Lezen

Thuiswerkpa

"Ze vinden toch wat uit hè", zeg ik aan tafel waar ik de krant lees. Ik kijk boven mijn leesbril de huiskamer in. Mijn huisgenoten zwijgen als vermoord. Geen wedervraag. Geen 'wat vinden ze dan uit?'. Ze turen elk naar hun scherm. De aantrekkingskracht van de tv en de smartphone is zo sterk als de magneet die tegen de ijskast allerlei papiertjes verzamelt. "Thuiswerkmoe. Dat is een titel in de krant. Over een moe die thuis werkt wellicht. Dan ben ik soms een thuiswerkpa." Als ik alleen thuis ben, werk ik in de eetkamer. Anders trek ik naar boven, naar het torentje. Driehoog. Daar zie ik door het dakraam bijna het gebouw van mijn werkplek. Ik ga wel eens naar boven met mijn jas aan. Op mijn sokken. "Waar gaat gij naartoe met die jas?", vragen ze dan. "Naar het werk hè schat. Kus. Tot straks." De mopjes worden wellicht flauw van het lang binnen zitten. Het is zoals soep die je te lang laat koken, dan gaat de smaak van de verse groenten weg. Onze pa was geen thuiswerkpa. Zijn laatste job was die van portier in de fabriek. Dat kon hij thuis niet uitoefenen. Al bracht hij zoals iedereen zijn werk af en toe mee naar huis. Zo beantwoordde hij thuis de rinkelende telefoon ooit met 'hallo portier'. De mensen aan de andere kant van de lijn wisten het, dat hij zich soms vergiste. Er werd nog niet zo veel gebeld in die dagen. Al vanaf de eerste zinnen in het artikel over de thuiswerkmoe blijkt dat ik de titel verkeerd geïnterpreteerd heb. Het gaat over mensen die het thuiswerken moe zijn. Die de babbels bij het koffieapparaat missen. Die de gesprekken over voetbalwedstrijden missen. Mensen die thuis een jas aantrekken als ze de trap naar hun bureau opgaan.  

Rudi Lavreysen
15 0

Dat huis van mijn jeugd

Waar is dat huis waar de deur nooit opengaat Waar het wachten blijft op warmte en blijheid De vreugde altijd zoek is en altijd laat En het enige kind zwijgt en lijdt Hier waar vader met strenge hand regeert En moeder kuisziek de liefde wist Waar mijn maag zich ommekeert En iedereen gaat lopen met leugen en list Waar ik mijzelf niet eens kan zijn Mijn vader ontsnapt en de koersfiets neemt Met een strenge hand het kind de hoek indrijft En mijn moeder een tweede claimed Waar geborgenheid en een knuffel verborgen blijft En moeder mij naar de school toestuurt Met rode muts met witte pompon Waar pesten duurt en voortduurt Lachen om mijn anders, mijn dikke ton Snel met mijn fiets op de vlucht Verdwalen op grootmoeders’ boerderij Om te ademen, om vrijheid en lucht Met de dieren aan mijn zij Waar is dat huis Waar mijn moeder flikflooide in de kelder Waar is dat huis Waar spanningen vertroebelden het leven helder Daar wil ik niet langer naartoe Waar in de living het ziekenbed van moeder lag Na vier jaar behandelingen en kanker moe Waar ik stelende zussen bezig zag Met handen vol parels en juwelen En kleren en meer van dat fraais Waarvan kinderwonden niet meer helen Zoals vissersboten werkloos aan de kaai Een huis waar ik nooit mijzelf kon zijn Omdat flikkers nu eenmaal niet in hun kerk pasten Ik stelden hen zwaar teleur, echt niet fijn Omdat ik simpelweg viel op gasten Waarom kan een thuis zo moeilijk zijn Waarom kan ik niet gewoon de zoon zijn Die anders is dan iedereen Als een tomaat naast een winterpeen Het huis waar ik niet wil komen Niet wonen Waar vader nog wat wou toelichten aan haar sterfbed Een nieuw gegeven, een nieuwe aanzet Maar dat huis heeft nu afgedaan Ik woon nu elders Gelukkig voortaan   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
4 0

AFSPRAAK MET…

Een man (A) van middelbare leeftijd komt aangejogd . Hij hijgt heel erg en pakt naar zijn borst en zet zich op het bankje. Het is vroeg in de ochtend, er is nog weinig beweging in het park. Of is er toch nog iemand? A            Hijgt en kreunt  B            Manman,  dat klinkt niet goed! (praat erg beschaafd) A            Jesus! Ge doet me verschieten!  Ben ik blij dat gij hier ook zijt, ik dacht effe dat ik hier alleen was B            Eigenlijk is een mens nooit alleen… A            Zoude gij  voor mij naar de 112 kunnen bellen want ik voel me niet heel goed en ik heb geen gsm bij… B            Dan moet u mij verontschuldigen, want ik ben niet in het bezit van dergelijke toestellen… A            Kunt  ge dan misschien ‘ergens’ hulp gaan halen, ik voel me echt niet goed… B            Waar zou ik op dit onchristelijk uur hulp moeten vinden? Trouwens, het feit dat ik hier ben, zal u helpen… A            Bent u dokter? God zij dank…ik denk dat het mijn hart is, ik heb zo’n druk… B            Neen, geen dokter…Daar zou u trouwens op dit punt niet veel meer aan hebben A            Meent ge dat nu? Wat scheelt er eigenlijk met u? B            Met mij scheelt er niks, met u daarentegen… Hoe oud bent u eigenlijk? A            65, waarom? B            En u dacht, laat ik eens wat aan mijn conditie doen…? A            Is daar wat mis mee misschien? B            U merkt toch zelf ook wel dat daar wel degelijk iets mis mee is! A            Maar wat bedoelt u? B            Wat ik zeg, zo, ondoordacht beginnen joggen is voor een man van uw leeftijd, onverantwoord! Toch? A            Man, zit daar niet zo te prediken! Haal hulp alstublieft! B            En dan ook nog op een moment dat het erg onwaarschijnlijk is dat u iemand zal tegenkomen die u kan helpen… ttt A            Ik ga zelf wel…Auw…staat op maar valt dadelijk weer neer B            Komkom, geen domme dingen doen, daar is het te laat voor… A            Maar wie zijt gij eigenlijk? Wat doet ge hier op dit uur? B            Laat ons zeggen dat ik hier ben voor u… A            Voor mij? Hoe wist ge dat ik hier zou zijn? B            Intuïtie? A            Maar waarom helpt ge me dan niet? B            Maar, dat doe ik wél, mijn vriend A            Vriend?  Ik ken u niet eens! B            Maar ik ken u beter dan u kan vermoeden … bijna beter dan dat ik mezelf ken… A            Ge spreekt in raadsels man! B            Ik heb al een tijdje een oogje op u! A            Meent ge dat nu? Ik lig hier te creveren en gij gaat me zitten opvrijen of wat? B            Oh neen, sorry, u begrijpt me verkeerd! Niet zo’n oogje! Moeilijk uit te leggen… A            Oh man, ik heb verschrikkelijk veel pijn op mijn borst…als u niets doet… B            Ik doe alles wat in mijn macht is om uw pijn te verzachten, om het zo gemakkelijk mogelijk te maken voor u. A            U schijnt hier een macaber genoegen in te scheppen! B            Laat ons zeggen dat het bij de job hoort… A            auwauw B            Kom leg uw hoofd op mijn schoot A            man kreunt en legt zich neer B            Mooi zo, zo moeilijk was dat niet…luister naar het ontwaken van de dag, uw laatste dag A            Neen, ik … B            Geef u over…het is mooi geweest…misschien niet zo lang als u had gehoopt maar het bobijntje waar u mee geboren bent is volledig afgerold… A            kreunt B            SStt, stil maar, het is zo voorbij, vecht niet meer… A            doodsreutel B            Laat de rest nu maar aan mij over… …           naderende voetstappen C            Meneer, meneer, gaat het met u? Oh mijn god, die man is dood…

Suzette
14 0

AMERIKA, DAT IS VER

  Mathilde (A), een dame van vrij hoge leeftijd (80) zit op een bankje. Een jonge vrouw (Laura) (B) met kindje komt aangewandeld. De dame kijkt naar het kindje in de kinderwagen. A            Maar toch, wat een schoon kindje! Hoe oud is ze? B            Dank u! Ze is net 3 maand geworden! A            En hoe heet ze? B            Jeanne, naar mijn grootmoeder! A            Dat is schoon! Uw grootmoeder zal fier zijn op haar achterkleinkind! B            Dat zou ze zeker geweest zijn maar ze is een maand voor Jeanne haar geboorte overleden. A            Oh sorry…Toch niet aan… B            Ze zeggen dat het Corona was, het is heel snel gegaan… ik …snikt A            Maar kindje toch, Het zijn al zo’n moeilijke tijden en als je dan nog iemand verliest… B            Ik heb geen afscheid mogen nemen! Ik was zwanger, het risico was te groot zeiden ze…Voor Corona ging ik minstens één keer per week naar haar. Op woensdagmiddag, dan maakte ze altijd mijn lievelingsslaatje. We aten samen en we babbelden tot een eind in de namiddag. A            Daar zal ze zeker erg van genoten hebben! Dat zijn schoon herinneringen, die kunnen ze u niet afpakken! B            Neen, dat is waar. Is het goed dat ik me even bij u zet A            Dat is zeker dat! Ik babbel ook graag! B            Ge doet me op de één of andere manier aan haar denken! Hebt gij ook kinderen? A            Ik heb één zoon maar die is op zijn 45° gestorven aan een hersentumor… B            Dat is verschrikkelijk! A            Ja, ik kan niet zeggen dat dat niet waar is…Mijne zoon, dat was mijn alles, zo een schone vent en zo lief voor zijn moeder! B            Een kind zou niet mogen sterven voor de ouders! Dat is gewoon tegen de natuur! Ik vind het heel erg voor u! Hebt ge nog contact met uw schoondochter? A            In ’t begin was er nog een warm contact met mijn schoondochter, we konden bij elkaar terecht met ons verdriet. Maar gaande weg pakte zij de draad terug op, ze kreeg een nieuwe relatie en alhoewel dat ik haar dat van harte gunde, ik heb haar dat ook dikwijls gezegd: Ge zijt nog jong, ge moogt niet alleen blijven…Toch voelde ze zich precies schuldig tegenover mij en het contact is stilaan uitgedoofd. Dat was alsof mijne zoon voor den tweede keer doodging… B            En had ge dan niemand meer om dat verdriet mee te delen? Uwe man? A            Mijne man lijdt aan jong dementie, het was al bezig als onze Robert stierf en zijn dood heeft er geen goed aan gedaan. Ik heb lang zelf voor hem kunnen zorgen maar een paar jaar geleden werd de zorg zo zwaar dat ik hem heb moeten laten opnemen… met heel veel spijt in mijn hart, want, ook al kent hij mij al lang niet meer, ik voel nog altijd dat hij mij graag ziet en ik hem. Ik ga alle dagen op bezoek, ook al maakt het voor hem geen verschil, het doet mij goed om er op die manier toch nog voor hem te zijn… B            Amaai mevrouwtje, dat is heavy allemaal… A            Zeg maar Mathilde! Ach ’t lijkt nu precies of heel mijn leven is een tranendal geweest en dat is niet zo hoor! Ik heb een schoon jeugd gehad, buiten den oorlog dan maar daar weet ik niet veel meer van. Ik kom uit een kroostrijk gezin, we waren met 8 kinderen thuis. Ik was de jongste, een achterkomerke! B            Het kakkernestje zoals ze zeggen!  Verwend door al uw broers en zussen! A            Ja echt, ik had meer dan één moederke! En mijn broers verdedigden mij met hun leven! B            Ik heb maar één broer en dat was tot enkele jaren geleden een grote pestkop! Maar nu komen we goed overeen! Nu we elk ons eigen leven hebben…hij is peter van ons Jeanneke! A            Het nadeel van de jongste te zijn is wel dat ge ze één voor één ziet gaan…Ik was ook maar 30 als mijn moeder en vader al dood waren…Ze waren dan ook al tegen de 50 als ze mij kregen… B            Dat is spijtig natuurlijk…als ik zie wat mijn moeder nu nog allemaal voor mij doet en voor ons Jeanneke…Trouwens, had uw zoon geen kinderen? A            Jaja toch wel, ene zoon! Thomas heet hij, slimme gast, heeft voor advocaat gestudeerd! B            En ziet ge die vaak? A            Zag… B            Dat meent ge niet, die is toch ook niet… A            Neenneen! Gelukkig maar! Hij is getrouwd met een heel lief vrouwtje en ze hebben sinds kort een zoontje, ja ik doe in jongens, ons Jackske! B            Waarom zegt ge dan ‘zag’? A            Omdat ze, vlak voordat ze zwanger was, naar Amerika verhuisd zijn! B            Oei, da’s ver… A            Da’s heel ver! Toen hij het kwam zeggen heb ik hem proficiat gewenst…het was, hoe zei hij het: An offer you can’t defjoes, oma! B            Refuse! Een aanbod dat hij niet kon weigeren! A            Zoiets ja, hoe gaat dat, ge zijt jong en ge wilt wat hé… avontuur…ik begrijp dat wel… maar als hij weg was heb ik me een oog uitgebleit! Mijne kleinzoon, mijn enige lichtpuntje! Naar de andere kant van de wereld! B            Ocharme! Als het mocht, zou ik u eens goed vastpakken! A            Dat zou deugd doen! Het is al lang geleden dat iemand mij heeft vastgepakt! B            En hebt ge veel contact met uw kleinzoon? A            Hij heeft voor hij vertrok voor mij een smartphone gekocht! En een internet abonnement! B            En kunt ge er goed mee overweg? A            Belange niet! Ik moet altijd de hulp van een neefje of nichtje inroepen om mij te helpen als ik wil bellen naar Amerika. En als hij belt dan krijg ik dat spel niet opgepakt! Sleuren zijn het! B            Het is niet hetzelfde als in ’t echt maar toch leuk dat ge ze regelmatig kunt zien hé! A            Natuurlijk wel! En ze stellen het daar goed! B            Waar is het ergens in Amerika? A            In Los Angeles! Altijd goed weer, ze wonen ook vlak bij de oceaan! Ze sturen veel foto’s, dat vind ik heel plezant! B            Zullen we eens een selfie van ons 2 nemen, hier op dat bankje? A            Een wat? B            Gewoon, een  foto die ik zelf maak, van ons 2! Kom een beetje dichter! A            Lachen heeft niet veel zin met dat masker hé… B            Lach toch maar, ge ziet dat aan uw ogen!           Zo, we staan er op! Precies Oma en kleindochter! Geef me uw telefoonnummer, dan zal ik de foto doorsturen! A            Oei kindje, die weet ik niet van buiten hoor! Wacht, ik heb hem hier in mijn agenda staan. 0485269547 Bliep B            Voilà, hij staat op uwe What’s app! Ge kunt direct mijn nummer ook opslaan, ge weet nooit dat ge me eens nodig hebt… A            Een nummer opslaan…hoe moet ge dat doen? B            Mag ik? A            Ja, graag! Maar ik ga hem voor alle zekerheid ook opschrijven in mijn agenda! Zeg eens… B            0496235689 A            en uw naam? God ja, ik zit hier maar over mezelf te jengelen en ik heb uw naam niet eens gevraagd! B            Laura! A            Dat is een schone naam, voor een schoon meiske! B            Zijn dat fotootjes in uw agenda? A            Ja! Lisa, het vrouwtje van onze Thomas maakt elk jaar voor mij zo een foto agenda. Wilt ge eens kijken? B            Ja graag! A            Dat is Thomas en Lisa, schoon koppeltje hé! Die waren al samen als ze nog maar 16 waren! En dat is onze kleine Jack! B            Maar toch, zo een tof ventje! Wanneer is hij geboren? A            22 april! Toen ze me dat zeiden aan de telefoon, dat er een achterkleinkindje op komst was, heb ik gebleit, tegelijk van blijdschap maar ook van verdriet! B            Dat begrijp ik! Ge wilt daar graag bijzijn hé, dat buikje zien groeien, dat kindje vastpakken… A            Ach meiske, het had allemaal zo schoon kunnen zijn… B            Hebt ge er nog niet aan gedacht om eens naar daar te gaan? A            Hoe graag ik dat ook zou doen, dat is onmogelijk…ik kan George, mijne man, hier niet voor een maand of zelfs nog geen week, achterlaten! En zo alleen naar Amerika vliegen, dat durf ik precies toch niet. B            En wanneer komen zij terug? A            Normaal gesproken was ze hier komen bevallen! Maar met die Corona konden ze daar niet weg… B            Ja, Corona…het zet alles op zijn kop hé! Maar ik geloof dat het nu wel aan het beteren is! Binnenkort zullen ze wel eens op bezoek kunnen komen! A            Dat hoop ik… Zeg maar, hebt gij geen zin om eens bij mij te komen eten, op een woensdagmiddag? Ik heb feitelijk niemand in mijn bubbel. B            Eu, ja denk ik, dat zou wel fijn zijn! A            Ik kan heel goed slaatjes maken!           

Suzette
22 0

Woorden vinden voor verdriet

Een diagnose, uitleg, verklaring, duiding,... kan verlossend werken.Alsof de puzzelstukjes pas dan eindelijk in elkaar lijken te passen.Dat gevoel had ik na het lezen van het boek 'Goed Leven' van Dirk De Wachter en Manu Keirse.En dan vooral het hoofdstuk over rouwen.Ik had tot voor kort nog nooit gehoord over 'levend verlies'.Maar hoe meer ik erover las, hoe herkenbaarder het verhaal werd en hoe minder vreemd mijn situatie leek. Sinds maart 2019 ben ik kleine stukjes van mezelf kwijt geraakt.De auto-immuunziekte stak de kop op en ik ging mee in de rollercoaster van ziekenhuizen, medicatie, onderzoeken,...Bij elk klein stukje 'verlies' van wie ik was, huilde ik even om nadien zo snel mogelijk terug door te gaan.Ik wil/wou ziek zijn gemakkelijk laten lijken, denk ik.'Hier is niets aan de hand. ' Niet opgeven, de kleine golfjes verdriet trotseren en vooruit kijken, het leek me de enige uitweg.Ondertussen bleef alles maar door gaan. Ik veranderde van job, zocht meer rust, zag mijn lichaam veranderen na vier cortisonekuren, probeerde met angst te leven, leerde voltijds werken loslaten, kwam steeds minder buiten, verloor plukken haar door medicatie, zei mijn laatste kinderwens vaarwel, 'leerde wennen' aan het verzwakte immuunsysteem en leven met pijn, bouwde met mijn gezin een leven rond ziekenhuisafspraken en behandelingen.En al deze golfjes wist ik 'goed' te trotseren.Tot ik in september op weg naar het werk bijna een ongeval kreeg.Ik zag dubbel, kon amper nog horen, stotterde en toen ik thuis iets op de kalender wou schrijven kon ik geen woord meer correct neerpennen.Ik had het ergens wel voelen aankomen want de twee maanden ervoor had ik reeds vijf kuren antibiotica achter de rug maar ik kon/ging volhouden. Het gehoor en de oogspier vielen niet te herstellen, wel wat op te lappen.Toen dat begin oktober duidelijk werd, tussen alle onderzoeken door, kwam de tsunami pas echt.Al die kleine golfjes waren niet gecounterd.Ik zat/zit met een groot verdriet om alles wat ik beetje bij beetje heb moeten loslaten of afgeven.Daarnaast kwam er ook een overweldigend schuldgevoel de kop opsteken.Ik voelde me schuldig tegenover mijn collega's die met extra werk zaten, mijn man die nooit voor deze situatie of mij in deze situatie had gekozen, mijn kinderen die ik niet alles kon geven, mijn ouders die ook telkens met een bang hart mee afwachten wat er nog komt, mijn vriendinnen die ik niet altijd kan vragen hoe het met hen gaat omdat ik de kracht niet heb,...En dan was er nog de boosheid. Gewoon irrationele boosheid op het leven, de ziekte, mijn man die me teveel wilde helpen, op mezelf wanneer ik het moeilijk had,... Ik begon me te vergelijken met anderen die met zwaardere ziektes kampen en er toch nog in slagen om te werken of die het vast veel moeilijker hadden dan ik... Een warboel aan gevoelens die ik niet meester kon.En het feit dat ik ze had vond ik onbegrijpelijk.Laat staan dat ik het kon benoemen wanneer mensen voorstelden om hen eens te sturen wanneer het nodig was of niet meer ging. Dan leg(de) ik de telefoon telkens terug aan de kant. (Ook nu nog want dan komt het schuldgevoel terug piepen: iedereen heeft het moeilijk, elk huisje heeft zijn kruisje, je moet anderen niet lastig vallen met jouw pijn, je kan het zelf wel...) Tot ik dus het boek las en meer te weten kwam over levend verlies: over hoe je ook rouwt om stukjes van je gezondheid, identiteit, mogelijkheden, dromen,... die je kwijtraakt door een chronische ziekte, een ongeval,... Het werd (be)grijpbaar, vatbaar.Ik weet nu ook dat ik me niet schuldig moet voelen.Dat andere mensen die mijn parcours zouden afleggen soms ook eens in een hoekje willen kruipen om te huilen of stilletjes de wereld vervloeken.Maar ik heb nog een hele weg te gaan.De oude strategie van oppakken en verder gaan, die werkt niet meer.Ik moet een nieuwe weg vinden om met dit alles te leren leven.En ook met wat er misschien nog komt.Koesteren wat er nog rest van de oude ik, leren leven met wat er is weggevallen en dan bouwen aan een nieuwe identiteit waar ziek zijn slechts een onderdeel van is.Maar ik weet dat zoiets tijd vraagt en taal.Dus schrijf ik erover, lees en probeer erover te praten wanneer het lukt.Het is een blijvende zoektocht naar 'een' goede weg om hiermee om te gaan. Want de goede weg om hiermee om te gaan of met eender welke (chronische) ziekte, die bestaat niet.Ik verwacht dus nog een aantal valpartijen op mijn pad.Kleurrijke pleisters heb ik alvast aangeschaft.        

Alice Bremt
15 1

Absurdistan, denk aan iets leuks!

En vanuit kikvorsperspectief zag ik mezelf, badend in fel zonlicht. Zonnestralen, die krachtig reflecteerden op mijn helm, waarop een fiere, gouden kam als een vlam prijkte. En voor de gelegenheid had ik mij uitgedost in mijn allerprachtigste krijgsuitrusting. Ik gaf mijn hagelwitte strijdros de sporen en trok de stad in. Mensen vielen spontaan op de knieën bij al dat machtsvertoon, anderen wuifden met palmtakken. Bij het aanschouwen van mijn oorlogstooi zagen ze een glimp van de maliënkolder die ooit mijn grootvader toebehoorde en begonnen ze uitzinnig “Maliënkolder! Maliënkolder!” te scanderen. En ze zetten hun zonnebrillen op, teneinde niet verblind te worden door de schittering van mijn verschijning. In de menigte ontwaarde ik zo ook Ray Charles, eveneens met zonnebril. En hij lachte breed, zoals enkel hij dat kon. En ik riep hem toe: “Ray, jij hier?” Of misschien was het wel “Jij, Ray hier?” Of… Ach wat, ik groette hem met een krachtig handgebaar en zette mijn parade verder. Vrouwen ontblootten spontaan hun weelderige boezems voor mij en ik maakte hen uit voor lichtekooien. Maar ook dat vatten ze op als een compliment. Wat voelde ik mij geliefd door mijn volk! Kinderen liepen juichend om mijn paard heen en probeerden, net als hun ouders, “maliënkolder!” te roepen, doch met wisselend succes. Aan hun jonge kelen ontsproten warwoorden als “mariënklodder!” en “taliënflodder!”. En ik corrigeerde hen met een tik van mijn karwats, als behoorden ze toe tot mijn harem die mij ondertussen een maaltijd bereidde in mijn burcht. De zon bleef ondertussen ongenadig branden, zweetdruppels parelden vanonder mijn helm, langs mijn aanschijn naar beneden. Het licht dat reeds fel was, verblindde iedereen. En we sloten collectief de ogen en voor onze ogen dansten felle kleuren: oranje, geel, vermiljoen. En Ray Charles bleef uitzinnig lachen... En toen bevond ik mij weer in de keuken. Ik raapte het Legoblokje op, waar ik zonet op had getrapt, en klemde het in mijn hand. De pijn had mijn rechtervoet grotendeels verlaten. Ik haalde de koteletten uit de koelkast.

Lennart Stein
48 0