Lezen

De Huilende Vrouw

Rue des grands Augustins 26 oktober 1937   Het is koud. Het is wit. Doorwinterd wit. Alles wat ik bezit. Mijn doodse doek, mijn beheerste handen, het vel achter mijn nagels, mijn hele kamer. En buiten is het warm. Daar regeert het vuur al uren, dagen, maanden, jaren, over het hemelwater dat maar blijft vloeien. Zinloos. Een stekende gloed smeult mijn poriën dicht waar normaal de ruimte mijn huid kuste. Het doet pijn. Ik schuil achter mijn canvas. Mijn olieverf verbijt het wachten. Wachten om gebruikt te worden. Trachten om betekenis te krijgen. Ik heb het koud en ik mijmer. Terwijl de hitte van buiten mijn penselen doen smelten en ik niets anders kan bedenken dan tranen. Tranen over mijn wangen. Tranen die nu over jouw welgevormde wangen zullen rollen. Dora! Tranen voor mij. Tranen voor hen. Tranen op een onbeschreven vlek, van geen kwaad bewust. Rust. En al dat wit. Wachtend. Waarop? Weet ik niet. Ik begin eraan. Met jou voor mij uit. Weldra. Ook al gaat het niet alleen over jou. Het gaat over iedereen in die hitte. Over al dat gehuil. En al dat geschuil. Dora! Je maakt me bang. Zwarte vlekken dalen op ons neer! Ook dat maakt me bang. Al lang ben ook jij getuige van de vernieling. Van mijn in stof gelegde stad. Waar de heilige eik en de vrijheid nu branden. Iedereen op de vlucht. Ook ik wil vluchten. Met jou. Dora! Wegzeilen op jouw oeverloze tranen. Voor ik verdrink. In de rivieren die ik steeds weer terugvind in jouw gladde golvende haren. Jaren van verdriet. Van angst. Ze hebben Spanje in een oceaan van pijn en dood doen zinken. Ik wil niet mee ondergaan. Vlucht, Dora! Vlucht met de rest. Iedereen is nerveus. Iedereen is angstig. Iedereen is gekweld. Mijn olie droogt. Te snel! Het is een marteling. Al die dode geuren om me heen. De mensen schreeuwen op straat. De straten schreeuwen door de kamer. De kamer schreeuwt. Dora! En het geschreeuw van de bloemen! De bloemen die jaren naar ons zwaaiden. Ze schreeuwen nu. Dat is het ergste. Ik wil vluchten en toch blijf ik. We moeten blijven hopen. Is het daarom dat ik dit doe? Ik weet het niet. Zeg het mij. Dora! Ik zal je zien. Hier voor me uit. Ik geef je een bloem. Een bloem op jouw mooie hoed. Die terug kan zwaaien. En een vogel aan je oor. Die de tranen weg zal nippen. Dora! Ik zal je zien. Ik zal de boten zien. De golven. De witte handen voor je ogen. Huil nu maar. Dora? Het is in orde. Iedereen zal je zien. Hoe ik jou zie. Ook al gaat het niet alleen over jou. Het gaat over het land. En over zwarte vlekken. Uit de lucht. En over hitte. Iedereen zal huilen. We huilen samen. Voor Spanje.   (opdracht: impressionisme) 

Jeroen Vanmulder
53 0

Narcissus 2.0

Zijn wijsvinger tapte onophoudelijk op de F5-toets voor schermverversing. Waar blijven die duimpjes nou, vroeg hij zich af. Zo slecht is dit verhaal toch niet? De gehele week had hij de confrontatie met alles en iedereen opgezocht. De resultaten schreef hij minutieus op in zijn zakagenda. Het gebekvecht met de buschauffeur vanochtend spande de kroon tot dusver. Een mens moet toch ongestoord kunnen ontbijten met de voeten op de tegenoverliggende bank? De Romeinen aten ook liggend. Om het drama wat aan te wakkeren had hij de chauffeur een blauw oog geslagen. Een goed verhaal bevat nu eenmaal conflict. Waargebeurd was noodzaak, geen excuus. Uitdieping van de personages was overbodig. In dit verhaal van 250 woorden was het niet nodig om hem als protagonist te beschrijven als blonde, blauwogige gespierde jongeling met kuiltjes in zijn lach en irissen die elk vrouwenhart binnen één seconde tot defibrillatiebehoefte zouden noden. Ach, kwaad kan het ook niet, bedacht hij zich en krabbelde zijn uiterlijk met enige overdrijvingen op het papier. Zijn gefotoshopte profielavatar stond model op het scherm van zijn mobiel. Vergenoegd krabde hij ongemerkt enkele puisten open in zijn nek. Nu nog een plot. Hij walgde tijdens zijn YouTube-research van de vele vloggers met hun “overrated lives”. Ze waren inhoudsloze nummers, wannabees. Hij was avontuur met een persoonlijkheid! Zijn ogen knipperden, vechtend tegen zijn slaap. Uren surfte hij door zijn verhalenpagina’s op jacht naar likes en volgers; zijn welverdiende vloed van waardering. Eenzaam verdronk hij in oververmoeidheid, maar het verhaal werd postuum een wereldhit.

Erik van der Velden
10 1

De brancard

‘Heeft u nog een allerlaatste vraag?’ Misschien zeg ik het te bot. Ik wil ervan af zijn, dat gezever, dat traineren, het toekomen en terugtrekken. Dat je elkaar aftast, ok, geen probleem, sterker nog dat hoort in mijn werk, maar dit? Ik vervolg: ‘Op een gegeven moment nemen we de volgende stap: een stap naar voren en doorgaan, of een stap naar achter en dan zwaaien we elkaar uit, net zulke goede vrienden.’ Ik neem de laatste slok van mijn koffie en wil opstaan.   'Hoe zit het met het servicelevel? Wij eisen een hoge servicegraad. Daar betalen we voor.’ De man emmert door alsof ik niets gezegd heb.   ‘Ik garandeer een foutloze uitvoering,’ herhaal ik voor de tweede keer vandaag, voor de elfde keer deze week en ik weet niet hoeveelste keer in de afgelopen drie weken. Overigens, dat betalen van hem, daar zijn we nog niet aan toegekomen. Het is praten, praten en praten.    ‘Dat heeft u eerder gezegd en dat zeggen ze allemaal.’ Met zijn trillende linkerooglid en getrommel op de tafel blijft hij doorzeuren. Als een koude vis kijkt hij mij aan, onbereikbaar. Het lijkt alsof het geluid dat ik uitbreng hem net aanraakt maar de woorden niet binnendringen. Hij werkt knap op mijn zenuwen, het duurt niet lang of ik doe hem wat aan.    ‘Wat wilt u weten?’ vraag ik. Achter in mijn hoofd streep ik de deal door. Na weken aftasten, onderhandelen, onderzoeken en referenties leveren zijn we niet dichter bij elkaar gekomen. Zwijgend kijkt hij in mijn ogen. Nee, niet ín mijn ogen, hij staart alsof hij dóór mijn ogen en dwars door mijn hoofd naar buiten kijkt.    ‘Ik heb u mijn referenties gegeven,’ zeg ik, ‘en wacht nog op de uwe, maar ben bereid de service te leveren.’ Ik schuif mijn telefoon naar hem toe en zeg: ‘Bel iedereen die u kent en vraag naar mijn achtergrond en trackrecord. Ik lever prima werk, zonder fouten.’ Zijn ogen flitsen kort naar de telefoon. Zijn handen ratelen, maar bewegen niet in die richting. Hij loert weer naar mij, met dat oogtrillertje. Hij hapt nu ook een beetje als een vis, alsof hij met zijn mond bellen blaast.   Hij kan ook niemand bellen. Elke potentiële opdrachtgever trek ik na en niemand kent hem. Hij is geen ervaren onderhandelaar en de stiltes in onze gesprekken zijn niet strategisch. Het zijn geen comfortabele stiltes die je inzet om rustig te reflecteren op het gesprek en waarbij je voorsorteert op de komende samenwerking. In onze bedrijfstak is vertrouwen belangrijk, stiltes gebruiken we om dit vertrouwen af te tasten, om te voelen hoever het vertrouwen is gegroeid. Zijn stiltes meten leegte, die geven de afstand tussen ons aan. De stilte die hij nu laat vallen en jaren lijkt te duren voelt als argwaan. Niets wat ik zeg is goed genoeg. Hij wil horen wat ik niet zeg, maar wat is dat? Ik schuif mijn stoel naar achter en sta op, van mij hoeft het niet meer. Hij schrikt op alsof hij wakker wordt uit een dagdroom, zijn blik is verlicht en minder visachtig.   ‘Kunt u een beetje mikken?’ vraagt hij. Het rillen van het oog is gestopt.   Wat is dit nu weer? Deze vraag is impertinent. Ik leun met mijn vuisten op tafel en buig naar hem toe.   ‘U vraagt de bakker ook niet of hij kan kneden en de slager niet of hij een barbecue kan aansteken,’ zeg ik. ‘U kent mijn werk en resultaten.’   ‘Geef nou maar antwoord,’ zegt hij als een puberende kwismaster tegen een kwijlende dementerende in het bejaardentehuis.   ‘Ik mik als de beste, tot nu toe achtennegentig procent score,’ zeg ik. Ik heb zin om een getal te noemen, en achtennegentig klinkt mooi, het rolt als een trein over de rails. Zo heeft elk getal wat. Vierentachtig remt af, drieënveertig deint op en neer terwijl vijfenvijftig een bepaalde cadans heeft. Achtennegentig rolt, vandaar dat ik dit noemde, het slaat natuurlijk nergens op. Ik kan niet eens schieten, daar heb ik een mannetje voor. Ik moet er niet aan denken, een ontploffende kop of een weggeschokt lichaam, bah. In het organiseren is mijn score perfect, ik maak geen fouten en mijn mannetjes ook niet.   ‘En die laatste twee procent? Daar maken wij ons zorgen over.’   ‘Wij?’ vraag ik te scherp. Hij spreekt drie weken over wij, maar het is een loner. Moeilijk doen en schermen met een grote organisatie om indruk te maken. Bluf is ok, maar je moet het kunnen onderbouwen: nooit heeft hij tussendoor gebeld met anderen, nooit is via-via een bericht uit het circuit doorgegeven dat we haast moeten maken. Hij is alleen, geen “wij”, dat was na de eerste week duidelijk. En dit is zijn eerste opdracht, of poging tot opdracht geven.   Dat is het! Onzekerheid. Niet wantrouwen, hij is onzeker. Hij is volledig maagdelijk in deze, dit knulletje komt uit een andere bedrijfstak. Waarschijnlijk is deze trillende en tikkende holle vis een ambtenaar bij de gemeente Knutterpalen, of bankbediende met uitzicht op ontslag, of werkt hij als consultant voor investeringen in zonnepanelen en windenergie, zoiets.   ‘Geen zorgen, die laatste procenten finish ik in het ziekenhuis,’ verzin ik. Ik ben klaar met dit geneuzel.   ‘Maakt u hem daar af?’ vraagt hij.    ‘Nee joh, de alarmcentrale van de ambulance zit in mijn zak, ik bepaal waar ze hem heen chauffeuren.’ Mijn fantasie komt los. ‘En bij het ziekenhuis naar keuze draaien twee jongens van mij triagedienst op de spoedeisende hulp. Als hij bloedend als een verse biefstuk wordt binnengereden, bepalen mijn jongens dat opa Coppo met een splinter in zijn teen, tante Justine met hoofdpijn en Tony zijn maagzweer eerst mogen. Teiltje onder de brancard en klaar zijn we.'   ‘Waar kan ik tekenen?’ roept hij enthousiast. ‘Als u dat voor elkaar krijgt, dan lukt het zeker.’   ‘We tekenen niet,’ zeg ik en schud zijn hand ter bezegeling van de deal. ‘Niets op papier. U fourneert volgens de richtlijnen de pecunia en binnen een maand na ontvangst beschikt u over de landgoederen van uw vader.’

MCH
16 1

En toen was de wereld van mij.

Knallen regenen uit de lucht zoals vuurwerk en veroorzaken een schoolplein vol geschreeuw. Ik kijk naar rechts als ook Aisha het uitroept. Er steekt een pijl uit haar rug. Om mij heen vallen nog meer mensen om. Bloed stroomt over Aisha’s rug. Ik hurk om een kleiner doelwit te vormen en ga beschermend voor Aisha zitten. Geen EHBO training bereid je voor om een pijl uit iemands rug te verwijderen. Ik breek de pijl zo kort mogelijk af en gooi het uiteinde opzij. Voorzichtig til ik Aisha op, ervoor zorgend dat de kop van de pijl niet verder in haar rug kan komen. Warm bloed druipt langzaam op mijn kleding en maakt mijn handen plakkerig. Ik ren de school in en sluit ons op in een leeg lokaal. Met grote ogen draai ik mij naar mijn vriendin toe. We zijn ook zo verdomd kwetsbaar. Onze rug en buik en nek en hoofd zijn allemaal niet bedekt. Geen wonder dat ze deze menigte als doelwit hebben gekozen. Aisha kijkt mij bang aan. Ik schud mijn hoofd.  “Daar kan niets aan gedaan worden,” zeg ik. Even fronst ze, dan kijkt ze paniekerig mijn kant op.  “En nu?” fluistert ze. Ze heeft niet lang meer. Ik pluk takken van de kamerplant die in de hoek staat en schuif tafels tegen elkaar. Ik leg haar op de tafels en leg het groene boeket in haar handen. Haar pupillen vullen haar hele irissen.  “Ga ik... Dood?” vraagt ze. Dan hoest ze en spuugt ze bloed uit. De tafels zijn rood en plakkerig. Ik knik.  “Mijn ouders…” zegt ze. Ik knik weer. “Ik zal het zeggen. Ik zal zeggen dat je van ze houdt.” Ze sluit even haar ogen en probeert dan nog een keer diep adem te halen, maar het lukt niet.  “Dag Aisha,” zeg ik en ik loop het lokaal weer uit. Het is hem gelukt. Ik ga meteen door naar buiten. Het is chaos. Bosjes mensen staan bij elkaar te huilen, wie niet dood is, is wel gewond. Ik trek mijn schouders op en loop tussen de menigte door. Voor deze ene keer krijg ik geen rare blikken. Ze merken mij niet eens op. Mooizo. Een schaduw valt over de tieners. Ik kijk omhoog en glimlach naar de donkerrode gloed. Ik wist het. Ik fluit en de draak land op de weg. Nu zien mijn schoolgenoten hem wel. Ik ga op de nek van de draak zitten. We stijgen op en gaan richting het bos, naar Blake.  “Dus je hebt hem, het vingertopje,” zeg ik. Hij knikt en laat een sleutelhanger voor mijn neus op en neer slingeren. Het is een 3D geprinte vingerafdruk, gemaakt van zacht rubber. Mijn moeders vingerafdruk, voor altijd in een sleutelhanger veranderd.  “We moeten gaan,” zegt Blake nors en hij kijkt mij even aan. Ik kijk boos terug. “De machine staat in het bos, de vingerafdruk was inderdaad hetgeen dat de machine kon activeren,” zegt hij dan. Ik knik gerustgesteld en volg hem naar de draak. Als we eenmaal vliegen grijnst hij zijn gele, scheve tanden bloot. Ik schuif zo ver mogelijk van zijn dikke lijf vandaan en adem door mijn mond om zijn geur niet in te ademen.  “Op naar de baas,” mompelt hij.  “Ik ben de baas,” zeg ik. Hij vloekt en ik glimlach. Ik klop op de flank van de draak. Ze zullen denken dat ik mezelf niet ben, dat een heks uit de tijdreis in mijn plaats is teruggegaan. Die pap en mam, ze zullen het hópen.  We gaan naar het geheime lab. Het lab van mijn ouders, waar ze zich verdiepen in tijdreizen. Nog geen verdwaalde stofkorrel zou binnen kunnen komen. Zelfs journalisten wagen het niet om in de buurt te komen, bang voor de camera’s. Weten mijn ouders veel dat de beveiliging één gat heeft: mij. Weten zij veel dat ik, hun bloedeigen dochter, al de geheime informatie steel. Het lab moet nu leeg zijn, iedereen zal op de sprookjesfiguren af zijn gegaan die ik heb losgelaten met mijn tijdmachine. Mijn ouders zullen voorlopig druk bezig zijn en niet aan hun eigen tijdmachine denken.  Blake gooit de sleutelhanger naar mij. Ik haal een steen uit de muur, doe de geheime deur open, wandel de gang in en loop op de verroeste stoel af. Ik draai hem om en duw mijn moeders vingertop tegen de poot. De stoel zegt bliep bliep. Ik zucht. De namaak vingerafdruk werkt. Een geheime deur in de wand gaat open en de nepdeur verder in de gang licht kort groen op. Ik knipper om te wennen aan de felle tl buizen. Dan sla ik rechtsaf, linksaf, derde rechtsaf en ik ben op bekend terrein. Ik loop langs mijn vaders kantoor, langs mijn moeders lab en ik passeer de bibliotheek. Dan kom ik in het verborgen trappenhuis. Een herinnering kruipt omhoog en ik glimlach.  “Het zou heel veel betekenen als je dit doet.” Vlinders vulden mijn buik. Ik moest bijna overgeven van geluk. Hoe kunnen ze zo dom zijn? Dit was fantastisch. Het was onecht. Mijn ouders wilde mij als proefpersoon naar het verleden sturen. Omdat ik hun project zo interessant vond. Ze moesten eens weten. Ze moesten eens weten dat ik hun tijdmachine precies had nagebouwd. En nu zou ik leren hoe ik hem moest gebruiken. De tijd was aangebroken. Ik stapte de machine in, op weg om een heksenjacht mee te maken.  Alles gebeurde precies zoals in de geschiedenisboeken stond. Het was vlak en de figuren hadden een vaag randje. Ik kon de papier pagina's bijna zien. Het hele kwartier dat ik er was heb ik mij doodgeërgerd aan mijn ouders domheid. Dit was geen tijdreizen. Dit was VR, natuurlijk veel gaver dan VR, maar het zou pas echt gaaf zijn als het andersom kon. En met andere boeken.  Daar staat hij, de originele tijdmachine. Of beter gezegd: de originele ultra-VR-machine. Want wat hadden pap en mam nou gedaan? Ze hadden een nieuwe dimensie gecreëerd waar woorden uit boeken, waar verhalen tot leven komen. Zoiets als je verbeelding. En verbeelding bestaat al, hoe kúnnen ze dit een doorbraak noemen? Wat ik heb gedaan is pas revolutionair. Ik plug een usb stick in het ding en duw Blake aan de kant. Meteen komen er trollen, draken en andere monsters uitgekropen. Mijn programma werkt. Ridders, bewapende oermensen en afrikaanse legers stromen weg en vernielen het hele gebouw. De codes die ik geschreven heb zetten jou niet in een boek of verhaal, maar zetten de letters om tot levende wezens uit de boeken en verhalen. Ik draai mij om naar Blake. “En nu?” vraagt hij. Ik grijns.  “Fase twee,” zeg ik. Ik loop naar buiten, het dak op, de politie heeft ons al omsingeld. Helicopters vullen de lucht. Overal om mij en Blake zie ik rode en blauwe zwaailichten. Ik laat een harde boer en fluit dan op mijn vingers. Mijn leger komt eraan, mijn draak, pratende leeuwen, echte heksen, oeroude tovenaars. Ze vegen de blauwe pakjes zo omver.  Pap en mams eigen creatie heeft al hun werk vernietigd. Nu ligt de wereld aan mijn voeten. 

Ellis
34 1

Chloé, Een Zoektocht Naar De Ware Liefde

   Daar ze al meer dan een jaar thuis aan het werken is qua lockdown trekt Chloé de stoute schoenen aan, in haar geval één, en besluit ze zich in te schrijven op Tinder. Nu ze haar kans om iemand op de werkvloer te ontmoeten of tijdens haar zakelijke ontmoetingen buiten kantoor onmogelijk acht wil ze online met haar profiel en geef haar eens ongelijk. Dat ze een kunstbeen heeft hoeft geen sta in de weg te zijn daar ze een knappe vrouw is met een bovengemiddeld IQ. Tel daarbij op dat ze goed verdient en voor zichzelf kan zorgen. Ze heeft geen man nodig, niet voor het geld. Ze heeft haar zaakjes op orde. Genegenheid, warmte, geborgenheid, aandacht en op zijn tijd een goed gesprek is wat ze zoekt en wie zoekt dat niet? Met haar Motorola G 5G probeert ze een profielfoto te maken maar ze is niet tevreden over het resultaat en belt naar Permanent, haar kapsalon om een afspraak te maken.     8 juni 1992 was de dag waarop Chloé haar been verloor. Voor velen staat deze dag in hun geheugen gegraveerd daar dit de dag was van het memorabele optreden van Pearl Jam op Pinkpop in Landgraaf. Iedereen heeft op zijn netvlies de sprong van Eddie Vedder, die, vanuit de camerakraan op grote hoogte, het publiek in dook. Enthousiasme alom, maar niet voor Chloé, daar zij de val van Eddie brak met als resultaat dat haar been op zoveel plaatsen was gebroken dat de artsen geen andere optie zagen dan het been te amputeren. Chloé had Pinkpop altijd al een kutfestival gevonden met veel te veel achterlijke omhoog geschreven rock- bandjes en vanaf die dag meet ze dit festival als de pest. Ze kwam voor het optreden van Lou Reed maar door de krankzinnige actie van Eddie Vedder heeft ze Lou Reed nooit in levende lijve kunnen bewonderen, iets dat ze Eddie nog steeds kwalijk neemt net zoals, maar in mindere mate, het verlies van haar been. Eddie Vedder had haar nog wel een bosje bloemen gestuurd op haar ziekbed maar die bos kon Eddie wat Chloé betrof maar beter in zijn reet steken met zijn gekwelde zangpartijen erbij, de zeikerd.     Het hele mainstream muziek gebeuren interesseert Chloé geen ene hol en kan haar gestolen worden, wat haar betreft kan ‘mister Pinkpop’ Jan Smeets liever gisteren dan vandaag doodvallen met zijn debiel  ringbaardje. Dat is dan wel een voordeel van het Covid19 denkt ze, dat die achterlijke mongool geen bands kan boeken voor een al bij voorbaat te mislukken festival. Al die middle of the road tyfusherrie blijft ons bespaard. Fuck Jan Smeets! Alleen al die naam; Pinkpop! Waarschijnlijk ligt de oorzaak van het Nederlandse sacherijn in de jaarlijkse set-up van Pinkpop, teveel van hetzelfde waar je iedere dag op de radio mee wordt doodgegooid. De ware muziekliefhebber wordt niets gegund besluit Chloé. Ze vraagt zich af of dat ze Lou Reed als muzikale voorkeur in haar profiel op Tinder moet noemen aangezien de meeste Lou Reed liefhebbers ‘gebruikers’ zijn. En dat Lou Reed eigenlijk een aap met een gitaar is die niet kan zingen. Keuzes, keuzes, keuzes, zucht Chloé. Chloé gebruikt niets, hooguit een glaasje wit, bij voorkeur Chardonnay op zijn tijd. Drugs gebruiken is voor losers, voor mensen die de werkelijkheid ontvluchten. Voor Chloé horen verdriet, lijden, lelijkheid en Mark Rutte bij het leven, alles mag er zijn.     Ondanks haar gevoelens van eenzaamheid staat Chloé positief in het leven. Ondanks haar kunstbeen, ondanks het feit dat ze Soela nooit op de radio hoort, ondanks de immer voortdurende lockdown, ondanks eigenlijk alles blijft ze het zonnetje in huis, tenminste voor wie het zou kunnen zien, de lieve schat dat ze is.    Chloé is goed in haar werk en haar collega’s en concurrenten kunnen niets anders dan bewondering voor haar hebben. Haar juist verschenen boek met beoordelingen en recensies van de diverse rollen toiletpapier, verkrijgbaar in de Europese supermarkten is een Must Read voor iedere serieuze toiletpapier gebruiker. En zijn we dat niet allemaal? Zo vindingrijk als ze is weet Chloé iedere keer weer een stuk onontgonnen terrein in de samenleving te analyseren en in kaart te brengen. Voor diegene die denkt wat valt er nou over toiletpapier te vertellen kan ik ten zeerste haar boek ‘Duizend En 1 Vel’ aanbevelen. Als geen ander brengt Chloé de verschillen qua kwaliteit, dikte, zachtheid, 1, 2, 3, 4, 5, laags toiletpapier, gebruiksvriendelijkheid, absorptie vermogen, belastbaarheid voor het milieu etc. in beeld waarbij ze vooral laat zien welke merken makkelijk zijn in het gebruik. Bijvoorbeeld, hoe eenvoudig kan ik het eerste velletje los maken van de rol zonder eerst de halve rol af te moeten rollen. Ja, dat kan weleens vervelend zijn, met je nagels dat eerste velletje los moeten pulken qua plakrand. En juist dat was Chloés motivatie om dit onderzoek te doen en het boek te schrijven, dat eerste velletje dat maar niet van de rol los liet. Haar boek over aluminiumfolie staat nog in de steigers maar zal geheid ook een bestseller zijn.      ‘Ja die vliegtuigspotters hebben het ook niet makkelijk tijdens de lock- down’, denkt Chloé, ‘Nu er maar weinig vliegtuigen vliegen valt er weinig te spotten, daar staan de mensen niet bij stil. Ja, klagen dat de terrassen open moeten, dat kunnen ze maar stilstaan bij het verdriet van de vliegtuigspotter, hó maar. Dat doe ik dan maar voor ze, ook al zouden we het over het nut van het vliegtuigspotten kunnen hebben, sommige mensen hebben nou eenmaal te veel vrije tijd dus dat doe ik niet.’ Ze kwam op deze gedachte toen ze vandaag langs vliegveld Zestienhoven reed en met pijn in haar hart moest denken aan haar jaarlijkse uitstapje naar Formentera. De afgelopen tien jaar vloog ze half september naar haar paradijslijk eilandje om gedurende twee en een halve week tot rust te komen en te genieten van  de wonderschone stranden, de kleuren van de zee en de lucht, de heerlijke geuren, zwemmen in het zijdezachte zeewater, het buiten zijn, het heerlijke eten en vooral de ontspanning. Ieder jaar hoopte ze daar een leuke man te ontmoeten maar telkens weer stapte ze naar haar vakantie gedesillusioneerd in het vliegtuig huiswaarts. Natuurlijk had ze weleens een drankje gedaan met deze of gene maar een klik had ze nooit gevoeld. Gelukkig maakte het eiland veel goed. Eenmaal terug in Nederland duikt ze weer in haar werk om aldus haar eenzaamheid te vergeten. En ze kon wel even teren op de nagloeiende Balearische zon maar nooit genoeg om zonder kleerscheuren de winter door te komen. Daar is meer voor nodig.      Chloé vindt het niet erg om alleen te zijn, integendeel, vaak zoekt ze de eenzaamheid op maar dat valt niet mee in de randstad. Nergens kun je werkelijk alleen zijn. overal staan er huizen, overal zijn de mensen, om werkelijk met jezelf alleen te zijn moet je verder van huis of gewoon thuis blijven. Ontkomen aan de soort mens in Zuid Holland is schier onmogelijk, overal duikt ze op, te pas maar vooral te onpas. Innerlijke rust krijg je niet van je soortgenoten maar van ontmoetingen met de natuur en de schoonheid ervan en het helpt niet als er dan een stel zestigplussers voorbij razen op hun E-bikes in hun knalrode ANWB waterdichte maar luchtdoorlatende windjacks. Tel daarbij op dat na de uitbarsting van het Coronavirus er bij onze soortgenoten nog een ander virus uitbrak, te weten het wandelvirus. De Homo Sapiens die voor het Covid19 alleen maar in de file stond op weg naar zijn of haar werk en daar acht uur doorbracht om vervolgens weer in de file naar huis te staan loopt nu in het wild rond dat het een aard heeft. Helaas ook in knalrode ANWB waterdichte maar luchtdoorlatende windjacks en wandelschoenen voor de prijs waar een gehele familie in de Kongo drie maanden van kan eten. Wie staat er stil bij? Chloé in ieder geval wel. Ondanks haar kunstbeen maakt Chloé graag een wandelingetje in de natuur, bij voorkeur op het strand van Ter Heijde aan Zee, Nederland is op haar mooist aan de kust. Imposante wolken- partijen in alle gradaties blauw maar vooral ruimte, zo ver kunnen kijken dat het oog kan zien. De zee voelt voor haar als thuiskomen, alsof ze er vandaan komt, haar oorsprong.    En toch, een zeemeermin is al een zeldzaamheid, laat staan één met een kunstbeen, die zie je zelden of nooit. Vergeef me deze flauwe grap maar ik heb helaas ook niks beters te doen in deze wereld. Ik hoef niet te overleven, niet over een onbegaanbaar pad, vijftien kilometer heen- en terug, zonder Nike Air Max aan mijn voeten om een jerrycan van vijfentwintig liter met drinkbaar water voor mijn familie te halen. De ondraaglijke hitte tijdens deze tocht laat ik gemakshalve maar even achterwege. Net zoals potentiele verkrachters, giftige slangen, schorpioenen, teken en likdoorns. En mocht je tijdens deze dagelijkse tocht last krijgen van een vliegende kiespijn, een tandarts is in geen velden of wegen te bekennen. Net zoals een picknicktafel in de schaduw of een supermarkt. Nee, zo slecht hebben wij het hier niet ook al denken sommige mensen er hiér anders over.      Chloé heeft andere dingen aan haar hoofd. In haar Dacia Duster Laureate is ze op weg naar kapsalon Permanent om een leuk kapseltje te verkrijgen waarmee ze beter uit de verf hoopt te komen op haar profielfoto bestemd voor Tinder. Uit de speakers klinkt MC Stef met ‘Hou Je Muilkorf’ en tevreden stuurt ze haar bolide over de A20 richting afslag Blijdorp. Ook Das de Rijmmaniak doet mee in ‘Hou Je Muilkorf’. In de jaren negentig was Das haar buurman in Rotterdam-Zuid. In die tijd had ze nog meegewerkt als achtergrondzangeres aan tracks van de immer aan de weg timmerende Das de Rijmmaniak. Met weemoed denkt ze terug aan die tijd maar niet al te lang. Das komt ze nog weleens tegen in Rotterdam- Noord als hij ergens met zijn wagen van de Roteb een riool aan het leeg- pompen is. Even maken ze dan kort een praatje maar daar  blijft het bij. Behendig parkeert ze haar bolide op de Mathenesserlaan achteruit in tussen twee auto’s en het past maar net. Bij café Ari kust ze het beeld van Jules Deelder en zwaait ze naar Cor, de eigenaar van het café, die haar een kushandje toe wuift. Even later stapt Chloé kapsalon Permanent binnen.     Na ruim drie kwartier stapt ze naar buiten met een frisuur waarop je op Tinder wel mee voor de dag kan komen. Of niet, maar Chloé is tevreden met haar frisse kapsel. Hoog opgeschoren en in het midden een kuif à la Morrissey. Nu ze toch op de Binnenweg is besluit ze om Demonfuzz en de Plaatboef te checken op nieuwe of tweedehands plaatjes. Bij Demonfuzz vindt ze de originele Kashmere Stage Band uit 1973 en bij de Plaatboef scoort ze de re-issue van ‘The Wooden Glass’ van Billy Wooten uit 1972. Voor het laatste album moet ze naar haar gevoel iets teveel betalen want het betreft immers een re-issue. Het origineel is niet te betalen en blijkbaar denken dan de platenhandelaren dat een re-issue ook maar duur moet zijn. Tevreden met haar coiffure en de twee gescoorde nieuwe Lp’s drinkt ze nog een cappuccino op het terras van café Ari. Voordat ze wegrijdt in haar Dacia zet ze Soela’s ‘Genuine Silk’ aan op de 4x50 watt stereo installatie en rijdt ze tevreden richting huis. Het is maar een klein stukje snelweg maar het weerhoudt haar niet om het gaspedaal flink in te trappen en al snel is ze bij de afslag Schiedam-Noord. Eenmaal beneden besluit ze om de snelweg weer op te gaan om een klein tochtje te maken en van de muziek en het autorijden te genieten. In de auto komt ze tot rust, auto rijden is haar hobby.      ‘Vroeger was alles beter, behalve de toekomst’, schreef Herman B. al enige decennia geleden en niemand die het gehoord of begrepen heeft denkt Chloé en ze trapt haar 4 cilinder 1600pk Duster flink op zijn staart en al snel haalt ze de 160 km/per uur en zet ze de muziek van Soela nog wat harder. Vol gas over de linkerrijstrook vindt Chloé rust die al snel verstoord wordt door een bumper klevende BMW rijder. Even schuift ze een baan naar rechts op om vervolgens haar plek op de linkerrijstrook weer in te nemen. Ze besluit om door te rijden naar het strand, de zee, de zee die altijd tijd voor haar heeft, geduldig is en luistert. Een korte wandeling langs het strand en een French Coffee bij strandpaviljoen The Coast, nu de terrassen eindelijk weer open zijn, zal haar goed doen. Na een korte rit over de A4 parkeert ze haar Duster onder de duinovergang en niet veel later loopt ze langs de vloedlijn richting Kijkduin. Hier aan de kust vindt ze altijd weer iets van zichzelf terug, een stukje dat ze landinwaarts zomaar weer kan verliezen. Onnodig om te vermelden dat ze daarom hier zo graag komt.      Aangezien ze al meer dan negenentwintig jaar een kunstbeen heeft kan ze er inmiddels aardig mee uit de voeten. Dat was in het begin wel anders, met vallen en opstaan leerde ze een geheel nieuwe techniek van lopen. Na een jaar zag haar manier van lopen er weer natuurlijk uit. En gelukkig stond de ontwikkeling van protheses ook niet stil. De PLX2025 die ze nu heeft is een vernuftig staaltje van menselijk kunnen. Deze prothese heeft de beschikking over neurofeedback waardoor de coördinatie tussen de prothese en de hersenen digitaal gestuurd wordt en dat in samenwerking met haar eigen been. Hierdoor kan ze langere afstanden afleggen en heeft ze geen last meer van fantoompijn. Het kost een paar centen maar dan heb je ook wat.      Na een half uurtje lopen bereikt ze de zandmotor met zijn Argustoren en besluit ze om terug te lopen. Dromend over de verre oorden die achter de horizon liggen bereikt ze strandpaviljoen The Coast. Waarna ze na een korte klim op het terras komt en plaats neemt aan een tafeltje met uitzicht op de door haar zo geliefde zee. Met haar ogen volgt ze een garnalenkotter waarboven tientallen zeemeeuwen rondvliegen in de hoop iets van de vangst te kunnen bemachtigen. Een vroeg lentezonnetje staat hoog aan de hemel en het waait amper waardoor het aangenaam vertoeven is op het terras. Aangezien het een doordeweekse dag is en nog vroeg in de ochtend is het niet echt druk. Net als ze aan het indommelen is verschijnt er een serveerster aan haar tafeltje.    “Goedemorgen mevrouw, waar kan ik u mee van dienst zijn?” Chloé besluit in een split second haar voornemen te wijzigen.    “Goedemorgen, ik wilde graag de garnalenkroketjes en een glas Chardonnay”.    “Goede keuze mevrouw, ze komen zo snel mogelijk uw kant op, wilt u daar wit of bruin brood bij?”.    “Oh, ik heb geen haast hoor, wit brood graag, dankjewel”. De jonge serveerster tikt wat op haar mobiel device en met een glimlach op haar gezicht loopt ze naar een ander tafeltje waaraan twee hoogbejaarde vrouwen met een leuk teckeltje zitten. Als niet veel later de kroketjes en de wijn geserveerd worden laat Chloé het zich smaken. De kotter is inmiddels verdwenen, aan de horizon vaart een olietanker richting Vlissingen. De zilte geur van de zee die zich vermengt met de diesellucht van de tanker brengt Chloé terug naar haar jeugd. Zomervakanties waar geen einde aan leek te komen die ze met haar ouders doorbracht aan het strand in een licht, dat als je de 8mm vakantiefilmpjes uit die tijd terugkijkt, anders was dan nu. Het licht toen was minder hard, minder scherp, warmer dan nu zo lijkt het. Of kwam het door de geborgenheid die ze toen voelde, de zorg en de liefde van haar altijd aanwezige ouders, de gezelligheid van alles samen doen, een onbezorgde jeugd en een toekomst die nog heel erg ver weg was? In die toekomst die destijds nog zo ver weg lag dat je hem niet kon zien zit ze nu en bij de goedlachse serveerster bestelt ze alsnog de geplande French coffee.      Tegenwoordig heet het geen kunstbeen meer maar beenprothese net zoals een kunstgebit nu gebitsprothese heet, een toupet een haarprothese en een glazen oog een oogprothese. Voordat het kunstbeen heette het houten been maar dat was meer iets voor piraten. Daarentegen heet een klompvoet nog steeds ‘klompvoet’ of voor de puzzelaars onder ons een ‘horrelvoet’. Deze afwijking van de voet heeft net zomin iets te maken met een klomp als met een ‘horrel’. Waarschijnlijk ooit vertaald vanuit het Engelse ‘clubfoot’ dat verwijst naar de stand van het blad van een golf club. Niet onvermeld wil ik laten dat er voor de klompvoet geen prothese bestaat en dat glazen ogen tegenwoordig van kunststof worden gemaakt. Johnny Jordaan verloor op negen jarige leeftijd tijdens een vechtpartij met Willy Alberti een oog dat vervangen werd door een glazen oog. De neven zongen liedjes op de hoek van de straat om geld voor de familie op te halen. Johnny Jordaan heette eigenlijk Johannes Hendricus van Musscher maar ze noemden hem Jantje van Musscher en Willy Alberti heette in werkelijkheid Carel Verbrugge maar dat weet bijna niemand meer. De teloorgang van de Nederlandse cultuur is reeds jaren geleden al begonnen. Zo is werkelijk iedereen vergeten dat ‘de parel van de Jordaan’ samen met tante Leen in 1962 een kroeg opende in de Batavierenstraat in Rotterdam. (andere bronnen noemen de Diergaardesingel 86) Of dat Johnny gevoelens had jegens mannen die hem, na het uit de kast komen tot een zelfmoord poging bracht. Uiteindelijk is het toch goed gekomen, hoewel hij bleef tobben met zijn gezondheid  leefde hij meer dan dertig jaar gelukkig met zijn vriend. De teckel van de hoog bejaarde dames snuffelt aan Chloés voeten en ze geeft de teckel een aai over haar bol waarop de teckel begint te grommen. Chloé probeert de teckel te knuffelen maar de teckel begint harder te grommen en naar haar te blaffen. Waarop Chloé enigszins hopeloos naar de oude dames kijkt.    “Hij bijt toch niet?” Vraagt Chloé aan de twee oudjes. “Jazeker, dat doet Stefana wel degelijk, ze ruikt medestanders van ‘het complot’ op kilometers afstand.”    “Maar ik ben nergens medestander van.” “Onze Stefana houd je zomaar niet voor de gek meisje, als ze bij je aanslaat ben je tegen ons.”    “Ik ben helemaal nergens tegen, laat staan tegen twee onbekende vrouwen op leeftijd. Kunnen jullie je hond terughalen, ze probeert me te bijten.” De teckel bijt in haar prothese en lijkt verrast door de hardheid van haar ‘been’.    “Kom Stefana, kom, slecht volk.” En de oudste van de twee trekt aan de riem van de teckel waardoor de teckel grommend plaats neemt onder het tafeltje van de dames.    “Luister meissie, als onze Stefana naar je gromt of blaft of bijt dan ben je tegen ons. Stefana vergist zich nooit. Wij hebben haar jarenlang getraind zodat ze sympathisanten van de Illuminati direct herkend en blijkbaar ben jij er één van want normaal slaat ze niet aan.”    “Van de wat?”    “Van de Illuminati mevrouw, de Cabal, Covid19, 5G, de shapeshifters, de Rotschilds, die ons proberen  te controleren met de Astra Zenica chip van Bill Gates, octrooiaanvraag 666, the number of the beast meissie.” Waarbij ze met haar wijsvinger tussen haar ogen tikt.    “Waarmee ze ons overal kunnen volgen, vervolgt het andere oudje, zodat we als schapen naar hun pijpen zullen moeten dansen meissie, speel maar niet de onwetende onschuld. Stefana heeft zich nog nooit vergist.”    “Wie noemt een teckel nou Stefana? Dat is toch geen normale naam voor een teckel?”    “Zie je nou wel Mieke? Ik had het toch gezegd, de Illuminati nemen de wereld over waar je bij staat en dan willen ze zich ook nog eens bemoeien met de naam van je hond! Temeer een bevestiging dat zij tegen ons is!”    “Ik ben nergens tegen mevrouw, met alle respect. Ik heb het beste voor met de wereld en met u en uw teckel. Ik ben hier voor de zee en de rust.”    “De zee en de rust? Als ik jouw was meissie zou ik maar snel het terras verlaten of ik laat Stefana op je los met je Epstein sympathieën. Mensen zoals jij zijn er verantwoordelijk voor dat hij zo lang zijn gang kon gaan. Aanhangers van Lucifer, pedofiele bloeddrinkers, dat zijn jullie!”    “Jullie? Ik ben hier maar alleen en ik vertegenwoordig ook geen groep en die hele Epstein kan me ook gestolen worden.”    “Zie je nou wel? Ik zei het toch, Stefana vergist zich nooit. Ik had je al gelijk door hoor daar hoeft Stefana niet eens aan te pas te komen met je achterlijke kapsel. Mensen met zo’n debiel kapsel als jij zijn al bij voorbaat fout en als ik de kans kreeg zou ik je met een sleepkabel aan mijn trekhaak achter mijn auto over het asfalt slepen net zolang totdat je dood was. Kom Stefana, pak haar, kill!” Maar de hond geeft geen sjoege en blijft zitten waar ze zit en likt onverstoorbaar aan haar aars. Chloé wenkt naar de vrolijke serveerster en besteld twee Tropicana’s wetende dat in dat drankje een parasolletje zit. Niet Chloés favoriete drankje maar het is niet anders. De combinatie van Blue Curaçao, Pisang Ambon, Grand Marnier, Wodka en Southern Comfort is een niet voor de hand liggende en heeft al menige onwetende drinker een flinke kater bezorgt. Als de drankjes gearriveerd zijn drinkt Chloé er eentje op. Het andere drankje giet ze in de drinkbak voor de honden op het terras en uit haar ooghoek ziet ze dat Stefana het bakje gulzig leegdrinkt. Chloé haalt de vrolijke parasolletjes uit de longdrink glazen en loopt naar de hoogbejaarde vrouwen.    “Met de groeten van de Illuminati dames,” en ze ramt de houten steeltjes van de parasolletjes in de ogen van de complotdenkende oudjes. Dat zal ze leren! Terwijl de dames creperen van de pijn pakt ze de teckel op en verlaat ze The Coast. Met Stefana onder haar arm.      Voordat de commotie op het terras doordringt is Chloé met haar PLX2025 prothese al over de duinovergang verdwenen. Aangekomen bij haar Dacia  legt ze de door de drank versufte teckel op de achterbank en niet veel later rijdt ze onder het genot van de muziek van Soela over de N211 richting de A4. In haar achteruitkijkspiegel ziet ze dat Stefana vredig ligt te slapen.   “Wat schattig”, denkt Chloé. “Wat een leuk hondje is het eigenlijk en wat een lief koppie”. Nu de teckel zo op haar achterbank ligt te slapen is er niets meer over van het agressieve hondje dat ze was op het terras.    “Wat een debiele kutwijven waren dat, deze pandemie brengt de vreemdste gedragingen en gedachten bij de medemens naar boven, hoe zou je nou in godsnaam een teckel kunnen trainen in het herkennen van Illuminati? Schiet mij maar lek”. Chloé kijkt nergens meer van op, gepokt, gemazeld en door de wol geverfd als ze is.                Na het incident op het terras van The Coast besluit Chloé om nog maar even af te zien van een profiel op Tinder, ongetwijfeld hangen er overal camera’s op het terras van de strandtent. Ze realiseert zich ook dat ze de komende tijd maar beter het strand van Ter Heijde aan Zee kan vermijden. Als ze de Duster achteruit parkeert op de oprit van haar huis op de Velden in Schiedam ontwaakt Stefana uit haar roes. Chloé stapt uit en opent de portier van de achterbank.    “Zo Stefana, ben jij zo wakkertjes geworden?” Stefana kwispelt met haar staart en kijkt Chloé vragend aan?    “Welkom in je nieuwe thuis Stefana, alleen heet je hier geen Stefana meer want dat is echt een debiele naam voor een teckel. Vanaf nu heet je Winston, ik denk dat deze naam beter bij je past, vind je niet Winston?” Stefana piept zachtjes, likt de hand van Chloé en kijkt haar vragend en onderdanig aan.    “Kom Winston, dan zal ik je nieuwe huis laten zien en je zal ook wel trek hebben, ik zal eens kijken of ik iets lekkers voor je in huis heb.” Enigszins twijfelend recht de teckel zich van de achterbank op, strekt zich nog eens uit en waggelt in de armen van Chloé.    “Kom maar Winston, het is goed.” Met Winston in haar armen probeert ze de voordeur te open maar dat lukt niet. Ze zet Winston even op de grond en geduldig wacht de teckel op wat er te gebeuren staat. Als Chloé de voordeur opent huppelt Winston naar binnen alsof ze nooit anders gedaan heeft. Als ze ziet hoe het teckeltje haar huis binnen loopt voelt Chloé een golf van verliefdheid door haar buik gaan. Als de teckel halverwege de gang stopt en omkijkt met haar droevige oogjes smelt ze.    “Ben je blij met je nieuwe huisje Winston? Loop maar door hoor dan kan je de rest van het huis ook zien.” Maar de teckel blijft zitten in de gang en pas als Chloé haar voorbij loopt volgt ze haar. Nieuwsgierig loopt het hondje door de woonkamer en keuken, overal snuffelt ze en onderzoekt ze haar nieuwe onderkomen. Chloé moet lachen om de korte beentjes en dito staartje.    “Nou, wat vind je van je nieuwe huisje Winston? We hebben ook een tuin, wil je die zien?” Zonder Chloé aandacht te schenken zet ze haar verkenningstocht voort. Dapper als mannen die net op de maan zijn geland verkent ze haar omgeving. Niets ontsnapt aan haar aandacht en overal steekt ze haar neus in. Ondertussen googelt Chloé op haar laptop of haar gewelddadige actie op het terras van The Coast al te vinden is op een nieuwssite maar ze vindt tot haar verbazing nog niks.                                                                                   

joe baston
0 0