Lezen

Angsthaas

In de ogen van dochterlief is de spanning te lezen. Alleen kan ik er niet in zien of het door de harde windhoos is die de takken onze stadstuin in blaast. Of door de opwinding. Omdat zij nog het minst blokjes te leggen heeft. Nog twee en zij wint. De winnaar mag een snoepje kiezen. En wat nog rest is voor de verliezer. In de blikken doos liggen de laatste twee lekkernijen die ons troost bieden op natte koude winterdagen. De zoete geur komt me tegemoet. Ook dat van haar lievelingssnoepje. De blokjes van het gezelschapsspel vullen de eettafel. Netjes gerangschikt in rijen van opeenvolgende cijfers. Of in groepjes van drie dezelfde. Maar dan in een andere kleur. Het rangschikken zorgt voor rust. En afleiding. Want door het spelen merken we minder van de storm die al enkele uren huis houdt. Als kind was ik niet bang voor stormen of bliksem. En ook niet voor het donker. In de natuur zag ik geen gevaar. Bij haar is het anders. Hoe ik haar ook probeer te overtuigen – we zitten veilig in ons huis, alles wat weg kan waaien is vastgebonden en als de kerktoren omvalt is dat net niet op ons dak – niets stelt haar gerust. De wind fluit tussen de kieren en blaast zich een weg onder de deuren. Ik voel voor het eerst dat de luchtverplaatsingen me ook onrustig maken. Mijn adem zit hoog en maakt me duizelig. Samen met dochterlief is de angsthaas in mij geboren. Overal waar ik kijk zie ik gevaar. Niet voor mezelf maar voor haar. Net als ik de grond terug onder mijn voeten voel en denk dat de wind aan mijn aandacht is ontsnapt bonkt ze op het grote raam. De dakgoot van de buren raast door de tuin. De onrust bij dochterlief laait op. Nog één blokje te gaan. Zelf zie ik het niet meer goed komen. Met onze angsten en mijn tien blokjes op mijn spelbord. Ze legt haar laatste blokje tussen de vijf en zeven. Voor ik het besef is de sneeuwbal in haar mond verdwenen. Lachend biedt ze me de blikken doos met de cuberdon aan. De poedersuiker kleurt haar roze lippen wit en dwarrelt op haar zwarte trui. Sneeuwde het maar. Dan hadden we sneeuwengelen gemaakt en genoten van de stilte die over de wereld viel. Nu ging er alleen maar spanning in de lucht.

ZINinZICHT.
0 0

Boelaerpark, 13u

Twee personages op een bank, één iemand komt erbij zitten, zegt niets in het begin. Oude man: Amai, dit zonnetje nemen ze ons in ieder geval al niet meer af. Meisje neemt één oortje uit haar oor. Jonge vrouw: Sorry, zei u iets? Oude man: Ja, dat het hier wel goed zitten is in ons park, als de zon van de partij is. Jonge vrouw: Het is inderdaad een mooie dag, na die regendagen van voorbije week. Oude man: Zeg, is dat niet lastig altijd die muziek in je oren? Jonge vrouw: Nee, waarom? Oude man: Ik vind het zo onnozel voor u dat je in plaats van de rustige natuur alleen maar doef doef doef lawaai hoort. Jonge vrouw: Dat is geen lawaai, dat is relaxerende zenmuziek. Ik kom speciaal hier mijn broodje opeten voor de rust. In de eetruimte van de hogeschool is er te veel volk. Die “doef doef doef” helpt mij dus. En daarbij, het geluid van auto’s daar op de weg, dat is ook niet bepaald rust hé. Oude man: Je hebt gelijk dat er nu wel wat meer auto’s rondrijden en dat ze niet echt stiller zijn geworden in vergelijking met vroeger. Jonge vrouw: Dat geluid, ça va dan nog het is vooral de CO2 die eruit komt. Oude man: CO2, CO2, ik heb schrik dat ze me aanrijden als ik oversteek.  Uitlaatgassen! Vroeger waren we daar allemaal niet zo mee bezig. Lucht is lucht. Jonge vrouw: Door die mentaliteit zitten we nu juist met het probleem. Lucht is niet zomaar lucht. Oude man: Jawel, lucht is lucht, en weer is weer. Koude zomers en warme winters, dat was er vroeger ook allemaal. Ik vind dat ze nogal overdrijven op dat Nieuws de laatste tijd. De mensen hebben geen historisch besef meer. Jonge vrouw: Maar enfin, het is niet omdat je oud bent, dat je de grote problemen van nu moet negeren. Oude man: Wie zit hier alles te negeren met die oortjes, juffrouw? Jonge vrouw: Juffrouw, juffrouw, ik ben geen 16 hé. Dat hokje van die ‘juffrouw’ moet dan betekenen dat ik naïef ben ofzo? Oude man: Dat heb ik niet gezegd! Jonge vrouw: …maar wel gedacht! Jullie oude mannen zeggen zogezegd nooit niets maar willen wel alles beslissen. Oude man: Ik denk dat ik niet veel beslis hier, in dit parkje of ergens anders. Jonge vrouw: Vroeger wel. Oude man: Hoe bedoel je? Jonge vrouw: Als jullie vroeger wat meer zonnepanelen ofzo hadden gelegd hadden we nu niet zo moeten stressen. Oude man: Denk jij dat de Oliecrisis of de jaren 80 simpel waren? Och, stress en problemen zijn er altijd al geweest. Denken jullie echt dat jullie de eerste generatie zijn met problemen? Jonge vrouw: De eerste misschien niet, maar misschien wel de laatste! Oude man: En nu beginnen we ineens met hyperbolen! Jonge vrouw: Hyperbolen? Oude man: Overdrijven om zo je gelijk maar te kunnen bewijzen. Jonge vrouw: Ik moet niet overdrijven want ik heb gewoon gelijk. Wij hebben er vakken over op de hogeschool, dat het niet goed gaat. En nu zou ik graag mijn broodje verder willen opeten. Ik moet direct weg. Oude man: Broodje met kip zie ik, dat is ook niet goed voor het klimaat hé. Jonge vrouw: Ja, nee, ok, dat weet ik. Ik moet van de dokter minstens een paar keer per week mager vlees eten. Oude man: Zo jong en al naar de artsen. Die zijn nergens goed voor. Het enige wat ze doen is pillen voorschrijven. Pillen om op te staan, pillen om te slapen en pillen om naar de wc te gaan. Oud worden is nergens goed voor. Ik ben al blij dat er nog eens iemand luistert. Stilte Jonge vrouw: Mag ik dan eens iets vragen? Oude man: Vragen staat vrij, juffrouw. Jonge vrouw: Heeft u dan geen kinderen waar u bang voor bent? En hun toekomst? Oude man: Och, kinderen, daar ben ik nooit aan begonnen. Ik wou wel, maar de juiste tegen komen was niet simpel, nog zo’n een probleem dat de wereld niet uit is denk ik. Jonge vrouw: Ok, maar er zijn toch wel jongere mensen die je graag ziet? Oude man: Met die corona zie ik niemand meer. Onze Jonas en Koen, de kinderen van mijn overleden zus, die hoorde ik soms nog wel. Maar nu, met al dat gezoom, dat is niets meer voor mij. Jonge vrouw: Maar die familie van u, die gaan toch al die problemen nog krijgen met de opwarming van het klimaat. Dat moet u toch iets kunnen schelen? Oude man: Waar ik mee bezig ben dat is hoe ze van Vlaanderen terug iets fatsoenlijks gaan maken. Iets waar je trots op kan zijn. Jonge vrouw: Je kan toch trots zijn op nieuwe windmolens of zo? Oude man: Je begrijpt me verkeerd, vroeger werden er echte projecten aangelegd. De autostrades waar wij met onze wagens over konden rijden, heel het land door tot in Echternach toe. Dat is toch iets heel anders dan van die mottige blauwe panelen op een dak laten leggen door Polen. En het is niet alleen de infrastructuur, het is ook wie in dat land leeft. En wie dat daar echt in thuishoort. Jonge vrouw: Dus eerst het klimaatprobleem ontkennen en nu ook al een racist. Ik ben blij dat ik mijn broodje op heb. Oude man: Ah, dat mag ook al niet meer gezegd worden dat alle grenzen openstaan. Jonge vrouw: Iets zeggen, wil niet zeggen dat het klopt. En nu moet ik echt vertrekken, meneer. Oude man: Allez, blijf nog even. Jij bent de eerste waar ik mee heb gepraat in een week. Jonge vrouw: Ik heb afgesproken met een vriendin, ik heb juist al een berichtje gestuurd dat ik ben vertrokken. Oude man: Typisch de jeugd: veel grote woorden maar als ze eens echt iemand kunnen helpen, dan kunnen ze niet rap genoeg weg zijn. Jonge vrouw: Meneer, ik ken u niets eens, ik heb hier alleen maar vijf minuten naast u gezeten omdat ik mijn broodje wou opeten. Ik vind dat ik al lang genoeg naar uw negativiteit heb geluisterd. Oude man: Wacht maar tot je mijn leeftijd hebt, voor elk probleem moet je bellen en hopen dat er iemand komt. Dat uw horizon zo klein is geworden dat je al gewoon blij bent dat je een zonnetje ziet. En dat ruziemaken met een juffrouw in het park het hoogtepunt is van uw dag. Jonge vrouw: Ik had niet zo moeten roepen meneer, ik vind het echt wel erg en zo voor u. Dag hé. Oude man: Ja, allez, prettige dag dan nog hé.

bartdg
43 4

Niki, ik mis je

                                                                    Het bankje   Titel: Niki, ik mis je     Rolverdeling:   Gerda: het hoofdpersonage, mama van Niki en oma van Alena en Yannis Conny: haar gesprekspartner Alena: de kleindochter van twaalf Yannis: de kleinzoon, een jaar jonger De verteller: de vetgedrukte bindteksten   Het eerste deel van de ontmoeting speelt zich af op een bank op de zeedijk.                            Het vervolg in tearoom ’t Bretoentje in Westende.   Het is ochtend, Gerda opent de gordijnen van haar appartementje aan zee.  Gerda: Het zonnetje komt al piepen, het belooft een heerlijke dag te worden. Yannis:  Eindelijk, mogen we dan straks een gocart huren, oma? Gerda:   Beloofd is beloofd! Alena:    De voorbije dagen heeft het genoeg geregend.  Ik ben de gezelschapsspellen beu. Bij fietsverhuur Babelou worden de gocarts door de kinderen gewikt en gewogen.  Yannis neemt een ligfiets, zijn zus verkiest een elektrisch model. Gerda:  Jullie hebben een klein uur de tijd om rond te crossen op de dijk, ik ga me ondertussen gezellig installeren op mijn vertrouwde plekje.           Gerda trekt vaak naar de witblauw gestreepte bank op de dijk in Westende.  Een dik kussen onder de arm, wat kruiswoordraadsels en een roman van Sally Read, in haar schoudertas.  De bank staat wat schuin, georiënteerd naar de middagzon.  Een kokette dame, van in de veertig, zit op de hoek van de bank.  Ze bladert in een toeristische brochure. Gerda:   Goeiemiddag, stoort het als ik plaatsneem? Conny:   Nee hoor, integendeel, het is hier zalig en er is gelukkig weinig wind vandaag. Gerda legt haar kussen op de bank en gaat zitten. Conny:   Dat is nog een goed idee, een kussen ga ik volgende keer ook meebrengen.  Want na een poosje lijkt de houten bank wel harder te worden.        De kinderen komen aangereden. Gerda: Yannis en Alena, er loopt veel volk op de dijk, wees maar voorzichtig, zorg dat jullie niemand aanrijden! Conny:  Zijn dat je kleinkinderen? Gerda knikt bevestigend. Conny:   Hun mooie voornamen klinken erg Grieks. Gerda:   Ja, hun papa is een Griek. Conny:  Oh ja, onze dochter vertrekt binnenkort voor één jaar naar Athene.  Ze gaat er stage doen in het kader van haar opleiding hotelmanagement.  Mijn man en ik zijn van plan haar in het voorjaar te bezoeken.  Vandaar dat ik aan het uitkijken ben naar een leuk hotelletje in de buurt.  Van waar is je schoonzoon afkomstig?   Met een krop in de keel antwoordt Gerda: Van Heraklion, op Kreta.  Mijn dochter, Niki, was vertaler-tolk: Engels-Nieuwgrieks.  Na haar studies is ze op Kreta gaan werken en zo heeft ze Kostas leren kennen. Haar gesprekspartner merkt op dat Gerda het moeilijk heeft wanneer ze over haar dochter praat.  Er valt een ongemakkelijke stilte. Na een poosje zegt Conny: Sorry, het was helemaal niet mijn bedoeling je van streek te brengen. Gerda:  Geen probleem hoor, maar mijn dochter is vier jaar geleden overleden aan borstkanker.  Over haar praten blijft moeilijk.  Ze was ons enig kind, mijn man heeft sindsdien nog geen minuut rust gekend.  Ik heb mijn handen vol met Alena en Yannis, waardoor ik weinig tijd heb om te piekeren. Haar buurvrouw wordt plots overvallen door een ongemakkelijk schuldgevoel. De kinderen wuiven in de verte, ze hebben van vehikel gewisseld. Gerda:  Dat was te verwachten, Yannis is een beetje lui, nu hoeft hij niet meer te trappen. Conny, nog altijd onder de indruk, neemt terug het woord. Ik heb erg met jou te doen.  Mijn naam is Conny, mijn man werkt als zelfstandige, ik ben in mijn eentje een week aan zee. Het is tijd om de gocarts terug binnen te brengen, Gerda wenkt haar kleinkinderen.  Die komen in volle vaart aangereden. Yannis:   Oma, krijgen we nu een ijsje?  Gerda:  Oké, maar dat is dan het laatste voor vandaag.  Daarna gaan jullie op het strand spelen, want morgen kan het misschien regenen. Gerda staat op en neemt afscheid. Conny, het was fijn met jou kennis te maken, geniet nog van het zonnetje en hopelijk tot ziens. De volgende dagen blijft het gelukkig mooi weer.  Gerda, haar man en de kinderen trekken er iedere dag op uit: naar het Sealife centrum, Plopsaland en Brugge.  Op vrijdag bekommert opa zich om de kleinkinderen, want oma wil het vandaag wat kalmpjes aan doen.  En hoewel ze de twee bengels niet lang kan missen, kijkt ze toch uit naar een paar uurtjes rust.  In tearoom ’t Bretoentje geniet Gerda van een heerlijke kop koffie met lekkere pannenkoeken Mikado.  Ze heeft plaats genomen aan een tafeltje met zicht op zee.  Zichzelf verwennen zou ze vaker moeten doen, dat beseft ze maar al te goed. Plots tikt er iemand tegen de ruit: Conny.  Gerda is zo geschrokken dat haar wangen rood aanlopen, ze doet teken naar binnen te komen.  Gerda:   Met twee koffie drinken, is nog zo gezellig.                                                                                     Conny:  Mijn laatste vrije dag, morgen zit mijn vakantieweek er al op…  Weet je… ik heb slecht  geslapen na onze eerste ontmoeting op de bank.  Het was me meteen duidelijk dat je je dochter heel erg mist, ik kon je pijn en verdriet voelen.  Bij thuiskomst heb ik onmiddellijk mijn dochter gebeld.    Gerda:   Een goed gesprek doet nochtans deugd, maar met mijn man lukt dat niet meer.  Wanneer ik over Niki begin, gaat hij onmiddellijk in de tuin werken.  In feite kan ik alleen bij mijn negentigjarige moeder terecht.  Maar ik wil haar niet extra belasten met mijn verdriet.  Zij mist haar kleindochter immers ook enorm.  Ik heb al vaak gedacht mijn verhaal eens op papier te zetten, een boek schrijven lijkt mij de ideale uitlaatklep. Maar met de kleinkinderen voortdurend in de buurt, heb ik daar geen tijd voor.                                   Conny:  Zijn ze dan nooit bij hun papa? Met waterige ogen antwoordt Gerda: Een maand na Niki’s overlijden, is Kostas teruggekeerd naar Kreta.  Sindsdien hebben we hem nooit meer gezien of gehoord.  In het begin vroegen de kinderen vaak naar hun papa.  Ondertussen zijn ze het gewoon, hij komt niet meer ter sprake. Haar tafelgenote kan haar oren niet geloven. Conny:   Hoe is het mogelijk, een vader die zijn bloedeigen kinderen in de steek laat.  Heeft die man dan geen hart?    Gerda: Je moet weten Conny, Kostas en ik zijn nooit beste maatjes geweest.  Eens ik besefte dat hij Niki voorgelogen had, was ik klaar met hem.  Dat vergeef ik hem nooit.  Het is allemaal heel pijnlijk geweest, vooral voor Niki.  Al dat verdriet is haar ziekte zeker niet ten goede gekomen.  Van mijn grote liefde voor het mooie Griekenland, blijft sindsdien niks meer over.                Gerda vertelt spontaan verder: Niki was een uiterst voorbeeldige leerling, ze was niet alleen intelligent, maar ook erg creatief.  Van jongs af had ze interesse in vreemde talen en geschiedenis.  Niet te verwonderen dat ze in het middelbaar koos voor de richting Latijn-Grieks.  Niki verdiepte zich in de Griekse cultuur: zowel de kunst, als de taal, het eten, de Griekse mythologie… het fascineerde haar allemaal.  Haar diploma vertaler-tolk behaalde ze met grote onderscheiding.  Ze was ondertussen tweeëntwintig en wou op haar eigen benen staan.  Bijdehandse Niki solliciteerde bij een grote touroperator.  Een jonge kracht die de Griekse taal perfect beheerste, was natuurlijk zeer welkom.  Haar eerste bestemming was dan ook logisch: Griekenland.  Het afscheid op de luchthaven viel ons erg zwaar.  Maar Niki hield zich sterk, ze had er dan ook heel veel zin in.  “Kreta ligt niet aan de andere kant van de wereld hé!”, riep ze nog van aan de incheckbalie. Conny:   Hoe heeft ze haar Griekse man dan leren kennen?       Gerda:   Niki begeleidde vaak toeristen, per scooter, tijdens hun verkenning van het mooie eiland.  Kostas verhuurde scooters.  Ze vertrouwde hem meteen, spijtig genoeg.        Conny:   Hoezo?         Gerda:    Hij heeft haar van bij het begin overladen met lieve woordjes en mooie praatjes.  Dat hij al een zoontje had, is pas veel later aan het licht gekomen.  Niki was op dat moment vijf maanden zwanger van Alena.                Conny:   Nee toch, dat moet bijzonder pijnlijk geweest zijn voor je dochter.  Gerda:    Dat is het minste wat je kunt zeggen.  Ze waren ondertussen samen teruggekeerd naar België.  Wij hadden onze spaarcenten in de aankoop van hun huis gestoken.  En mijn man had ervoor gezorgd dat Kostas aan de slag kon bij de verhuisfirma, waar hijzelf vele jaren werkzaam was.  Niki was in de zevende hemel in die periode, maar haar geluk was van korte duur.                Conny roept de ober en bestelt nog twee koffies.  Ondertussen haalt Gerda een foto van Niki uit haar portefeuille. Gerda:  Kijk dit is mijn dochter, een paar maanden voor haar dood.  Ze was zo geliefd.  Ze werd amper achtendertig.  Na de geboorte van Yannis zijn haar gezondheidsproblemen begonnen.  De melkkliertjes bleken niet zo onschuldig te zijn, zeven jaar is ze ziek geweest.  Wanneer Niki zich beter voelde, deed ze vooral leuke dingen met haar kinderen.  Dat Alena een broertje kreeg, bracht haar rust.  Ze wou absoluut niet dat haar dochtertje als enig kind zou opgroeien, dat had Niki immers zelf nooit leuk gevonden.               Conny:   Het moet voor Alena en Yannis ook een moeilijke periode geweest zijn. Gerda:   Yannis heeft zijn mama nooit anders gekend.  De kinderen wisten wat hen te wachten stond.  Niki had hen daar goed op voorbereid.  De laatste drie maanden van haar leven, woonde ze samen met de kinderen bij ons in.  Kostas was meer af- dan aanwezig.  Hij ging dag en nacht alleen op stap. Conny:   Wat een pijnlijk verhaal, je dochter moet zich vaak erg eenzaam gevoeld hebben. Gerda:   Het was ondraaglijk voor haar dat ze die misstap had gemaakt.  En vooral dat ze niet naar ons had geluisterd.  Maar ja, liefde is nu eenmaal blind.  Conny: Dat ze tot op het einde omringd was door jullie en haar kinderen, geeft toch een goed gevoel.               Terwijl Gerda haar tranen de vrije loop laat, beëindigt ze haar getuigenis. Aan Niki’s laatste woorden denk ik nog iedere dag: “Willen jullie voor mijn twee schatten zorgen?  Het spijt me dat het zo gelopen is, bedankt voor alles!”                                         

Martine De Donder
3 0

Il postino

In tijden dat men verzendingen machinaal frankeerde, zag men aan de recepties van bedrijven en verenigingen de juten postbalen staan die door de post werden opgehaald. De ruwe stof maakte dat er wel eens iets onderaan in de zak bleef haken. Zo vonden wij op kantoor ooit drie wenskaarten. We gooiden ze in de postbus en hoopten dat de bestemmelingen nog op het aangeduide adres woonden: leuk wanneer je in de maand augustus nog nieuwjaarswensen ontvangt. Een broer van een vriend uit Sankt Vith ‘of all places’ kreeg ooit een kaartje van een schone, die hij op vakantie had leren kennen. Op het adresgedeelte stond enkel: An der Anton in Sankt Vith. Er waren, dixit zijn broer, wel meerdere Antons in het dorp. Gezien zijn reputatie, kenden de facteurs meteen de enige, die voor ontvangst in aanmerking kwam.   Op kantoor wil ik het ladekastje van de vroegere verzendingsdienst een andere bestemming geven. Bij het leegmaken vind ik een mooi opgevouwen postzak. Bij het openplooien van de zak merk ik dat er onderaan nog een enveloppe zit. Weer achtergebleven wensen, denk ik of een brief voor Anton? Het lijkt inderdaad een brief volgens het omslagformaat. Er is duidelijk een adres vermeld, doch het huisnummer ontbreekt en als afzender staat enkel de plaatsnaam Muravera vermeld onder de voornaam: Tonio.  Er is dus  weer een Anton in het spel. De drie bij vier centimeter kleurrijke postzegel van 0.75 € vermeldt Anno Europeo del Volontariato en is niet afgestempeld. Wat moet ik hiermee? Door de ontbrekende gegevens heeft het weinig zin hem terug in de bus te gooien en op het postkantoor belanden zulke zendingen na een tijdje trouwens  in de papierversnipperaar. Mijn nieuwsgierigheid haalt het van mijn schroom. Ik houd de omslag boven de dampende waterkoker, waardoor ik hem zonder scheuren kan openen. Het perfecte handschrift is duidelijk met een vulpen geschreven. Ik lees: Mio caro Ion, ti chiedo perdono, Ja, ik moet je vragen om mij te vergeven, lieverd, omdat ik met de noorderzon ben verdwenen of is de zuiderzon hier eerder van toepassing?Wist jij veel, dat ik  reeds voor onze laatste nacht samen, mijn koffers had gepakt om de volgende morgen terug naar mijn geboorteland te vluchten.Vluchten, ja, want ik kon onze relatie niet meer aan. Het steeds moeten alert blijven om niets fout te zeggen of te doen. De schijn ophouden dat wij enkel goede vrienden waren en niets met elkaar hadden.Jij weet dat dit mij pijn doet en ik weet hoe diep ik je hiermee kwets.Harten breken is nooit mijn specialiteit geweest, ook al vond je dat mijn gedichten en liedjesteksten het tegendeel bewezen.Nooit mocht ik je mailen of schrijven omdat je het te riskant vond. Je wilde niet dat iemand er zou achter komen wat wij echt voor elkaar voelden.Ik wil nu even onze omerta doorbreken omdat dit het laatste is wat je van mij zal vernemen. Ik laat geen adres achter en mijn mailadres en telefoonnummer heb ik gewijzigd.In mijn herinnering koester ik de weinige nachten dat wij konden samenzijn.  Je vond het ongelooflijk dat ik, die zoveel jonger was, op jou viel. Je zei mij, al was het tegen je zin, dat ik mijn liefde aan leeftijdsgenoten moest geven. Ik deelde veel met mijn vrienden: mijn sport, mijn muziek, mijn passie voor mijn idool en de vele verplaatsingen naar zijn optredens in het buitenland. Soms vond je het overdreven en maande je mij aan om wat meer naar de klassieke muziek te luisteren die je zo boeide. Dat deed ik maar al te graag wanneer het samenging met de geborgenheid die ik alleen in jouw armen kon ervaren.Wat heb ik genoten van onze enige uitstap naar de Noordzee. Het was er koud en winderig op het strand. Jouw stoere handen in mijn woelige haardos en onze omhelzing in de duinen staan voor altijd in mijn geheugen gegrift.Hier, op mijn eiland, is de zee diepblauw als jouw ogen, die mij konden opslorpen als wij eindelijk even intiem waren.God, Ion, hoe hartverscheurend kan een mensenleven zijn. Alvorens ik deze brief verstuur, wil ik dat je mij iets belooft. Ook al zal ik nooit weten of je de belofte gaat houden, ben ik zeker dat je verder de vrolijke papa van jouw schatten van kinderen zal blijven en de zorgzame man van je lieve echtgenote. Zij verdienden niet dat ik je ooit van hen zou wegrukken. Adio, Ion, con tutto il mio cuore. Mijn hart bloedt. Tonio Ik sta versteld. Wat erg dat dit schrijven nooit ter bestemming kwam. Ik wil het lot niet tarten en ga niet op zoek naar het ontbrekende huisnummer. Dan waag ik het erop, plak de omslag weer dicht en stop hem in een andere enveloppe, waarop ik als bestemmeling schrijf: All’attenzione di Tonio,I - Muravera, Sardegna (Italia) Als ik met de brief naar de postbus stap, klinkt in mijn hoofd de overbekende muziek van de Italiaanse film ‘Il Postino’. Hoop dat de postbode in Muravera de ware Tonio vindt.    

Vic de Bourg
17 1

Ondraaglijk licht

Vandaag fiets ik voor het eerst dit jaar met de zon naar het werk. In mijn kielzog schittert het hemellichaam dat ons binnen enkele miljarden jaren genadeloos zal opslokken. Daarachter ligt het universum dat al 13,8 miljard jaar uitdijt. Het is een grote verantwoordelijkheid om met het gewicht van het bestaan op de schouders door te fietsen, maar ik houd mijn snelheid aan.Zeven miljard jaar geleden botste er trouwens een sterrenstelsel met onze Melkweg. Dit zou ons geluk geweest zijn. Anders waren wij waarschijnlijk rotsen. Of gas. Of een regen van saffieren.Zeven miljard jaar. Hoe verhouden wij ons tot die tijd? Nog geen halve oogwenk zijn wij. We zijn zelfs niet het oog dat dichtvalt. Misschien net de prikkel in de hersenen die het bevel geeft daartoe. Dit is onze tijd in het universum.Als wij nog geen oogwenk zijn in de eindeloosheid van de tijd, waarom dansen wij dan niet vaker? Er is niemand die naar ons kijkt. Wat houdt ons dan tegen? Met het oog op een zekere vernietiging moeten we net elke dag schoonheid scheppen. Het is onze missie.Uiteindelijk drijft alles in het universum uit elkaar. Eerst wordt de aarde nog verzwolgen door de stervende zon. En dan zullen ook de sterrenstelsel verder en verder van elkaar weg dobberen. Niemand die elkaar uitwuift. Eenzame sterrenstelsels in een steeds donker wordende duisternis.Ik zet mijn tred door, bijna aan het kantoor. Met de zon voel ik ook een andere warmte uit het Oosten. De ongemakkelijke warmte van oorlogsgeroffel. Maar ik doe alsof ik dat niet voel. Ik fiets met de eerste zonnestralen van het jaar. Ik dans.

Jolien Van de Velde
109 2

Ina

Ik ontmoette Ina op het werk.  Ik stond mijn les te kopiëren bij de administratie toen er werd getoeterd.  De secretaresse zei: Dat is Ina. Ik keek nieuwsgierig naar buiten en zag een rode auto op de parkeerplaats van het instituut. Achter het stuur zat een jonge vrouw. Ze keek opgejaagd naar de monumentale deur van het pand. Waarom stapt ze niet uit, dacht ik bij mezelf. De jonge vrouw toeterde een tweede keer. Toen er nog niemand kwam, toeterde ze een derde keer. Een vierde keer. Het getoeter klonk steeds indringender. ‘Kan ze niet even wachten!’ zei de secretaresse geïrriteerd. Zonder op te kijken van haar computer, typte ze verder. ‘Waarom stapt ze niet uit,’ vroeg ik. De secretaresse was een kleine blonde vrouw van middelbare leeftijd met enorme handen waar ik bang voor was.  ‘Ik moet haar rolstoel uit de auto halen,’ zuchtte ze. Nu zag ik het bord: parking voor rolstoelgebruiker. Dat was me nooit eerder opgevallen. ‘Ik doe het wel even,’ zei ik. ‘Zou je dat voor me willen doen?’ Ik knikte. ‘Geen probleem. Het papierwerk kan wachten.’ ‘Wat fijn van je. Ik vind het echt vervelend dat ze niet even kan wachten. Ik ben zo klaar.’ Het getoeter hield aan. Ze keek zenuwachtig naar me. Ik snelde naar de deur. Toen Ina me zag buitenkomen en naar haar zwaaien, opende ze de deur. ‘Ik kom je helpen met de rolstoel,’ zei ik.  ‘Ok. De achterdeur is open. Je kan de rolstoel er zo uit halen.’ Ina draaide zich een halfslag om en gooide haar benen, als twee honkbalknuppels voor een belangrijke wedstrijd, naar buiten.  ‘De stoel uit de auto schuiven en op straat openklappen,’ zei ze vlak. Ik deed wat ze zei. Onhandig trok ik de rolstoel uit de auto. Hij viel met een smak op de grond.  ‘Pas op,’ zei ze. ‘Sorry. Het is de eerste keer.’  ‘Dat is geen reden om mijn rolstoel kapot te maken.’ Ik klapte de rolstoel open. ‘Naar me toe rollen,’ zei ze ongeduldig. Er kwam geen beweging in de rolstoel.  ‘Van de rem halen!” Ze rolde met haar ogen. Ik rolde de rolstoel naar haar toe. Ze maakte een klein sprongetje en plofte neer op de rolstoel. Met veel moeite kreeg ik haar naar binnen. ‘Sluit je de auto voor me af?’ Ze gaf me de sleutels alsof ik een portier was van een duur hotel. Toen wist ik het nog niet. Maar deze ontmoeting zou mijn leven veranderen.  

Margaretha Juta
4 0