Lezen

Zelfontwikkeling als de vruchtbaarste maatschappelijke interventie

Wat is jouw bijdrage aan de ‘maatschappij’? En wat houdt het juist in om een bijdrage te leveren? Ik zou denken dat het gaat over het maken van persoonlijke keuzes die ook een positieve invloed uitoefenen op het collectief. In het huidige mainstream narratief klinkt die bijdrage als een offer: persoonlijke energie en tijd die ten dienste staat van een collectief systeem. Het individu dat iets ‘inlevert’ en ‘opbrengt’; belastingen, diensten en goederen die de economie draaiende houden. Iedereen moet zijn steentje bijdragen. Welk steentje precies, dat moet je voor jezelf uitmaken, zolang je maar iets te dragen hebt. Wie niets bijdraagt profiteert. We hebben tegenwoordig te maken met een ‘solidaire afscheiding’. Juist omdat we het zogezegd voor een ander doen, verliezen we het contact met die ander. Klinkt dat bekend? Iedereen dient een offer te leveren door in zekere mate geoccupeerd te zijn met het bijdragen van zijn of haar steentje. Aan de toename van het fenomeen burn-out te merken, voelt het voor velen niet langer als een steentje, eerder als een blok aan hun been. Wat ooit een samenleving was, is een maatschappij geworden. Zoveel mensen die gebukt gaan onder hun werk- en levensritme en er tegelijk op toezien dat hun ‘maten’ het zeker niet beter hebben. De ‘maat’ in maatschappij verwijst nu naar een maatstaf waarmee het gewicht van jouw bijdrage wordt beoordeeld. De collectieve energie, die onder andere te lezen valt in reacties op sociale media, bevat veel bitterheid en afgunst. Als er bijvoorbeeld iemand aankondigt een camper te hebben gekocht en voortaan off-grid wil leven, dan wordt er spottend gewezen op de regels en verplichtingen die zo’n keuze bemoeilijken. Iemand die stiekem, of zeg maar onbewust, droomt van zo’n vrij leven, maar zichzelf diep heeft ingeprent dat zo’n levensstijl onmogelijk is, zal deze overtuiging ook op anderen projecteren. De beperkingen die mensen zichzelf opleggen, willen ze evenzeer een ander opleggen. Het gaat hier over beperkingen die aangeleerd en ingeprent zijn en dus in essentie niet eigen zijn. Het zijn in feite externe verhalen die zich zodanig prominent opdringen dat we ernaar zijn gaan leven. Ik zie hoe beperkingen die van ‘bovenaf’ komen, gestuurd door autoritaire krachten, eigen gemaakt en verdedigd worden alsof het gaat om een persoonlijke waarheid. Mensen die ontwaken uit deze massahypnose, en dat zijn er steeds meer, voelen hoe onnatuurlijk de druk is die het systeem uitoefent. Mensen blijven soms in een destructieve relatie omdat het alles is dat ze hebben en kennen. Het alternatief is het onzekere onbekende. Liever de voorspelbare ellende, dan een sprong in het ongewisse. De relatie die mensen met het huidige systeem hebben, zal niet zomaar opgegeven worden. Uit angst voor verlies van comfort en zekerheid. De polariteit van vandaag gaat over de kloof tussen mensen die de relatie reeds hebben opgegeven en mensen die ze nog hartstochtelijk verdedigen. Niet authentiek kunnen leven levert frustratie op, en die frustratie zorgt ervoor dat men het anderen ook niet gunt. Men zit geklemd in de klauwen van een systeem dat alles dat natuurlijk is op zijn kop zet, onder het mom van zekerheid en controle. Intuïtief weten en voelen we dat,  ons lichaam bezit die natuurlijke intelligentie waarmee we het onderscheid tussen ‘echt’ en ‘onnatuurlijk’ kunnen maken. Dat verklaart ook de enorme toename aan auto-immuunziekten en andere welvaartsziekten. Onze lichamen schreeuwen dat er iets niet klopt. Maar op rationeel vlak zitten we collectief met diepe indoctrinatie en hypnose. Wat nu als ‘normaal’ wordt geaccepteerd, wordt overeind gehouden met drogredeneringen en angst. Angst voor het mogelijke ongemak van verandering. De sociale zekerheid is al lang niet meer sociaal in een wereld waar mensen elkaar verklikken en benijden. De meerderheid doet exact wat het systeem (of de overheid) verlangt, wat een kernzaak is in het ontwerp van dat systeem. Want de motor of batterij van het systeem bestaat uit de mensen voor wie het ontworpen is. Terwijl er wordt geploeterd in de materie, schuift de energetische kant van de realiteit naar de achtergrond. Menselijke energie is niet enkel te vergelijken met een motor of batterij, maar ook met een antenne. De energie die we uitzenden als we een authentiek vrij leven leiden, heeft een heel andere frequentie dan wanneer we ons beperkt en geforceerd voelen. De vraag naar wat iemand bijdraagt aan het collectieve veld, link ik daarom aan de energie die iemand de ether inzendt en niet aan fysieke prestaties. Iemand die de natuurlijke voeling met zichzelf verliest door hard te werken en in te staan voor anderen, draagt vanuit dat opzicht minder bij aan het collectieve energieveld dan iemand die vanuit zelfzorg en dankbaarheid thuis op de sofa zit. Een zienswijze die op heel wat weerstand kan rekenen! Weerstand die het product is van een prestatiegerichte maatschappij en niet van een gezond functionerende samenleving. Wat mij betreft zijn de handelingen die we uitvoeren ondergeschikt aan de manier waarop ze uitgevoerd worden. In een natuurlijke samenleving primeert de trillingsfrequentie of gemoedstoestand waarin taken worden uitgevoerd en voelt het leveren van een bijdrage niet als een sleur of uitputtingsslag. En omdat we allemaal anders zijn, zou het dan ook meer dan normaal zijn dat er verschillende ritmes naast elkaar bestaan, in plaats van één algemene maatstaf te hanteren. Het collectieve veld is de co-creatie waar we allemaal mee te maken hebben en soms op botsen. Er is momenteel een omwenteling gaande waarbij de vorm van die co-creatie wordt herzien. De moeilijkheid is natuurlijk dat er meerdere krachten aan het werk zijn. En dat veel krachtbronnen zich niet bewust zijn van hun kracht. Ik ben erop uitgekomen dat zelfvertrouwen en eigenliefde de efficiëntste middelen zijn die iemand ter verzachting van de huidige co-creatie kan inzetten. En dat het belangrijk is om goed te onderscheiden welke intentie, en dus energie, elke persoonlijke keuze en handeling drijft. Want het is die energie die je bijdraagt aan het collectieve veld. Ik zou daarom bewuste zelfontwikkeling de vruchtbaarste maatschappelijke interventie noemen. Het is de basis die vereist is om ook in de praktische sociale wereld een positief verschil te kunnen maken. Schaamte, angsten en schuldgevoelens die gepaard gaan met het ‘uitvallen’ door burn-out of ziekte, horen bij een wereld die natuurlijke processen ridiculiseert, ontmoedigt en onderdrukt. Het is een geprogrammeerde respons met een lage trillingsfrequentie die indruist tegen onze ware aard en bovendien heling bemoeilijkt. Wie de wereld wil zuiveren van donkere vlekken, dient zichzelf aan te pakken. Een uitzuivering van de eigen beperkende overtuigingen is het meest waardevolle dat je aan het collectieve veld kunt schenken. Ik wens dat je je dit herinnert op een moment dat jouw kern om een ‘nee’ vraagt terwijl jouw persona zich verplicht voelt om ‘ja’ te zeggen, en omgekeerd.  www.karoliendeman.com    

KarolienDeman
14 2

Een Leven op de verkeerde rails

Soms, wanneer mijn gedachten zich in de schaduw van het bewustzijn verbergen, vraag ik me af of het de trein is die door het landschap schuift, of het landschap dat zich beweegt, geleid door de rails die zich ver onder de huid van de aarde verschuilen. Het is een vraag die zichzelf voortdurend herhaalt, zonder ooit een definitief antwoord te vinden. Het is niet zo dat ik onwetend ben, maar de kennis aan de oppervlakte is zo flinterdun dat ik me afvraag of het werkelijk de moeite waard is om te zoeken naar een antwoord dat er niet toe doet. Schuif ik door het leven? Of schuift het leven door mij? En waarheen schuiven de dingen? Vragen zijn mijn vervoersmiddel. Elke antwoord rijden ze voorbij. Zo ben ik geworden wat ik ben. Een lang verhaal zonder inhoud. Samen te vatten als: “Er was eens, en hij leefde ongelukkig en te lang.” De trein. Mijn eigen metronoom, de regelmaat van een leven dat zich in het ritme van de rails voortzet. Iedere ochtend weer, de vertrouwde rit van woonplaats naar werk, als een onvermijdelijk ritueel. Helaas bevindt deze metronoom zich in een andere dimensie van tijd, één die zich niet strikt aan het uurwerk houdt. Soms kom ik met een beetje geluk op de juiste bestemming aan, maar wanneer precies blijft altijd een verrassing. Gelukkig kruipt de trein altijd over dezelfde sporen, alsof dit de enige zekerheid is. Maar zelfs dat is betrekkelijk. En zo rijdt mijn leven voort. Een afgeleefde flat in Kortrijk. Een frustrerende job in Brussel. Mijn bestaan lijkt wel een… euh… trein. Waarin de bestemming niet altijd duidelijk is, maar de beweging nooit stopt. Hoe ik hier beland ben? Dat is een lang verhaal, en eerlijk gezegd, niet het soort verhaal dat de moeite waard is om te vertellen. De reflecties naar vroeger voelen als kleine wondjes die je vergeten bent, totdat je weer iets aanraakt en de pijn plotseling opkomt, scherp en ongemakkelijk. Het zijn de papiersneetjes van het leven – onmerkbaar, maar hardnekkig. Bespiegelingen vermijd ik. Wat laat een spiegel nu werkelijk zien? Alleen jezelf, en alles wat achter je ligt. Maar wat als je liever vooruit kijkt? Wat als er een spiegel was waarin je alles wat voor je ligt zou kunnen zien? Waar zou je dan staan? Een raam? Mijn ramen zijn stuk voor stuk verduisterd, reflecteren alleen de schemering van een leven dat niet altijd zichtbaar wil zijn. Trots, zelfvertrouwen, perspectief. Ik weet niet precies wat het is, maar het zijn geen vrienden van mij. Het leven leidt mij, en de mensen die zich rondom mij verzamelen – hoe miniem die groep ook is – sturen me verder, vaak tegen mijn wil. Ik volg, denk ik, niet omdat ik het wil, maar omdat ik het gevoel heb dat er geen andere keuze is. Een hond tegen wil en dank. Behalve dan dat ik zelf mijn poep zelf moet opruimen. Dwarrelen, ja, dat is wat ik doe. Al 26 jaar lang. Naar beneden, het grote smelten in. Het gevoel dat ik meer in de richting van iets verdwijn dan dat ik iets bereik. Gedachten zijn mijn schuilplaatsen. Daar is ruimte voor niemand anders, tenzij ik hen uitnodig. Alles kan er, maar niet alles mag. Het zijn geen eindeloze vlaktes die zich uitstrekken in de verte. Nee, mijn gedachten hebben grenzen. Variabele grenzen. Handig instelbare palen langs de weg die ik soms volg, maar die ook vaak in de weg staan. Ik breng veel tijd door in mijn gedachten, vaak zittend in een trein die wel rijdt, maar nooit weet waarheen. Mijn flat in Kortrijk, een bescheiden uitvalsbasis voor dit wankele bestaan, is niet veel meer dan een verzameling ruimte. Een piepkleine hal die rechtstreeks naar de woonkamer leidt, gevuld met meubels die niet meer van deze tijd zijn. Een bank die ooit comfortabel was, maar nu in een soort schrijnende leegte zit. De boekenkasten lijken zichzelf een rol toe te schrijven die ze niet kunnen vervullen, en de eettafel is het enige meubelstuk dat nog redelijk in harmonie is met de ruimte. De keuken, een open eiland zonder veel ziel, loopt door in de slaapkamer, die je alleen betreedt als het echt nodig is. En dan is er de badkamer, gescheiden van de woonkamer door een deur die net zo betekenisloos is als de kleur van de muren. Wat voor kleur? Een soort wit, maar je zou het niet kunnen zeggen. Het is kleurloos. Er is geen televisie, geen dressoir – ik heb nooit begrepen waarom mensen dressoirs nodig hebben. Twee grote ramen laten wat daglicht binnen, hoewel ik betwijfel of dit voldoende is om mijn bestaan echt te verlichten. Trots, dat ken ik niet. Maar ik houd mijn flat in een redelijke staat, opgeruimd. De bank is chaos, maar de rest is in enige mate in balans. Ik eet altijd aan de eettafel, nooit op de bank. Slapen doe ik in mijn bed, dat net genoeg ruimte biedt om tot rust te komen. De kleren die ik heb hangen netjes in de kast. Schoenen staan keurig in een rek. De enige uitzondering zijn de boeken. Die leg ik overal neer. Boeken zijn voor mij een soort gedachten die in papier gevangen zitten. Ze zijn alles, ze zijn evenwaardig aan mijn eigen reflecties. Ik leef er in. Mijn lichaam? Het krijgt de zorg die het nodig heeft, al is het niet veel. Ik wandel, ik loop. De lange afstanden, die is mijn ding. Niets valt te vergeleken met het gevoel dat ik krijg van een drie- of vier uur lange wandeling of looptocht. Terwijl mijn gedachten zich verliezen in de tijd, in de regen of zon, dat maakt niet uit. Beide kunnen naast elkaar bestaan. Denk ik. Er is zoveel waar ik van hou, maar het is niet altijd duidelijk waarom. Mijn begrip lijkt zo beperkt. Wat ik niet begrijp? Het dagelijkse ritueel van het woon-werkverkeer. Waarom blijf ik iedere dag opnieuw in die trein stappen? Wat bezielt me om deze absurditeit te herhalen? Dit, dit is mijn grootste raadsel. En dan, daar in Brussel, de stad die zichzelf met moeite bijeenhoudt, een oude man in een te strak wit hemd, altijd maar proberen te passen in het steeds kleinere jasje van de tijd. Brussel is een hutsepot zonder recept. Steeds maar hopen dat het ooit op smaak komt door er extra ingrediënten bij te gooien.

Piet V.
4 0

Sense of Purpose

Ik ben altijd zot geweest van muziek. In mijn tienerjaren, de vroege jaren tachtig, was ik van de post punk en de new wave. Ik was er helemaal door bezeten, ik kon er uren naar luisteren, mij uitleven op de dansvloer, en er troost in vinden. Muziek was kostbaar, een plaat kostte driehonderd frank. Ik kocht van mijn zakgeld alleen de allerbeste, andere muziek nam ik op cassettebandjes op : ik leende platen van vrienden of nam gewoon muziek op van de radio. De aanschaf van een vinylplaat was telkens een evenement. Met de trein naar Antwerpen, in de platenwinkel Brabo op de grote markt een paar fragmenten beluisteren met de koptelefoon en thuis het ritueel : ze uit de hoes halen, op de platendraaier leggen, de naald erop, een paar tikjes, de eerste noten … de hoes bewonderen met de foto’s, de teksten bestuderen. In december 1982 werd ik zeventien. Ik kreeg van mijn vriendinnen ‘A Kiss in the Dreamhouse’ van Siouxsie and the Banshees. Voor kerstmis kregen wij van onze ouders geld voor een cadeau dat we zelf mochten uitkiezen. Ik nam de bus naar Lier en kocht ‘From the Lions Mouth’ van the Sound, een Britse post punk band, die lovende kritieken kreeg, maar nooit echt is doorgebroken. Ik pakte de plaat in en legde ze onder de kerstboom. Het uitkijken naar het uiteindelijke moment waarop ik mijn cadeau eindelijk mocht uitpakken, maakten het extra waardevol.  Ik speelde ze tot ik elke noot, elke gitaarriff, elk baslijntje, alle lyrics vanbuiten kende. Ze staat nog in mijn platenkast, ik vind ze nog altijd even sterk. Toen ik ze onlangs nog eens speelde, kwamen de herinneringen terug en het gevoel dat ik toen had, dat ik moeilijk in woorden kan vatten. ‘From the Lions Mouth’ was de soundtrack van mijn laatste jaar menswetenschappen in het Instituut Heilig hart van Maria in Berlaar. Het nummer dat mij het meeste raakte was ‘Sense of Purpose’. Ik dacht dat het ging over weten wat je wil, een doel hebben in je leven maar ook over zingeving en engagement. ‘I'll take my life into my own hands  What are we going to do? I'm asking, I'm asking you!’   Dat was de vraag. Wat ging ik nu eigenlijk doen? Voor mijn klasgenoten was het duidelijk. ‘Ik ga studeren voor maatschappelijk werker.’ ‘Ik word onderwijzeres.’ Anderen werden kleuterleidster, nog iemand ging in de slagerij van haar vriend werken. Ik wist het niet. Engagement vond ik wel tof. Een van mijn vriendinnen noemde zich feministe en was sociaal geëngageerd. Voor abortus, tegen kernergie. Pacifist, anti-racist. Haar oudere zussen stemden PVDA. 'Dat is goed, hoor, Ilse, het communisme. Alles is van iedereen.' Ze gaf me een button die ik fier opspeldde. Mijn zus was niet onder de indruk. 'Wat is dat voor iets. Fascisme? Gooi maar snel weg!’  ‘Nee, kijk dan, destroy fascism.'   Op een dag werd er op de deur van ons klaslokaal geklopt. Een jonge vrouw stak haar hoofd binnen en vroeg of ze even mocht storen. De les onderbreken vonden wij altijd prima. Ze ging voor de klas staan en stak van wal. ‘Wie heeft er zin om volgend schooljaar naar het buitenland te gaan? Bij een gastgezin wonen en het laatste secundair overdoen?’ De helft van de klas was ze kwijt, de anderen luisterden, uit beleefdheid, met een half oor. Maar mij had ze meteen mee. Ik, die mijn tijd op de schoolbanken grotendeels doorbracht met uit het raam staren, dromen en in mijn hoofd ‘Sense of Purpose en ‘New Dark Age’ zingen, was een en al aandacht. Zo kwam het dat ik die avond thuiskwam met de vraag :  ‘Mag ik volgend schooljaar naar Australië gaan?’ Dit hadden mijn ouders niet zien aankomen.De volgende morgen kwam mijn moeder mijn kamer binnen en schoof de gordijnen open. 'Ik ga heel hard wenen maar je mag gaan.’ Mijn zussen, broers, klasgenoten, vonden het 'speciaal’. Onze klastitularis, mevrouw Broos, vond het een heel goed idee : ‘Je gaat uit je schulp moeten komen.’ Samen met mijn ouders ging ik naar een infomiddag van Youth For Understanding en de procedure werd in gang gezet : aanvraagformulieren, motivatiegesprekken. Wat eerst een ingeving was, werd nu een concreet plan. Het begrip comfortzone kende ik nog niet en als ik er al van had gehoord, weet ik niet of ik er wel uit wilde. Maar ik wilde geen saai leven onder de kerktoren, ik wilde de wijde wereld in. En wat ik daarna ging doen, dat zou ik dan toch zien? ‘Maar waarom wil je precies naar Noorwegen gaan?’ vroeg mijn vader. Australië bleek te ver, te ingewikkeld en te duur, het werd een Europees land en ik had een romantisch beeld van Noorwegen : fjorden, bergen, sneeuw en een leuke taal, met die streepjes en bolletjes. Terwijl de aanvraagprocedure liep en ik wachtte op een positief advies, ging het leven in de menswetenschappen zijn gangetje. Met mijn feministische vriendin ging ik naar de opening van Happy House, een club in Aarschot waar ik tot een kot in de nacht danste op 'Happy House' en op muziek van Echo and the Bunnymen, New Order en The Sisters of Mercy. Iedereen bewoog zich alsof hij vijf frank van de grond wilde oprapen. De houterigste hark transformeerde in stroboscooplicht tot een ster op de dansvloer. Op de driedaagse retraite staarden we samen met mevrouw Broos en een pater naar een kaars en moesten dan zeggen welke diepe gedachten en gevoelens er bij ons opkwamen. De uitslovers zagen warmte en liefde, een schitterende toekomst, de zon. Ik zag een brandende kaars. Optredens van The Cure en Siouxsie and The Banshees in zaal Lux in Herenthout, legendarisch! De bassen bonkten door mijn lijf en ik lag in bed met fluitende oren. Niemand droeg oordopjes. Een andere vriendin had een vriendje met een migratieachtergrond. Nadat in Lier een Marokkaanse jongen slaags was geraakt met een buitenwipper, die een paar tanden was kwijtgespeeld, raakte geen enkele ‘vreemde’ nog binnen in een Lierse discotheek. Niemand protesteerde. Wanneer ik me verdrietig en eenzaam voelde deed ik het licht uit en zette Joy Division op. 'Isolation', 'A Means to an End'. Op het einde van het schooljaar kladden we onze nylon schorten, die we over onze kleren moesten dragen, helemaal vol en gooiden ze in de vuilbak.  Toen kreeg ik het bericht dat ik was toegelaten en naar Noorwegen zou gaan. Met de opwinding sloeg ook de twijfel toe. Ga ik dat wel kunnen? Ik ben toch veel te verlegen, veel te stil? ‘Natuurlijk ga je dat kunnen,’ zei mijn moeder. Alle voorbereidingen werden getroffen, ik pakte mijn koffer en toen zei mijn vader : ‘ Als je nu eens gewoon thuisbleef?’ Met een bonzend hart stond ik op de luchthaven van Schiphol, samen met mijn ouders en mijn zus. Ik droeg mijn  jasje met de button ‘destroy fascism’ en op mijn handbagage kleefde een sticker : 'Atoomenergie? Nee bedankt!'. In mijn bagage had ik dertig cassettebandjes gestopt. Op een ervan had ik ‘Jeopardy’ van the Sound opgenomen. Het eerste nummer van de plaat is ‘I can’t escape myself'. Dat wist ik toen nog niet.                          

Ilse Janssens
0 0