Lezen

Zes droge worsten alstublieft

  Mocht ik een nestvlieder zijn geweest, ik had een beter leven gehad. Ik kocht me dan de jongste jeans, een mooie riem met gaatjes voor wat bloemen en twee vleugels met de kleuren van naïviteit. Doch. Ik hield met vast aan roest, aan resten van een huis. Nochtans was het niet ingestort. Zo leek het toch. Het was wel grauw en grimmig. Ooit werd ik gebeten door een muur. Die wist vrij goed waarom en zelfs de trap liet mij eens vallen. Er was geen dokter in de buurt. Daar groeiden enkel bomen zonder oren. Al het gevoel zat ondergronds. De wortels kropen liever richting sloot. Om de ziel te spoelen. De armen van de hoop te strekken. Er was daarvoor een vijvertje met dikkoppen en smalle aaltjes slopen weg. Doorzichtigheid. Das was hun redding. Telkens weer. Gevaar alom daar in die streek. Veel te laat ben ik bezweken. Echt. De ledematen van de onschuld hingen toen al jaren los. Ik droom altijd dat ik niet langer stappen kan, dat zwaartekracht alleen al mij tot torsen dwingt. Mijn hoofd is daarbij als een kooitje voor een vogeltje van lood. Onder de pannen leeft er ginds altijd nog een familie dove dakwormen. Ze boren gaten in de zacht geworden schedel van een rot verleden. Maden ook en larven die vergiffenis niet lusten. Dat laten ze onaangeroerd. Misschien komt er een krekelstorm. Ze mogen landen op dit krot en alles opeten. De zot is niet meer thuis. Ze hebben hem verbrand. De urne is van haar, de laatste blinde ziel die van hem hield. Ze kocht een driewieler toen de malloot begon te stuiptrekken. Door het gewicht van misdaden. Het zonk naar slechts één voet. Mank niet zo. Dat riep eerst nog een strontvliegje met laarzen. Het was zeer goed geweten bij de dieren. Wat een beul dat ventje was. Ze scholden vaak naar hem. De lijp hij bleef maar komen naar zijn hok waar mest al grijze haren kreeg. Kuis mij dan toch eens uit. Dat riepen stal en ook mijn emmertje dat vol liep met zeer troebele verhalen. Met beelden die opeengestapeld al het zicht ontnamen. Ik zag niets meer. Voor een normale blik op madeliefjes dromerige wolken moest ik vluchten naar het veld. Veel verderop was dat. Daar aan die beek is er een brug. Niet groot. Daarop wordt nooit gedanst. Een duif uit Avignon verloor er ooit zijn ring. Ik heb een oog dat alles ziet, helaas. Die kreek voorbij. Jawel. Dat huis achter me laten deed zo’n deugd. Het was een woning waarvan niemand wist hoe krank het was. Ik liep graag weg. Richting het winkeltje met snoep wat blikken soep een bak met sla of twee. Gelijk een Griekse mini market. Zonder feta. Olie van olijven. Zonder zakjes kruiden voor tzatziki aan een haakje bij de kassa. De caissière had twee ogen die mijn geld bekeken. Nooit mijn ziel. Die zat te diep. Onder beton leven er pissebedden in een grote groep. Hoera de kalme duisternis. Hip hip aan iedereen die jarig is op stille dagen, geen gekrijs hoeft te aanhoren van een ouderling. Ja. Aan die kassa heb ik vaak gestaan. Ik schoof er aan achter een oude man die eenzaamheid kwam stelen van een laatste fles met drank. Ze stond alleen in een braaf rek. Zonder waarschuwing. Voor die heerlijke overdosis. Dat durfde hij nog niet. Alles wat je betaald, dat mag je hebben. Hetgeen je zomaar kreeg. Miserie grief wat zure kool. Dat moest je freten. Gewoon slikken. Als een medicijn waardoor je vel wat taaier wordt, je geest een laagje rubber krijgt. Voor de putten. Voor de schokken. Ik heb daar in dat winkeltje zo dikwijls weer een nieuwe binnenband gekocht. Dat hadden ze daar ook. Omdat de fietsmaker elke nacht met de caissière sliep. Overdag. Dan moest hij uitrusten, verkocht zij dan zijn restvoorraad, zijn kettingen een bel voor wie hallo wou zeggen aan een zebrapad. Het is bij die mevrouw daar met haar kassa dat ik alles in een grote fietszak stak. Ze droeg wel eens zes droge worsten rond haar nek omdat ze erg van vet en slingers hield. Dat kocht ik nooit. Eigenwijze schoonheid mag men niet ontnemen aan mistroostigheid. Omdat ze mij dat vroegen heb ik er des zomers houtskool twintig kilo groot formaat gekocht. Voor barbecues en taferelen met wat brandend vlees. Varkensenkels wilden zwarte croûte, al wat roze was vergeten. De idylle stoofde mee. Tot er geen vuur meer was en vettig spul weer van het rooster droop. Het wilde nimmer wachten op die tong van gore honger. Op dergelijke feesten kreeg de vraatzucht nooit genoeg. Ze at zowaar die poot. Van mijn stoel. Waaraan een beetje ketchup hing. Ze lustte zelfs mijn leed. Kon dat maar en ik herinner me. Er was op zulke mooie dagen meestal ook zo’n sfeer van zoete schijn die liefst wat zure neerslag dronk. Opgevangen in een bierplateau. De bui kwam altijd graag. Hij bracht verfrissing, spoelde alle borden en dat bitter restje loof. Geloof me toch. Het landschap was er mooi en ogenschijnlijk mals. Ik heb altijd wat meegegeten. Enkel de salade en het blad van brandnetels. Gedrenkt in wat citroen. Ja ook de stengel van een berenklauw. Maar sterk, dat werd ik er niet van. Ik sloeg nochtans mezelf. Want op een dag, dan heb toch die riem gekocht en als je me zou vragen wat ik echt niet missen kan, dan is het wel die heupgordel van leer. Voor alles wat een beetje roze leek en lijkt. Voor alles wat er vroeg en vraagt. Om rode kracht. Om dapperheid en vredevolle dagen.     uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
1 0

Een eland at mijn oog

  als ik hier lig door koude doodgevroren in het gras peul dan mijn oog niet uit   wie echt wil zien waarvan ik zomaar durf te houden kijkt beter scheef vooruit   ik weet niet of het kan misschien onder gebroken glas de scherven zijn niet dom   je blik sprak vele delen zonder boek noch lood voor een verloren ruit   daar in het achterland heb ik ooit eens gewacht op lente en een sprookje   een eland sprak tot mij hij vroeg waarvoor ik vocht is er een spook of specht   die in je dromen durft verschijnen daar probeert bedaardheid te verstoren   het ligt gewoon aan mij die aard van mijn bestaan is zoveel anders dan gedacht   mijn binnenkant ze is nu eenmaal schots en scheef ik leef gelijk verloren   die eland met zijn edelsnoet hij ademde tevredenheid zo warm een dier kan zijn   hij schonk mij daarna alles wintervacht en kennis van een lange levenstocht   maar goed ik ben eenmaal zwak te week verging bijna de dood had mij in pand   ik kan niet meer ik wil niet meer proberen echt mijn kaars is opgebrand   de strijd is lang gestreden vermijden kan in niet de eindstreep ligt er al   ik woon hier onder sneeuw dat zijn de kalme woorden van een loom gevoel   het is al zo erg lang dat ik het ijs hier streel er kwam geen lieve dief   die al mijn restjes wilde geen dapper mesje kwam er uit de hemel neergevallen   ik lig hier vanaf ooit tussen begin en eind al sinds de middeleeuwen   doch helaas bijna nooit heb ik een vin verroert de vis in mij is lam   de kreek vlakbij bevroor toen zij mijn ziel bekeek over mijn lot vernam   geen druppel die gelooft dat ik nog leven zal ik ben een droef geval   de wereld is mij kwijt ik ben gewoon die wees die wil dat men vergeet   hoe ik zowaar bestond als water zonder bron peul mij dat oog niet uit   ik heb te veel beleefd de leek kent geen detail geen inzicht dat iets heeft   aan mij noch dit relaas ik ben een haas konijn dat alle holen kent   ik ben te veel verwend zo weet de ondergang de zon die is van mij   wacht nooit zomaar op haar ze is zo donkerzwart die moedeloze duisternis   tussen haar oren wil de kille nacht die echo mijn herinneringen nooit meer horen niets nog zien     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
1 0

Sukkelkind

  Is it a masked singer? Zit er hier in het publiek een wandelende tak uit Engeland met rechterstuur die rare vragen stelt en daarna volgt een blik tomatensoep. Gooi maar. Allicht omdat het nog methaangassen verspeidt, dat lijk daar op zijn stoeltje. It stinks like hell! Dat roept een kieken uit Kentucky. Bedaart en steekt nog even weg die zwaarden. In een microfoon wordt ook gevraagd wie allemaal een lotje heeft gekocht. Nummertje elf is niet gewonnen door de fee. Ook niet door ene broze vlinder. Het is zowaar een specht. Wat zal het beestje doen? Hem gaten boren in de kop? Het vliegt, het landt naast hem Meneer de Clown, vandaag verkleed als toverbeul. Steek hem maar in zijn zwarte kist, de zwaarden passen in die gleuven. Daarna opnieuw die goochelspreuk. Twee barsten in de lucht. Een breuk in het heelal. Niets van dit alles. Kijk omhoog. Droog je tranen, sukkelkind, manke Pierrot en word misschien eens wakker. Voel dat alles écht gebleven is en niets voorbij. De film van Ome Willem heeft nog nooit een kleutertje gered. Oké. Meneer de Uil is deze nacht wel los geraakt. Hij heeft mijn sleutelbeen verlaten, zit nu op de rand van mijn bestaan. Het zal nooit overgaan. Ik lees dat in zijn ogen. Het heeft gewoon niet mogen zijn. Mijn hoofdkussen is platgeslapen, ergert zich al lang niet meer aan al die klanken die ‘s nachts uit mijn oren kruipen, aan die adem van die wrede dagen. Zolang ze maar niet pogen op te staan. Die blinde hoop. Dat zwik. Die stapel uitgeknipte dwergsoldaten. Allemaal voor hem, Meneer de Hottentot. Ik zie hem straks achter de tent. Daar in ons frietkot en Alfred heeft speciaal voor hem een stoel met lange poten neergezet. Aan het buffet. Daar waar een grijze man zijn bier halfweg de dood toewenst. Zijn naam is Lazarus.     tiende en laatste deel van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0