Lezen

winter 1994

Het vers verdiende nieuwjaarsgeld rinkelde en schuurde in onze broekzakken. De koude wind blies alle neuzen in dezelfde richting en kondigde een nieuw jaar aan met ongetwijfeld meer van hetzelfde. Enorme saaie weken gebald in een schooljaar dat nu al verloren leek. De lichte motregen sloeg in ons haar. In de tijd die restte voor de bus zou komen rolden en rookten we nog snel een sigaret. We stapten in de karig gevulde bus. Altijd een opluchting als er ruim plaats is om te gaan zitten. Dat was tijdens schoolweken wel anders. Dan moest je je vaak door mensen murwen die je of niet zagen omdat je probeerde zo geruisloos mogelijk in de massa op te gaan of die onverzettelijk hun ochtendhumeur met meer égards wilden behandeld zien dan een medepassagier. Mijn moeder stond te zwaaien achter de gordijnen van het livingraam, toen de oranje bus ons huis passeerde. Tot zes uur ’s avonds had ik gekregen om mijn buit te verzilveren. Free record shop, Fnac en Superclub zouden de komende uren onze habitat en toevluchtsoord worden. Mijn schoolmakker en beste vriend Fred was er bij. Hij: groot, slank, lang blond sluik haar en een beetje verlegen. Ik: klein, nog meer verlegen en vervelend bruin, krullend haar. We waren net twee puzzelstukjes die bij elkaar pasten. Op de een of andere manier vulden we elkaar aan, vanaf de eerste dag dat we elkaar zagen, een paar maanden eerder, hij was nieuw in de klas dat schooljaar. We deelden dezelfde muzieksmaak. Hielden van dezelfde meisjes. Moesten dezelfde bus op. En, we waren ingenieuze spiekers. Kortom we deelden alles: de taken, de punten én onze sigaretten. Gent, in die dagen, zowat midden jaren negentig, was een stuk rauwer en donkerder dan het nu is. De gevels waren grijs, de mensen ook. Het regende constant, zelfs in de zomer waar, na de ‘Gentse feesten’, alles maanden apocalyptisch stil was, leek het wel. ‘Het Damberd’ was de enige referentie voor vertier, toch voor twee onschuldige pubers uit een nabijgelegen boerengat. Hoewel de bus ook stopte aan de Korenmarkt stapten wij toch al af aan de Dampoort. Dat gaf ons tijd om te roken en na te denken welken cd’s we zeker moesten kopen. De treinen die boven ons hoofd naar bestemmingen zoefden waar wij het raden naar hadden, maar die in ons toch het vuur ontstaken van een spannender leven, maakten een schurend geluid op de rails, ook dat vonden wij muziek. We passeerden onze school. Een statig wit pand dat enigszins werd verdonkeremaand door de met troleylijnen vertekende straat.   Iets voor de school zat een gigantische speelgoedwinkel. Amper een paar jaar voordien had ik daar een gameboy aangeschaft. Ook met nieuwjaarscenten. Dat was bizar, mijn zus en ik hadden beslist te sparen voor een gameboy. We hadden een tante, rijk maar krenterig. We hadden voorgerekend dat we met alles wat we normaal gezien ophalen voldoende zouden hebben om een spelconsole en één spelletje te kopen. We waren er bijna, juist die ene tante moest ons nog iets geven, daar verwachtten we niets van, tot we de envelop openden en het bedrag zagen. Ze had de geest gekregen, zoveel was duidelijk. In die envelop zat voldoende om ons vooropgestelde doel te behalen, console en spelletje. Het lijkt allemaal al zo lang geleden nu ik hier met Fred wandel. Ik bleek niet vatbaar voor een gameverslaving en mijn zus deed vooral haar eigen ding, liefst zonder mij en daar was ik niet rouwig om. Die middag, die laatste middag, voor alles zich opnieuw op gang zou trekken en de regen en de wind ons zou blijven teisteren tot we volwassen waren geworden kocht ik ‘Vitalogy’ van Pearl Jam en ‘Unplugged in New-York’ van Nirvana. Het werd donker, liep tegen zessen en we keerden huiswaarts. Mijn moeder had soep gekookt en stond er op dat we eerst een tas dronken voor ze Fred naar huis zou brengen. Later trok ik me terug op mijn kamer, luisterde naar beide albums. Nog één weekend en dan terug naar school, dus. Terug volle bussen en gejaagde speelplaatsrituelen, gehaaide jongens met knappe meisjes. Ik werd er week van, verder gebeurde er, in lengte van dagen, absoluut niets.

Thomas De Mulder
23 0

De teleurstellende kunstwereld

Kunstonderwijs, dat was voor mij een vanzelfsprekendheid. Het was het transcendentale aspect van kunst dat mij aantrok. Hoe kunst de grenzen van het alledaagse kan overschrijden. En tegelijk daarmee het alledaagse op ongeziene wijze zichtbaar maakt.  Met de kunstenaar als onderzoeker en interpretator, gezegend met een geest die het voor de hand liggende steeds een stap voor is. Deze persoonlijke definiëring kleurde de keuze van mijn studietraject. Van mijn ervaring met het kunstsecundair onderwijs rest er enkel nog eelt op mijn ziel. De opleiding schoot schromelijk tekort omdat de waarde van het creatief denkend brein werd onderschat. Het kso is als een restafvalbakje waarin de leerlingen die zich niet vlekkeloos in het onderwijssysteem laten gieten worden gekieperd. Men reduceert kunsteducatie tot veredelde handenarbeid en plaatst het onderaan de sociale ladder der studierichtingen, op gelijke hoogte met het beroeps en technisch onderwijs. Ik zat het uit, zes ellendige puberjaren, met mijn hoop en verlangen gericht op meer verzadiging in het hoger onderwijs. Daar kon ik uiteindelijk smullen van vakken zoals filosofie, psychologie en literatuur. Vakken die mij ook evidente input hadden geleken tijdens mijn middelbare opleiding. In de hoge school is kunsteducatie weer serious business. De marginale positie van de kso-er wordt prompt ingewisseld voor de status van iemand die het zich kan permitteren om hogere studies te doorlopen in een vakgebied dat in essentie enkel als spielerei in de zijlijn van het echte leven bestaat. Alleen wie het overleven heeft overstegen, heeft de tijd en ruimte om diepgaand over kunst te contempleren. Van de vele door studenten opgezette toonmomenten in de aanwezigheid van koffie slurpende juryleden, grootmeesters in gewichtig doen en bedenkelijk kijken, leerde ik dat een hoge score vaak school in de overtuigingskracht van de presentatie en niet zozeer in de kwaliteit ervan. Charismatisch gelul gehuld in een hip kunstenaarsjasje van pedante onverschilligheid haalde het vaak van een kwetsbaar oprecht onderzoeks- en ontwikkelingsproces. Er werd languit gekauwd op het concept achter de bewegingen van de maker, dewelke men graag vertaald zag in een zo droog en complex mogelijk uitgeschreven filosofisch essay. Ondanks het gevoel onder een elitaire stolp te vertoeven, smeerde ik de hogere kunstopleiding breed uit over mijn twintigerjaren en verteerde zowel een master, postgraduaat als lerarenopleiding. Totaal vervreemd van de praktische realiteit en gebrainwashed in mijn ideeën van wat kunst en het kunstenaarschap eigenlijk inhoudt, opende ik samen met mijn voormalige partner een kunstgalerij waar we laagdrempeligheid met kwaliteit trachtten te verenigen. Het was tien jaar lang op verschillende vlakken een mooie oefening in het worden van wie ik vandaag ben. In een wereld waarin namedropping een sport is, gelakte puntschoenen en opzichtige brilmonturen inspiratieloze uitingen van artistieke apartheid zijn en cirkels bewust klein gehouden worden, heb ik niets (meer) te zoeken. Mijn weerstand wordt in het licht van de huidige crisis alleen maar bevestigd, want ook nu lijkt het zelfzuchtige behoud van status en de exclusieve bubbel de koers van de kunstwereld te bepalen. Gedwee worden de absurde en discriminerende maatregelen van de overheid opgevolgd. Men laat zich voorliegen, muilkorven, isoleren, commanderen en chanteren. Ziel en gezond verstand worden voor een appel en een ei verkocht zodat de show onverstoord door kan gaan. Want de plannen waren al gemaakt, de contracten reeds getekend. Ook in de kunstwereld, staat succes gelijk aan een drukke agenda. Er rest geen tijd om plots opdoemende barsten in het systeem nader te onderzoeken. En als scheuren kloven worden, dan zijn er de talrijke drogredenen om deze tot de laatste snik te overbruggen en negeren. Geoccupeerd en afgeleid door de kleine warme interne keuken, heeft de hedendaagse kunstenaar en zijn entourage niet gemerkt dat ook zij gehypnotiseerd werden door het verhaal dat in de marge van hun verheven wereldje stond te flikkeren. Het storende en onvermijdelijke poppenspel krijgt een boze blik toegeworpen, maar helaas wel voor waar aangenomen. Mits het toepassen van opgedrongen aanpassingen waarmee een resem grenzen en rechten worden overschreven, krijgt men de toelating om zichzelf weer vrolijk te verliezen in zoete dikdoenerij en de verkoop van gebakken lucht. En daar lijkt men zich warempel gelukkig mee te prijzen, want halleluja, de deuren van de sacrale white cubes mogen weer open. Ik ben er mij bewust van dat mijn relaas hier door verdomd korte bochten vliegt, wat enkel maar bijgedragen heeft aan de ontlading en het plezier van dit schrijven. Ondanks de teleurstellingen die de zich consequent afzijdig houdende kunstwereld mij bracht, blijft mijn creatiedrang en liefde voor kunst onaangetast. Enkel mijn reeds gehavende beeld van gerenommeerde kunstinstellingen en hun aanhangers is verder de dieperik ingetuimeld. Dit is een tijd waarin de onderliggende structuren en hun mankementen bloot komen te liggen. Het rammelt en kraakt langs alle kanten en status biedt niet langer een betrouwbare houvast. Het ziet ernaar uit dat ook de kunstwereld dit op hardhandige wijze zal moeten ondervinden.https://www.karoliendeman.com/blog/2022/1/3/de-teleurstellende-kunstwereld-onverstoorbaar-afzijdig

KarolienDeman
33 1

De voortekens

We hadden ons voorgenomen om er een rustige kerstavond van te maken. De lege stoel aan tafel vulden we aan met de warmte van elkaar. Maar ik had de voortekens moeten zien. Het begon met de bevroren kalkoen, die ik te laat uit de vriezer had gehaald. Domweg vergeten om ‘kalkoen’ in mijn agenda te zetten. Al was ‘kieken’ misschien beter geweest. Ons ma zei vroeger al 'ge gaat uwe kop nog eens vergeten’. Ze krijgt nog ooit gelijk, al zal het geen gezicht zijn. Het tweede voorteken was de oven zelf, die al een tijdje moeilijk deed. Ik dacht dat het aan de knoppen lag. De oven had de hele dag op volle toeren en hoge temperaturen gedraaid. De tweede ovenschotel stond een tijdje te pruttelen toen het gebeurde. De deur van de oven sprong plots met een luide knal open. Maar het klonk het niet als ‘knal’,  eerder als ‘baaf’. Of zoiets. Het hele gezelschap viel van zijn stoel. Ook omdat meteen het licht uitviel. Alsof dat sympathiseerde met de oven. Het had erger kunnen zijn, mocht ik bijvoorbeeld net een kijkje hebben genomen bij de oven. Maar toegeven, het was een oud beestje. De oven bedoel ik, niet de kalkoen. En de voortekens waren er. Misschien wist de oven dat ‘knaldrang’ tot woord van het jaar was gekozen. En dat we geen ‘knalfeest’ wilden. Och, 2021. Mocht ik een eindbalans opmaken, kan ik zeggen dat het niet het beste jaar der jaren was. Maar daar waag ik me niet aan. ‘Na tweeëntwintig jaren in dit leven’, oké, maar toch niet elk jaar. Je wordt van dat achteromkijken niet altijd even vrolijk. Maar kijk, ik gooi het jaar 2021 er samen met de oven uit. Ze mogen allebei beschikken. Wat mij betreft is het oven en uit.

Rudi Lavreysen
7 0

Aan de uitbaatster van Sachi café

Beste mevrouw de uitbaatster van Sachi café in Itsumi, Arigatō, Bedankt dat u een wereldbol tevoorschijn haalde en aan me vroeg of ik België wilde tonen. U was oprecht geïnteresseerd waar ik vandaan kwam.   ‘Deze wereldbol is nog uit mijn kindertijd,’ zei u met een lach van hier tot Antwerpen toen u hem van de tafel naast u, pakte. Hij was me niet eens opgevallen. Ik had tijdens het eten alleen oog gehad voor de zee die schitterde in de zon, de glooiende bergen aan de andere kant van de baai. Het uitzicht hier was adembenemend. Ik stond op en liep naar u toe. De zeeën op de wereldbol hadden hun azuurblauwe kleur verloren. De landen waren onleesbaar geworden door alle vingers die ze hadden beroerd. Maar de Fuji-berg herkende ik meteen. Ik priemde mijn vinger in de berg die getekend, er perfect eenvoudig uitziet, maar in het echt zoveel verschillende gezichten heeft. Dat de berg kon plakken als een karamel toffee, was nieuw voor mij. Ik trok een vies gezicht. ‘De Fuji-berg is hier!’ Ik draaide mijn hoofd naar mijn man die naar me lachte. Twee dagen geleden, toen we over de echte Fuji-berg vlogen, had ik hem een por gegeven. ‘Voor de Fuji-berg, mag je me altijd wakker maken, had hij eens gezegd. Hij schoot als een kanon wakker. De stewardess kwam geschrokken kijken of we nog leefden. ‘Sorry. Het komt door de Fuji-berg!’ Een berg de schuld geven. In Japan werkt zoiets. De stewardess tippelde gerustgesteld, op haar hoge hakken terug naar haar plaats. In ons gezichtsveld torende de besneeuwde top van de fuji-berg boven de wolken uit, als een stralende piek van een gigantische kerstboom. Het was voor het eerst dat ik hem van zo hoog zag. Het was alsof ze daarbeneden kerstmis vierden. En wij, mijn man en ik, zweefden als engelen met veiligheidsgordel om en een zwemvest onder onze zitplaats, door de feesthemel. Voorzichtig draaide ik de piepende wereldbol. Mijn vingers gleden van de Fuji-berg naar België. Dat had ik gedacht. Geen chocola, geen bier, geen manneke pis. Geen hond van Vlaanderen. Niets van dat alles was getekend in eenvoudige lijnen. Wel werd ik een Engelse garde gewaar. Hij wees me met zijn hoge zwarte hoed en zijn geweer naar me gericht, de richting aan. ‘Aan de andere kant van het kanaal. Daar ligt België!’ Het was alsof hij me een knipoog gaf. Zijn, grote, donkere ogen trilden. Ik bedankte hem stilzwijgend. ‘Hier is België,’ zei ik triomfantelijk alsof ik over tien Fuji-bergen vloog.  U fronste uw diepe rimpels en keek naar het vormeloze België. ‘Dat ligt aan de andere kant van de wereld,’ merkte u terecht op. Ik knikte. Het kan soms vreemd lopen in het leven.  Ik zat in een verlaten café met uitzicht op de Japanse zee. En ik praatte in een taal van een land dat ik vroeger alleen kende uit aardrijkskundeboeken. Japan was nu mijn nieuwe woonplaats. De Fuji-berg mijn vertrekpunt. Hoe kwam dat? Heel simpel. Of toch niet zo simpel. Op mijn zeventiende verhuisde ik van België naar Nederland om te studeren. Na mijn studie, bleef ik plakken. Toen leerde ik mijn huidige man kennen, een Japanner. We kregen twee kinderen. Vijf jaar geleden, besloten we in Japan te gaan wonen. Mijn man kreeg namelijk heimwee. Het was zo erg dat hij niet meer in Nederland wilde wonen. Heimwee is als tien wereldbollen die maar blijven ronddraaien in je hoofd. Je wordt er tureluurs van. Zo erg, dat je op een gegeven moment weer naar huis moet. Zo is het gegaan. U, mevrouw de uitbaatster van café Sachi, in een badplaats die in de winter zo goed als verlaten is, maar in de zomer zwart ziet van de badgasten die uit alle windstreken naar de witte stranden en prachtige zee afkomen, haalt uw wereldbol tevoorschijn, elke keer als een vreemdeling zijn dorst bij u komt lessen en zijn honger komt stillen. Maar u doet ook iets wat niet op het menu staat:  u stilt de geest van de vreemdeling. U laat hem zijn land wijzen op uw wereldbol. Een mooier geschenk kan ik me niet indenken op tweede kerstdag, ver van mijn geboorteplaats. Bedankt! Arigatō!                          

Margaretha Juta
3 0