Lezen

Ontbijt bij Tiffany

"Ken jij Frans?" "Nee, maar Frans kent mij wel." Een mop zo oud als de straat. Ik vertelde ze afgelopen zomer nog in Brussel, waar we met vrienden enkele dagen in een hotelletje vlakbij de Vismarkt logeerden. Le Vismet, zeggen ze in het Frans. Makkelijk toch. Het Nederlands van de eigenaar was maar comme ci comme ça. We moesten ons beste Frans bovenhalen. Een prachtige taal als u het mij vraagt, zowel gesproken als gezongen. Maar niet de gemakkelijkste. Dat zou nog blijken tijdens ons verblijf. Na een hele dag en avond gebrusseld te hebben, schoven we 's morgens aan voor het ontbijt. Alles pico bello, enkel een eitje ontbrak. Misschien ging het er de tweede dag wel bij zijn. Anders zouden we het zeker vragen. Onze vriendin spreekt een aardig woordje Frans en verzamelde bij de uitbater enkele interessante culinaire tips in de hoofdstad. We hadden het plan om richting Louizalaan (den Avenue Louise) en Elsene te stappen. Op de terugweg passeerden we voorbij het geboortehuis van Audrey Hepburn. En wat een toeval, daarna zagen aan de Waterloolaan plots Tiffany’s liggen. Een perfect bruggetje naar het ontbijt van de volgende dag. Want na een verkwikkende nachtrust lag er nog steeds geen eitje bij het petit dejeuner. Ik trok mijn stoute Franse schoenen aan en richtte me vriendelijk tot de uitbater. “Vous avez un oeuf s’il vous plaît?”. Ik besefte meteen dat het eruit kwam alsof ik het persoonlijk aan een kip vroeg. “Seulement un oeuf?”, lachte hij. Nee, natuurlijk niet. “Des oeufs peut-être?” “Oui oui, des oeufs”, zeiden hem we in koor na. Het klonk alsof we ons aan een Franse chanson waagden. Een kwartiertje later kwam hij aanzetten met vier voortreffelijk gekookte eieren. Hij had het begrepen, dat is het belangrijkste, n’est-ce-pas? Och, die Franse taal. Eitje toch!

Rudi Lavreysen
11 1

Hanoi

In het begin was er chaos. Dat bleek toen de taxi zich gewetenloos van de International Airport Noi Bai naar mijn eerste hotel bewoog. De chauffeur was het gewend om weke westerlingen op zijn achterbank te hebben en negeerde mijn halfvolle shocktoestand volkomen. In een file passeerden me op enkele minuten tijd wel honderd scooters. Erop zat men nooit alleen. Het ene gezin overtrof het andere en mijn waargenomen absoluut record bedraagt vijf. De man des huizes, sigaret slapjes tussen de lippen, bestuurde het ding met op zijn rug een vrouw gekleefd, die op haar beurt, armen achterwaarts reikend, het jongste kind in een grauwe draagzak voor de grootste schokken behoedde. Voor de man zat het middelste kind nog net op de punt van het zadel met zijn handen in de zij van zijn oudste broer die rechtop stond, zijn hoofd net onder de kin van zijn vader, twee handen mee op het stuur. Een plastic zak, wellicht hun avondeten, als teken van de tijd. Het kind op het zadel keek me aan. Ik vraag me nog steeds af wat hij gezien moet hebben, of hoe hij dit gezien moet hebben. Telkens ik terugdenk aan dit tafereel voel ik schaamte, zoals een verwende poedel misschien ook voelt – of zou moeten voelen – als hij door een arme, hardwerkende mierennest zou lopen. Ik voel de mierenbeten van de poedel in de blikken rondom me.    Ik wandelde naar het plein waar de taxi me had uitgebraakt en zuchtte me neer op de eerste bank. Het zou in dit land de enige plaats blijken waar verkeerslichten ietwat werden gerespecteerd, of toch door automobilisten. De mieren op de bromfietsen zagen in het rode licht geen reden tot stoppen en hielden de wet van de luidruchtigste in ere. Tussen verzorgde bloemperkjes naast het Hoan Kiem-meer zat een man te mediteren op het donkere gras. De zon raakte niet voorbij de wolken en zou zich voor de rest van de dag gewonnen geven. Ik had de neiging deze man te vragen onmiddellijk op te houden. Waar haalde hij het lef zijn innerlijke rust zo traag en breed uit te smeren op een van de weinige groene plaatsen van deze stad? Zag hij de drukte rondom zich dan niet, het gewriemel, de haast? Hoe kan je je in tijden van sociale en economische competitie zó verheven voelen dat je zo nodig de spot moet drijven met duizenden levensechte passanten? Hij verstikte zijn medemens door te tonen hoe goed het met hem ging. Is dat niet iets om binnenskamers te houden? Laat mensen die geen nood hebben aan vertraging met rust, besmet hen niet met van dat geitenwollen sokken geleuter dat we elke dag moeten plukken en dat we onszelf niet mogen verliezen in winstbejag, productiviteit en baatzucht. Is meditatie niet gewoon een teken van zwakte? Een noodkreet omdat de aardbol net voor jou te snel draait.  De man was grijs en klein, had een fijne sik en droeg zwarte kleren. Een paar schoenen stond nauwkeurig naast zijn oefenmat. Geruggensteund door de pittoreske Schildpadtoren in het meer achter hem, dolde hij met de drukte van deze metropool. De toren werd gebouwd om, jawel, een schildpad te eren. Nadat keizer Le Loi de Chinese indringers in 1428 had verdrongen met behulp van een magisch zwaard, was het de schildpad die dit zwaard in het Hoan Kiem-meer kwam ophalen om het terug naar zijn meester, de draak, te brengen. Een lome schildpad met meedogenloze meester, beiden ten dienste van Le Loi die een onafhankelijk Vietnam verwierf. Is de grijze man de schildpad van vandaag? De schildpad de rust, de draak de haast? Zijn beide dan noodzakelijk om een verhaal hier op aarde tot een goed eind te brengen? Geen snelheid zonder traagheid. Het onophoudelijke geclaxonneer stelde voor de imposante bomenrijen op de oevers niets voor; ze hadden destijds de Vietnamoorlog overleefd en wuifden stadig verder. De man balanceerde nu op zijn linkerbeen met z’n knie in een halve rechte hoek, zijn rechterbeen had hij voor zich uitgestrekt en zijn voet maakte steeds een halve cirkel naar links en terug, naar links en terug. Zijn twee donkerbruine kijkers volgden deze beweging mee. Niets aan de man leek onbestuurd, alles beheerst.  Misschien slaat al wat ik toen dacht, gezeten op een betonnen bank, net aangekomen in chaos, wel op niets. Ik voelde een schaamte toen ik me als vrije toerist mengde met het drukke leven daar. Iedereen die ik niet in de drukte zag passen wou ik meetrekken in mijn schaamte en in het gelid laten lopen. Waarom? Omdat ook ik me thuis al te vaak op een brommer hijs, rode lichten negeer en anderen, zelfs zonder toeteren, in een vicieuze cirkel duw. Omdat ook ik onderdeel ben van een race en deelneem aan een streven dat op persoonlijk vlak amper winst, vaker verlies oplevert. Ik ben een schuldig slachtoffer. Terwijl ik deze woorden op papier zet, krijg ik steeds meer sympathie voor de man. Hij durfde een schildpad te zijn, omgeven door draken. Ik niet. Wie door het park wandelde of passagier was kreeg dankzij deze man de kans te vertragen, even tot stilstand te komen, in zichzelf te kijken. Zou de moeder op de brommer de man ooit hebben opgemerkt? Of het kind dat me eerder die dag aankeek? Moest ik het kind zijn, zou ik denken dat de man in het park en mijn verschijning in de taxi misschien wel familie waren. De grijze man een eigenwijze vader, de man in de taxi zijn zoon. Ik zou denken dat de zoon zijn vader kwijt is en nooit zal vinden; hij bevindt zich in een stroom die de zijne niet is, zijn vader speelt standbeeld waar de stroom slechts meandert. 

de amechtige specht
3 0

Violofoon

De violofoon, ook wel trompetviool of strohviool genoemd, is een wereldberoemd instrument met maximum 2 snaren en een toeter. Als straatmuzikant vermomde sadisten gebruiken het om toevallige passanten de stuipen op het lijf te jagen in drukke winkelstraten, teneinde hen te dwingen tot het doneren van grote hoeveelheden geld. Juist. Dát instrument. Het klinkt als de paringsdans tussen een slijpschijf en een zieke rat, maar toch is het gewoon een instrument. Een martelinstrument welteverstaan. De violofoon is een uitvinding van de Duits-Amerikaanse ingenieur Walter Stroh, die eerder bekendheid verwierf met de uitvinding van een soort bleekwater, waarheidsserum en pesticide dat we vandaag kennen als de strohrum. In 1979 nam Stroh deel aan een prijskamp van de CIA, die zocht naar een auditief foltertuig om Latijns-Amerikaanse rebellen tot bekentenissen te dwingen. Beroemde deelnemers aan deze wedstrijd waren onder meer het debuutalbum van Einstürzende Neubauten en de Eurosongklassieker ‘J’aime la vie’ van Sandra Kim De wedstrijd werd uiteindelijk gewonnen door de violofoon. De jury prees het marteltuig om zijn ‘frontale aanval op het menselijke gehoororgaan’. Ondanks die lovende woorden heeft de Amerikaanse overheid het instrument nooit gebruikt. Het Hooggerechtshof bepaalde immers in 1984 dat de trompetviool in strijd is met de Amerikaanse grondwet. Ook Amnesty International en Human Rights Watch veroordeelden het gebruik van de strohviool met klem. Sindsdien begon de violofoon een clandestien leven te leiden. De Siciliaanse maffia gebruikte het om schuldenaren tot betalingen te dwingen. In Irak werd het instrument door Saddam Hoessein gebruikt voor het ontruimen van Koerdische dorpen. De geschiedenis van de trompetviool nam een nieuwe wending in de jaren ’90 toen Roemeense sadomasochisten het marteltuig introduceerden in hun seksuele praktijken. Vanuit Roemenië verspreidde de violofoon zich in de vroege jaren 2000 naar alle uithoeken van de Europese Unie, daarbij geholpen door het vrij verkeer van personen en goederen. Violofonisten zijn anno 2021 niet weg te denken uit het straatbeeld van West-Europese steden. Middels de mensonterende pokkeherrie die uit de toeter van hun gesofisticeerde folterinstrument galmt, breken ze de wil van terloopse passanten, die zich uit pure wanhoop bereid tonen om al hun zakgeld en zelfs de code van hun bankkaart af te geven. Nodeloos om te zeggen dat de meeste strohviolisten uitsluitend financiële motieven hebben. Toch zijn sommige beoefenaars oprecht beledigd, wanneer slachtoffers hen een briefje van 50 euro voorhouden met de vraag om het geluid te dempen. Deze muzikanten hebben hun wortels in het Roemeense BDSM-milieu en vormen een hardnekkige en uiterst gevaarlijke ondersoort. Maar zelfs het ergste marteltuig toont soms zijn meerwaarde. Neem nu de eindejaarsperiode, wanneer de consumptiedrift van de gemiddelde Vlaming zo’n vaart neemt dat enkel een sonische shocktherapie, een auditieve clusterbom als de strohviool redding kan bieden. Slechts één strijk op een snaar van dit instrument volstaat om het centrum van Antwerpen te vrijwaren van de dagelijkse lading shopaholics,  die om God weet welke reden vooral lijkt te bestaan uit overspannen ouders, Billie Eilish-klonen, Primark-junkies, terminaal hippe stijliconen, verveelde middenklassers en andere kakwijven en klootzakken met veel geld en weinig hersenen. En om die reden, ondanks alle lijden die het onding me bezorgt als ik eens over die vervelende Meir moet fietsen, zeg ik zonder veinzen: Dank u, violofoon! Pieter Van der Schoot

Pieter Van der Schoot
260 1

Trema wordt trauma

Al dat modern gedoe, hij is het hartgrondig beu!  Genderneutraal, non binair, metroman.  Wat zijn dat allemaal voor belachelijk nieuwe termen.  Vreemd.  Bevreemdend.  Modeverschijnselen.  Hij is eerder van de goede oude stempel.  Ziet zichzelf als een romanticus.  De ridder op het witte paard.  Die graag een prinsesje aan zijn degen zou rijgen.  Alleen, hij is een beetje in de war.  Mag je dat nog zeggen?  Dat je een prinsesje wilt in plaats van dat je een prins of prinsesje wilt zijn?  #MeToo ligt nog vers in het collectief geheugen en de Melania Trump-quote “it’s just boys talk” ook.  Daar wil hij liever niet mee geassocieerd worden.  Want hij is geen boy, hij is een man!  Een man met een voorliefde voor het geschreven woord.  Daarom neemt hij vanavond deel aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal.  Koppeltekens, umlaut tekens, trema’s, hij is er fan van.  Vanavond kan je via livestream deelnemen en dat zal hij uiteraard doen, zo goed en zo integer mogelijk.  Door eerlijk de autocorrectie en spellingcorrectie uit te schakelen op z’n computer.  Want een echte man, die doet het zonder.   Het dictee is een groot succes, al eindigt hij net naast het podium op de vierde plaats.  De ergste plaats die je je kunt bedenken.  Iedereen gaat toch voor winst?  En als je verliest, dan word je toch beter voorlaatste dan vierde?   Vierde is een regelrechte ramp, net geen medaille.  Vierde is een kutplaats.  Maar dat mag je tegenwoordig niet meer zeggen, want dat hoort niet.  “Deelnemen is belangrijker dan winnen” schrijft zijn vriendin-in-wording hem die avond via chat.  Een magere troost.  Als een echte gentleman probeert hij deze dame nu al enkele weken digitaal het hof te maken met zoete woorden en zelfbedachte ronkende proza.  Zij beantwoordt zijn lange berichten met prachtige poëzie van haar hand.  Eigenlijk heeft hij een hekel aan gedichten, dichten, rijmen of hoe je al dat zeemzoeterig gedoe ook wilt noemen.  Maar vanavond herleest hij de schrijfsels van zijn vriendin-in-wording en vindt zo de troost die hij zoekt. De bluts die hij opliep toen hij daarnet van het podium viel, wordt uitgedeukt door haar zalig zachte rijmpjes. In gedachten zal hij haar morgen via Facebook Live een serenade brengen als een moderne Romeo, om haar de liefde te verklaren.  Hij ziet het al helemaal voor zich, met fonkelend ridderpak.  En heel veel likes.  Maar eerst moet hij nog even het pad naar haar hart effenen via poëtische wegen.  Als een ruwe bolster met blanke pit tokkelt hij verder op zijn toetsenbord en vergeet daarbij de autocorrectie opnieuw te activeren. “Ik hou van jouw poezie” verschijnt op het scherm.  Met daarnaast het blauwe vinkje ‘afgeleverd’.  De cursor blijft genadeloos pinken en geeft als een defect stoplicht het gevaar van deze situatie weer.  Het blijft stil aan de overkant. "Ik hou van jouw poezie".  Een vergeten trema als trauma.  #MeToo lonkt.       Noot : deze column is ironisch en als taalgrap bedoeld. Het is niet de bedoeling om impliciet kwetsend of minimaliserend te zijn tegenover reële #MeToo verklaringen.    

Carolien Libbrecht
85 1

Vrijheid, blijheid

Het aantal campers op de weg begon op te vallen. Diep nadenkend over die toegenomen populariteit, daarbij reflecterend over mijn eigen behoeftes, kon ik niet anders dan vaststellen dat een vakantie met de camper beslist zijn charmes had. ‘De vrijheid die je dan hebt’, betoogde ik gloedvol tegen mijn man, ‘snel even de weerapp raadplegen, vertrekken, gewoon de zon achterna. Lang leve het buitenleven, daar houd jij toch zo van? En je hebt altijd alles bij je. Kleren, eten, bed, bad en toilet.’ Ik werd al blij van de gedachte alleen. Mijn man aarzelde, ging toch vrij snel overstag en voor mijn verjaardag huurden wij een camper.  Op weg naar Frankrijk kijk ik genietend om me heen. Stralend weer, goed onderhouden wegen, uren muziek via Spotify, wat kan het leven mooi zijn. ´s Avonds zit het wel een beetje tegen: de aanbevolen camperplaats in Metz is volzet. Gelukkig vinden we nog een plekje op de gewone parking dichtbij. Geen water, geen elektriciteit, maar kom, besluiten we, voor één nachtje is dat geen probleem. De tweede avond, in Charmes, parkeert mijn man het gevaarte keurig tussen twee andere campers. Op een heel idyllische plek, met zicht op de rivier. Alleen een beetje jammer dat het stroom- en waterpaaltje het niet doet en dat er ´s morgens hondenpoep voor onze deur ligt. En dat hij daar in trapt.Vastbesloten er toch een leuke vakantie van te maken stelt hij voor een paar dagen op een échte camping te gaan staan. ‘Daar heb je toch grotere plaatsen en ruimere sanitaire voorzieningen. En als we wegrijden, hoeven we niet meteen alles in te pakken. Dan kunnen we ons tafeltje en stoelen buiten laten staan.’  Wanneer we terugkomen van een stadsbezoek staat er een grote caravan op ons plekje en hebben de buren rechts onze meubeltjes ingepalmd. Als ik dan ook nog eens bedenk hoe we dat laddertje weer op moeten om in die alkoof te gaan slapen, zinkt de moed me in de schoenen. En dat chemisch toilet… Ineens bevalt me het hele idee niet meer. Het idee dat je altijd alles bij je hebt.

ingridvdk
0 1

Wat doe je met de schoolwerkjes van je kinderen?

Kinderen zijn de pest voor elke ouder. Je werkt je de benen onder het lijf, windt jezelf op in eindeloze files, verliest je hoofd in de dagelijkse stroom e-mails, sms’en en telefoons, duizelt zo hard dat zelfs een familiepak Rilatine geen klaarheid schept, breekt je hoofd over wat voor zooi je vanavond weer gaat koken, kiest uiteindelijk toch voor een diepvriesmaal of een Happy Meal, en als je eindelijk thuiskomt van die plek tussen het vagevuur en de hel die jouw job is, dan krijg je het gezeik van de kinderen over je heen. De kids. Die schattige oogappels, waarvoor je bereid bent nietjes in je tepels te schieten. Je zou ze wel kunnen wurgen. Zeker voor ouders met ADHD is de rommel van kinderen een wetenschappelijk bewezen foltertechniek. Vooral de ontelbare tekeningen en knutselwerkjes die ze meebrengen van school hangen je de keel uit. Zelf zijn de kleine serpenten apetrots op de krabbels en hersenscheten die ze op het papier braken. Jij daarentegen - als hooggeschoolde cultuurminnaar - wéét dat hun productie ongeïnspireerde bagger is. Eén blik in de schitterende puppy-ogen van deze lopende en jengelende nagels aan jouw doodskist is echter voldoende om je ouderhart te doen smelten, of toch minstens een tikkeltje sneller te doen kloppen. Dus houd je die rommel bij. Uit nostalgie en om de lieve vrede te bewaren. Niettemin raden we ouders met ADHD aan om tijdig paal en perk te stellen aan deze ongein. Laat de onvoorwaardelijke liefde voor je kinderen geen obstakel wezen voor je geluk . Constante overprikkeling is immers de grootste vijand van een ADHD’er en kinderen zijn beruchte prikkelbronnen. Voor ouders die met het gevreesde fenomeen ‘schoolwerkje’ te maken krijgen, bestaat er gelukkig een handig trucje om het probleem vakkundig te elimineren - en tegelijk je kind een goede levensles te geven. De methode is verassend eenvoudig. Elk nieuw werkje of uitmuntend cijfer dat jouw zoon, dochter, X of hermafrodiet mee naar huis neemt, kan je bevestigen aan een prikbord op een zichtbare plek in je huis. De meest logische plaats daarvoor is het toilet of – als je liever op je gemak schijt – de keuken. Met elk nieuw werkje dat je op het prikbord bevestigt, verwijder je uiteraard een oud werkje. Dat werkje bewaar je in een speciale doos met een afsluitbaar deksel. Je kan een Tupperware-doos nemen, maar met de finaliteit van de volgende stap in het achterhoofd kies je beter voor een houten of kartonnen exemplaar. Om jouw kind een gevoel van eigenheid en zelfwaarde te geven kan je de doos in zijn/haar/x favoriete kleur verven of het een speciale naam geven, zoals ‘Wonderdoos’ of ‘Talentenbox’. Als het doosje met oude werkjes vol is, dan werp je die simpelweg in de open haard. Zo is er weer ruimte in jouw woning en in jouw hoofd. Bovendien heeft je kind zo een wijze levensles geleerd. Nu weet hij/zij/x/het dat het perfect normaal is om oude dingen te vervangen door nieuwe zaken, zelfs als die nieuwe werkjes in feite geen vooruitgang betekenen ten opzichte van de vorige. Het leven is immers een cirkel. De levenden voeden zich met de doden. Uit as zijt gij geboren en tot as zult gij wederkeren. Je kan de symbolische lading van deze techniek kracht bij zetten door de ‘Wonderdoos’ te gebruiken als brandstof voor een zomerse barbecue. Zo kan je erop wijzen dat de werkjes niets voor niets verloren zijn gegaan. Zij houden het vuur brandende, waardoor jullie nu lekkere worstjes, satés en koteletten kunnen eten. De barbecue kan je overigens ook aangrijpen om kinderen vertrouwd te maken met het fenomeen ‘rouw’. Je kan bijvoorbeeld de worsten, koteletten en satés vervangen door Bunnie, het konijn van je zoon, dochter, x of hermafrodiet. Gezamenlijk het huisdier verorberen is de perfecte manier om je kind te tonen dat de dood geen vijand is, maar een noodzakelijk onderdeel van de natuurlijke cyclus. Ook de dood is deel van het leven. Net zoals wij ooit elkander ten grave zullen dragen, zo dragen wij heden ten dage het konijn Bunnie ten mage.   Pieter Van der Schoot

Pieter Van der Schoot
15 1

Belgisch fetisjisme: "Verliefd op een baksteen"

Over smaken en seksuele voorkeuren valt niet te twisten. De ene valt in zwijm voor hoogbejaarde, West-Vlaamse dames met een maatje meer. Sommigen geilen op nauwelijks meerderjarige schandknapen met drie tepels. Nog anderen zweren bij Thaise ladyboys. Alles kan in onze liberale samenleving. Maar wat doe je als je verliefd wordt op de Berlijnse Muur? Het overkwam Eija-Riitta Eklöf die in 1979 trouwde met de beruchte fysieke grens tussen Oost- en West-Berlijn. De Berlijnse Muur was met zijn 18 lentes net meerderjarig. Eklöf was 24, en vond de Berlijnse Muur 'de beste en meest sexy muur van de hele wereld'. De Chinese Muur mocht er ook wezen, maar leed aan overgewicht. Het geluk van de mens en de muur was echter van korte duur. In 1989 werd de Berlijnse Muur vermoord door een woedende menigte. Sindsdien gaat mevrouw Eklöf-Berliner-Mauer door het leven als een treurende weduwe. Ze is niet de enige die een relatie aanknoopte met levenloze voorwerpen. Samen met Erika LaBrie (beter bekend als mevrouw La Tour Eiffel) was Eklöf lid van een organisatie voor objectseksuelen, zeg maar: iedereen die wel eens droomt van een stevig nachtje uit met die lekker glimmende brievenbus van de buren. Objectseksualiteit is de meest komische en de meest tragische van alle geaardheden. Maar objectseksualiteit is ook buitengewoon onpraktisch. Hoe hard ik ook mijn best doe, ik kan mij niet voorstellen hoe een poliamoureuze LAT-relatie met de porseleinen kopjes van mijn oma in zijn werk zou gaan. Moet ik het gewoon zeggen als ik haar servies meeneem voor een intiem moment in de sauna? En waaraan kan ik mij verwachten als oma, die slechtziend is en de bibber heeft, ongewild de kopjes in duizend stukjes laat vallen? Dan breekt ze niet enkel een kostbaar erfstuk, maar ook mijn hart. Oma is dan niet langer de ietwat bazige hoogbejaarde vrouw die ze is, maar de moordenaar van mijn seks/levenspartner. Al mag zij dat laatste natuurlijk nooit weten. Toch zie ik ook enkele voordelen aan objectseksualiteit. Alles hangt natuurlijk af van de aard van het begeerde object. Een roomsoesje is te kwetsbaar, een dolk te gevaarlijk. Als ik objectseksueel was dan zou ik een baksteen aan de haak proberen te slaan. Een baksteen is immers betrouwbaar, voorspelbaar, en een veilige steunpilaar voor een warm huis. Bovendien moet ik niet langer geld verspillen aan voorbehoedsmiddelen. In tegenstelling tot mensen en andere dieren verspreidt een baksteen immers geen gevaarlijke SOA's als syfilis, hiv of kinderen. Maar er is meer. Een baksteen stinkt 's morgens niet uit zijn bek. Hij koestert geen gevoelens voor anderen en een eigen wil is hem onbekend. Hij heeft geen hoofdpijn als ik met hem wil vrijen. En als iemand mij lastig valt tijdens de jaarlijkse rellen op de Turnhoutsebaan kan ik hem gebruiken om eventuele belagers de tanden uit hun muil te meppen. Maar bovenal zijn bakstenen vervangbaar en goedkoop. Ze zijn de ideale partner voor wie geen tijd heeft voor de liefde, de droomliefde van slachtoffers van onze doorholeconomie. Niet moeilijk dat ik een boontje heb voor bakstenen. Alleen jammer dat ik er geen in mijn lievelingsmaten vind. Pieter Van der Schoot  

Pieter Van der Schoot
83 1

De mens

Ik ben een mens.  Ik ben voorbestemd voor pikvorken en brandstapels, voor bestormingen en guillotines - voor de opstand.  Ik ben een mens. Mijn naam is homo sapiens, ik ben de jongste telg uit de familie van de hominiden. 300.000 jaar geleden keerde ik me tegen mijn naasten. Mijn broertje de neanderthaler sloeg ik de schedel in. Ik nam zijn vrouw en schoot mijn zaad tussen haar benen. Ze baarde mij bastaarden. Ik groepeerde ze in roedels, en ging er andere diersoorten mee te lijf. Als mieren stortten we ons op prooien die vele malen groter waren. Uit hun beenderen maakten we huizen, uit hun pels sneden we een tweede huid, een harnas tegen de elementen. Als we het ene beest hadden uitgeroeid, vergrepen we ons aan het andere. Zo trokken we over de aardkorst, al plunderend en moordend. Hele gebieden vraten we kaal. Wouden en moerassen verdwenen onder steden en monumenten, opgetrokken uit de ingewanden van de aarde. Zulks noemt men vooruitgang Ik ben een mens.  Ik ben geketend aan de aarde, en gedoemd om mezelf te bevrijden, om aan mijn kettingen te knagen tot de zon dooft en het stof over mijn botten dwarrelt. De vrijheid is mijn vloek.Waag het niet om dat verlangen te doven, om het te temmen en te kooien - want ik ben een mens. Denk niet dat ik tegen God rebelleer. God is integendeel een deel van mijn opstand. Hij is mijn handlanger. Hij bestaat echt, ik heb hem tenslotte zelf gecreëerd. Ik weefde zijn beeld uit het spinrag van mijn fantasie en plaatste hem boven de aarde, boven zijn bewoners en boven mezelf. Hij is de hoeder van mijn vrijheid, de maatgever van de kosmos - mijn kosmos. Hij is de bodyguard van mijn rechten: het recht op vrijheid, het recht op controle, het recht om andere dieren te martelen, te wurgen en verscheuren. Ik ben groter dan God, want Hij is geschapen naar mijn beeld - het beeld van een mens. Ik ben een mens. Ik spreek het uit met walging. Soms wil ik vluchten van mijn soortgenoten, van de andere mensen: van hun kreten en hun zuchtjes, van hun arrogantie en hun plunderzucht. Dan trek ik naar een van die stukjes natuur, ingekapseld in minuscule reservaten, zoals die ook bestaan voor overwonnen volkeren. Dan ga ik onder een wilg zitten, met een bries die door mijn haren waait en de zon die in mijn nekvel bijt. Maar zelfs daar ontkom ik niet aan de zweetgeur van mijn medemensen en het snerpende gegil van hun larven. En ik graaf een hol. Ik sluit me op. Diep onder de wortels van de wilg. De geuren van aarde, wortels en wormen zijn m’n enige metgezellen. De mensen zijn zedig afwezig, ver weg op de wandelpaden die door het woud lopen.Uiteindelijk ruik ik niets - niets dan mijn eigen zweet en mijn eigen zure adem die weerkaatst tegen de wanden van mijn grot.Niets dan mezelf. Een mens. Pieter Van der Schoot  

Pieter Van der Schoot
0 0