Lezen

De Man die de Sporen Vond

Er was eens, in een wereld tussen droom en werkelijkheid, een man die besloot op zoek te gaan naar de sporen van het leven. Hij heette Guy, en hoewel hij al vele wegen had bewandeld, voelde hij dat er nog zoveel verhalen te ontdekken waren—verhalen die hij had gezien, gehoord en zelfs beleefd, maar die nooit waren opgeschreven. Op een dag, toen de zon nog laag stond en het gras nat was van dauw, vond hij een oude pen. De pen was geen gewone pen; ze glinsterde zacht en leek te fluisteren:"Schrijf, Guy. Schrijf en verzamel de sporen die je hart beroeren." Guy aarzelde. "Maar wat moet ik schrijven?" vroeg hij hardop. De pen zweeg, maar de wind fluisterde hem iets toe. Hij hoorde de stemmen van het verleden: van avonturen die hij beleefd had, vrienden die hij had gekend, en plaatsen die hij ooit bezocht. Ze riepen hem terug naar de paden van zijn leven. En zo begon zijn reis. Hij vertrok op een tocht door het Land der Herinneringen. Het was een vreemd land: met heuvels van oude foto's en rivieren van vervlogen gesprekken. Langs het pad stonden bomen, elk met een verhaal. Bij de eerste boom las hij: "Dipenda: Vlucht uit Matadi". De woorden spraken over moed in tijden van chaos, over zijn vader die door een woelige rivier van onzekerheid werd meegesleurd, maar toch veilig thuis kwam. "Deze sporen mag ik niet vergeten," zei Guy en schreef ze op met de magische pen. Verderop zag hij een kat met glanzende ogen op een oude vensterbank liggen. "Wie ben jij?" vroeg hij. "Mijn naam was Dikkie," antwoordde de kat, "en ik was de vriend van iedereen." Guy glimlachte en hurkte neer bij Dikkie. De kat spinde zacht terwijl hij vertelde over warme middagen, verre avonturen in de tuin en de kleine rituelen van een liefdevol thuis. Tranen sprongen in Guy's ogen toen Dikkie zachtjes vervolgde: "Maar zoals alle dingen in het leven, Guy, kwam er een dag waarop ik moest gaan. Toch ben ik er altijd, in je hart." Guy nam zijn pen en schreef het op, zodat Dikkie’s spoor nooit verloren zou gaan. Zijn reis ging verder, en al snel bereikte hij een donkere grot. Binnen klonk gelach, luid en wild. Daar zaten "De Fritzen", mannen met namen die allemaal hetzelfde waren en verhalen vertelden die nergens en overal leken te beginnen. Ze dronken denkbeeldige bierpullen en riepen: "Zum Wohl!" terwijl ze de hele grot vulden met hun vreugde. Guy lachte met hen mee en begreep dat sommige herinneringen zijn als echo's in een grot: je draagt ze altijd bij je, zelfs als je er niet meer bent. Aan het einde van het Land der Herinneringen vond hij een spiegel. Toen hij erin keek, zag hij niet alleen zijn eigen gezicht, maar ook al die sporen die hij verzameld had: de bergen die hij beklom, de woorden die hij sprak, en de geliefden die hij verloor. Hij zag zijn leven als een kaart vol kronkelende paden, diepe dalen en zonnige toppen. "Waarom heb ik deze sporen verzameld?" vroeg Guy aan de pen. De pen antwoordde eindelijk: "Omdat verhalen alleen leven als ze verteld worden, Guy. De sporen van jouw leven zijn ook de sporen van anderen. Ze verbinden mensen, net zoals voetstappen elkaar kruisen op een pad." Guy keek rond en zag dat er nog meer lag te wachten: kleine heuvels waar de lucht stil stond en enkel fluisteringen klonken. Hij volgde het pad en vond daar woorden die in de wind dansten, losse letters die wachtten om op papier te landen. "Dit zijn gedichten," zei de pen zacht. "De sporen die niet schreeuwen, maar fluisteren." Guy begreep het. Hij hurkte neer en begon regels te schrijven: korte zinnen die het geluid van een vallend blad of het ritme van een hartslag konden vangen. Hij schreef over: "De Eerste Winterprik", waar de kou niet alleen de lucht raakte maar ook de ziel."De Cirkel van Dankbaarheid", waarin liefde zonder woorden een wereld van verschil maakte.En "Waar de Tijd met de Herfst Danst", een zacht verhaal over de vergankelijkheid van schoonheid. Het was alsof de pen hem nu leerde zingen zonder muziek. De poëzie vloeide uit zijn hand, als kleine dauwdruppels op een blad, als sneeuw die stil valt in een lege straat. En toen hij klaar was, keek hij op. Voor hem lag een land vol sporen: verhalen die hij had verzameld en gedichten die hij had gevoeld. Hij nam zijn pen en ging terug naar huis, zijn boek vol verhalen en poëzie. Elk woord, elke regel, was een spoor dat nooit zou verdwijnen. Want in dat boek zat niet alleen zijn leven, maar ook dat van anderen: van Dikkie, van de Fritzen, van de vrienden, de liefde, de vreugde, en de pijn. En telkens wanneer iemand het boek opende, kwamen de verhalen en gedichten tot leven. Ze fluisterden zacht, zoals de pen ooit had gedaan:"Schrijf, lees, vertel, en luister. Want sporen verdwijnen pas echt als we ze vergeten." Zo werd Guy, de man die de sporen vond, ook de man die de poëzie van het leven bewaarde. En waar je ook bent, als je goed luistert, hoor je nog altijd het zachte ruisen van zijn woorden, als bladeren die meebewegen met de wind.

Guy Van Damme
17 1

Een winterwandeling vol uitdagingen

Het was januari 2021, diep in de winter. Vera en ik, fervente wandelaars, hadden een route van 15 kilometer gepland door de trage wegen van Grobbendonk. Als ex-scouts waren we gewend om avontuur op te zoeken, het onbekende aan te gaan en de natuur te trotseren. Wij waren doorbijters, niet snel bevreesd voor een uitdaging. Vera had altijd al een hoge pijngrens gehad, en ik was een echte doorduwer. Het had ons niet verbaasd als iemand ons had gezegd dat we het pad ondanks de kou en de zware omstandigheden zouden blijven volgen. De lucht was fris en ijzig, en een dunne laag rijp bedekte het gras langs de paden. Ondanks de kou genoten we van het gevoel van vrijheid dat een lange wandeling ons altijd gaf. We hadden een goede start. Het pad kronkelde door bossen en langs uitgestrekte velden, die onder een winters zonlicht lagen te glinsteren. Na enkele kilometers bereikten we een punt waar een waarschuwingsbord ons tegemoet blonk: “Deze weg is verder ondergelopen.” Het bord maakte ons nieuwsgierig. Vanaf waar we stonden, leek de weg nog begaanbaar, en het landschap zag er prachtig uit met de glinsterende waterpartijen en de stille, ondergelopen velden. We besloten het pad te volgen, ondanks de waarschuwing. De eerste honderden meters gingen probleemloos. Het pad was vochtig, maar goed begaanbaar. Na een tijdje vonden we een bank en besloten we te pauzeren. Om ons heen strekte zich een surrealistisch landschap uit van ondergelopen velden en glinsterende vijvers. Het water weerspiegelde de bomen, alsof de wereld dubbel aanwezig was. Hier leek de winter een kunstwerk te hebben geschilderd. Het onverwachte obstakel Na onze pauze vervolgden we onze weg, maar al snel werden we geconfronteerd met het deel van het pad dat werkelijk onder water stond. Het was een lange strook van ongeveer 150 meter, volledig overspoeld. Tot onze opluchting zagen we dat Natuurpunt houten blokken over het water had geplaatst als een soort loopbrug. Het zag er smal en wiebelig uit, maar het leek onze enige optie. Als ex-scouts wisten we wel raad met moeilijke omstandigheden, maar dit was toch een uitdaging die we niet hadden voorzien. “Ik ga eerst,” zei ik tegen Vera. Met de nodige voorzichtigheid begon ik mijn weg over de blokken. Mijn schoenen gleden een paar keer op het natte hout, maar ik bereikte de overkant zonder al te veel moeite. Ik draaide me om en riep bemoedigend: “Kom maar, het gaat wel!” Vera knikte en zette haar eerste stappen. Ze balanceerde voorzichtig, maar ik merkte dat ze het moeilijker had. Door haar armprothese kon ze haar evenwicht minder goed bewaren. Halverwege verloor ze haar balans. Ik zag het gebeuren in slow motion. Haar voeten gleden weg, haar lichaam kantelde en met een plons viel ze in het ijskoude water op haar “slechte” arm. Ik rende terug naar haar toe. Ze probeerde op te staan, maar haar gezicht vertrok van de pijn. “Mijn arm,” zei ze met een gebroken stem. Ik hielp haar uit het water. Haar kleren waren doorweekt, en in de ijzige kou begon ze onmiddellijk te rillen. “We moeten hier weg,” zei ik. De situatie was ernstig, dat wist ik. Maar onze auto stond nog meer dan zeven kilometer verderop, en we bevonden ons in een beschermd gebied waar voertuigen verboden waren. Er zat niets anders op dan verder te lopen. We waren allebei doorzetters, maar dit zou een test worden die ons zou herinneren dat zelfs wij mensen waren, niet onoverwinnelijk. Een loodzware tocht Met elk stapje dat we zetten, werd de tocht zwaarder. Vera’s doorweekte kleren plakten aan haar lichaam en de ijzige wind sneed in onze huid. Bovendien begon ze steeds vaker te klagen over haar arm. Een keer stopte ze plotseling en zei: “Ik hoor gekraak… in mijn arm.” Haar woorden deden me huiveren. Dat kon niets goeds betekenen. “Kun je nog verder?” vroeg ik voorzichtig. Ze knikte, maar haar gezicht was een masker van pijn. Elke stap leek een enorme inspanning te kosten. Ik probeerde haar op te peppen door over koetjes en kalfjes te praten, maar het hielp weinig. De kilometers leken eindeloos, en ik voelde me machteloos. Het enige wat ik kon doen, was haar blijven aanmoedigen en hopen dat we snel bij de auto zouden zijn. Toen we eindelijk het parkeerterrein bereikten, voelde het alsof we een marathon hadden gelopen. Vera trilde van de kou, en haar gezicht was bleek. “We gaan eerst naar huis voor droge kleren,” zei ik. “En daarna rechtstreeks naar de spoed.” Ze knikte zwakjes, te uitgeput om iets te zeggen. Een race tegen de klok Thuis hielp ik Vera om haar natte kleren uit te trekken en haar in iets warms te steken. Haar arm zag er slecht uit: opgezwollen en blauw. Ik wilde geen tijd verliezen en reed zo snel mogelijk naar het UZ Leuven. Daar werd ze meteen onderzocht. De diagnose was schokkend. De arts vertelde ons dat de holte in het onderstuk van haar bovenarm, waar haar prothese in vastzat, gebroken was. Hierdoor was de prothese niet langer gefixeerd. Kort gezegd: haar arm hing alleen nog aan haar lichaam dankzij de spieren en pezen. “We moeten opereren,” zei de arts. “Maar door de drukte van de covid-19-pandemie kunnen we haar nu niet opnemen. We hebben op dit moment geen bedden beschikbaar.” Mijn hart zakte in mijn schoenen. Hoe kon dit? Vera zou nog minstens een week met een gebroken arm moeten rondlopen voordat ze geopereerd kon worden. Het voelde oneerlijk, maar we hadden geen keuze. Een week van pijn en geduld De week die volgde was een beproeving. Vera had constante pijn, en elke beweging leek haar een marteling. Ik deed mijn best om haar te helpen met alledaagse dingen, zoals aankleden en eten, maar ik wist dat ik haar ongemak niet volledig kon wegnemen. De nachten waren het zwaarst. Vaak werd ze wakker van de pijn, en ik voelde me machteloos. Eindelijk, na zeven lange dagen, kwam het telefoontje waar we op hadden gewacht. Er was een bed beschikbaar, en Vera kon worden opgenomen voor de operatie. In het ziekenhuis werd ze voorbereid op een ingewikkelde ingreep. De artsen legden uit dat ze de gebroken holte in haar bovenarm zouden herstellen en de prothese opnieuw zouden fixeren. Het was een risicovolle operatie, maar de enige manier om haar arm te redden. Hoop en herstel De operatie duurde uren, en die tijd voelde als een eeuwigheid. Toen de chirurg uiteindelijk naar me toe kwam, was zijn gezicht gelukkig hoopvol. “De operatie is geslaagd,” zei hij. “Het zal een lang revalidatietraject worden, maar ze zal haar arm weer kunnen gebruiken.” De opluchting overspoelde me. Vera lag nog enkele dagen in het ziekenhuis om te herstellen, en daarna kon ze naar huis. De weken daarna stonden in het teken van fysiotherapie en langzaam weer vertrouwen krijgen in haar arm. Ondanks de pijn en de tegenslagen bleef Vera optimistisch. “Het had veel slechter kunnen aflopen,” zei ze vaak. En daar had ze gelijk in. Reflectie Nu, terugkijkend op die winterse wandeling, blijft het een verhaal vol emoties. Het was een tocht van schoonheid en avontuur, maar ook van pijn en doorzettingsvermogen. Vera’s moed en vastberadenheid hebben me diep geraakt. Hoewel we die dag met een gebroken arm en natte kleren eindigden, herinneren we ons ook de glinsterende vijvers, de houten blokken en het besef dat we samen alles aankunnen – zelfs in de ijskoude winter. Dit voorval had ons eraan herinnerd dat, hoe sterk we ook denken te zijn, we uiteindelijk ook maar mensen zijn, kwetsbaar in de ogen van de natuur.

Guy Van Damme
31 2

De Magie van de Wintertuin

Dit kerstverhaal is geïnspireerd door de omgeving waarin ik woon, in de Jagerslaan in Tremelo. Koen, mijn buurman, is een man die graag in zijn tuin werkt, ongeacht het seizoen. Zijn tuin is een constante bron van zorg en aandacht, iets wat ik vaak heb opgemerkt terwijl hij door weer en wind bezig is met zijn planten. In dit verhaal heb ik geprobeerd enkele van deze elementen te verweven: de rustige sfeer in onze straat, de liefde voor de natuur die Koen uitstraalt, en de kleine momenten van verbondenheid in onze buurt. Ik schrijf beter wanneer ik vertrek van werkelijke elementen, belevingen, waarnemingen en emoties om een verhaal op te bouwen. Vandaar dit fictieve kerstverhaal, met een non-fictief persoon. Het personage Bas is ontstaan binnen het verhaal en is dus fictief. De Magie van de Wintertuin Koen woonde in een charmant huis aan de Jagerslaan in Tremelo, een straat die zich als een kronkelend pad door het winterlandschap van de stad slingert. Zijn tuin was een betoverende plek die met elk seizoen veranderde, een wonderland in allerlei vormen. In de lente groeiden de bloemen in alle kleuren, in de zomer bloeiden de rozen in geurige tinten van dieprood tot zachtgeel, en in de herfst kleurden de bomen de lucht oranje en goud. Maar de winter… de winter was wanneer Koen zijn ware magie toonde. De sneeuw bedekte alles in een zachte deken, en de takken van de bomen leken te fluisteren in de stilte van de koude lucht. Koen was vijftig jaar oud, een man met een rustige ziel en een onmiskenbare liefde voor de natuur. Waar anderen zich op koude dagen binnen terugtrokken bij de haard, werkte Koen met vastberadenheid in zijn tuin. Zelfs wanneer de temperaturen onder nul daalden en de aarde hard aanvoelde als steen, was hij buiten. Zijn handen graafden diep in de kou om de planten te verzorgen, takken te snoeien en zijn tuin voor te bereiden op de lange, slaperige maanden van de winter. Op kerstavond, terwijl de eerste sneeuwvlokken van de avond neerdwarrelden en de straat een betoverende gloed van kerstlichtjes kreeg, was Koen weer buiten. De lucht was helder en koud, maar het voelde niet als een belemmering voor hem. Hij verzamelde dennenappels en takken voor een kerststukje. Zijn handen waren rood van de kou, maar zijn hart voelde warm. Het was het enige moment van het jaar dat Koen zich helemaal verbonden voelde met de wereld buiten zijn tuin. Mensen liepen voorbij, druk in gedachten of gezelschap, maar Koen bleef staan, zonder haast, genietend van de stilte om zich heen. Niemand stopte om met hem te praten, en dat was precies zoals hij het wilde. Net toen Koen de laatste takken in een mand had gelegd, hoorde hij voetstappen in de sneeuw. Verbaasd keek hij op en zag een jongen van ongeveer tien jaar oud voor zijn tuinhek staan. Het was Bas, een jongen uit de buurt die hij af en toe had gezien, maar nooit echt had gesproken. "Dag, Bas," zei Koen, terwijl hij de jongen aankeek. "Wat brengt jou hier?" Bas keek omhoog naar Koen met grote ogen en een onzeker glimlachje. "Mijn kerstboom ziet er… leeg uit," zei hij zacht. "Mama zegt dat u de mooiste takken heeft. Mag ik een paar lenen?" Koen glimlachte en knikte. "Natuurlijk, kom maar mee." Hij zwaaide naar Bas en leidde hem de tuin in. De tuin was als een magische plek in deze tijd van het jaar, vol met dennen, hulstbessen en klimop die zich kriskras door de ruimte slingeren. De sneeuw bedekte alles in een zachte deken, maar de planten stonden stevig in de grond, geduldig wachtend op de komst van de lente. Koen wees naar een paar dennetakken die onder de sneeuw verborgen lagen, en samen verzamelden ze takken, bessen en dennenappels. Koen voegde zelfs wat klimop toe aan het mengsel, waardoor de takken een prachtige groene glans kregen. "Dit moet genoeg zijn om je boom op te vrolijken," zei Koen terwijl hij de bundel aan Bas overhandigde. Bas keek verwonderd naar de tuin en vroeg, zijn stem vol nieuwsgierigheid: "Waarom werkt u altijd in de tuin, ook als het zo koud is?" Koen dacht even na. "Planten herinneren me eraan dat alles weer groeit, zelfs na de koudste winter," zei hij. "Ze hebben geduld, en dat probeer ik ook te hebben. Ze wachten op het juiste moment, en dan bloeien ze weer." Bas knikte langzaam, zijn ogen groot van begrip, alsof hij een geheim had ontdekt. "Dank u wel, meneer Koen," zei hij, zijn stem zacht maar oprecht. "Mag ik morgen met papa komen kijken? Ik denk dat hij uw tuin heel mooi vindt." Koen lachte zachtjes en knikte. "Jullie zijn altijd welkom." De volgende ochtend, op eerste kerstdag, was Koen al vroeg bezig in de tuin toen er geklop op zijn deur was. Toen hij opendeed, stond Bas er opnieuw, dit keer samen met zijn vader. Bas' vader, een stevige man met een vriendelijk gezicht, keek nieuwsgierig naar Koen. "Goedemorgen, meneer Koen," zei Bas' vader. "Bas vertelde me over uw tuin, en ik dacht, waarom niet eens komen kijken?" Koen glimlachte en leidde hen door de tuin. Terwijl ze wandelden, vertelde Koen met passie over de planten die zelfs in de winter hun groene bladeren behouden, over de dennenbomen die de kou trotseerden en de rozenstruiken die zich voorbereidden op hun winterslaap. Bas' vader bleef stil, maar zijn ogen straalden van bewondering, alsof hij iets herkende, iets dat hij lang niet had gezien. "Het is echt mooi hier," zei hij uiteindelijk, zijn stem zacht, maar vol respect. "Het doet me denken aan mijn eigen jeugd. Mijn vader had ook een tuin zoals deze. Ik ben het vergeten, maar dit doet me herinneren aan hoe belangrijk het is om te zorgen voor dingen, zelfs als de winter komt." Koen knikte. "De natuur leert ons geduld. Alles heeft zijn tijd." Terwijl de ochtend vorderde en de zon zich langzaam door de bewolking heen worstelde, namen Koen, Bas en zijn vader de tijd om door de tuin te dwalen, de planten te bewonderen en te praten over het leven, de natuur en de kracht van geduld. Bas' vader leek elke stap in de tuin meer te begrijpen. Het was niet alleen een tuin, maar een plaats waar herinneringen en nieuwe vriendschappen werden gevormd. Later die dag, toen Koen weer buiten werkte, vond hij een kleine mand voor zijn deur. Er lagen verse koekjes in, met een kerstkaart die simpel maar hartverwarmend was. "Voor de man die de winter warm maakt," stond erop geschreven. Koen voelde een onverwachte warmte in zijn hart. Het was een geschenk van dankbaarheid, een klein gebaar dat hem diep raakte. Vanaf die kerst veranderde Koens tuin. Het was niet langer alleen zijn eigen rustige toevluchtsoord, maar een plek waar de buurt samenkwam. Mensen stopten vaker om te praten, om een paar planten te bewonderen of om advies te vragen over hun eigen tuinen. Zelfs in de winter, wanneer de meeste mensen hun tuinen vergaten, vond Koen steeds meer bezoekers die zich aangetrokken voelden door de rust en schoonheid van zijn tuin. De tuin was geen plaats van lawaai of drukte, maar van stille vriendschap en gedeelde momenten. En terwijl de planten geduldig wachtten op de komst van de lente, groeide er in de Jagerslaan iets dat niet in de tuin geplant was – een soort warmte die niet door sneeuw kon worden gedoofd. Het was de warmte van verbondenheid, van mensen die begrepen dat het niet alleen de lente was die nieuwe dingen bracht, maar ook de winter, waarin geduld en zorgzaamheid de mooiste vruchten droegen. De tuin van Koen was veranderd, en ook de mensen die er kwamen. Het was niet meer alleen een plek van bloemen en planten, maar een plek van menselijke connectie, van stille gesprekken en een simpele, oprechte zorg voor elkaar. Zelfs op de koudste dagen, wanneer de sneeuw de wereld in stilte hulde, was er altijd warmte te vinden, verborgen in de zorg die Koen had voor zijn tuin en voor de mensen om hem heen.

Guy Van Damme
45 4

De Brug van Vergeving

Vergeving groeit niet uit het niets,het is een zaad dat stilte zoekt.In de schaduw van oud verdrietontkiemt de kracht die harten boekt. Een beek begint, troebel en klein,kronkelt door velden, langs scherpe stenen.Het water klaart, zacht en fijn,het leegt zijn pijn, het vult de venen. Hoe vergeef je onrecht dat blijft,de kogelregen, de stem die zwijgt?De aarde scheurt onder strijd en macht,mensen ontheemd, hun dromen verkracht. In Oekraïne weergalmt een schreeuw,in Palestina snijdt een oude pijn.In China en Taiwan dreigt een eeuw,van broederstrijd onder een valse lijn. Zuid-Amerika zoekt hoop voorbij de muur,een land waar honger dromen voedt.En elders verdrinkt een boot vol toekomst,waar niemand helpt, waar niets meer goed. Myanmar, Noord-Korea, stemmen stil,vluchtelingen trekken, gedragen door wil.Geen keuze, geen thuis, een grens zonder hart,en toch een verlangen naar een nieuwe start. Eerst het aanvaarden, de wonde zien,zonder te vluchten, zonder te vlijen.Een spiegel die eerlijk en scherp ontleent,waar emoties kolken en woorden rijen. Dan het loslaten, als bladeren in de wind,geen ketens meer, geen muren van spijt.Wie vergeeft, vindt zichzelf bemind,een zucht van vrede, een stap naar tijd. Niet zwak is hij die vergeeft,maar moedig, een bouwer van bruggen.Hij tilt de last die fouten geeften kiest voor hoop, kiest voor ruggen. Vergeving stroomt als een heldere stroom,spoelt het verleden, maakt ruimte vrij.De toekomst wacht, de liefde droomt:Hier is vrede, wees eindelijk blij.  

Guy Van Damme
40 1

Atlas, of hoe wanneer hij vertelde wat er gebeurd was mensen letterlijk uit de lucht vielen

Ik peins dat het immers beleefd is uit de lucht te vallen wanneer iemand iets verschrikkelijks met u deelt. Wat zou het anders betekenen als iemand dit niet zou doen? “U had het zien aankomen?”, “U had het kunnen raden?”. Waaraan had u het gezien? Had u oog voor mijn blauwe plekken of spotte u eerder een mentaal kapitaal dat niet behoort in de publieke ruimte? U had ook niets kunnen zeggen. Of kunnen fluisteren: “Oh, wat erg.” Om vervolgens gedurende je kleinkindbezoek, je nageslacht stevig vast te pakken, een aantal seconden langer te omhelzen en hen in de ogen te kijken, zoekend. Maar nooit had ik kunnen bedenken hoe mensen letterlijk uit de lucht zouden vallen. Het startte aan de koffietafel, 6u15. Twee sneden geroosterd brood later, waar ik voor het eerste een verklaring gaf voor een uitgelopen ruzie diezelfde nacht. Mijn partner liet zijn verbrande brood vallen en waar kruimels tot nu toe verspreid lagen overheen het keukenblad vormden ze één front. Onze ogen kruisten, een duur tekort om op te maken hoe mijn partner werkelijk dacht. In minder dan een aantal seconden verdween zijn lichaam en vervolgens trof zijn vlees en bot de koude ondergrond van mijn achtertuin. Ik heb vernomen dat deze ongelukkigheid enkel mezelf treft en dat het niet uitmaakt of ik de mensen waarmee ik het deel al dan niet ken. Waar ik me oorspronkelijk schuldig voelde om de dood van naasten, weerhoud ik mezelf nu in oordeel. Mijn therapeut benadrukt dat de dood niet mijn verantwoordelijkheid is om te dragen, maar dat ik waakzaam moet blijven. Sommige dingen deel je beter niet. Ook mijn therapeut heb ik bedolven onder omgespitte aarde. Ondertussen heeft het gemeentebestuur me gedwongen te verhuizen. “Het aantal doden per vierkante meter overstijgt beter het aantal inwoners van een stad niet.” Ik neem het hen niet kwalijk, vertel ik terwijl ik langzaam knik. En nu? Ik vraag me af waar de uitspraak ‘uit de lucht vallen’ vandaan komt en of ik het al dan niet meer gepast vindt met de voeten op de grond te blijven wanneer iemand iets vertelt wat te zwaar is om alleen te dragen. Ik denk dat ik dat maar ga uitzoeken. Ik spreek u later nog.          

Flynn_ensor
26 0

ONZE levende AARDE;

Stel u eens voor de aarde als, levend. Waneer de zwarte damp van onze menselijke uitstoot onze planeet zal omringen, dan zal onze aarde kuchen. Iedere kuch betekent een verstoorde wierewal van winden, de ademhaling van onze planeet, die dwarrelen, die verwoesting na verwoesting veroorzaken. De mens kan alleen het kuchen proberen te stoppen. Hopend dat het kuchen zal stoppen.    Stel u eens voor de aarde als, levend. Waneer de zwarte damp van onze menselijke uitstoot onze planeet zal omringen, dan zal onze aarde kuchen. Iedere kuch betekent een verstoorde wierewal van winden, de ademhaling van onze planeet, die over elkaar dwarrelend verwoesting na verwoesting veroorzaken. De mens kan alleen het kuchen proberen te stoppen. Hopend dat het kuchen zal stoppen.      Stel u eens voor de aarde als, levend. Waneer de zwarte damp van onze menselijke uitstoot onze planeet zal omringen, dan zal onze aarde kuchen. Iedere kuch betekent een verstoorde wierewal van winden, de ademhaling van onze planeet, die over elkaar dwarrelen, die verwoesting na verwoesting veroorzaken. De mens kan alleen het kuchen proberen te stoppen. Hopend dat het kuchen zal stoppen.    ****************************************************************************************** foto GALLERY  https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ schilderij RITME https://www.2dehands.be/q/verf+ed+ritme+akkoord/ ********************************************************************************  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
4 0

Sandra's nagelstudio

Sandra’s nagelstudio bevond zich in de showroom van een Peugeotgarage. Als vrouw van de autoverkoper en garagist had Sandra zich een bezigheid voor zichzelf gezocht en zich bijgeschoold tot nagelstyliste. Petra had al verschillende nagelstylistes gehad, maar Sandra was gewoon de beste. Zoals zij gelnagels kon zetten, precies en egaal en dat voor het gangbare tarief, zo was er in de hele wijde omtrek volgens haar geen enkele die aan haar kon tippen.“Je moet gewoon rustig blijven en niet te overhaast te werk gaan, je tijd nemen. Dat en natuurlijk niet met goedkoop materiaal werken. Niet alle gellen zijn even kwalitatief. Ik werk het liefst met CCO voor gellak, maar er zijn nog andere goede merken. De gellamp die ik gebruik, en dat is nu zoiets simpels, is de beste die er is en die heeft echt wel meer gekost dan de vijftig euro van degene die je op internet vindt. Enfin, maar het belangrijkste is, dat je de tijd neemt. Rustig de nagelriempjes naar achter duwen, zorgvuldig vijlen en achteraf een fijn en aangenaam nagelriemolietje. Ik tel altijd twee uur per klant. Als ik het sneller wil, kan ik het ook onder het anderhalf uur, maar dat wil ik niet. Heb je al een kleurtje gekozen?”“Red Barones lijkt met wel wat.”“Dat is een mooie keuze, very classy ook. Het geeft een heel ander effect als de Toxic Love die er nu opzit. De wijsvinger met een glittereffectje zoals de vorige keer?”“Doe de pink maar. Dat lijkt me ook leuk.”“Oké, dan zullen we er eens aan beginnen. We zullen ons eerst eens ontdoen van die Toxic Love dan.”“Je gaat me trouwens voor een hele tijd moeten missen.”“O, ga je op reis?”“Ja, en voor behoorlijk lange tijd.”“Ga je je Vriend achterna?”“Zoiets. Ik weet niet eens waar Hij uithangt en wat Hij uitspookt, maar ik ga naar Noorwegen. Ik heb zelfs geen contact meer met Hem.”“Is Hij jouw Vriend dan nog wel, eigenlijk?”“Ik weet het niet.”“Maar je gaat Hem wel achterna.”“Soort van.”“En je weet niet waar Hij is?”“Nee.”“Noorwegen is een groot land om iemand te zoeken.”“Dat weet ik. Ik denk ook niet dat ik naar daar ga, persé om Hem te vinden. Ik weet het niet. Misschien begrijp ik het allemaal beter.”“Hoe lang blijf je weg?”“Dat weet ik ook nog niet. Misschien dat ik daarna doorreis, ergens anders naartoe. Ik heb het gevoel dat ik weg moet van hier.”“Dat begrijp ik. Dat begrijp ik maar al te goed. Zo ben ik ook hier beland, weet je. Ik kom van Tubbergen in Nederland. Daar woonde ik samen met een kerel en toen die wegging voor iemand anders, een schoolvriendin van mij nota bene, kon ik er ook niet blijven. Ik ben beginnen rondrijden met de auto. Ik heb heel Europa afgereden, maar toen ik een keertje hier in de buurt met autopech stond en ik niet verder kon, heb ik Carl leren kennen. En de rest weet je. Ik had nog geen slaapplaats en ik mocht bij hem op de zetel. Geen probleem. Hij woonde toen nog hier boven de garage in dat rommelige appartementje. En het zal wel zijn dat ik toen in een zetel ging slapen, ik wilde in een bed en tja van het ene kwam het andere. Carl lacht er nog altijd mee en hij zeg dan keer op keer dat hij er bewust een week over deed om die auto te maken. De wisselstukken waren al na een dag gearriveerd, maar dan kon ik natuurlijk niet weten, en ondertussen vond hij het best wel gezellig zo een vrouw bij hem in bed. En ik, ik had precies eindelijk mijn plekje gevonden. Ik weet dat ik in die week ook heel veel geslapen heb, echt veel geslapen. En als ik wakker was, dan wandelde ik van hier het dorp in. In die week heb ik ook zijn was en zijn strijk gedaan, inkopen gedaan, gekookt… Ik voelde me direct zijn vrouw. Ik mag hier ook helemaal mezelf zijn, dat had ik nog nooit meegemaakt. Carl heeft zijn zaak en zijn auto’s en ik moet helemaal niks van hem. Help ik hem, is het goed, dat vindt hij fijn, help ik hem niet, even goed, mag, dan trekt hij zijn plan. Ik wil hem voor geen geld meer kwijt. En ik hoef geen schrik te hebben dat hij naar een andere vrouw trekt, daar maakt hij gewoon geen tijd voor, hij is altijd met die auto’s bezig. Nu is hij weer een oude Peugeot 504 Coupe uit 1981 aan het opmaken, dus in zijn vrije tijd zit hij nog altijd met zijn handen in een motorblok. En ik, ik vind het goed zo. Ik heb mijn nagelstudiootje en onze Bernd. Ik ben gelukkig, Petra, echt gelukkig, en dat word jij ook wel weer, geloof me.”“Maar ik ben niet ongelukkig, ik wil er gewoon uit. Dingen zien, begrijpen, rondhangen. Hij heeft ervoor gezorgd dat ik genoeg geld heb om een hele periode niet meer te hoeven werken. Ik hoef me niet meer moe te maken in die stomme fabriek. Weet je, ik kan gewoon tijd nemen. En dat ben ik van plan om te doen. Daarna zien we wel weer.”“Dat is de spirit, meisje, dat hoor ik graag. Hetzelfde hier, ik hoef niet te werken, Carl verdient ruim genoeg om rond te komen, maar ik doe dit voor mezelf, het voelt niet aan als een job. Dit is gewoon iets dat ik graag doe, ik hou me op een prettige manier bezig en ondertussen kan ik praten met klanten. Ik neem er ook niet zomaar nog iemand bij. Als jij vertrekt, denk ik zelfs dat ik er niemand voor in de plaats neem. Het hoeft niet, begrijp je. Het hoeft niet. Zo lang dat ik het kan doen op mijn tempo, is het goed. Vandaag heb ik twee klanten gehad en dat is zowat het maximum dat ik doe op een dag, en mijn dagen zijn goed gevuld. Voormiddag heb ik Carl nog wat geholpen met het papierwerk en dat was ook fijn. En ondertussen ken ik meer van auto’s dan ik ooit had kunnen vermoeden. Ken je Mien van de apotheker, trouwens. Ja, denk ik, eh. Die kwam hier vanmorgen helemaal overstuur aan, want die had bij het parkeren aan het cultureel centrum, tussen die boompjes, die boompjes staan daar ook bijzonder mottig, ze hadden die beter op de grens tussen het voetpad en de parkeerplaatsen gezet in plaats van tussen de weg en de parkeerplaatsen, haar rechterspiegel eraf gereden. Hoe dom kon ze zijn, zei ze de hele tijd, dat ik op den duur zei, dat ze dan zeker niet de enige was die dom was want om half jaar komt er hier wel iemand aan die tegen zo’n boompje heeft gezeten. Als je daar uitdraait en je kijkt even niet of je let niet goed op, dan zit je er zo tegen. Al die boompjes hebben littekens, dus er hebben al echt veel mensen op gevloekt. Dat zijn hele dure boompjes, geloof mij.”“Ik zou het niet weten, ik heb geen auto?”“En die van je Vriend dan?”“Die heb ik verkocht.”“Die had een Volvo, zeker.”“Ja, een grote, zwarte.”“Ook goede auto’s, zegt Carl, maar nogal duur.”“Ik heb er nog een goede prijs voor gekregen.”“En hoe ga je dan reizen? Met het vliegtuig?”“Dat zou het goedkoopst zijn, echt waar, niet te geloven, maar ik heb tijd, dus ik denk dat ik met de trein ga, via Duitsland en Denemarken. Met het vliegtuig is het precies niet reizen, het is vertrekken en aankomen, maar niet reizen. Misschien dat ik daar nog op terugkom of dat ik uiteindelijk toch een autootje huur, of wie weet, koop.”“Als je nog iets zoekt, er staan hier nog een paar hele mooie tweedehandswagentjes. Je kan dadelijk eens rondkijken in de showroom. Ze zijn niet te duur. Met een auto ben je toch wat vrijer dan met het openbaar vervoer. En ik vond het destijds ook zo fijn om gewoon te stoppen waar ik wilde stoppen. Overal vond ik wel een slaapplaats. Soms waren het goedkope hotelletjes, meestal eigenlijk, want zo veel geld had ik nu ook weer niet, die goed waren voor één nacht, meer ook niet, maar ik had ook niet meer nodig. Ik heb maar een keer in mijn auto geslapen, op de parking van een supermarkt in Polen, in Warschau, omdat het te laat was geworden om nog ergens binnen te vallen, en omdat, geloof me, de steden het moeilijkst zijn om op korte tijd een slaapplaats te vinden, en dat was goed voor één keer, want ik heb toen echt wel kou gehad ’s nachts, dus daarna heb ik de grote steden zowat vermeden, of de slaapplaats toch maar goed op voorhand vastgelegd. Je leert dat wel hoor, hoe dat werkt, op je eentje roadtrips houden.”“Ik zal dadelijk eens kijken naar de auto’s.”“En wees maar gerust, ik zal Carl vragen om de auto zeker goed na te kijken als je er eentje koopt, zodat de kans dat je autopech krijgt zo goed als onbestaande is. Er staat nog een tweedehands Partner die zeker iets voor jou is. Het is een lichte vracht, je hebt maar twee zitplaatsen, maar zo’n grote kofferruimte is ideaal voor als je toch een keer in de auto moet of wilt overnachten, dan kan je daar een matras en een slaapzak in kwijt, superhandig, had ik destijds maar zoiets gehad, maar ik deed alles met mijn 206, daar kon ik niet in de koffer gaan liggen. Veel te klein. En niet duur. Voor 15 000 euro ben je gesteld, en hij heeft hoop en al 65 000 kilometer. Een nieuwe diesel met Adblue, de lucht die hij uitstoot is zuiverder dan degene die wij inademen, je kan er overal mee komen, in elke stad, die is properder dan een benzine. Ik zal Carl dadelijk eens halen, dan kan hij jou de uitleg geven. En het is een mooie kleur, rood, op elke parkeerplaats zie je hem onmiddellijk staan, je hoeft er niet naar te zoeken. Je ziet maar. Ik kan het je alleen maar aanraden om met de auto te reizen.”“Misschien.”“En weet je waar je zeker eens naartoe moet rijden. Naar Slovenië. Supermooi daar. En Albanië ook zwaar onderschat…”Petra luisterde niet echt meer en keek rond. De nagelstudio was sober ingericht. Alleen tegen de muur voor haar, net boven de grote spiegel op ooghoogte stond er in sierlijke letters ‘Sandra’ in schaduw geschreven op de muur. De spotjes aan het plafond waren zo gericht op een gebogen metalen draad dat dit het effect was, ook al kon je de tekst niet lezen in de metalen draad. Erg goed gemaakt, dacht ze, bijna kunst. Ze wist zeker dat Hij het prachtig gevonden zou hebben. Maar plotseling kon dat haar precies niet meer zo veel schelen.

Hans Van Ham
28 0

Vaarwel Vos

(geschreven in 2014, kort na de aanvankelijke verstomming)   “Ik denk dat deze samenleving nog helemaal niet verloren is. Dat mensen op een of andere manier toch altijd voor elkander zorgen. Noem mij maar een oude hippie, ik kan er tegen, tegen dat soort verwijten, zolang ik maar kan blijven streven naar liefde en geluk.” Luc De Vos, in “De Volksmacht” (2005)   Iedereen die je dezer dagen spreekt, blijkt verbijsterd door het wrede overlijdensbericht van de schone mens Luc De Vos. Dat hoeft geen verwondering te wekken. Heel Vlaanderen hield oprecht van Vos, ook zonder hem ooit te hebben ontmoet. Als ik mag gokken hoe dat kwam: in zowat alle getuigenissen die we te horen krijgen, vallen naast de termen warm en humoristisch, ook de eretitels echt en oprecht. De Luc die persoonlijk met je sprak was de Luc die zong was de Luc die interviews gaf was de Luc die schreef enzovoort. Het voorbije weekend, na het nieuws dat al het andere nieuws overstemde, heb ik zijn boekje ter hand genomen dat hier nog ergens rondslingerde, dat hij ooit gesigneerd heeft op de Boekenbeurs en quasi achteloos van een naïef getekend gitaartje heeft voorzien, en ik heb het in één ruk uitgelezen (herlezen). Het was alsof hij naast me zat, zo vertrouwd sprak Luc ook op papier. Met zijn volstrekt unieke stem en taal. Met zijn levenslust en immense drang om zo lang mogelijk in dit leven te mogen blijven. Met veel kinderlijke blijheid om kleine grootse dingen, zoals zwemmen in zee en zandkastelen bouwen, maar ook met die eeuwige zweem van tristesse die hij graag onder de mat veegde om er zijn publiek niet mee te bezwaren. Er zaten bakken humor in zijn boek, en ook bakken drank. Speelse maar ongespeelde nederigheid en sympathieke ambitie, die elkaar nooit voor de voeten liepen. Doorheen het geheel was ook hier weer Wippelgem als rode draad gespannen, het dorp dat hem ooit verstikt had en dat hij mateloos graag zocht te ontstijgen. Het dorp ook dat in zijn bloed zat, dat bepaald had wie hij was geworden, en dat hij misschien enerzijds wel haatte maar tegelijk, ondanks alles, nog altijd scheen lief te hebben – of toch minstens de tijd of de onschuld waar het voor stond. En uit elke bladzijde spraken Liefde en Optimisme, want Vos wist dat zij de engelen zijn die ons, arme zondaars en sympathieke levensklungelaars, kunnen redden. Waarom was die Luc De Vos toch zo onweerstaanbaar, vroeg ik me af, toen ik het boek sloot? Was het omdat het kleine, het beschadigde, zo overduidelijk zijn sympathie genoot? (Voor Luc mocht er gerust een hoek af zijn. Ooit zag ik hem spelen op een speelgoedgitaartje van plastic. Dat kon allemaal voor hem, en het was nog sympathiek ook. Rock-’n-roll!) Of was het omdat wij ons in hem herkenden? Zijn we in wezen allemaal maar simpele boerenzonen en -dochters, worstelend met die soms knellende volksaard, allen samen en alleen op zoek naar ontsnappingsroutes uit het Wippelgem van onze eigen, Vlaamse jeugd? Och kom, laat zitten. De simpele uitleg is misschien nog de beste: hij was grappig en slim en ontzettend lief, en we hielden van zijn liedjes, die net zo bijzonder waren als hij. Bedankt voor de muziek, Vos, voor het mededogen, en voor de liefde voor ons allen. Je bent veel te vroeg naar bed gestuurd.   In Klaas zijn dikke boekenStond het al geschrevenWat je zou wordenLater in je levenEen oude zangerDie zingt over het verledenWant vroeger was je beter (Klaas, helaas, had het fout.)     © Marc Terreur, Sint-Niklaas, december 2014

Marc Terreur
33 0