Lezen

Ontmoetingsdagen

Het mag dan al buiten het hoogseizoen zijn, deze plek blijft  alle deelnemers bekoren, nu nog meer zonder de toeloop aan toeristen.De organisatoren van de ‘Encuentro de escritores de historias y columnas de viaje’  hebben op dit Spaanse eiland schrijvers uitgenodigd van reisverhalen en columns over vakantiebestemmingen. Een weeklang worden genodigden er in de watten gelegd.Het verwennen begint al bij aankomst. Een limousine brengt mij naar een oergezellig hotelletje. In mijn kamer met zeezicht vind ik, naast een gekoelde fles cava en een bordje tapas, het weekprogramma. Vanavond is er al meteen een bijeenkomst voor het internationale gezelschap in een nabijgelegen oude burcht.Een busje haalt mij op. Ik ben een van de laatsten, want het is al aardig vol. Ik zit naast een knappe brunette die zich voorstelt als Belinda. Zij komt uit Amersfoort. Wij kunnen dus gewoon Nederlands praten.Het zicht op de burcht is adembenemend. Het gebouw is langs alle kanten belicht. De weg ernaar toe is afgezet met fakkels. Op een groot grasveld voor de burcht staat niet zo maar een barbecue, er hangt een volledige os aan een enorm spit te draaien. Aan een van de lange tafels raak ik in gesprek met diverse collega’s.Dan is er een prijsuitreiking. Het beste reisverhalenboek wordt bekroond. De schrijver is een Nederlander die in Italië woont. Op het podium herken ik Belinda. Zij vertegenwoordigt de Nederlandse uitgeverij van de winnaar.Later op de avond tikt iemand op mijn schouder. Zij is het.“Amuseren wij ons een beetje?” vraagt Belinda.“Ik wist niet dat u een uitgeverij vertegenwoordigt”, zeg ik.“Je mag mij tutoyeren, hoor. Vertel, wat schrijf je zoal?”“Ik schrijf vooral columns, maar ik heb net een eerste jeugdboek klaar. Mag ik je vervelen met de boodschap dat ik een uitgever zoek?”

Vic de Bourg
6 1

Overduidelijk (niet)

Dit is het lulligste dat je kan meemaken. Akkoord, ik spreek hier meteen een waardeoordeel uit, alvorens u het verhaal hebt gehoord, maar ik vermoed dat het voor u geen onbekend gegeven is. Al van ver stak ik mijn hand op. Het moet van het begin van de zomer zijn geweest dat we Danny nog hadden gezien. Ik zag dat hij twijfelde, want het was een hele afstand tot waar wij wandelden. Zelfs zijn fiets had ik herkend. Maar bij het dichterbij komen groeide mijn twijfel en zakte mijn arm iets naar beneden. Danny keek rond zich en zag niemand in zijn nabijheid. Daarna ging ook zijn arm omhoog. Logisch, want er zwaaide iemand. "Die mens kent mij", moet hij hebben gedacht. “Ik zal mijn hand ook maar opsteken.” Het feit dat hij zijn hand opstak, deed me opnieuw twijfelen, maar dan in de richting van: "Het is overduidelijk Danny." "Naar wie zwaai je?", vroeg mijn vrouw. "Daar!", zei ik al wijzend. "Het is den Dan...". Ik slikte de laatste letters in toen hij passeerde. Het was overduidelijk niet Danny. Hij had zijn arm alweer laten zakken. Akkoord, een snor en een baard, maar duidelijk slanker en groter. Eigenlijk leek hij er niet op. Al was zijn fiets bijna dezelfde. Het is verschrikkelijk. Zwaaien naar iemand die je totaal niet kent. En die vervolgens kijkt met een blik van: “Wie is die man?” Maar wat doe je vervolgens? Doen alsof ik plots een kramp in mijn arm kreeg, was geen optie. Daarmee zou ik het nog belachelijker maken. Het enige positieve was dat de andere ook even  zijn hand opstak. Maar dat maakte het niet minder gênant, want ik was eerst. Zwijgend stapten we verder. Al meende ik wel dat iemand iets over een bril fluisterde. Maar ik kan me ook vergissen.  

Rudi Lavreysen
26 0

Oorlogseend

Ik spring in het zwembad. ‘Niet springen,’ schreeuwt mam. Het water ramt de rand, terwijl mam blijft blaffen. Ik neem meneer Kwak en zwem door het opgeblazen kasteel. Ik kom aan bij de troonzaal. Ik zet meneer Kwak op zijn troon. De koning bibbert. Mijn zusje klimt voorzichtig op het laddertje en voelt met haar teen in het water. Een aanval uit het noorden! Ik sluip naast de ommuring tot heel dicht bij de poort. Ik leun achterover op mijn handen, zodat ik precies een tafel ben. Met mijn gezicht juist boven het water, neem ik haar in het vizier. Mijn voeten gaan van de grond en ik trappel in het water. Een water aanval doet het altijd. Blus het vuur van de duivelin! Mijn zusje schreeuwt. Koud? Je komt van het noorden! ‘Stop met pesten,’ roept mam. Het water drupt van mijn zusjes gezicht. Het zijn tranen. Huh, waarom lacht ze, nu? Ze wijst met haar vinger: ‘Badeend.’ Nee! Meneer Kwak verdwijnt achter een golf. Hij verdrinkt als ik hem niet red. Met mijn raketmotor spurt ik naar koning Kwak. Mam schreeuwt: ‘Stop met wild te zijn!’ Ik spring op de paardenstal van de ridders, en grijp naar meneer Kwak. Hij gaat kopje onder. Nee, niet de koning! Ik zal wraak nemen op de vurige tante. Ik grijp mijn opgeblazen zwaard. Ik sta recht en loop met zware benen naar de vijand. Ze gooit met de ridderkamer. ‘Stop met de burcht te verwoesten, godzilla!’ ‘Ik ben geen zilla,’ schreeuwt ze naar me. ‘Ten aanval!’ Ik spring op haar. Belletjes stijgen achter haar op. Ze gaat haar scheet-turbo-motor gebruiken! Zo snel als ik kan, spring ik op mijn paard. Ik duw me zo snel mogelijk vooruit: ‘Aanvallen!’ O nee, ze heeft geteleporteerd. Ik kan niet stoppen, de golven dragen me naar de omwalling. De muren beven en plots ontstaat er een scheur. Een aardbeving? Nee, een waterbeving! Het kasteel stort in. Oh nee, de golven vallen het nabije keizerrijk aan. De keizerin valt van haar ligstoel. Ze verklaart de oorlog. Het einde van koninkrijk Kwak.

Kim Stessens
23 1

Gruyère

  Omdat hij in die gaten wil slapen, de leegaard, het vetzakske. Of omdat hij muizen wil kweken en ze dan ruilen met een ekster tegen zilver, de smerige kapitalist. Zo is het gebeurd. Omdat ik het bos in wilde. Omdat ik weg moest. De laatste daden die ik verricht heb in de normale wereld waren die van grafschennis en muiterij aan boord van een papieren vliegdekschip. De moord die ik had moeten plegen om ervan af te zijn, het is er niet van gekomen. Ik heb hem losgelaten omdat hij erom smeekte. Ik was een zwakkeling, even banaal als de ajuinringen in een hamburger. Des vaders zerk heb ik geopend. Dat was op een domme donderdag. Om te spuwen en te plassen op zijn kist en voordat ik het wist of goed besefte zaten die wormen weer in mijn hoofd. Aderlating, zweepslagen op de eigen rug. Niets had geholpen. Ik was een niemendal gebleven. Er is de schrijdende tijd en het benul dat deze wereld een planeet der vreemden is, kwam tot mij toen ik nog een kleuter was, toen een tuinkabouter tegen mij sprak. Hij leek mij toen nog niet zo echt. De waarheid en de wezenlijke kosmos hebben mij later omarmd als een natte inktvis. Zo ging het en normaal zou ik nu Layla aanroepen. Doch ik, deserteur uit het Leger des Onheils, ik houd ervan. Van deze stilte, de verweesdheid en ik heb het hem beloofd. Aan Alfred. Nu zijn frietkot afgebrand is en hij gewoon weer kabouter is in dit bos. Dat ik een bol gruyère zal meebrengen. In ruil voor een bed. Voor zijn gaten, voor zijn muizen, voor geen gezaag enwat zaagsel in een zak wordt mijn matras en hij, hij was een rotzak mijn vader. In vergelijking met hem is Alfred best nog uit te staan. Hij heeft mij niet getekend op de wanden van mijn eigen grot die ik niet eens gevonden heb.     uit de reeks 'Alfred Frietkabouter' of 'Majnun, het gebrabbel van een gek'... kies maar.

Bernd Vanderbilt
4 0