleboog achterna kon geven en ik was in m’n nopjes.   Toen plots was het daar…, dat moment waarop je je er in ’n oogwenk bewust van wordt dat je ’n hallucinant belangrijke grens over bent gegaan en schrikt van wat enkel jij zélf hebt aangericht en ’t voelt gebeuren dat je van nét nog deugniet nu plots ‘dader’ geworden bent en iemand levenslang en onomkeerbaar hebt verminkt in ‘t aangezicht. Alsof de tijd in die paar seconden even helemaal stil stond tussen het moment van duizelingwekkend akelige stilte, tijdens onze uitgewisselde blikken en de oerkreet die pas volgde nadat hij notie kreeg van wat ik voor me zag! Tijdens mijn zwaai richting ergens op lichaamshoogte, bukte hij zich net en kreeg hierbij ’n jaap vol in z’n gezicht. De eeuwigheid die het leek te duren waarin ik zag hoe z’n wang van net onder z’n jukbeen, letterlijk als ’n lap vlees naar beneden flapte, ’n biefstukje, totdat pas zoveel later, leek het toen, z’n bloed als ’n waterval, zonder echter te gutsen en met ’n héél klein boogje langs ‘het flapje” écht begon te strómen.  Versuft en in een waas werd ik bij de arm getrokken en we maakten ons uit de voeten. “We hebben gewonnen!”, werd er geroepen, maar al lopend voelde ik me, neen, wíst ik mezelf verloren en bang! Niet om de gevolgen voor mezelf, m’n oude ‘jonge ik’ was er immers al niet meer, maar bang in zijn plaats! De hoeveelheid bloed enkel in die luttele seconden, of half minuutje misschien, alleen al én dat specifieke moment waarop ik in zijn ogen zag hoe hij besefte wat er eigenlijk net gebeurd was, maakten zich van me meester en liet me niet meer los.  Niets! We hadden hélemáál NIETS gewonnen, maar waren allemáál verloren nu!  Dit was menens en ik verwachtte me alvast aan politie thuis die avond en zou geen smoezen zoeken en de gevolgen wel dragen. Arme mams en paps…, beide van hun twee zonen in ’n instelling. Deze shit was écht! Pas de volgende dag, vernam ik dat de kerel in het ziekenhuis lag en dat het nog afwachten was hoe kaak en wang herstellen zouden. Bovendien werd er naar een kale dertiger of veertiger in zwart joggingspak gezocht, die hem uit het niets en zonder aanleiding had aangevallen wanneer hij even ging plassen, toen ie met z’n vrienden wat in het park rondhing.  Oh, die heilige Omerta!  Ook dát was één van de ongeschreven regels... Ik heb hem nooit bedankt, noch mijn excuses aangeboden. Slechts ’n aantal keren nog kwamen we elkaar van op ‘n afstandje, dat we beiden toch automatisch behielden, tegen.    Ik probeerde met m’n ogen m’n excuses uit te stralen, maar hij gaf me telkens ’n knipoog en met ’n mondhoek nét niet glimlachend ’n knikje waarmee hij leek te willen zeggen: “Het is oké, kereltje!” Hij was enkele jaren ouder dan me, bewoog in andere kringen en reed al met de auto, terwijl ik nog gewoon vaak niet naar school ging.  Ik had z’n respect blijkbaar verdiend. Zijn respect, verdomme…?! Niet zo erg veel later verhuisden wij naar ’n ander dorp en zag ik hem nooit nog terug. Ik kan niet anders dan me diep schamen en hem voor eeuwig dankbaar zijn, want m’n leven had ’n heel andere wending kunnen nemen! Door z’n zwijgen vrijwaarde hij mij, nam me in bescherming en hield me de handen boven ’t hoofd…, behoedde me zo voor erger en dát vergeet ik dankbaar nooit!                                                                                                 -Micha Milants-                      

-michA-
0 0

Rosa

Ik herinner me het dorp nog goed, waar ik ooit kind was en daarna nooit meer. Toen de Carrefours nog gewoon GB's waren waar ge, na sluitingstijd onder het afdak op de parking, voor 20 frank nog een winkelkarreke kon kopen en fantaseren over hoeveel meer plezier ge daar mee zou kunnen hebben als 't platte land niet zo plat was. Hoe ge toen en ginder nog vertelde thuis dat ge ‘n neger had zien zitten vanachter op de bus en hoe ge ni wist dat ge daar iets kéí fout mee had gezegd en geen benul had van wat voor beladen connotaties dit droeg en draagt. En da toen ons kernijn ontsnapte, dat de buren efkes later vertelden da ze een kernijn gevangen hadden op hun tennisvelden achter onzen hof en dat dan maar bij de hunne zette. En hoe ge dat direct terugkreeg, zonder veel meer uitleg verder. De cavia…, die begon van puur geluk, voor 't eerst sinds de ontsnapping, terug te eten en te drinken bij de reünie, na eerst 'n aantal rondjes het hok rond te crossen, het konijn achterna. Alles slijt, bedenk ik me, terwijl ik me de namen probeer te herinneren van de twee speelkameraadjes die dood brandden in de schapenstal in één van de velden waartussen onze woonwijk gebouwd werd.  Vermoedelijk na een kampvuurtje dat ze probeerden maken in ons kamp dat we daar met enkele buurjongens, allen ergens rond de tien jaar oud, van hooibalen maakten. De paniek in de straten toen de jongens kwijt bleken en hoe de zoekende gemeenschap toen, ongeveer iedereen op het zelfde ogenblik de link legde tussen de brandweer die de schapenstal kwam blussen en het kwijt zijn van…,  hoe heetten die jongens nou ook weer??? Hmmh…  En hoe dezelfde gemeenschap toen machteloos het moment aanschouwde wanneer de paniek van de zoekende moeders omsloeg in iets anders, iets dat hen deed stoppen met zoeken en deed instorten. Hoe het roepen van de namen van de jongens (Was het nou ‘Davy’, misschien…, één van de twee?) overging in het krijsen van onverstaanbare oergeluiden. “Niet…, neeje, NEE!!!”, als ik het me juist herinner, was het enige dat ik meende te kunnen verstaan. Zulke dingen gebeuren, leerde ik. En ook dat het leven verder gaat, terwijl er met buurjongens kampen gebouwd worden, maar niet meer met hooibalen…, want die lagen in de schapenstal. Ik leerde dat de hoeven van Rosa, de ezel in de wei ergens achter onzen hof, náást die tennisvelden, naar verbrand haar roken, wanneer ze een hoefbeurt kreeg, of heet dat 'pedicure' bij ezelinnen? Ze schroeien dan de hoeven aan de randjes, of zoiets, denk ik. Pas nog later leerde ik dat haar en nagels, snavels en veren, en hoeven dus ook, eigenlijk allen hetzelfde materiaal, ‘keratine’ bevatten en dacht ik terug aan toen en aan fantastische koppige Rosa, die ook stierf. Haar weide en het bergje daar middenin bleken uiteindelijk een ideaal parcours om met onze fietsen te crossen.  Winkelkarretjes rijden niet goed op gras! Curieus eigenlijk hoe herinneringen zich zo willekeurig aandienen en andere niet. Of bestaat een herinnering pas vanaf wanneer ze zich opdringt?! En alles was een  spelleke, of een wedstrijd. Pissen op de schrikdraad…, of om ter verst, bellekentrek of vanalles tegen gevels of door ruiten mikken, maïsrijden, snoepkes stelen en niet veel later sigaretten en seksboekskes. Die sigaretten oproken in 't park of op school in de kelder onder 't podium van de turnzaal en zo 't brandalarm laten afgaan, hetgeen ons bevestigde in ons gangster-zijn, met de daarbij horende Omerta toen de meesters Jef, Stef en Jan uit onmacht, en juf Lieve ook, praktijken gebruikten die kinderen stimuleerden om te klikken zodoende zelf geen straf te krijgen. Grappig en triest eigenlijk dat zulke jeugdherinneringen opduiken wanneer je bijvoorbeeld een film over een concentratiekamp zit te kijken! Ik las eens dat we volwassen zouden worden wanneer we het spelen afleren, maar ik denk dat mijn kindertijd eindigde toen ik begon de dingen te proberen begrijpen.                        Maar het spelen afleren?!  Ik zou niet weten hoe… En volwassen worden al helemaal niet!                                                                                                                                                                                                            -michA-  

-michA-
0 0

Auto terreur

Na de meivakantie begint het aftellen. Nog 10 weken, nog 6, nog 3. En dan: zomervakantie. Langzaam beginnen alle dingen tot afronding te komen en hoor ik mijzelf en mijn collega’s steeds vaker zeggen dat we “die wel even over de vakantie heen tillen”. Wat gewoon een andere manier is om te zeggen dat je ergens geen zin meer in hebt maar door er een actief element van “tillen” aan toe te voegen lijkt het alsof voor je uit schuiven nou juist de bedoeling is. Niemand maalt erom. Wanneer de weken verstrijken, droom ik steeds vaker van een blauw zwembad, een goed boek, lome hitte en heerlijke zomeravonden. Even helemaal tot rust komen, afstand nemen van het werkende leven om mij in alle rust te focussen op mijn gezin en op mezelf. Inner peace. Als een soort yoga goeroe zie ik mezelf dan met serene glimlach op een loungestoel lezen in mijn hoopvol meegebrachte boek over zelfontplooiing. Om terug te komen met vernieuwde inzichten, enorm verrijkt met mooie ervaringen en cultuur. Nergens denk ik aan de realiteit die zich opdringt vanaf het moment dat de laatste schoolbel luidt. Vrije tijd betekent als werkende ouder namelijk dat je helemaal niet zoveel tijd voor jezelf hebt in je vakantie. Het betekent eigenlijk vooral 6 weken bezig zijn met je kinderen. Want die zijn vrij van school. En dát betekent pindakaas op de autobank, zonnebrand smeren op tegenspartelende lijfjes, Legoblokjes door de auto, iPad steunen monteren die er weer af vallen en nog meer van die misère. Een reis met kinderen komt toch het meest in de buurt van een soort militaire operatie. Dat begint al bij de voorbereidingen. Ik regel luisterboeken, knijpfruit, rozijntjes, bruine bollen voor de één en eierkoeken voor de ander. Ik zet de iPad vol filmpjes, bedenk autospelletjes met prijsjes, pak álle speelgoed in de auto en bedenk tussenstops op uitgekiende momenten. Met als doel het gedrein vanaf de achterbank tot een minimum te beperken. Het heeft zelden een langdurig effect. Mijn kinderen zijn ondanks mijn efforts gaandeweg verwend geraakt. Zij wensen vermaak. En wel nu en gevarieerd. Er zijn dus van die momenten op vakantie waarop ik keihard aan het werk ben. Wanneer zoon, omdat hij pillen slikken weigert, hard zuchtend van de misselijkheid op de achterbank ligt. Of als dochter hysterisch krijst dat de iPad meer naar haar kant gedraaid moet worden. Ik verlang dan stiekem naar een geestdodende vergadering. Kun je tenminste net doen alsof je aandachtig luistert maar ondertussen iets interessanters bekijken op je telefoon. Je kunt in deze autoterreur niet geloofwaardig veinzen dat je het gekerm en gezeur níet hoort. Je moet er wat mee. Tenminste als je ernstige schade aan auto of kinderen wil beperken. Ik heb op dit soort momenten nog baat bij wat ik leerde met zwangerschapsyoga; adem dóór de pijn heen. Zucht maar weg. Puffend zit ik dus in de auto, en niet van de hitte. Het gezeur om iPads, misselijkheid en “dit vind ik een stom liedje” wordt steevast opgevolgd door het zich steeds herhalende “hoe lang nog?” wat, als je een beetje pech hebt, al begint bij de grensovergang na Venlo. Gelukkig is Spanje vanaf daar nog maar een dikke 1300 kilometer. Op de terugreis vind ik het boek wat ik mezelf beloofd had nog onder mijn autostoel, waar ik het 3 weken geleden vol goede moed had neergelegd. Misschien dat ik eraan toe kom na de zomervakantie.   Ook te lezen op https://www.werkgeluk.nl/autoterreur/ 

Marleenvandecamp
23 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 6

6   Het duo Bruno-Jimmy bevindt zich iets verderop, aan de andere kant van de stad, in de schemerzone tussen Kortrijk en Heule, gekend als Heule-Watermolen. Door archaïsche dienstorganisaties in het verleden, zoals eerder vermeld, blijven Kortrijk en Heule strikt gescheiden. Dus na het bestellen van nummer 94 in de Izegemsestraat, gaat het over in Heule en moeten ze een stuk doorrijden naar de Kleine Ieperstraat, een klein straatje dat zijn naam niet gestolen heeft – het is een straat die uitmondt in de Ieperstraat, nummer 40 om precies te zijn, maar dat nooit verder geëvolueerd is dan een asfaltbaantje dat naar de fabriek van Mewaf leidt, die gelegen is in de Lijnwaadstraat, ook een zijstraat van de Ieperstraat. ‘Hier hebt ge een COD,’ zegt Bruno, die langs Jimmy rijdt, die zelf de post aan het bestellen is. Dat gaat met horten en stoten – soms moet Jimmy eens terugkeren omdat hij een brief vergeten is. De beste manier om te leren, vindt Bruno, die glimlacht bij het geklungel dat ook ooit zijn deel was. ‘Een wat?’ Jimmy is nog niet mee met de postterminologie. ‘COD, een pakske waarvoor ze moeten betalen. Ge kunt dat zien omdat er een overschrijving aan vastplakt. Kijkt maar eens in uw velozak.’ De fiets leunt tegen de muur terwijl Jimmy door zijn zakken rommelt. ‘’t Is iets dat ge wel leert met de tijd, hoor, wat organisatie in uw zakken,’ zegt Bruno. Jimmy haalt wat pakjes brieven uit de fietszak en legt deze op het voetpad. Bruno rookt ondertussen een sigaret en fluit een liedje. ‘’t Is de beste manier om te leren,’ zegt Bruno wanneer Jimmy eindelijk het pakje opduikelt.   Half verkleumd door de kou belt Jimmy aan. Zijn fiets danst tussen zijn benen. Een man doet open. Hij rookt een pijp. Draagt een kerstmuts. Dat is een echte, denkt Jimmy, zo één van die gelukzakken die zijn werkcomputer kan uitschakelen ergens half december om dan begin januari, tussen twee nieuwjaarsrecepties door, misschien die weer op te starten om zich door de obligatoire hoop kerst- en nieuwjaarsmails te wurmen. En die dat dan nog werken durven noemen. Die nog nooit met halfbevroren vingers proberen een brievenbus omhoog te houden om er een brief in te laten glijden, terwijl de fiets op een ijzige ondergrond óók wil glijden. Wiens vingers nooit vol barsten zitten, van wie de schellen niet alleen van de ogen vallen maar ook en vooral van de handen, die spontaan openspringen bij deze kou. Die, als hij moet gaan piesen, kan gaan piesen, gewoon in zijn verwarmde toilet, in plaats van tegen een boom, in de koude, in de regen.  ‘Ah, een nieuwe,’ glimlacht de man, denkend dat hij iets interessants te vertellen heeft.  ‘Ja, ik ben in opleiding,’ antwoordt Jimmy, met het pakje in de hand, ‘ik heb een pakje bij voor u.’  ‘Dat zie ik,’ zegt de man en hij neemt het aan.  ‘Er moet wel voor betaald worden,’ zegt Jimmy.  ‘Hoeveel?’  ‘Twaalfhonderd frank.’  De man draait zich om en wandelt de gang in.  ‘Zit Bruno met een stuk in zijn kloten thuis, dé?’ vraagt hij.  ‘Nee, nee, Jean, ik zit hier. De beste wensen van ’t jaar, hé.’  De man tast in zijn portefeuille.  ‘Voor u van ’t zelfde, hé. Magritte vindt dat ge goed werk hebt geleverd.’  Jimmy kijkt met afgunst toe hoe Bruno een briefje van vijfhonderd frank wordt toegestopt. Die laatste vouwt het briefje op en steekt het in zijn zwart tasje dat met een ketting aan zijn fiets vast hangt.  ‘En twaalfhonderd frank voor u hé. Hoe noemt gij?’ vraagt Jean.  ‘Jimmy. Jimmy Sabbe.’  Hij zal die vraag nog dikwijls horen. Kortrijk in die tijd was een stad met een dorpsmentaliteit. Iedereen kende iedereen wel, onrechtstreeks.  ‘’t Is de kleine van Reginald.’  ‘Reginald? Reginald drankneuze? Die met Marjolein?’  ‘Ja, die.’  ‘Ik ga nog wat verder bestellen, als ’t niet besant,’ zegt Jimmy, die er liever niet bij is wanneer zijn hele familiesituatie op straat wordt uitgesmeerd.  ‘Ja, aan de Lijnwaadstraat rechts, hé,’ zegt Bruno, zwaaiend met zijn sigaret.  Terwijl Bruno nog staat te keuvelen, gaat Jimmy gezwind de Lijnwaadstraat in – en uit. Voor de eerste keer sinds hij dit doet, heeft hij het gevoel dat hij het kan. Toegegeven, de Lijnwaadstraat is een straatje van om en bij de dertien huizen, of zo, maar Rome is ook niet op één dag gebouwd. Nu is het nog het stukje Ieperstraat richting de Brugsesteenweg, die de Ieperstraat doorklieft. De rest is voor dienst 20. De Brugsesteenweg is voor dienst 17. Tot in Kuurne. Da’s een ander kantoor. Jimmy haspelt de eerder gesproken woorden nog eens af. De overvloed aan informatie op zijn eerste dag wordt nu netjes verpakt in hapklare brokken, gemakkelijker te verteren. Of het ook zo was, in zijn vaders tijd, vraagt hij zich af. Hij slaat de Ieperstraat terug in en wordt op de hoek opgewacht door Adhemar Verhoefstrate, woonachtig op de hoek van de Ieperstraat met de Lijnwaadstraat. Als Adhemar cartoonesk zou worden voorgesteld, dan gegarandeerd als aasgier. Niet noodzakelijk kwaadaardig, maar hij zal nooit aan de haal gaan met schoonheidsprijzen. Gevorderde kaalheid, ongetwijfeld toe te schrijven aan zijn vergevorderde leeftijd, en toch heeft hij meer haren dan tanden. ‘Dag Médard,’ zegt Jimmy, terwijl hij de post van nummer 86 aan de man geeft, ‘ge zijt er ook tielijk bij?’ Eigenlijk weet Jimmy helemaal niet waarover hij moet keuvelen met de mensen. Daar staat hij dan, een jonge kerel van negentien, met een fiets tussen zijn benen, een hoop post in zijn zakken waarvan hij wenst dat hij ze zo snel mogelijk kwijt is, maar beseft dat dat niet te gauw zal gebeuren, door zijn onervarenheid en de gewoonte, blijkbaar, van Bruno, om elke vijf huizen iets te aanvaarden wat eigenlijk niet meer of minder is dan smeer- of zwijggeld.

Miguel
3 0

Fantasie

Het hebben van een uitgebreide fantasie is een groot goed. Vooral als je dit kunt delen met andere mensen. Een aantal van mijn collega’s kan hier ook uitstekend in mee gaan. En dat resulteert soms in de meest geweldige verhalen en aannames. Onlangs nog. Nadat ik verteld had dat ik het deurtje van mijn hondenluik had gerepareerd met duct tape, omdat Stef en Kaatje elkaar geen voorrang hadden willen geven, kwam het gesprek op de kwaliteit van duct tape en de toepassingen die daarmee mogelijk zijn. Een collega vertelde heel onschuldig dat hij altijd een rol duct tape in zijn auto had. En een mes. Nadat wij hem allemaal verwachtingsvol zaten aan te kijken, besefte hij wat hij had gezegd.  ‘Heb je ook een plastic zak bij je, om over het hoofd van je slachtoffer te trekken?’ ‘Ik ga met jou nooit mee in de auto, dat weet ik wel.’ ‘Hmm, weet HR dat we een potentiële seriemoordenaar in ons midden hebben? Dat heb je tijdens de sollicitatieprocedure natuurlijk niet gezegd.’ Hilariteit alom. De arme collega kreeg het ook niet meer rechtgebreid. Hij probeerde zich nog te verdedigen maar het gelach om hem heen deed hem toch maar opgeven. Hij boog het hoofd en accepteerde dat hij een domme opmerking had gemaakt. Natuurlijk gaven daarna de meesten toe dat zij ook wel iets dergelijks in de auto hadden liggen. Uiteindelijk weet je nooit waar je onderweg voor komt te staan. Zeker als je dan ook nog gaat kamperen. Mijn maatje had altijd een uitgebreid assortiment gereedschap bij zich. Hij was niet voor één gat te vangen. ‘Mach, beter mee dan om verlegen.’ Fantasie, het maakt het leven meer kleurrijk. Ik hou van mensen met fantasie. Ze maken de verhalen levendiger dan ze eigenlijk waren. Sommigen noemen het overdrijven of zelfs liegen, maar zo zie ik dat niet. Mijn maatje kon ook kleurrijk vertellen. Sommige verhalen vertelde hij, op verzoek, keer op keer. Totdat ik hem bijna smeekte om het verhaal nu te laten rusten. Waarna vrienden hem dan toch weer uitdaagden om opnieuw te vertellen. Niet om de inhoud van het verhaal maar om de voordracht die het inmiddels was geworden. Daarom hoop ik dat mijn fantasie me niet in de steek laat. Tenslotte moet je het kind in je koesteren. Want anders word je volwassen. En dat is echt heel saai.          

Machteld
3 1