Lezen

Il postino

In tijden dat men verzendingen machinaal frankeerde, zag men aan de recepties van bedrijven en verenigingen de juten postbalen staan die door de post werden opgehaald. De ruwe stof maakte dat er wel eens iets onderaan in de zak bleef haken. Zo vonden wij op kantoor ooit drie wenskaarten. We gooiden ze in de postbus en hoopten dat de bestemmelingen nog op het aangeduide adres woonden: leuk wanneer je in de maand augustus nog nieuwjaarswensen ontvangt. Een broer van een vriend uit Sankt Vith ‘of all places’ kreeg ooit een kaartje van een schone, die hij op vakantie had leren kennen. Op het adresgedeelte stond enkel: An der Anton in Sankt Vith. Er waren, dixit zijn broer, wel meerdere Antons in het dorp. Gezien zijn reputatie, kenden de facteurs meteen de enige, die voor ontvangst in aanmerking kwam.   Op kantoor wil ik het ladekastje van de vroegere verzendingsdienst een andere bestemming geven. Bij het leegmaken vind ik een mooi opgevouwen postzak. Bij het openplooien van de zak merk ik dat er onderaan nog een enveloppe zit. Weer achtergebleven wensen, denk ik of een brief voor Anton? Het lijkt inderdaad een brief volgens het omslagformaat. Er is duidelijk een adres vermeld, doch het huisnummer ontbreekt en als afzender staat enkel de plaatsnaam Muravera vermeld onder de voornaam: Tonio.  Er is dus  weer een Anton in het spel. De drie bij vier centimeter kleurrijke postzegel van 0.75 € vermeldt Anno Europeo del Volontariato en is niet afgestempeld. Wat moet ik hiermee? Door de ontbrekende gegevens heeft het weinig zin hem terug in de bus te gooien en op het postkantoor belanden zulke zendingen na een tijdje trouwens  in de papierversnipperaar. Mijn nieuwsgierigheid haalt het van mijn schroom. Ik houd de omslag boven de dampende waterkoker, waardoor ik hem zonder scheuren kan openen. Het perfecte handschrift is duidelijk met een vulpen geschreven. Ik lees: Mio caro Ion, ti chiedo perdono, Ja, ik moet je vragen om mij te vergeven, lieverd, omdat ik met de noorderzon ben verdwenen of is de zuiderzon hier eerder van toepassing?Wist jij veel, dat ik  reeds voor onze laatste nacht samen, mijn koffers had gepakt om de volgende morgen terug naar mijn geboorteland te vluchten.Vluchten, ja, want ik kon onze relatie niet meer aan. Het steeds moeten alert blijven om niets fout te zeggen of te doen. De schijn ophouden dat wij enkel goede vrienden waren en niets met elkaar hadden.Jij weet dat dit mij pijn doet en ik weet hoe diep ik je hiermee kwets.Harten breken is nooit mijn specialiteit geweest, ook al vond je dat mijn gedichten en liedjesteksten het tegendeel bewezen.Nooit mocht ik je mailen of schrijven omdat je het te riskant vond. Je wilde niet dat iemand er zou achter komen wat wij echt voor elkaar voelden.Ik wil nu even onze omerta doorbreken omdat dit het laatste is wat je van mij zal vernemen. Ik laat geen adres achter en mijn mailadres en telefoonnummer heb ik gewijzigd.In mijn herinnering koester ik de weinige nachten dat wij konden samenzijn.  Je vond het ongelooflijk dat ik, die zoveel jonger was, op jou viel. Je zei mij, al was het tegen je zin, dat ik mijn liefde aan leeftijdsgenoten moest geven. Ik deelde veel met mijn vrienden: mijn sport, mijn muziek, mijn passie voor mijn idool en de vele verplaatsingen naar zijn optredens in het buitenland. Soms vond je het overdreven en maande je mij aan om wat meer naar de klassieke muziek te luisteren die je zo boeide. Dat deed ik maar al te graag wanneer het samenging met de geborgenheid die ik alleen in jouw armen kon ervaren.Wat heb ik genoten van onze enige uitstap naar de Noordzee. Het was er koud en winderig op het strand. Jouw stoere handen in mijn woelige haardos en onze omhelzing in de duinen staan voor altijd in mijn geheugen gegrift.Hier, op mijn eiland, is de zee diepblauw als jouw ogen, die mij konden opslorpen als wij eindelijk even intiem waren.God, Ion, hoe hartverscheurend kan een mensenleven zijn. Alvorens ik deze brief verstuur, wil ik dat je mij iets belooft. Ook al zal ik nooit weten of je de belofte gaat houden, ben ik zeker dat je verder de vrolijke papa van jouw schatten van kinderen zal blijven en de zorgzame man van je lieve echtgenote. Zij verdienden niet dat ik je ooit van hen zou wegrukken. Adio, Ion, con tutto il mio cuore. Mijn hart bloedt. Tonio Ik sta versteld. Wat erg dat dit schrijven nooit ter bestemming kwam. Ik wil het lot niet tarten en ga niet op zoek naar het ontbrekende huisnummer. Dan waag ik het erop, plak de omslag weer dicht en stop hem in een andere enveloppe, waarop ik als bestemmeling schrijf: All’attenzione di Tonio,I - Muravera, Sardegna (Italia) Als ik met de brief naar de postbus stap, klinkt in mijn hoofd de overbekende muziek van de Italiaanse film ‘Il Postino’. Hoop dat de postbode in Muravera de ware Tonio vindt.    

Vic de Bourg
17 1

Ondraaglijk licht

Vandaag fiets ik voor het eerst dit jaar met de zon naar het werk. In mijn kielzog schittert het hemellichaam dat ons binnen enkele miljarden jaren genadeloos zal opslokken. Daarachter ligt het universum dat al 13,8 miljard jaar uitdijt. Het is een grote verantwoordelijkheid om met het gewicht van het bestaan op de schouders door te fietsen, maar ik houd mijn snelheid aan.Zeven miljard jaar geleden botste er trouwens een sterrenstelsel met onze Melkweg. Dit zou ons geluk geweest zijn. Anders waren wij waarschijnlijk rotsen. Of gas. Of een regen van saffieren.Zeven miljard jaar. Hoe verhouden wij ons tot die tijd? Nog geen halve oogwenk zijn wij. We zijn zelfs niet het oog dat dichtvalt. Misschien net de prikkel in de hersenen die het bevel geeft daartoe. Dit is onze tijd in het universum.Als wij nog geen oogwenk zijn in de eindeloosheid van de tijd, waarom dansen wij dan niet vaker? Er is niemand die naar ons kijkt. Wat houdt ons dan tegen? Met het oog op een zekere vernietiging moeten we net elke dag schoonheid scheppen. Het is onze missie.Uiteindelijk drijft alles in het universum uit elkaar. Eerst wordt de aarde nog verzwolgen door de stervende zon. En dan zullen ook de sterrenstelsel verder en verder van elkaar weg dobberen. Niemand die elkaar uitwuift. Eenzame sterrenstelsels in een steeds donker wordende duisternis.Ik zet mijn tred door, bijna aan het kantoor. Met de zon voel ik ook een andere warmte uit het Oosten. De ongemakkelijke warmte van oorlogsgeroffel. Maar ik doe alsof ik dat niet voel. Ik fiets met de eerste zonnestralen van het jaar. Ik dans.

Jolien Van de Velde
109 2

Ina

Ik ontmoette Ina op het werk.  Ik stond mijn les te kopiëren bij de administratie toen er werd getoeterd.  De secretaresse zei: Dat is Ina. Ik keek nieuwsgierig naar buiten en zag een rode auto op de parkeerplaats van het instituut. Achter het stuur zat een jonge vrouw. Ze keek opgejaagd naar de monumentale deur van het pand. Waarom stapt ze niet uit, dacht ik bij mezelf. De jonge vrouw toeterde een tweede keer. Toen er nog niemand kwam, toeterde ze een derde keer. Een vierde keer. Het getoeter klonk steeds indringender. ‘Kan ze niet even wachten!’ zei de secretaresse geïrriteerd. Zonder op te kijken van haar computer, typte ze verder. ‘Waarom stapt ze niet uit,’ vroeg ik. De secretaresse was een kleine blonde vrouw van middelbare leeftijd met enorme handen waar ik bang voor was.  ‘Ik moet haar rolstoel uit de auto halen,’ zuchtte ze. Nu zag ik het bord: parking voor rolstoelgebruiker. Dat was me nooit eerder opgevallen. ‘Ik doe het wel even,’ zei ik. ‘Zou je dat voor me willen doen?’ Ik knikte. ‘Geen probleem. Het papierwerk kan wachten.’ ‘Wat fijn van je. Ik vind het echt vervelend dat ze niet even kan wachten. Ik ben zo klaar.’ Het getoeter hield aan. Ze keek zenuwachtig naar me. Ik snelde naar de deur. Toen Ina me zag buitenkomen en naar haar zwaaien, opende ze de deur. ‘Ik kom je helpen met de rolstoel,’ zei ik.  ‘Ok. De achterdeur is open. Je kan de rolstoel er zo uit halen.’ Ina draaide zich een halfslag om en gooide haar benen, als twee honkbalknuppels voor een belangrijke wedstrijd, naar buiten.  ‘De stoel uit de auto schuiven en op straat openklappen,’ zei ze vlak. Ik deed wat ze zei. Onhandig trok ik de rolstoel uit de auto. Hij viel met een smak op de grond.  ‘Pas op,’ zei ze. ‘Sorry. Het is de eerste keer.’  ‘Dat is geen reden om mijn rolstoel kapot te maken.’ Ik klapte de rolstoel open. ‘Naar me toe rollen,’ zei ze ongeduldig. Er kwam geen beweging in de rolstoel.  ‘Van de rem halen!” Ze rolde met haar ogen. Ik rolde de rolstoel naar haar toe. Ze maakte een klein sprongetje en plofte neer op de rolstoel. Met veel moeite kreeg ik haar naar binnen. ‘Sluit je de auto voor me af?’ Ze gaf me de sleutels alsof ik een portier was van een duur hotel. Toen wist ik het nog niet. Maar deze ontmoeting zou mijn leven veranderen.  

Margaretha Juta
4 0

Dubbele oorontsteking

Hij had al een tijdje pijn aan zijn oren. Aan een kant was het wat meer dan aan de andere kant maar het bleef wel heel vervelend. Als hij schudde met zijn kop was het af en toe wel wat minder maar het kwam toch steeds terug. En het meest vervelende was nog dat als mensen zijn kop aaiden en zijn oren aanraakten, dat hij dan onbewust piepte. Daar schaamde hij zich toch wel een beetje voor. Het vrouwtje had het ook wel in de gaten. Ze had al een keer van dat vieze spul in zijn oren gespoten maar dat hielp ook maar één dag. Hij hoopte wel dat het snel over zou gaan. Hij had deze week ook nog niet veel mee gemogen. Ja, voor de wandelrondjes wel maar verder niet. Nou was het vrouwtje ook niet veel weggeweest maar toch. Maar nu ging ze dan toch zijn tuigje pakken, ah, ze gingen ergens heen. Hij sprong van de bank en hielp door vast zijn riem te pakken. Het vrouwtje lachte en ze gingen samen naar de auto. Het was maar een klein stukje hobbelen en toen zag hij waar ze waren. Bij dat grote huis waar ze echt heel veel hondensnoepjes hadden. Hij was er wel eens eerder geweest, ze hadden hier zijn behendigheidstuigje en dat stomme jasje gehaald. Kijken wat hij nu zou krijgen. Het vrouwtje ging even zitten, dat was wel een beetje raar, en na een tijdje gingen ze samen een hokje in. Toen rook hij het al, hij was weer voor de gek gehouden. Dit was de geur van die mensen die hem een zere poot hadden bezorgd en wel eens met van die rare dingen in zijn oren hadden gepord. Jawel hoor, hij moest weer op de tafel en daar kwam dat stokje weer. Hij wrong om los te komen maar het vrouwtje hield hem stevig vast. Dat hij er toch zo ingetrapt was. Maar ja, normaal ging het baasje altijd met hem naar zo’n huis. En nu was hij met het vrouwtje. Hij begreep er weinig van. Die dierenarts ging onderzoeken wat er uit zijn oor kwam. Bah bah, dat doe je toch niet. Hij vond het zelf al vies als hij met zijn pootje zijn oor schoonmaakte. Hmm, ze vond het toch niet goed, wat ze daarin zag. Dubbele oorontsteking, geen idee maar als dat was wat hij had, was het niet fijn. Pfff, het vrouwtje maakte een nieuwe afspraak voor volgende week. Moesten ze weer terug zeg. En er werd vieze smurrie in zijn oren gesmeerd. Jakkie. En hij mocht voorlopig niet zwemmen. Tsss, net of hij daar ooit een fan van was geweest. Hij was er weer mooi klaar mee.    

Machteld
1 0

Later als ik klein ben ...

Later als ik klein ben … ‘Later word ik een supersonische straaljager’, zegt de jongen op besliste toon.                          Hij spreekt het woord ‘supersonisch’ met veel nadruk uit, fier dat hij zo’n moeilijk woord kent. Hij kijkt me vastberaden aan.  We zitten samen op een bomvolle tram, zijn mama een plaatsje voor hem en hij gezellig naast me, helemaal klaar om een conversatie te starten zoals alleen een kind dat kan.  Zijn mama en ik wisselen een geamuseerde blik uit die de jongen meteen opvat als een ontkenning van zijn woorden.                                                                                                          ‘Mijn mama zegt dat ik alles kan worden wat ik wil, dus word ik een straaljager!’ reageert de jongen vol verontwaardiging. Bij de ‘ik’ wijst hij fier op zijn eigen borstkas, die hij stoer naar voor steekt.    ‘Een supersonische dan nog wel,’ reageer ik lichtjes plagend.                                                        Hij trekt even een wenkbrauw op en kijkt me aan met een kritische blik. Dan begint hij opgewonden te vertellen hoe hij er later als straaljager wilt uitzien. ‘Ik word enorm lang en smal met een scherpe punt van voor om extra snel te kunnen vliegen. De vleugels staan naar achter en zijn rood met blauwe strepen op.’ Met zijn armen tracht hij het vliegtuig uit te beelden, wat niet evident is op een stampvolle tram.  ‘En kan je dan zelf vliegen of moet er een piloot in je zitten?’ vraag ik geïnteresseerd.                  Hij kijkt me aan alsof ik het domste wezen ben op aarde.                                                            ‘Natuurlijk moet er een piloot in mij zitten, dommie!’ roept hij verontwaardigd door de tram.    De mensen rondom ons kijken verrast op en beginnen stiekem mee te luisteren. Zijn mama kijkt me wat gegeneerd aan en maakt met één blik haar zoontje duidelijk dat hij stiller én beleefder moet zijn.  Op een iets zachtere toon legt de jongen me met hand en tand uit waarvoor die piloot dan wel nodig is.                                                                                                                                        ‘Allemaal gelezen in mijn vliegtuigenboek,’ zegt hij trots.                                                            Hij duikt in zijn rugzak en haalt er een groot boek uit met op de voorkant een kleurrijke foto van een vliegtuig. Hij bladert snel naar een pagina met een ezelsoor en daar prijkt de straaljager die hij me zonet beschreef.  ‘Deze wil ik worden,’ zegt hij fier.                                                                                                    ‘Dat is inderdaad een heel knappe straaljager,’ bevestig ik. ‘En hij is supersonisch, zeg je?’        ‘Ja! Super-mega sonisch!’ roept hij enthousiast uit.                                                                         Dan kijkt hij vlug even naar zijn mama, geschrokken zijn belofte herinnerend. Ondertussen hebben er al heel wat passagiers de tram verlaten, maar diegenen die nog overblijven, volgen met plezier het gesprek. ‘Weet je wat supersonisch betekent?’ vraagt hij me als een echte schoolmeester.                        ‘Nee,’ antwoord ik gespeeld.                                                                                                       ‘Als een vliegtuig ongelooflijk snel vliegt, dan hoor je een luide ‘boem’ en dat is supersonisch,’ legt hij me geduldig uit.  Ondertussen merk ik dat de tram bijna bij de eindhalte is. Mijn halte zijn we reeds gepasseerd, maar ik heb tijd en een wandeling zal me goed doen. Dit fijne gesprek wil ik nog niet beëindigen. Terwijl de overgebleven passagiers rechtstaan, klaar om uit te stappen, kijkt de jongen me nieuwsgierig aan.  ‘Wat wil jij later worden als je groot bent?’ vraagt hij me.                                                                 Ik grinnik. ‘Maar ik ben toch al groot,’ zeg ik lachend.                                                                     ‘Ja maar, als je nog groter bent,’ dringt hij aan.    Ik moet glimlachen. Stel je voor, nog een stukje groeien op mijn vijftig. Dat zou ik best fijn vinden. Dat zal eerder krimpen worden, vrees ik. Wanneer ik dit vertel aan de jongen, kijkt hij me een ogenblik verward aan.  ‘Goed dan, wanneer je later klein bent … ‘                                                                              Tegen de logica van kinderen valt niets in te brengen.                                                                    ‘Dan wil ik schrijfster worden,’ vertel ik hem.                                                                                    ‘Waarover wil je dan schrijven?’ vraagt hij me, terwijl we als laatsten uitstappen.                          ‘Misschien wel over een jongen die een supersonische straaljager wordt,’ zeg ik met een knipoog naar zijn mama.  ‘Wauw mama, hoor je dat?’ Die mevrouw wil een boek over mij schrijven!’                                    ‘Ja, schatje, lief, he …’ Zeg nu maar dag aan de mevrouw en dank je wel voor het luisteren.’        Ik krijg nog een ‘high five’ van het jongetje en terwijl mama en zoon wegstappen hoor ik hem verder ratelen over dat coole supersonische vliegtuig dat hij ooit zal worden.  Met een hart vervuld van blijdschap begin ik aan mijn wandeling naar huis. Misschien schrijf ik hier later als ik klein ben wel een boek over. Je bent namelijk nooit te groot of te klein om je dromen waar te maken. 

ElsC002
14 2

Parabel van de Burn-out

Nog niet zo lang geleden werd J. Elle op de bergketen “Bergen van Werk” gedropt. Deze te ontdekken bergketen hield talloze beloften in. Het reisbureau “Ver weg van jezelf” vanwaar Elle steeds werd uitgestuurd zag dit als een unieke kans voor hen: “Dit past bij je karakter, good luck!” J.Elle is een echte avonturier, dus die ging er een beetje naïef en vol vertrouwen op in. Onbeantwoorde vragen zouden zich later wel vanzelf oplossen, dat was nu eenmaal een deel van de uitdaging. J. Elle mocht beginnen in het stadje “Ad. Ministratie” en kreeg er logement in hotel “OW, Overwerk”. Een deftig maar veel bezocht hotel met gratis vervoer naar werk en terug. Doordat het er zo druk was en Elle er moeilijk tot rust kwam werd het na enige tijd slopend: slapeloze nachten en dagen waarin cafeïne en vitaminepillen de verdoken pepmiddelen waren voor de marathon waaraan die meedeed. De kamer “Ploeteren” was te klein, te luidruchtig en dus vroeg Elle aan de baliedame, mevrouw Belletjes, of er niet elders in het hotel een rustiger kamer was. Mevrouw Belletjes vond op de zolderverdieping nog een kamertje “IK. Moeten” met een ruim bed en luxe bureau. Maar ook daar priemden geluiden en berichten door tot aan het dakvenster. Rust vond J. Elle niet. Op een gegeven moment besloot Elle om te vertrekken: “Dag dame Belletjes, je hoeft geen rekening meer te houden met me, ik zoek een ander hotel in een andere stad. Merci en tot nooit meer!”    Smoezen  Kordaat stapte Elle naar buiten, nam een Uber richting het nabije dorp en kwam zo terecht in “Smoezen”. Het leek er rustiger en er was een rivier met een grote brug “Klachten”. Er leefden twee soorten bewoners: de sarcasten aan de ene kant van de brug en de roddelaars aan de andere kant. Ze heetten J. Elle welkom, de enen met een korte strakke groet en de anderen met een praatje waar geen eind aan leek te komen. Ze nodigden die ook meteen uit voor de wekelijkse vergaderingen van het dorp.  Elle ging hier dankbaar op in. Wat die zich later nog zou berouwen. Niet ver van de dorpskern was een mooi gebouw met grote kamers, daar nam Elle intrek in de dure loft “Hou vol, en blijf in je hol”, dit ter beschikking voor tijdelijken die rustig wilden wonen en werken. Voor J. Elle het zelf goed en wel besefte was het nu meer dan drie jaar later en leek het avontuur in deze ontzettend grote bergketen oneindig. Maar dat zou niet blijven duren. Na lang aarzelen durfde Elle de vraag te stellen of diens werk wat meer afgebakend kon worden. Snel kwam er een boodschap van het reisagentschap: “Je werkt goed, doe gewoon zo voort, als beloning hebben we nog een extra project voor je met een korte uitstap naar een van de bergtoppen, zie bijlage.” Neen, zeggen vond Elle erg moeilijk. De uitdagingen leken wel steeds de moeite; ja hoor we gaan ervoor, forceerde diens gedachten. Zo werd J. Elle jaren aan een stuk van Kastje naar Muur gestuurd, de twee belangrijkste klanten. Tijdens de vrije momenten, die zeldzaam en dus kostbaar waren, nam Elle regelmatig de afvaart naar “Decadentie”. Een schijnbaar gezellig en aanstekelijk plaatsje met tafels bestaande uit gigantische houten hoofden waar het goddelijke drankje Meer is Beter rijkelijk uit spoot, terwijl artiesten zoals Geen Inkomen Meer en 'T Moet Hier Gedaan Zijn opzwepende ritmes uit hun lijf persten. Samen met lotgenoten trachtte Elle zich daar te ontspannen om tot slot op het eilandje “uitgeput” in de buurt te eindigen, vaak met een kater of ruzie met geliefde, K. Lontje, die al snel diens ex werd.   Nieuwe wending   Dit bleef zich herhalen tot op een dag oude vriend, B. Razernij, op bezoek kwam. Die zag hoe Elle veranderd was: kilo’s bijgekomen, wallen onder de ogen en een radeloze blik. Een normaal gesprek was met hen niet meer mogelijk. Razernij kon hier behoorlijk boos van worden en spijkerde Elle met geweld tegen de muur van de loft, die op losse schroeven stond, waarna het dure kamertje in elkaar stuikte. Razernij nam Elle uit het puin, sleurde die vanuit het dorp Smoezen naar rivier “Geen Excuses” en zette die op een vlot: “Verdwijn hier, laat je drijven naar Rondkomen en tracht via Nieuwe Wending tot bij standbeeld Zin Geven te geraken. Ik wil je niet meer zien voor je je herpakt en met me een redelijk gesprek kan aangaan!” riep Razernij nog na. Tijdens de zware tocht doorheen het gebergte op koud hout en met een kleine knapzak overschreed hen hier en daar de limieten, maar hield vol. Vooral de nachten waren kil en leken eindeloos. Toch bleef Elle peddelend op het vlot zoeken naar het standbeeld. Na lang dobberen zag die vanachter een oude kastanjeboom een beeld opduiken in de vorm van een omega teken. Dit moest het zijn, Nieuwe Wending! J. Elle meerde aan, tien kilo lichter ondertussen en een beetje verwilderd, maar de blik zachter, de ademhaling dieper en de ogen helderder. Terwijl die neerzat en wat noten at onder de boom, keek hen vredig om zich heen. Elle besefte voor het eerst sinds lang dat die genoot, dit was de avonturier die hen wilde zijn. Een zacht gezang steeg op. In de verte zag die een schim. Het had lange witte haren, een lang smal mosgroen gewaad en naderde voorzichtig. J. Elle keek op.“Wie ben jij?” “Wie ben jij?”, antwoordde het.“Ik ben, op zoek, en ik hou ervan om te zoeken, te ontdekken en verder te gaan. Ik ben ik, maar ik wil me niet meer zo lang verliezen.” “Ik ben Lot,” antwoordde het, “maar je mag me Lotte noemen. Ik kom uit het stadje In de Wolken, het is er kalm en aangenaam vertoeven. We zijn een nogal eigenzinnig volkje en werken aan dromen. We geven ze gratis weg en hopen in stilte dat de mensen uit de andere steden en dorpen ermee aan de slag gaan.” “Wat mooi!”, antwoordde Elle.  “Kan jij mij ook helpen?” Het knikte. “Ik kan je dromen meegeven, er iets mee doen ligt aan jezelf.” “Hoe?” “Daal hier wat naar beneden, voorbij Eenzame Vlakte, daar kom je uit op het snelstromend riviertje De Voeling, volg dit tot je op een stationnetje uitkomt. Midden in de natuur, station Focus. Wacht daar op de trein. Het zal niet lang duren. Je bent er klaar voor. Neem de trein en stel geen vragen, de bestuurder neemt je mee naar daar waar je op focust.” J. Elle dankte Lot, vulde de zakken nog met enkele kastanjes en vertrok.   Dromen  Enkele kilometers verder vond die de rivier en volgde deze voorbij de vlakte tot aan het station. Daar wachtte Elle geduldig, deelde er de momenten in met ademhalingsoefeningen, wat schrijfwerk en kleine tekeningen tot er puffend een oude trein aankwam. De machinist keek even uit het raampje en deed teken dat Elle mocht opstappen. J. Elle zou zich nu focussen op rust en op een nieuwe droom. Een nieuw avontuur waar die helemaal zichzelf kon zijn en blijven. De trein reed voorbij verschillende Bergen van Werk en pikte onderweg nog enkele passagiers op waarvoor hij stopte langs “Vergeten eilanden”, “Leegte” en “Herstel”. Dan nam de trein een grote bocht en denderde naar beneden voorbij "Ideeënstroom" om tot slot te stoppen bij “Passie”. Daar stapte Elle af en wandelde richting het huis van hun voorouders. Een wat verwaarloosde plaats met daarachter de tuin der aangename lusten en middenin de bron der gedrevenheid. Iets waar die nu tijd voor zou nemen om het te onderzoeken, af te bakenen en er ideeën te laten groeien.  Vanachter een hoge muur gezeten overdacht J. Elle de afgelopen periode, een beetje schuw en verdoken nog, want die voelde hoe het reisbureau “Ver weg van jezelf” en het bureau “Ad. Ministratie” hen nog op de hielen zat. Misschien moest Elle hun maar voorgoed verlaten en een eigen bureau beginnen of een bureau zoeken waar die zich beter voelde, samen met anderen.  Niet veel later verscheen ‘s nachts de witharige Lot voor diens ogen en fluisterde heel helder een droom in. Ja, juist. Daar moet J. Elle zijn.     NotaDeze parabel is genderneutraal geschreven. Als ik toch fouten gemaakt heb, mag je me corrigeren. Een schriftuur waar hij/zij vervangen wordt door hen/hun en die/diens. Ik ben zelf een kind van de jaren tachtig en merk dat de jongeren van nu veel bewuster omgaan met zichzelf en het genderaspect. Dat kan ik alleen maar toejuichen en zijn dingen waar ik rekening mee wil houden. Zeker als het een parabel is zoals deze. Iets waarvan ik hoop dat iedereen die het ooit meemaakte of erin zit zich herkent en mag erkennen. De inspiratie voor de parabel haalde ik uit een labo “Schrijven uit beleving”, gegeven tijdens mijn schrijfdocentenopleiding door collega Wim Vercauteren en het boekje “Zakatlas van de Belevingswereld.” Dit is Versie 2, na enkele kleine correcties. Met dank aan de feedback van Vitalski.

Bart Vermeer
196 2