Lezen

Tip

Tussen etenstijd en bedtijd

Het is het moment van de rust, ergens tussen avondeten en bedtijd, en hij en ik zitten samen aan de tafel. De kinderen zijn na de gegeerde toestemming als gnoes de keuken uit gestoven. Voor ons staat de vuile vaat als een metafoor van ons rommelig leven ons grijzend in het gezicht te staren. We moeten ons geen illusies maken. Dit moment duurt maar heel even. Straks tikt de klok weer ongenadig verder en verdwijnen we weer zachtjes in de maalstroom van de dag. Maar nu zitten we, samen, en de klok tikt niet meer. De vaat mag grijnzen wat ie wil, de kinderen zijn verdacht stiller, maar ook dat dringt amper tot ons door. Ik kijk naar mijn man en ik zie de zwaarte van de dag langzaam zijn schouders afglijden. Het is pas in dit moment, wanneer alles wat eerst moet al klaar is en alles wat daarna moet nog enkele tellen op zich laat wachten, dat we echt kunnen thuis komen.  Het is vreemd, maar nu en elke dag op deze nu, moet er niemand dringend plassen, staat er nooit een kat te janken om naar buiten - of nee toch maar binnen - te gaan; op dit moment belt er niemand aan en als men het toch zou wagen, zou de bel zeker dienst weigeren. Dat hebben we nog nooit getest, maar sommige dingen staan vast zonder dat ze ooit werden uitgesproken of opgeschreven.  We kijken elkaar niet aan, we spreken ook niet. Ik vraag me af of hij wel weet dat ik hier zit, hoewel we net samen gekookt, opgevoed, gepakt, gekuist, gegeven, gesneden, geprikt, aangemoedigd en - oh ja - gegeten hebben. Ik voel me rustig en stabiel, we voelen het vast allebei: we kunnen dit. Meer zelfs: we doen dit.  Het is het moment van de dag dat ik het meeste koester, een gouden randje omhult op dit moment ons huis, ons gezin, onze toekomst. Buiten regent het of het is net veel te warm, maar dat geeft niet. Nee, dat geeft niet. We worden immers nergens meer verwacht en niemand zit nog op ons te wachten. Het is hier te doen, bij ons. Ondertussen liggen de uren en de ervaringen van vandaag onder zijn stoel en het is stil in mijn hoofd, voor heel even. Voor heel even zijn wij wie willen zijn - altijd tussen etenstijd en bedtijd. Voor heel even hebben we de touwtjes in handen. Ik begrijp hem. Hij zegt niks, maar ik begrijp zijn onuitgesproken woord. Ik vind dat ook, jongen, ik vind dat ook. Ik denk heel erg hard aan hem en hoop dat hij dit voelt. Via de liefde ofzo, denk ik naïef. Dat mag nu, in dit moment mag dat. Naïviteit heeft een plaats tussen etenstijd en bedtijd. We zouden kunnen spreken, bedenk ik me, maar ik voel en weet dat dit moment dat niet nodig heeft. In deze tijd kan alles, mag alles, in deze tijd zijn we de best mogelijke versie van onszelf. Thuisgekomen. Wat is het stil. Thuis is waar het stil is, hoe luid we met zijn allen ook zijn.  Langzaamaan hoor ik weer kinderstemmen in mijn hoofd en ik zie in mijn ooghoek dat er een kat voor de deur zit. Hoelang zit dat beest daar al? Het is alsof mijn man me aanvoelt, want ik hoor hem zeggen dat hij seffens de tafel gaat opruimen en op dat ogenblik is het onvermijdelijk voorbij. Het gouden moment is ingehaald door het leven, vanaf nu is het wachten op een nieuwe dag. De klok tikt oorverdovend hard in mijn hoofd en ik roep de kuikens toe dat we seffens moeten gaan slapen en dat ze eerst nog moeten douchen, opruimen, tv kijken, kaka doen, nog wat opruimen en zeker niet vergeten om ... op te ruimen. Ik kijk terug naar hem en zie dat hij de zwaarte van dag van onder zijn stoel heeft bijeengescharreld en terug op zijn schouders heeft geladen. Ik stel hem volwassen vragen over zaken waar ik eigenlijk veel te weinig van snap en vraag me af wanneer mensen eigenlijk echt volwassen zijn? Is volwassen zijn altijd afwas hebben staan of is volwassen zijn nooit alle antwoorden hebben op moeilijke vragen? Hij kijkt in mijn ogen en nu voelen we het zo: Kunnen we dit wel? Meer nog: Wat zijn we eigenlijk aan het doen? Het maakt me onzeker en ik probeer een stukje zwaarte van zijn schouders te lichten en op de mijne te laden. Dat moet de liefde zijn. Ondertussen hangt er een kind aan mijn broek, is een ander kuiken kasten aan het leeghalen en vertelt de laatste een mop waar ik eigenlijk niet mee moet lachen. Volwassen zijn is een poging doen om overtuigend te lachen met oerslechte moppen. We doen allemaal maar wat, zeg ik. En er is niemand die me ongelijk geeft. Morgen, wanneer de klok weer even stilstaat tussen etenstijd en bedtijd, neem ik me voor om de zwaarte onder de stoel van hem weg te keren nog voor de tijd ons weer voortduwt. Het zal me niet lukken, weet ik, en dat is helemaal oké. Het is immers altijd een voornemen dat ons doet leven.  Morgen, zeg ik, morgen neem ik me voor om wat meer te leven. 

Sifaka
116 8

Harige Handy

'Ik ben gelukkig getrouwd met een Harige Handy!' Ik hoor het haar nog steeds zeggen. Zeker nu. Jarenlang deelden we, samen met nog een paar anderen, een groot kantoor. En lief. En leed. Op zich vulden we elkaar prima aan, vooral op professioneel vlak. Zij was een aanpakster. Aanvankelijk wilde ik pragmaticus schrijven, maar dat zou te intellectueel klinken. In elk geval, als er zich een probleem voordeed, loste zij het op. Meestal door, zonder de kwestie helemaal te begrijpen, meteen naar de telefoon te grijpen om hulp te vragen of, als we erachter kwamen dat iemand een fout had gemaakt , iemand op zijn plichten te wijzen. Heel af en toe brutaal of bot, bijna beledigend. Altijd recht voor z'n raap. Onomwonden, zoals een uitgepakte mummie of van die slingers toiletpapier die voetbalsupporters op het veld gooien als de spelers hun opwachting maken voor een belangrijke wedstrijd.  Zelf ben ik veel ingetogener. Ik denk meestal twee, drie of vier keer na vooraleer ik enige actie onderneem. Waarschijnlijk te veel, waardoor ik in het dagelijkse leven al eens als terughoudend of zelfs besluiteloos overkom. Het jammere is dat ik dat zelf besef, waardoor ik, om tegen mezelf te rebelleren of om aan mezelf te bewijzen dat ik geen saai of angstig mens ben, soms opzettelijk ondoordachte dingen doe.  Van de andere kant ben en was ik wel een stuk taliger dan zij. Op zich geen glansprestatie, want zij maakte er een sport van om allerlei voor de hand liggende uitdrukkingen, zegswijzen of zinsconstructies verkeerd te gebruiken of op ongewilde en bijgevolg lachwekkende wijze door elkaar te haspelen.  'Ik ben gelukkig getrouwd met een Harige Handy!' riep ze dus op een keer, nadat ik uitvoerig verteld had over mijn voorbije verlofdag, tijdens dewelke ik erin geslaagd was om al kokkerellend in mijn linkerwijsvinger te snijden, al klussend - stel je er niet te veel van voor, gewoon een fotokadertje ophangen - mijn duim én diezelfde linkerwijsvinger plat te hameren, het desbetreffende kadertje op mijn voet te laten vallen en daarna op mijn sokken in de glasscherven te trappen. 'Wij zijn ook gelukkig getrouwd,' repliceerde ik, zonder het cliché van zij gelukkig en ik getrouwd (of omgekeerd) boven te halen, 'en nee, ik ben zeker geen Handige Harry, want dat was ongetwijfeld wat je bedoelde.'  Kalf, dacht ik daarna nog. Dat zeg ik er eerlijkheidshalve even bij. Ik was een beetje boos. Dat zou me vandaag de dag niet meer overkomen, want ik heb me al decennialang neergelegd bij het feit dat ik legendarisch onhandig ben. In die mate dat ik er met gemak een titel of vermelding in het Guinness Book of Records mee zou kunnen verdienen.  Enfin, dat heb je dus met herinneringen. Soms komen ze ongewild naar boven, en soms, als je in de mood bent of er echt behoefte aan hebt, lukt het niet om ze op te halen. Een herkenbaar probleem voor ouder wordende mannen en hun aanpalende of naastliggende lichaamsdelen, doch dit terzijde.  Zoals je ongetwijfeld weet, heeft alles een oorzaak. Deze keer was die het feit dat ik al ontbijtend, net nadat ik vrolijk en energiek had geopperd dat het een zonovergoten dag zou worden, per ongeluk met mijn mespunt achter het oor van mijn kopje koffie haakte, waardoor ik het onopzettelijk kantelde en heel de tafel onder de koffie kliederde. 'Volgens mij wordt het eerder een koffie-overgoten dag,' grinnikte mijn wederhelft terwijl ik met vaatdoek en stukjes keukenrol heel het boeltje zat te deppen en weg te vegen.  Onze jongste dochter deed er nog een schepje bovenop: 'Jakkes, papa, ik zie nu pas voor het eerst dat er haar op je vingers groeit! Ie-juw!' 'Wist je dat dan niet? Dat heeft hij al lang, op beide linkerhanden!' Mijn vrouw weer. Hilariteit alom.  Ze beseft niet eens hoe gelukkig ze getrouwd is. Harig ben ik al, maar dat handy zal er nooit van komen, vrees ik.  

Danny Vandenberk
4 0

Starry starry night

Soms zie je ze. Maar soms ook niet. Al die hoge sterren aan de hemel. Af en toe met een planeet erbij. Of de maan. Wonderbaarlijk ver weg en zo helder. Maar dus soms zie je ze totaal niet. Soms zijn ze echt verstopt, achter wolken. Of bestaan ze dan misschien gewoon aan de andere kant dan waar ik naar kijk. Kijk ik dan soms naar een verkeerde kant? En soms is er te veel licht om ze te zien. Lichtpollutie noemen ze dat. Vervuiling. Vuile hemel. Weg met de heldere, glinsterende sterren. Enkel het pure donker, zonder één wolk, in een open ruimte, biedt het mooiste resultaat. Dwalend en dromend kan ik er uren van genieten. Tot aan de einder, geen vuiltje aan de lucht.   Zo dacht ik toch toen ik hem ontmoette. Geen vuiltje aan de lucht. Ik pikte hem op aan het station. Zo hadden we afgesproken. Die ene mooie lentedag in mei met de perfecte temperatuur. Terrasjesweer noemen ze dat in het weerbericht. Precies of dat de referentie is voor mooi weer, terrasjes doen. Alsof het iets actief zou impliceren door het werkwoord doen te gebruiken. Men zit gewoon, men doet niet. Maar die dag, die terrasjesdate in mei, was het zover. Op de middenberm stond hij op de uitkijk. Grijzend haar en een knalrode broek. In de heldere middagzon van mei. De lente mag er zijn. Hij stapte in en gaf me een zoen. Hij rook naar meer. We bestelden wijn en Duvel. Zijn stem deed de sterren trillen. De ruimte verdween en er was geen heelal meer. Er was enkel nog hij en ik en zijn hand en mijn hand. Al het andere verdween. Opgeslokt in een zwart gat. Niet meer relevant. Geen vuiltje aan de lucht op date één.  Maar zoals blinkende sterren het vergaan, was ook hij niet steeds zichtbaar. Keek ik naar de verkeerde kant? Was het weer vandaag niet gericht op handen en sterren en ogen zien? Was een maand later de Aarde gewenteld en was het elke nacht terug pikdonker? Of moest ik gaan betogen tegen lichtpollutie? Of ja, gewoon wachten, tot de zon terug in haar as zat en draaide met de wind mee. Want daar was hij weer. Aantrekkelijk zoals de zee naar de maan vloeit. Alsof hij altijd was blijven schitteren aan de hemel. Met een zoen en een knuffel en een verhaal over planeten en zwaartekracht en vallende sterren. Ik hing terug aan zijn lippen. Ik wou meer. Hij blonk weer. Parmantig straalde hij mijn hemel vol licht. Geen vuiltje aan de lucht.  Zijn huis lag wel wat rijden van mij vandaan. Maar geen lichtjaren. Zo ver nu ook weer niet. Zijn bed was enkel tijdelijk beschikbaar. Van valavond tot volle maan. Daarna sliep ik thuis. Zonder te weten wanneer de sterrenhemel terug zou openbreken. Enkel wat boodschappen, recht uit de kosmos, belandden in mijn gsm. Het was zo fijn geweest. De maan had weer eens geschenen.  Zo gingen en kwamen de maanden en dan de jaren en de sterrenhemel was bezaaid en dan weer leeg. Andere planeten draaiden verder rond terrasjes en verdwenen weer op Aardrijkskundige wijze. Je zou dat kunnen opzoeken. AI weet zeker en vast hoe dat werkt. Zou er een ster bestaan met dezelfde schijn- en verdwijnfrequentie als die van hem?  Zou in een pure wereld, zonder één zijweg, in een ruimte van slechts twee personen, het resultaat van hij en ik op zijn mooist kunnen zijn? Zonder één vuiltje aan de lucht? Kan ik ooit nog naar de sterrenhemel kijken zonder meer te wensen?   Ik kijk de hemel in. Gitzwart met flauwe blinkers. Komend en gaan als knipperlichten. Ik droom weg. Waar is hij heen? Zou een ander nu wel de juiste kant uitkijken en de blinkende sterrenhemel krijgen?    En dan gebeurt het. Een plotse flits en een lichtstraat. Is dit echt een vallende ster? Kan ik een wens doen? Zou ik hem terugwensen? Mijn hoofd tolt en de hemel draait rond mij. Er is geen tijd. Er is enkel nu. De flits schudt me wakker. Val nu maar, jij ene ster. Vanaf nu doe ik geen wens meer. Val nu maar en blink nooit weer. 

Lumes
5 1

Alma Mater

Mijn grootmoeder heette Alma. Wij zeiden meter, maar eigenlijk heette ze Alma. Ze haatte die naam, omdat dat volgens haar “ne naam van den Duits” was. In haar hoofd was het een vaststaand feit. Alma was geen naam voor een mens gelijk zij. En toch heeft geen naam ooit beter bij iemand gepast. Alma Mater. De voedende moeder. De moeder der moeders. Al zou ze zelf gezegd hebben: “Doe normaal, kind, en eet nog een stuk appeltaart.” Want dat was meter ook. Geen grote woorden. Wel zoete citroenthee bij griep. Extra lang op haar schoot bij een geschaafde knie. Rijstpap op vrijdag. Appeltaart op zaterdag. Rituelen waar ge als kind op vertrouwt gelijk de zon die opkomt. En katholiek dat die vrouw was. Wij moesten elke week naar de mis. Geen discussie mogelijk. Of ge moe waart, of het regende, of ge liever in uwe pyjama naar Niels Holgerson keek, deed er niet toe. God wachtte niet. Dus zaten wij daar braaf in de kerk terwijl meter ondertussen alle heiligen persoonlijk leek te kennen. Voor examens werd er gebeden. Voor een operatie werd er gebeden. Voor slecht weer op het communiefeest werd er een noveenkaars aangestoken alsof ze rechtstreeks met de hemel onderhandelde. Ik ben dat geloof onderweg ergens kwijtgeraakt. Maar nog altijd, als er echt iets is, iets groot, iets waar ge zelf geen vat meer op hebt, denk ik soms: “Almake… spreek uwe God daar eens op aan.” En eerlijk? Een stuk van mij gelooft dat ze dat doet. Bij meter thuis was het altijd warm. Letterlijk ook. Een kleine leefruimte met een kachel die precies heel de familie draaiende hield. Vijf kleinkinderen door elkaar. Een tafel vol kaarten. Beeldjes op de schouw. Mijn grootvader in zijn vaste hoek van de zetel. Mensen die luid praatten, luid lachten en soms luid ruzie maakten om daarna gewoon verder cake te eten. Daar werden liedjes gezongen over nen bleken blauwe hond alsof dat cultureel erfgoed was. Daar werd uren gekaart. En meter, die smeet haar kaarten op tafel met de grandeur van een casino in Las Vegas en riep: “Zevenen! Dat kan alleman!” waarop wij allemaal tegelijk begonnen roepen dat het ni waar was. Het was een huis van commentaar geven zonder rem. Van elkaar plagen. Van verhalen die elk jaar straffer terugkwamen. Van te luid soms zo luid dat de ramen ervan trilden. Ik heb het duidelijk van geen vreemden. Later, toen ik zelf moeder werd, veranderden onze gesprekken. Ze gingen minder over kinderknieën en meer over het grote modderen. Over hoe ge uw best kunt doen en toch soms denkt: is dit het nu? Over kinderen die moeten vliegen, terwijl ge zelf nog met hun jas in uw handen staat. Jaren later noemde ik mijn bedrijf naar haar: Huis Alma. Niet omdat ik een heilige wilde eren, maar omdat ik iets van haar wilde meenemen. Haar nuchterheid. Haar pragmatisme. Haar massa’s liefde. Haar relativeringshumor. En altijd ergens die geur van soep of versgebakken cake. Zelfs op het einde, toen wij voor haar mochten zorgen, bleef ze Alma. Kleiner misschien. Brozer. Maar nog altijd een huis. Nog altijd iemand bij wie ge dacht: hier mag ik zijn. Misschien is dat moederschap. Niet perfect zijn. Niet altijd zacht. Niet altijd geduldig. Soms kijven. Soms zuchten. Soms de verkeerde dingen zeggen en daarna toch koffie zetten. Maar vooral: een veilige haven zijn voor vogels die moeten vliegen. Een plek die zegt: het is goed. Bij mij zijt ge veilig. Gelijk wat. Ik blijf. En ondertussen modderen we allemaal maar wat aan. Met onze soep, onze kinderen, onze zorgen, onze appeltaart. Zoals meter het ons geleerd heeft.

Katrien Daniels
57 4

Taart zonder moederdag

Ze sloft door de tuin naar de keuken. Haar ouders zitten al aan tafel. Op de tafel staat een grote Bresiliennetaart. Die had haar zoon gisteren gekozen. Ze had hem van school gehaald en gezegd dat hij zijn valies moest pakken om naar zee te vertrekken, maar hij wou eerst nog boodschappen doen. Ze zei dat hij spekjes met pasta en broccoli kon eten en dat ze morgen boodschappen konden doen. Hij had dat deze week al gegeten bij zijn vader, zei hij, we passeren toch een winkel, het duurt echt niet lang. Ze gaf toe omdat ze hem al maar zo weinig kon verwennen en stiekem wou ze ook wel een taartje. De weekends met haar zoon daar keek ze enorm naar uit. Het was het derde weekend samen. Drie weekends op 3 maanden. Dat was niets. Zij die altijd dag in dag uit met haar kinderen doorbracht. Geen uur in de opvang of de studie, geen uur bij een babysit, 11 jaar lang fulltime mama voor haar zoon en 14 jaar lang voor haar dochter. Tot de scheiding. Dan werd ze plots halftijdse mama en door het gedrag van hun vader minder dan halftijds en nu wellicht niets meer.  Ze keek naar het witte nootjestapijt op de stevige gele crème. Bresiliennetaart deed haar altijd aan haar vakantiejob denken bij Rosalie Babelutte in Heist. 's Morgens startte ze met zich in het zweet te lopen tussen de bakkerij op de kelderverdieping en de winkel op het gelijkvloers. Grote grijze bakken met allerlei broden, koffiekoeken, sandwiches en pistolets werden verhuisd. De broden werden in metalen rekken geplaatst in de buurt van de deur. De kleine broodjes werden mooi gestapeld in het houten rekje achter de toonbank. Daarna werden de taarten naar de winkel gebracht en in de vitrine gelegd en ging de winkel open. De eerste uren was het non-stop klanten bedienen. Met drie stonden ze in de winkel. Er waren twee kassa's. De oudste vond ze fantastisch. Daar moest ze de ronde knoppen met een zware vinger aanslaan om zeker een duidelijk cijfer op het kasticket te zien verschijnen. Tegen de middag waren haar vingers moe en was de inktafdruk lichter blauw dan het eerste uur van de werkdag. Als ze de totaaltoets had ingedrukt en de kassa met geweld en veel geluid open vloog, begon het hoofdrekenen om te weten hoeveel ze moest teruggeven. Ook dat ging soms minder vlot tegen de middag. Op de andere kassa verscheen het terug te geven bedrag digitaal op het schermpje, waardoor je de klanten soms op voorhand zag kijken bij wie ze zouden bestellen om toch maar niet op de oude kassa bediend te worden. Als het niet druk was mochten ze enkel de oude kassa gebruiken. Die kassa was voor het zwart geld, hadden de bakkersvrouwen haar gezegd. Hun echtgenoten werden oud en ze zouden het niet lang meer volhouden, dus dat zwart geld zou van pas komen. Na een paar uur goed doordraaien viel er altijd een rustuur. Dan kon één van hun drieën iets eten, wie het meest honger had of loden benen of het ergste had gezweet ging eerst rusten. In de namiddag werd er roomijs gemaakt door een andere jobstudent. Zij mocht terwijl hij de ijs bereidde kiezen of ze verder in de bakkerij stond of bij hem in de crèmerie of beneden bij de afwas. De afwas moest ze minstens één keer per week kiezen. Daar werd nog meer gezweet: grote bakplaten proper maken met een ijzersponsje en bijtende producten en de vaatwas vullen met bordjes en tasjes van de crèmerie en de bakkerij. Maar er werd wel gelachen aan de afwas, want de twee bakkersbroers en de bakkersstudent waren blij dat hun shift er bijna opzat en kwamen wat gek doen voor ze huiswaarts gingen. De bakkersvrouwen die dan in de winkel stonden kwamen af en toe haar afwas controleren en de mannen wegjagen met hun gekdoenerij. De bakkersvrouwen waren ook zussen, maar zo anders. De zwarte was op het eerste zicht veel zachter en aangenamer om mee te werken en bleef altijd hetzelfde naar klanten, een lachje en een zacht zenuwachtig geluidje dat de ene dag al uitgesprokener aanwezig was dan de andere, een soort kuchje waar ze soms om moest lachen. De blonde had iets stuurs en dat maakte haar destijds wat bang, maar na een week had ze door dat achter het stuurse een crème van een vrouw zat met het hart op de tong. Stond een klant haar niet aan dan hield ze zich niet in. De zwarte had dat misschien beter ook wat meer gedaan, dan was ze misschien van dat kuchje vanaf geraakt. Maar de zwarte vond klant koning, de blonde was een onbeschofte respectloze klant graag kwijt. Zo herinnerde ze zich een Duitser die ze in haar beste Duits letterlijk terug naar de loopgraven verwenst had. Even dacht ze dat ze met elkaar op de vuist zouden gaan, maar ze nam gewoon zijn kopje en zijn bord met een zwier voor zijn neus weg terwijl ze hem luid haar gedacht zei. Met haar vinger wees ze naar de deur en toen hij nog wat tegensputterde gaf ze nog een extra duw in de lucht om haar standpunt definitief duidelijk te maken en gooide de deur achter zijn hielen dicht. Zo boos was ze. De hele winkel stond verbaasd te kijken en de bestellingen werden doorheen de hele scène gehakkeld uitgesproken of simpelweg onderbroken.  In de namiddag kwam altijd een dipje. Toeristen zaten op het strand, de ochtend- en middagspits was voorbij. De jobstudent die met zijn grote roeispaan in de enorme ton draaiende roomijs schepte maakte de namiddag altijd tot een spel. Hij probeerde het ijsdraaien soms wat te rekken zodat het minuten tellen tot de avondspits wat minder lastig zou zijn, maar dat hadden de twee bakkersvrouwen al gauw door. In die dode minuten kwam de zwarte of de blonde ook altijd vragen “Wuk wult je vandoage, ne kreem, e tortje of e beuterkoeke?”. De bresilienne moest altijd eerst op. Aan het einde van het seizoen kon ze geen bresilienne meer zien. Maar nu had ze al anderhalf jaar een lief die verzot was op taartjes en bresilienne stond weer vaker op tafel. Niet zelfgemaakt.  De eerste taart die ze hem liet proeven anderhalf jaar geleden was rabarbercrumble. Ze durfde toen nog niet dicht naast hem zitten, maar dat duurde niet zo lang. Ze wil hem zo graag bellen en vragen om een stukje te komen mee-eten, maar hij heeft rust nodig, dus stuurt ze niets. Ze kijkt naar haar vader en zegt. K sta hier nu hé, met mijn bresiliennetaart en al mijn eten voor drie dagen. Hij zegt dat ze het gaat moeten loslaten en aan zichzelf moet denken. Hoe dan?, vraagt ze. Ik heb de voorbije 16 jaar voor mijn kinderen geleefd. Hoe kan ik ze nu volledig loslaten alsof ze niet meer bestaan? De tranen rollen weer over haar wangen. Ze zwijgt en eet. In haar hoofd speelt ze nog eens de voorbije dag af. Het was vrijdag. Ze was opgestaan met slaapscore 90, dat had ze nog nooit gehad. Ze at een boterham, dronk koffie en reed naar de kinesist. Ze was fier dat ze opnieuw perfect geparkeerd stond, weer een kleine overwinning. Ze had haar wijde coltrui aan omdat ze het koud en vochtig vond. De kinesist lachte en zei “wat een verschil met je zomeroutfit van vorige week”. Dan had ze door dat ze misschien wat overdreef, zo kou was het niet. Maar ze had dat wel vaker in het begin van de lente, nog even het gevoel van de winter willen, net zoals ze in de late herfst nog met blote billen liep om nog een beetje zomer te voelen. Over die blote billen van haar had hij in hun eerste smsjes nog opmerkingen gemaakt. Ze miste die smsjes. Ze had wel vaker schrijvende lieven gehad, maar hij was anders. Vertel eens hoe het geweest is met de wandelingen, vroeg de kinesist. Perfect, 12 kilometer zonder pijn en twee dagen na elkaar. Terwijl ze de woorden uitsprak dacht ze aan de westhoek en hoe ze gevoeld had dat de liefde stroomde. Ze keek zo uit naar het lange weekend die eraan kwam, maar nu door deze crisis voelde alles weer anders. Haar zenuwstelsel stond weer gespannen en ze was weer bang. En ze wist dat haar angst ook zijn angst kon terugbrengen.  Maar eergisteren heb ik opnieuw een serieuze emotionele crisis gehad waardoor mijn rug en nek weer vast zitten, ging ze verder. De kinesiste reageerde dat ze dan eerst naar die rug zou kijken. Ze deed haar werk en het deed deugd. Aan het einde kreeg ze te horen dat ze een heel goed lichaamsbesef en enorm soepele gewrichten had waardoor de manipulatie vlot ging, ze kon haar in alle richtingen draaien en keren. Ze dwaalde af bij die woorden en moest aan hem denken, haar lief, hoeveel zin ze had om nog eens door hem in hoeken en bochten gedraaid te worden. Maar dat ging nu niet. Ze kon niets forceren. Geduld. Zijn moeilijke periode zou overgaan, dat wist ze zeker, ze wist alleen niet wanneer. Ze stond op, betaalde, bedankte en ging naar de auto. Buiten was het intussen warmer. Ideaal voor de wandeling met haar jeugdvriend. Ze kon het niet laten hem een duwtje te geven in de richting van een gemakkelijkere toekomst. Hij zat al te lang vast en ze had hem al lang niet meer gemotiveerd omdat ze teveel met zichzelf bezig was. Hij gaf haar ook af en toe een duwtje, ze had er wel iets aan en hoopte dat hij ook iets aan haar duw had. Daar dienden vrienden voor. Halfweg stonden ze stil. Een klein reetje was rustig aan het grazen en keek even op toen ze dichterbij kwamen. Ze bleven wat staan. Zij trok een foto voor de kinderen en voor haar lief, die hielden ook van dieren in het wild. In de namiddag scrolde ze nog wat naar jobs en huizen en naar een leuke plek om het volgende weekend door te brengen. Hij had haar vandaag nog niet gebeld en ze had wel zin om hem te horen en haar pikante gedachten te delen. Maar net voor ze het daarover wou hebben stapte haar zoontje in de auto, dus zweeg ze, het was niet voor kinderoren bestemd. Het deed wat pijn in haar buik om haar lief en haar zoon even met elkaar te horen praten, net zoals het pijn deed om zijn zonen van op afstand in de auto te zien en er niet bij te mogen. Zo had hij het beslist. Na een half jaar fulltime samenzijn en dan nog meer dan een half jaar halftime samen zijn kreeg ze zijn zonen plots niet meer te zien en wou hij haar kinderen niet meer zien. Haar zoontje zag er enorm van af. Sinds ze niet meer samenwoonden had hij op school dagelijks problemen en was hij geschorst. “Jullie zoon is een lief, beleefd, leuk en eerlijk kind, maar hij gedraagt zich sinds half januari absoluut niet in de klas en hij heeft er precies geen besef van. We moeten hem helpen hadden ze gezegd, want we begrijpen dat hij de voorbije jaren heel wat te verwerken had, maar hij vliegt wel eerst een paar dagen van school.” Zij had dat eigenlijk een mooi cadeau gevonden. Dankzij de schorsing kon ze hem midden in de week drie dagen bij haar aan zee hebben. Wat hadden ze daarvan genoten! De babbel met haar lief aan de telefoon sloot ze af en de rest van de autorit praatte ze met haar zoon. Wat was er vandaag misgegaan in de klas? Ze had immers opnieuw een mail ontvangen van de juf wiskunde. Er hing stinkende parfum van de zesdes in de klas, had hij gezegd, en om het niet te ruiken had ik mijn neus in mijn fles water gestoken. En de jongens hadden mijn plezier gemist toen ik er niet was. Ze reageerde kalm, zoals altijd, maar maakte hem de gevolgen van zijn gedrag wel duidelijk. In de winkel waren ze enthousiast en kochten allerlei lekkers. Hij koos de bresiliennetaart en zei dat hij een stukje aan zijn vader ook ging geven. Zij zei dat het ok was, hoewel ze liever een stuk aan haar lief had kunnen geven omdat die veel blijer reageerde. Op de weg naar huis begon haar zoon over iets wat hij cadeau had gekregen, waarop zij reageerde dat ze daar ook wel de helft van betaalde. En ze probeerde nogmaals uit te leggen hoe een gescheiden koppel werkt. Maar zulke gesprekken maakten haar zoon altijd boos. Dus zei ze dat het al goed was en ze erover ging ophouden, maar dat ze niet wou dat hij zo boos reageerde en dat ze ook niet wou dat er dingen werden gezegd die niet klopten, maar dat hij daar niet aan kon doen, dat zij het wel zou oplossen. Ze kwamen boos thuis aan. Hij bleef wat in de auto zitten. Hij vroeg wat hij nu moest doen. Ze zei dat hij zijn valies moest nemen en vertrekken. Hoe kan ik weten of je mij nog mee wil vroeg hij. Natuurlijk antwoordde ze, maar ik wil niet dat je nog zo'n dingen zegt, het maakt mij telkens overstuur. Terwijl hij zijn valies nam, vroeg zij haar ex om de fietsen nog in te laden, zodat ze die kon binnen doen in de tweedehandswinkel zodat de kinderen nog een spaarcentje hadden en hij de rommel kwijt was. Hij stak er echter een fiets teveel in. Ze had het nochtans duidelijk gezegd en al meerdere keren herhaald dat ze die niet zou meenemen. Hij had toch zijn zin gedaan en alles in haar auto vastgebonden. Toen ze zich daar over irriteerde en hem wees op het feit dat hij sinds de scheiding totaal niet behulpzaam was geweest werd hij heel boos en liep weg. Hem weer zo zien raakte haar nog steeds. Haar vader had het ook weer gehoord, zijn geroep. Ze begreep het niet, ze begreep niet waarom hij zo hatelijk bleef doen na al die jaren dat ze zich voor iedereen had ingezet. Hij had nochtans een doos vol goede eigenschappen ook, maar om de één of andere reden ging die maar af en toe open. En daardoor was ze de liefde kwijt geraakt, zichzelf ook kwijt geraakt. Opgejaagd stapte ze in de auto en vertrok met haar zoon richting zee. Er was file door de werkzaamheden in de straat. Stapsvoets gingen ze vooruit. Haar zoon zei dat hij bij zijn vader gecheckt had of het klopte wat ze over het financiële had gezegd en hij had gezegd van niet. Toen werd ze boos. Ze zei dat het veel te complex was voor hem en ze gewoon wou dat hij het er niet meer over had, dat het niet ok was hoe het nu geregeld was en ze recht had om haar kinderen veel meer te zien. Haar zoon werd nog bozer en plots kreeg ze zijn hand tegen haar gekletst. Zij werd ook bozer en zei dat het echt niet ok was, dat ze begreep dat ze had moeten zwijgen, maar ze geen klets verdiende. En dan viel de zin die ze zo had gevreesd, dat hij niet meer mee wou naar zee. Ze wist dat hij wel zou kalmeren als ze toch zou rijden, maar ze was zelf echt boos en wou nu eindelijk eens aan haar ex een signaal geven dat dit niet meer kon. Ze voerde hem tot daar, maar in plaats van dat ze van hem steun kreeg werd zij voor gek aanzien die haar kinderen en zichzelf niet meer onder controle had. Ze schreeuwde nog dat ze zichzelf dan maar beter tegen een boom kon rijden als ze toch geen kinderen meer had en vertrok met piepende banden. Vijfhonderd meter verder ging ze aan de kant en begon te huilen. Vlakbij de wandeling die ze zo vaak had gedaan toen de kinderen klein waren en die ze het afgelopen jaar ook met haar lief had gemaakt. Verdomme, waarom stopte het niet? Ze had haar gezin in de steek gelaten, alles achtergelaten omdat het beter zou worden, maar het werd niet beter, integendeel. Hij deed haar nog evenveel pijn, met dat verschil dat ze nu helemaal niets van voordeel meer had aangezien ze zowel haar huis als haar kinderen kwijt was en dus ook haar rust. Hij belde, één keer, twee keer, ze nam niet op, haar dochter belde, ze nam op. Blijf daar staan had ze gezegd, de politie komt naar jou. De politie belde een paar seconden later om te weten waar ze stond en ze kwamen langs. Eindelijk kon ze haar verhaal doen. Eindelijk durfde ze zeggen dat haar ex niet ok meer was. Ze had hem altijd blijven verdedigen, achter elke kritiek had ze er iets positiefs of verzachtend aan toegevoegd. Maar nu durfde ze zeggen dat haar reactie het gevolg was van jarenlange kleine kwellingen. Elke keer als ze van hem weg wou toonde hij dat het ook anders kon, maar hij hield het niet vol en de kwellingen begonnen opnieuw. Ze had zich allerlei vragen over zichzelf gesteld, pogingen gedaan om haar gedrag aan te passen, externe hulp ingeroepen. Ze begreep niet waarom ze niet gewoon gelukkig kon zijn, verweet zichzelf dat ze alles had waar velen van droomden, maar ze voelde teveel en niet de juiste dingen. En uiteindelijk werd zij een versie van zichzelf die ze niet meer graag zag. Zo wou ze niet zijn, het moest stoppen, en ze vertrok met de zachtste man die ze ooit had ontmoet. Hij bestond.  Ze gaat terug naar de tuin. Ze had met de psycholoog gebeld. Die had gevraagd of ze niet bij haar lief kon om te vermijden dat ze moedertjesdag alleen zou doorbrengen. Ze wou wel, maar hij wou het niet. Ze was hun moeder niet. Ook al zorgde ze meer dan vijf maanden fulltime voor hen toen hun moeder dat niet kon. Ze luisterde naar hun verdriet, naar hun vragen en bezorgdheden over de relatie met hun vrienden, over hun grootvader, over hun verdwenen grootmoeder en de stiefgrootmoeder. Ze motiveerde hun wanneer ze aan zichzelf en aan hun kunnen of zijn twijfelden en remde hun af als ze in overdrive gingen, ze lachten en grapten samen, speelden spelletjes en ook zij kreeg af en toe een kietel, een kneep of een troostende knuffel of babbel. Ze verzorgde wondjes, smeerde zonnecrème, vouwde hun was op, naaide gaatjes in de shirts, bracht hun naar school, maakte vers eten en dessertjes, kocht kleine cadeautjes voor verjaardagen en feestdagen, vroeg naar hun eerste werkervaringen, kreeg uitgebreid verslag van hun feestjes, ze vertelden open over sex en drugs en vertrouwden haar kleine dingen toe die ze hun vader liever niet vertelden. Nee, ze was hun moeder niet, dat wist ze wel, maar ze hadden meer dan een jaar lang lief en leed gedeeld. Voor haar voelden ze wel als haar gezin. Ze had het hem vaak gezegd, dat als hij plotseling zou overlijden, ze wel nog voor hen zou willen zorgen. Hij had dat toen goed gevonden, die ochtend dat ze in bed nog wat zacht praten over de naderende dood van zijn vader en zijn angst om ook vroeg te sterven. Het deed hem iets en hij kneep in haar hand. Dus toen ze enkele maanden later plots met haar kinderen moest vertrekken en niet alleen haar lief, de kippen, de hond, de tuin, het nieuwe huis, maar ook haar nieuwe kinderen moest achterlaten deed het pijn, veel pijn. En hij kon het op dat moment al niet meer voelen. Het gras staat vol madeliefjes. Dit jaar had ze nog geen gras afgereden. Ook dat miste ze. Het waren haar vertrouwde activiteiten die voor rust en regelmaat zorgden. Nu zat ze al maanden hier, in het huis van haar ouders, waar ze wel veilig en geliefd was, maar niet kon opladen. Opladen kon ze in haar eigen huishouden, haar eigen moestuin, in het stoffeeratelier en bij elke activiteit die ze met hem doorbracht, haar lief, een man waar ze lang van had gedroomd, maar dan had afgeschreven als onbestaande. Maar toch, hij bestond, de man die paste. Haar marraine had altijd gezegd "jouw vent moeten ze nog bakken", maar hij was al gebakken.  In de verte hoort ze een ambulance. De politie had haar niet naar huis laten rijden, maar ze hoefde ook niet naar het ziekenhuis omdat ze haar wel helder vonden. Ze hadden het stuur overgenomen en haar bij een vriend afgezet. Daar vroeg ze zich af wat ze daar zat te doen. Ze wilde naar haar kinderen, werd bijna gek, maar hij hield haar tegen. Het was goed dat ze daar was. Hij was de meest stabiele en rustige persoon die ze hier in de buurt kende. Maar ze wou op dat moment eigenlijk bij haar lief zijn en slapen om het verdriet te verwerken. In de plaats daarvan kroop ze opnieuw in het bed bij haar ouders, met matrassen van 50 jaar oud die zo hard doorzakten dat ze dacht dat ze op een ochtend eens niet meer te zien ging zijn. Ze viel rap in slaap, droomde over een bewijsdocument van een moordzaak die in het museum werd verstopt en werd wakker om vier uur. Opnieuw die hoofdpijn en buikpijn en het gemis. Ze had gedoucht, iets gegeten en was in de zon gaan liggen in de hoop te verdwijnen. Ze kijkt nog eens naar de madeliefjes in het gras en twijfelt wat ze moet doen. Toch iets gaan drinken met een vriendin ook al heeft ze geen zin om te praten? Naar tv kijken en hopen dat haar gedachten niet verhinderen om de beelden en tekst van de tv te laten doordringen? Een ticket boeken naar de bergen en een paar weken echt verdwijnen en niets meer laten horen? Wat wil ze? Haar telefoon gaat. Hij is het...dat wil ze...ze wil hem. Ze wil naar huis. En als ze thuis is en de tijd rijp zullen haar kinderen ook wel komen. Maar nu is het tijd voor haar. Ze heeft genoeg gedaan, genoeg gevochten, ze mag rusten. Morgen is het moedertjesdag. Ze bedenkt hoe het had kunnen zijn. Vervloekt haar pijn die haar mond heeft opengebroken en haar zoontje heeft gekwetst. Ze had met hem moeten doorrijden. Hij is net als zij, maximaal tien minuten boos. Ze hadden naar muziek kunnen luisteren in de auto. En dan bij aankomst, het laatste straatje bergop en dan een WAAAW uit zijn mond en bubbels in haar buik bij het zien van het wijdse strand en de eindeloze zee bij avondzon. Ze keek gisteren nog zo hard uit naar moedertjesdag ook al was het maar met haar halve kroost. Een half jaar geleden voelde ze zich moeder van vier, gisteren was ze nog moeder van één, vandaag voelt ze zich geen moeder meer. Misschien moet ze toch doen wat een bevriende maatschappelijk assistent had aangeraden? Naar spoed gaan. Maar niet om te vragen om te bemiddelen met haar ex en de kinderen, maar om haar plat te spuiten naar dromenland. In dromenland is het vast wel moederdag, zit ze aan tafel met zes en blinken gelukstranen door de nacht. 

Fien SB
43 2