Lezen

Modderig vertrouwen

Het weer is grauw en grijs.De kou bijt in mijn neus.Ik sta bovenaan onze straat en kijk uit over de Erpse velden.Het is mijn eerste wandeling alleen.Mijn man weet dat ik op pad ben, kent de route en kan me komen ophalen als ik ergens mijn evenwicht kwijt raak.Ik stap helemaal langs de kant van de weg want zelfs met hoorapparaten kan ik fietsers niet horen aankomen.De wind waait stevig en lijkt te fluiten in mijn apparaatjes.Daar helemaal bovenaan haal ik adem, met mijn voeten in de modder.Ik trek mijn hoorapparaten even uit.En alles wordt stil.Ik hoor nog geluiden maar dof.Alsof er een stolp over me heen is gezet. Ik adem in en kijk achteruit.Ik zie mijn voetstappen in de modder en denk aan het gesprek dat ik daarnet thuis had.Over toekomstperspectieven, verwachtingen, doktersadviezen, financiële keuzes, eigen verlangens en wensen.De weg die we tot nu toe hebben afgelegd was op zijn minst gezegd soms hobbelig.Ook al heb ik enorm veel om dankbaar voor te zijn.Maar ik wil de laatste tijd niet meer achterom kijken.Ik voel namelijk dat het kleine vlammetje, dat me altijd doet hopen, het soms moeilijk krijgt.Dat er soms wat duisternis komt.En dat wil ik niet. Maar wanneer ik vooruit wil kijken, zie ik een kruispunt.Ik heb geen idee welke weg ik moet inslaan.Verder kijken dan dat kruispunt lukt niet.Elke mogelijke route die ik uitstippel brengt verdriet mee, verlies of een opoffering voor mijn gezin of mezelf.Dus sta ik hier even stil.In de gure wind in de Erpse modder. Ik kijk niet meer vooruit of achteruit maar naar mijn schoenen die in een grote poel modder staan.Soms wou ik dat ik niet alleen mijn schoenen kon zien.Maar ook de voetafdrukken van iemand naast mij.Een soort gevoel van  vertrouwen terugvinden dat alles goed komt.Want ook al weet ik dat er veel mensen naast me staan, soms voelt ziek zijn heel eenzaam.Ik doe mijn hoorapparaten opnieuw in.De stolp wordt opnieuw weggenomen. Het ruisen van de wind komt me al opnieuw tegemoet.Vertrouwen Alice, vooruit. En straks mijn schoenen poetsen.      

Alice Bremt
6 1

Je naam is Ely

Je naam is Ely Nog niet zo heel lang geleden was er Louis.  Hij was niet groot als de andere jongens van zijn klas. Hij was niet sterk. Nee, hij was zelfs zwak. Hij  droeg een te grote ronde gouden bril die af en toe wel eens op de grond belandde, maar Louis was zeer intelligent. De andere leerlingen in de klas besteedden geen aandacht aan hem. Hij had geen vrienden. Ze vonden hem maar vreemd, een echte nerd,  hij wist alle antwoorden en zat waarschijnlijk de hele dag met zijn neus in de schoolboeken. Zijn ouders spendeerden enkel aandacht aan zijn 1 jaar oudere broer. Hij kreeg meer cadeautjes, complimentjes, had meer vrienden ,… Hij was net zoals de andere jongens… normaal. Maar wat ze niet wisten was dat Louis zich niet enkel vreemd gedroeg maar ook een vreemde hobby had. Hij hield zich bezig met het maken van uitvindingen. Wat mensen zagen als verleden tijd, iets wat ze niet meer nodig hadden en enkel nog goed was als afval, daar zag Louis een prachtige toekomst in. Van oude elektronische prullen maakte hij nieuwe dingen. Van klokken die terugkeerden in de tijd, vliegende schepen en rijdende boten, of absurde toestellen zoals koekjestoasters! Niets was te gek! Tot hij op een dag een wel heel speciale uitvinding had gecreëerd . Met bonzend hart drukte hij voorzichtig op de blauwe knop. Hij hield zijn adem in. Tot… haar grote glazen ogen langzaam openden. “Hallo… Aangename kennismaking, ik heet… Euhm… Hoe heet ik?” Louis riep vol enthousiasme: “Ely! Je naam is Ely! Aangenaam ik ben Louis!” Ely en Louis werden beste vrienden. Ze studeerden samen , speelden met uitvindingen, gingen naar koffieshops om samen te lezen. Elk idee,  elke fantasie werd werkelijkheid.  Geen uitdaging was te groot.  Ze werden een onafscheidelijk duo!  En ja hoor, ze vonden zelfs een vliegende auto uit. Ely ging achter het stuur zitten. “Gelieve bestemming in te stellen”, zei Ely. “Naar de toekomst!” riep Louis uit. Ze vlogen de zeeën over per schip en reden door de lucht, gingen samen uit en reisden de wereld rond en nog ver daarbuiten.  Tot ze op een avond samen op Mercurius zaten  en uitzicht hadden over het sterrenstelsel. De sterren weerspiegelden in Ely’s ogen en plots voelde Louis iets diep vanbinnen. Hij bleef staren naar Ely.  Ze was zo mooi en vooral zo intelligent.  Ze begreep hem, maakte hem gelukkig , hij zou niet meer weten wat te doen zonder haar. “Ely …ik…” haperde Louis. Ely keek hem vragend aan. “Ely, ik hou van je.” “Wat betekent dat?” vroeg ze. “Het staat niet in mijn systeem… Maar… waarom hou je van me?” Louis beet op zijn lip en glimlachte terug naar haar. “Je hart zit op de juiste plaats, Ely”. “Omdat jij die daar hebt gezet”, grapte ze terug. Hoe fantastisch zijn creatie ook was, Ely kende geen gevoelens. Louis doorzocht al zijn boeken maar vond geen antwoord. Hij zocht in de bibliotheek en op het hele internet, maar kon niets vinden over hoe hij op een of andere manier gevoelens zou kunnen programmeren. Uiteindelijk gaf Louis het op. “oh ik wou dat ze wist wat liefde betekende…” De jaren verstreken, zelfs de klokken die in de tijd terugkeerden liepen voor. Louis werd oud, maar Ely niet. Louis lag verbonden aan allerlei kabels en machines en Ely zorgde voor hem. Ze was nog steeds diegene die Louis gelukkig maakte.  Ze liet de herinneringen en mooie momenten zien via haar interne geheugen op het scherm als een filmrol. Opnieuw en opnieuw. Net voordat Louis’ ogen zich voorgoed sloten, fluisterde hij:  “ Ik hou van je, Ely”. “Ik hou ook van jou”, zei ze. Het bleef stil. Enkel de machines maakten nog geluid. Ely voelde een steek van pijn door haar lichaam en iets warms en nat gleed over haar robotwang. “Wat is dit? Een traan? Heb ik gevoelens? Waarom doet dit pijn?” Op haar beeldscherm flikkerden woorden als traan, vloeistof die zout smaakt, komt tevoorschijn bij fysieke of emotionele pijn. Ely raakte steeds meer in de war. Duizenden vragen spookten door haar hoofd. “Menselijke gevoelens” verscheen er in grote rode letters op haar scherm.  Maar ze was geen mens. Ze was een robot. Ze zou voor altijd blijven bestaan, maar dat kon niet… Niet zonder Louis. “je hart zit op de juiste plaats”, hoorde ze hem zeggen op de video die was opgeslagen in haar interne geheugen. Vervolgens nam Ely Louis’ gereedschapskist. Ze rommelde door zijn gereedschap . Ze wist dat haar hart in haar linker borstkas zat. Dat was alles wat ze wilde weten en verder niets. Ze draaide de schroeven los en doorknipte de draden die haar hart verbonden . Het laatste wat ze voelde was een warme traan die nog over haar wang gleed. Omdat jij die daar hebt gezet…  

Elin
11 1

De uitnodiging

Waarom ik niet van kinderen houd? Die zijn gewoon griezelig, iedereen weet het, maar we negeren het omdat we weten dat de meesten ooit zullen uitgroeien tot normale volwassenen. Ik was net zestien toen ik leerde hoe griezelig juist. Ze heette Maya. Leuk kind om te zien, wipneusje, blos en twee donkere vlechtjes, maar die ogen ... Helblauw en keken recht door je heen. Maar dat heet schattig te zijn, de onbevangenheid van een kind, bla bla. Een jaar of acht, hield van paprikachips en gezelschapsspelletjes. Ik had al een paar keer op haar gebabysit. Zodra haar ouders de deur uit waren, zei ze op samenzweerderige toon dat ze me iets moest laten zien. Ze viste een verfomfaaid kaartje van onder haar hoofdkussen. Vanbuiten zaten er glitters op, vanbinnen stond in nauwelijks leesbaar handschrift gepend: Wul jij bij mij koome speele? Ik woon aan de ooverkand, in het greize huis. XXX “Daar woont toch helemaal niemand,” zei ik meteen. “Dat vervallen krot is al jaren onbewoond.” “Zullen we toch eens gaan kijken, please?” Ze keek me aan met die grote blauwe kijkers van haar. Haar onderlip trilde een beetje. “Heb je dat kaartje zelf gemaakt?” vroeg ik. “Laten we Blokus gaan spelen.” “Oké, maar daarna gaan we in dat huis kijken,” zei ze. In de hoop dat ze het zou vergeten, of dat ik haar zou kunnen omkopen met chips, cola en veel te laat naar bed, gaf ik toe. Een half uur later gingen we het krot binnen. “Hallo?” riep Maya. “We zijn er! Ik kom spelen!” Ik zag in mijn ooghoek iets bewegen en gilde. “Een rat! Kom, we zijn hier weg!” Ik trok Maya aan haar mouw, maar ze rukte zich los. “Bangerik,” fluisterde ze. “Ga jij maar weg als je wil. Ik zie mijn vriendinnetje al!” Ze liep op een plek af waar niets te zien was, behalve een strook zonlicht die door een spleet viel in de planken die voor de ramen getimmerd waren. Ik bleef staan en keek naar haar, hopend dat ze dit spelletje snel beu zou zijn. En toen ... je zult me niet geloven ... maar ze stapte het licht in en ... verdween gewoon ... alsof ze door één of ander portaal gestapt was. Ik liep haar achterna, maar het licht verdween. Wel hoorde ik haar lachen. Ik riep haar, zei dat ik het niet grappig vond, dreigde met straf, begon te huilen, maar het mocht niet baten. Ik hoor haar lach nog steeds, als het donker is en ik alleen ben.  

Hekate
12 1