Lezen

Een bijzonder seizoen

"De buurman deed dierengeluiden na", zeg ik. Mijn vrouw kijkt me aan alsof ik een zonnesteek heb en begin te hallucineren. Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd. Het is al behoorlijk warm. "Nee, echt, dierengeluiden. Vogels. Ik passeerde er toen ik naar de bakker ging. Het ging van roekoekoe en oehoeh. Wacht, er zat ook een leeuw bij denk ik, want hij deed nog van: wroooww. Daarna opnieuw hetzelfde." "Ssst", zegt ze. "Het raam staat open." "Ja, bij de buurman dus ook." "Welke buurman was het?" "Een paar huizen verder. Het kwam van de bovenverdieping. Ik dacht: hij heeft zijn kleinkind op bezoek. Maar dan hoor je een reactie van het kleinkind. Een gegiechel." "Niet alle kinderen zijn hetzelfde. Misschien lacht zijn kleinkind niet zo luid." "Nee, maar in de tijd dat ik er stond, heb ik alleen de buurman gehoord." "Hoe lang heb je er dan gestaan?" "Ik heb even gedaan alsof mijn veter los was. Daarna heb ik die effectief losgemaakt en langzaam mijn schoen gebonden. En een paar keer mijn rug gestrekt." "Misschien was hij aan het oefenen voor iets", zegt mijn vrouw tenslotte. Je hebt er het raden naar, wat mensen doen. Ik heb er op zich niks mee te maken. Het is zomer, dan hoor je vanalles met die openstaande ramen. Het doet me denken aan een zin uit Hotel New Hampshire van John Irving. 'Keep passing the open windows.' 'Blijf de openstaande ramen passeren.' De familieleden in het boek zeggen het tegen elkaar als iemand problemen heeft, omwille van een tragisch voorval met een openstaand raam. Misschien moet ik nog eens een John Irving boek lezen, bedenk ik me. Het is vakantie voor iets. Goed idee. Dat allemaal dankzij de dierengeluiden van de buurman. Wat is het toch een bijzonder seizoen, de zomer.  

Rudi Lavreysen
8 0

Laat jouw licht niet doven

Wat mij rust geeft, in tijden wanneer duisternis lijkt te primeren, is observatie met een goddelijke blik. Het is een blik die niet oordeelt en vanuit de kern voelt dat alles goed is zoals het is. Dat alles mag zijn, alleen al omdat het kan zijn. Omdat het een mogelijkheid is. En God wil geen mogelijkheden uitsluiten. Het is des mens om te oordelen en alles onder te verdelen in categorieën. Om dingen te verwerpen en de wereld uit te willen. Dat oordeelsvermogen staat ten dienste van onze overleving, het helpt ons om keuzes te maken die heilzaam zijn. Maar het zorgt soms ook voor frustratie en angst. Als we ons ingesloten voelen door zoveel dat we als fout beschouwen, giftig zelfs, dan is het normaal dat we dat willen afweren. Uit zelfbescherming. Als het idee in de gedachten nestelt en constant fluistert dat ontsnappen onmogelijk is, dat anderen onze wegen versperren en ons leven moeilijk maken, dan is dat proces van zelfbehoud iets waaronder we gebukt gaan. Dan wordt het iets zelfdestructief. Het dimt het goddelijk licht in ons. Angst kan zowel een goede raadgever als een verstikkend juk zijn. Angst is altijd al het middel bij uitstek geweest om mensen in een bepaalde richting te sturen. Ook vandaag. Een grote groep mensen gaat mee in het verhaal dat er een virus is dat hen ontzettend ziek kan maken. Een andere groep staat dan weer angstig tegenover de beperkingen en maatregelen die worden opgelegd om dat virus in te dijken. En dan is er nog de frustratie. Frustratie omdat er mensen zijn die de maatregelen niet willen opvolgen. En langs de andere kant dan weer frustratie omdat zoveel mensen die maatregelen blindelings opvolgen. Wat je overtuiging ook is, angst en frustratie zijn de gemeenschappelijke factoren die we delen. Het gevoel is hetzelfde, enkel het verhaal erachter verschilt. Een goddelijk standpunt staat los van een verhaal. Ieder mens is een unieke verzameling van gedachten, gevoelens, overtuigingen, voorkeuren en ervaringen. Al deze elementen worden samengevat in een energetische vibratie en uitgezonden, als ware het radiogolven. Anderen kunnen deze oppikken en voelen.  Sensitieve mensen voelen de vibratie van iemand anders gemakkelijk aan. Mijn vibratie kan negatief beïnvloed worden door die van een ander, maar ik heb geleerd om dat tijdig op te merken en bewust bij mijn eigen energie te blijven. Dat lukt niet altijd even goed, ik word nog gemakkelijk uit mijn lood geslagen, maar ik kan me wel steeds sneller herstellen. Energie aanvoelen en (bij)sturen vraagt om oefening. En naarmate ik daar beter in word, groeit ook mijn zelfvertrouwen. Het leven wordt ook steeds lichter. De overdracht van energie kan natuurlijk ook iets moois en positief zijn, bijvoorbeeld wanneer mensen elkaar inspireren. Verschillende vibraties kunnen bewust gebundeld worden, al dan niet intentioneel gericht op één thema. Mensen hoeven zelfs niet fysiek op dezelfde plek te zijn om dit te doen, want energie is niet gebonden aan materiële wetten zoals tijd en ruimte. Wanneer veel mensen dezelfde soort vibratie hebben, dan manifesteert dit zich op collectieve schaal. Veel angstige mensen tezamen, resulteert in een krampachtige samenleving. Een wereld waarin mensen ziek worden en het contact met hun innerlijke bron van wijsheid en kracht verloren zijn. Daarom is het zo belangrijk, lieve lezer, dat je ondanks alle uitdagingen het licht in jezelf fel blijft houden. Dat je een vibratie aan het collectieve veld toevoegt die liefdevol en helend is. Wanneer ik bijvoorbeeld merk dat een gevoel van moedeloosheid me besluipt bij het zien van mondmaskers, dan herinner ik mezelf aan het goddelijke standpunt. Van daaruit gezien maken de mondmaskers deel uit van zoektocht die uiteindelijk, hoe dan ook, zal resulteren in het terugvinden van onze bron. Onze ware identiteit, die altijd doordrongen is van eigenliefde. Kijk naar de gekheid van het mensdom en besef dat wij de vrijheid hebben om alles te scheppen wat we waar willen. Ook destructieve dingen. Die absolute vrijheid, gecombineerd met onze wil, is in feite een mooi cadeau. Ik herinner mezelf ook aan het feit dat alles waar ik achter sta zijn tegengestelde moet hebben om te kunnen bestaan. Alles dat ik in dit leven niet wil zijn, moet er zijn. Want werkelijk alles bestaat; het is de oneindige goddelijke creatie waar wij een deeltje van uitmaken. Ik kan wel ergens vol afkeer naar kijken, maar tegelijk ben ik me er ook van bewust dat ik naar een deel van mezelf aan het kijken ben. Bepaalde delen van mezelf rusten in het onderbewustzijn en het heeft geen zin om me daar afkerig tegenover te voelen, laat staan om er tegen te strijden. Strijden tegen jezelf geeft ziekten. Individuele processen weerspiegelen zich in het collectieve ontwikkelingsproces. Als je goed weet wie je bent, dan ken je ook de wereld.   Met deze tekst herinner ik u aan uw innerlijke kracht. Een lichtje dat zich samenvoegt met andere lichtjes, magnetisch tot elkaar aangetrokken, om zich te bundelen tot een krachtig vuur. Laat uw lichtje niet dimmen of doven, ongeacht welke ervaring er op uw pad komt. Houd uw vibratie hoog, zowel voor uw eigen als voor het collectieve welzijn. Wees bewust van het belang van jouw positieve bijdrage aan de samenleving. Ik geef toe ook dikwijls bevangen te worden door frustratie of een gevoel van onmacht. Het is een sluier over mijn licht die ik, telkens opnieuw, ophef door te observeren vanuit het goddelijke perspectief.

KarolienDeman
79 0

Terug in het bos

Gefrustreerd keek Ernst van Dealemaete (schrijver van Lady Lovelove’s poolboy nr. 1 t/m 17) naar het halve A4’tje. Met een dubbele regelafstand en in Times Roman 12pt. voldeed het perfect aan de eisen van een professioneel schrijfsel. Maar opmaak verklaarde niets over inhoud. Pas één alinea van 150 woorden over de avonturen van kabouter Kbut en het was al een verschrikking. Na drie keer herschrijven was zelfs Ernst niet meer geïnteresseerd in de beukennootjes roostertechniek van de puntgemutste. Verder was het verhaal niet. Zijn rode potlood hing werkloos in zijn hand, deze bagger was te slecht om één streep door de tekst te halen. Zijn koekoeksklok sloeg tien keer, halverwege de ochtend en Ernst zat helemaal vast. Een ding hielp tegen writers block: terug het bos in en nieuwe inspiratie opdoen. Of het dezelfde boomstronk was wist Ernst niet, maar ergens hier in de buurt zag hij vorige week een kabouter. In een schoenendoos schepte hij een handvol aarde, deed er plukken gras in en maakte met paar takjes een klein huisje. Hij spreidde zijn zakdoek uit op het vermolmde hout, ging er op zitten en stak een joint op. Met een kleine lasso in zijn hand zou hij net zo lang wachten totdat de kabouter het veldje overstak. Deze keer ging het mormeltje mee naar huis.   Hij inhaleerde diep en sloot de ogen. Het struikgewas ritselde en op een doorzichtige blauwe wolk vloog een ouderwets geklede heer uit de coniferen. Hij schoof een dik rechthoekig brilmontuur verder op zijn neus en groette Ernst vriendelijk.    ‘U zoekt iets dat u zittend niet zult vinden,’ zei de heer en hij wees op de struiken. ‘Vlak bij de grond is het antwoord dat u zoekt.’    Hij kriebelde aan zijn borstelige snor en vloog voor Ernst onder de struiken door. Ernst rolde van de stronk, stopte zijn zakdoek weg en ging op handen en knieen achter de wolk aan. De vriendelijke vlieger wees naar voren en verdween tussen het groen. Ernst zijn lichte linnen broek kreeg vieze en groene strepen en kleine takjes haakten in zijn grijze krullen, maar hij zette door. Wiet of niet: dit was de kans op een briljant verhaal. Schuivend op zijn buik wurmde Ernst zich tussen twee jonge dennenboompjes en stootte zijn neus aan een opgeblazen, groene paddestoel met een roze dak. Uit een schoorsteen kringelde rook. Tussen andere gekleurde paddestoelen schoten blauwe wezentjes met witte broekjes en mutsjes heen en weer.   ‘Vreemdeling! wat smurf jij hier?’ riep een krakende stem. ‘Je smurft ons bij de lunch.’    Bij het rechteroog van Ernst stond een oud, bebaard, blauw kereltje van een paar centimeter hoog met een rode broek en muts. Ernst was sprakeloos. Links van hem speelde een mannetje als een slangenbezweerder op een trompet alsof hij Ernst probeerde te betoveren met zijn getoeter. Een bebrild mannetje liep naar de zwijgende Ernst, haalde een boek onder zijn arm vandaan en begon met een piepstemmetje voor te lezen. Ernst volgde het verhaal van het irritante mannetje niet helemaal, maar blijkbaar ging het over hem.    Ernst kroop verder en probeerde omhoog te komen. Hij stootte zijn hoofd aan een laaghangende tak en schoof een stukje op. Goed op de boomtakken lettend stond hij op. Onder zijn linkervoet kraakte het brilletje van de betweter en hij glibberde van het geplette kereltje.    ‘Shit!’ Riep Ernst en hij sprong snel opzij. Zijn rechtervoet plette hierbij een meisje met lang goudblond haar en de idioot met zijn toetertje.   ‘Wat de fuck man!’ De oude dwerg in het rode pakje schopte hem tegen de enkels. ‘Kijk uit waar je je poten smurft!’ Hij zwaaide naar een dwerg met een hartjes tattoo en wees met zijn duim naar Ernst.   De tattoodwerg pakte Ernst bij zijn benen, zwaaide hem drie keer boven zijn hoofd en liet los. Ernst vloog over de huisjes, de lage struiken, kaatste als in een flipperkast tegen tientallen bomen en bleef hangen in een boomtop. Krakend brak de tak waar Ernst zich aan vasthield en stuiterend van tak naar tak donderde hij naar beneden. Hij knalde hard op zijn hoofd. Ernst zijn kop bonkte alsof hij tussen de toetsen van een reuze typemachine zat en opende zijn ogen. De laagstaande zon schemerde over de schouder van een oude stinkerd in een zwarte monnikspij die met zijn pukkelige gezicht dicht bij Ernst zijn eigen gezicht kwam.    ‘Waar zijn die blauwe kutdwergen!’ riep Ernst vertwijfeld.   'Smurfen?' zei Gargamel 'Heb je die mormels gezien, welke richting moet ik uit?'   Ernst had nooit een goed richtingsgevoel en door de klap op zijn hoofd was het laatste restje verdwenen, hij wees een beetje onbestemd tussen de struiken. Gargamel rende, met zijn ranzige kat achter hem aan, het struweel in.

MCH
28 1