Lezen

Decakoffie

De taferelen bij het tafelenzijn hier best merkwaardig& schelen niet al te veel    met de buitenwereldsommige eten anderen weer nietals het gaat dan gaat het gaat het niet dan gaat het niet geklaag gezaaggetreur gezeurknorrig & bot we lijken hier niet graag te zijnmaar het moet voor een of andere redenhet is hier streng & saai lijkt hier wel op schools’ avonds in een rij geschikt voor de bollenparty& wij zeggen amen bij gelegde handen    dank u voor ons dagelijks brood    waar wij van mogen leven men zwijgt men spreektmen weet niet waar op of waar afmen slaapt men woeltmen ondergaat ons brein zijn straf de deur gaat drie keer open ’s nachts& dan zie je het licht als je goed kijkt    om kwart na zeven maken ze je wakker    of ben je nog wakker    slaap kruipt tussen de mensen hun oren    & daar klinkt de laatste klaagzang weer    de genadeslag bij het ontbijt mensen komen hier snel & kunnen snel gaanmaar een crisisopnamecentrum blijft altijd bestaande schimmen van de ziektewet zij die met onzichtbare ziektes dolenzij die dansen met depressie& de angst omarmenzij die elke avond in een ietsiepietsie klein doosje springen& dat als hun dagelijkse redding beschouwen een wellness gaat failliet & corona zoog iedereen leegiemand krijgt plots een persoonlijkheidsstoornisplakker                         & is daar daadwerkelijk oprecht blij meeer zit cafeïne in de decakan & iemand schrijft de dagen van zich afer ligt angst vanachter in de bus & eetstoornissen doen slikken& terwijl pillen slikken willen vertikken ze in de vuilbak willen mikken we maken ons klaar voor een nieuw leven          & sterven doorheen de dagen heenLeuven is dood & Mbark Boussoufa kent mond & klauwzeerhij liep geen blauwtje bij Paars Wit & kon op ballen balancerenspinnen achtervolgen adhd’ers in foorburgerkramen bij den Anderlecht          & een geheel bestaan achtervolgd door rilatine smaakt barslecht een kind leert normaliter a b c d . Bart leerde ; Bart je heb ADHD& geen kist of pallet waar je zorgen mooi in of op passeneen agressieprobleem strandde in een huwelijksnacht op Giethoorn& niet langer kende Bart de pieken & dalen & kinderloze dromen van weleer                                                        zo zie je maar iedereen wordt ooit meneer laat ons hopen dat je hier nooit stranden maghagelwitte gangen vol met aftandse kunstde kunst is van er voorbij te kijken terwijl het daar niet voor dient& wat doen in godsnaam die drie stoelen op de gang& wat doe ik hier in godsnaam weer na dat deca-incident de taferelen bij het tafelenzijn hier best merkwaardigde menselijkheid springt in het oogzo zie je maar dat het hier niet zoveel scheelt met de buitenwereld& zijn we niet langer ontheemd  

Schrikkentist
5 2

Novembervers2 - Flierefluiter op de dijk (meer dan een vers)

De man, op de dijkrand balancerend, slaat doelbewust de bankjes gade. Nonchalant wandelt hij naar het bankje waar een jonge vrouw zit te genieten van haar laatste uurtje zeegroen uitzicht, haar rugzak onder de bank gedeponeerd, voor ze terug naar huis treint. Gespeeld verbaasd blijft hij voor haar staan en roept uit: “My God, is that you?” Hij ploft naast haar neer en ratelt verder, zichzelf Brit wanend. Ze herkent dat zangerig accent van haar eigen roots en dat verraadt hem. Hij zit dichtbij waardoor zij hem haar rug toont en zo blijft zitten. Hij stapt niet op. Integendeel, hij schuift dichterbij, flirtend, denkend dat het aanslaat. Van lieverlee zet de vrouw zich weer recht maar schuift twee-handen-breed verder weg. Ze besluit, tegen beter weten in, hem een kans te geven. Ze vraagt hem in het Nederlands over wie hij het heeft. Van verbazing – in zijn arrogantie beseft hij niet dat er intelligente vrouwen bestaan – begint hij in het Nederlands, overschakelend op Engels, hopend dat hij de situatie kan redden. Zwetend zoekt hij naar woorden terwijl hij denkt dat dat mannelijk, ergo aantrekkelijk is, zeker tezamen met die schuurpapieren wangen. Ze gebiedt hem in het Vlaams verder te gaan. Het venijn in haar stem valt hem natuurlijk niet op. In een volgend cliché uit zijn arsenaal over hoe ze eruit ziet, een reistypetje, hoopt hij alsnog haar voor zich te winnen. Ware het niet dat een voorbij huppelend kind hem doorheeft en zijn papa luidkeels op de ruzie wijst. In een laatste poging zijn gezicht te redden, pseudo-grapt hij; “Maken we het goed bij een koffietje?”De volgende seconde kijkt hij haar na, haar rugzak bengelend over haar ene schouder waarbij haar laatste woorden, rood aanlopend uitgeschreeuwd, nazinderen. “Er is geen wij!” Ze verdwijnt tussen de massa, richting station.

Anemos
8 2

Stenen vondst

Hoe lang zou het duren voor de stenen vielen? De slapende lichamen leken als zware zandzakken neergelegd tussen de grashalmen. Hoe koud zouden ze het hebben? Ik vroeg het me af. Ze leken wezenloos en als ze dat nog niet waren, zou de laagste rotsblok daar voor zorgen. De vrouw zal het vast warmer hebben gehad, tussen de modder en het lichaam bovenop haar. Waarom zagen ze er in hemelsnaam zo vredig uit? Was ik in een fantasyfilm terechtgekomen?Dat beeld van de lichamen in de modder met die rotsen boven hen tartte elke verbeelding, zelfs de mijne. De lichamen, over elkaar heen, in het slijk tussen het gras. Ver boven hen ontwaarde ik licht- en donkergrijze tinten in een wolkenstreep waar een zwarte kraai rond cirkelde. Uit de wolk vertrok een touw naar beneden, dubbel gebonden rondom een reuze rotsblok. Het touw daalde verder naar een lagere blok, strak omheen vastgeknoopt. Hoe lang zou het touw het houden? Zou de vogel de koord doen knappen? Het geblaf van de hond van mijn buren, Henri en Elise, leek wel een door God of zijn universum gezonden teken. Abrupt werd ik wakker en schoot recht in de zetel met een nog onwerkelijk gat ergens tussen de fantasy en de concreetheid van het wakker zijn. Met de belofte hun hond dit weekend tijdig uit te laten en eten te geven, had ik de gemeenschappelijke deur tussen onze twee tuinen opengelaten. Ik woonde hier nog niet zo lang en meestal ben ik de laatbloeier in een nieuwe omgeving. Maar in hun hartelijke gastvrijheid zwom ik spontaan mee. Ze leken de artistiekelingen van de wijk, beetje doorleefd voor hun nog jonge leeftijd, dat wel. Toch trok hun optimistische aard me wel aan. En een wederdienst voor het mooie vrolijke tuinhek, waar zij voor gezorgd hadden, leek me wel passend. Beter een goede buur dan een verre vriend, al ken je ze nog niet zo goed, toch? Nu gromde en blafte de hond hees, helemaal anders dan zijn vraag om een wandeling, eten of een spelletje. Toen ik buitenkwam, rende hij als een pijl uit een boog weg.  Wat zou dat toch in hemelsnaam zijn? Bijna over mijn eigen voeten vallend, volgde ik hem. Hij was sneller, zelfs doorheen de witte muur van mist. “Laaassie!”, riep ik zijn schelle blaffen na. Was er een naam die meer cliché klonk? Het geblaf ging plots over in een gehuil. Ik was heel dichtbij. Tot ik versteende. Werd de fantasy vanop de warme zetel toch echt? De modder, het koppel, over elkaar heen gelegen, het vredige aanzicht… Ik keek naar boven, knipperde met mijn ogen; geen rotsblokken aan een touw te zien. Zucht! Lassie draaide hijgend rondjes, rende het stukje tussen het paar en mij op en neer en sprong dan tegen me aan. Voorzichtig zette ik een stap in die richting. Er gebeurde niets. Nog een stap. Nog niets.“Hallo!” Mijn stem piepte. “Haaallooo!!” Dat ging al beter.Nog twee stappen en ik was bij hen. Gebiologeerd door de bijna lieflijke houding van de twee mensen. Tot ik iemand hoorde gillen. Mijn eigen stem! Ik liet me op mijn knieën vallen. Ik trok eerst aan de man, rolde hem op zijn rug en sleepte toen de vrouw van de modderplek weg. Lassie jankte nu zachtjes, tussen de twee lichamen in gezeten. Toen zag ik het zelf pas. Een verlammende realiteit, zoals ze daar lagen; met hun gezichten naar boven, nog nauwelijks ademend, blauw en bleek tegelijk. Wie moest ik eerst reanimeren? Henri of Elise?

Anemos
5 0

Saterdag

Vanmiddag teruggeworpen geweest in de tijd. Dat overkomt me wel vaker, en bijna altijd door muziek. Deze keer: wijlen Kevin Ayers. Een perfect uitgevoerde heupworp. Tijdens het atelierwerk besloot ik nog eens te luisteren naar een van mijn favoriete albums aller tijden: The Confessions of Dr Dream and other stories, datumstempel 1974. Stel je daarbij een bizar mengelmoesje voor van (heel) vroege Genesis, de begindagen van Pink Floyd, Tubular Bells van Mike Oldfield — die trouwens heerlijk meespeelt op deze plaat — en vooral veel Kevin Ayers zelf.Ik was al vier nummers ver in de plaat toen het plots gebeurde, bij de begintonen van het samenhorig drieluikje It Begins with a Blessing / Once I Awakened / But it Ends with a Curse. Ik ben een jaar of veertien vijftien, schat ik, mijn oudere broer Edi baat achter de hoek een folkie bruin hippiecafé uit: De Sater. Die morgen gaat ons moeder kuisen en ik ga mee, het is allicht weekend of vakantie. Het zal wel zijn dat ik meega, want ik hou van die plek en de sfeer die je daar letterlijk kunt opsnuiven, ook al ben ik nog veel te jong om er ’s avonds te mogen rondhangen tussen het volkje dat mijn gretige hersens doet vonken. Iets van de magie werkt de volgende ochtend na, als de tempel leeg is en de achtergebleven sigarettenpeuken en verschaalde kletsen bier nog als enige getuigen van het mysterie dat zich hier, weer eens zonder mij, moet hebben afgespeeld. Telkens ik het heiligdom mag betreden, tokkel ik eerbiedig maar onkundig op de ontstemde buffetpiano, haar galmende klank blaast leven in dit verlaten decor van spiegels, affiches van gemiste muziekoptredens en vooral veel elpees, die alle geuren en fascinerende gebeurtenissen diep in hun hoezen en groeven hebben opgeslagen. Die ene ochtend legde ik dus Kevin Ayers op de draaitafel — ik had al snel uitgevist hoe de muziekinstallatie werkte, ook al had ze veel meer toeters en bellen dan mijn eigen goedkope platenspelertje uit de catalogus van een postorderbedrijf, ik meen dat het de Unigro was. En dáár, op die plek in Einsteins gekromde ruimtetijd, daar ben ik dus daarstraks nog eens geweest. Het was een fijn weerzien.

Marc Terreur
87 0