Lezen

Wanneer, hoe, en waarom werden wij, mensen, ‘mens’?

‘Mens’, ‘mens’, ‘mens’. Wat maakt de man, de kleren? De keizer paradeerde naakt door de straten, en verloor zo zijn aanzicht als man, maar was hij nog steeds een mens toen hij het respect van zijn subjecten verloor? Wanneer, hoe, en waarom werden we ‘mens’? We hebben duizend-en-één theorieën en verhalen over hoe, waarom, en wanneer we mensen werden. We evolueerden en vormden de tak “Hominidae” onder de “Primaten”, samen met onze broeders, de gorilla’s, chimpansees, orang-oetans, en bonobo’s. We ontwikkelden taal,  kunst, tuigen, wisselden woorden, goederen, en kennis en gaven het door aan de volgende generatie.   …Is dat alles wat we zijn?  Verre van! Er is zoveel meer!  Mens kwam uit het vormeloze water, een onbestaande afgrond. We kwamen uit chaos, het niets. Is onze creatie dan goddelijk? Hoeveel tijd hadden ze nodig om alles - inclusief de mens - te maken, zeven dagen of vijftien?  Of kwamen we toch vanuit iets? Iets kan toch niet komen vanuit het niets? Is het niets gemaakt uit een bepaalde materie? Van wat zijn wij dan gemaakt?  We zijn emergent! Alles wat ons mens maakt, bestaat uit andere componenten. Water, aarde, vuur, lucht, ijzer, hout, zout, as, en bloed. We zijn bepaald door deze elementen. Of net niet, afhankelijk van wie je het vraagt. Evengoed kan je een duidelijk onderscheid maken tussen de geest en het stof, en valt het een niet te herleiden naar het ander.   Mens kwam van hun vader en moeder. Ze gaven hun lichamen zodat wij konden bestaan. Was het een daad van liefde, of van opoffering? Waar vinden we het onderscheid tussen die twee?  We zijn de kinderen van Adam en Eva, van Manu, van Pandora - of Anesidora. We erfden hun lichamen, genietingen, zonden, en strubbelingen. Wie wij zijn als persoon is vaak mee gevormd door onze voorouders. In welke mate leven zij nog in ons, of zijn wij hen?  Mens is niet echt! We zijn niets meer dan fictie, illusie, een fragment van een gedachte of een droom van een ander wezen. We worden gedragen door iets groter en sterker dan onszelf, en voelen hun impact in onze grond en wateren. Wanneer zij dromen, leven wij.  We komen van beenderen, klei van de rivier, water bedekt met aarde, bomen en bamboe, zilveren en gouden insecten, sterrenstof, modder en bloed samen vermengd, zweet en vuil van het lijf gewassen, zaad en ei, maïs, paddenstoelen, en kokosnoten! We kwamen uit het niets, werden geboren of gemaakt door een machtiger wezen - al dan niet bewust-, of… we groeiden gewoon zo, door de omstandigheden waarin we leefden.  Zijn wij al dat?  Ik weet het niet. Eerlijk, ik heb geen echte antwoorden voor je. Maar ik geloof dat alles wat hierboven staat, een groter idee kan geven, een gevoel van een antwoord kan bieden.   Wanneer, hoe, en waarom werden we ‘mens’, vraag je me?   Mijn antwoord: het is complex.

Eden Oscar
3 0

Bevriende koppels

Bevriende Koppels zijn een natuurfenomeen. Je zou er een documentaire over kunnen maken. Met zo’n rustige stem eroverheen. Hier zien we het koppel in zijn natuurlijke habitat. Let op hoe ze zich groeperen. Altijd in even aantallen. Nooit alleen. Ze spreken ook in een eigen taal. Een soort dialect van het samenleven. Zinnen eindigen steevast op “met bevriende koppels”. Alsof dat de soortaanduiding is. “Wij gaan eten met bevriende koppels.” “Wij doen een weekendje Ardennen met bevriende koppels.” “Wij doen eens iets met de vrouwen… van bevriende koppels.” Ik stel me voor dat daar ergens een draaiboek voor bestaat. Met hoofdstukken. De oprit en zijn klinkers. De juiste school kiezen zonder jezelf te verliezen. Het kookeiland als moreel kompas. Koppels hebben namelijk kookeilanden. En schuiven. Minstens drie. In de derde schuif zit iets dat nooit op dinsdag gebruikt wordt, maar waar wel afspraken over bestaan. De single komt in die wereld voor als een tijdelijke afwijking. Een zeldzame vogel die per ongeluk in beeld vliegt. Interessant, maar storend voor de compositie. Want koppels denken in tafels van vier. Of zes. Of acht. Maar altijd deelbaar door twee. Een single als ik is wiskundig gezien een probleem. Een rest met een komma. Ze nodigen mij soms uit. Dat wel. “Kom anders eens mee, dat is gezellig.” En dat is het ook. Tot de ober vraagt: “De rekening apart of samen?” en iedereen heel vanzelfsprekend naar elkaar kijkt en ik daar zit als een losgekomen vork.   Tafelschikking is een wetenschap. Sofie naast Tom, want die kunnen praten over hun zonnepanelen. Ellen naast Koen, want die hebben ook een jongste in het derde leerjaar. En dan ik. “Zet Katrien misschien naast Marc?” Marc knikt. Marc is sociaal. Marc vangt singles op zoals de vestiaire jassen opvangt. Er worden namen gezegd alsof het personages zijn uit een reeks waar ik één aflevering van gemist heb. “Bij Liesbeth en Pieter is dat ook zo.” “Nee, maar echt, bij An en Frederik hebben ze dat opgelost met een extra kast.” En ik knik. Ik knik altijd. Alsof ik het begrijp. Alsof ik ook een derde schuif heb. Het gaat over de aannemer van de klinkers van de oprit. Altijd die oprit. Alsof geluk begint bij rechte lijnen in steen. “Die van ons, Kevin, die was echt nog betaalbaar.” Kevin. Natuurlijk heet hij Kevin. Kevin legt niet alleen klinkers, Kevin legt ook fundamenten voor gesprekken. En dan, ergens tussen hoofdgerecht en dessert, wordt het een beetje pikant. Niet te veel. Net genoeg. “Ja, en Marc, die heeft er dan toch ne knoop in gelegd.” Gelach. Blikken. Iemand die zegt: “Amai.” Iemand die zegt: “Allê Marc, gij durft.” En Marc lacht zoals mannen lachen wanneer ze weten dat ze nog net binnen de veilige zone zitten. Ik kijk. Ik observeer. Ik maak notities in mijn hoofd. Dit is materiaal. Dit is goud. Dit is een soort volkskunde met wijn. En dan ga ik naar huis. Alleen. Zonder tafelschikking. Zonder derde schuif. Met mijn sleutels in mijn jaszak en niemand die vraagt of ik ze al gevonden heb. Bevriende koppels, zeggen de statistieken, zijn een uitstervend ras. En toch. Ze blijven bestaan. Als hoeksteen van de maatschappij. En van grillrestaurants. Voor tafels groter dan acht. Voor opritten die gelegd moeten worden. Voor gesprekken die alleen werken als iemand zegt: “Wij”. Misschien moeten we ze beschermen. In reservaten. Met voldoende parkeergelegenheid en een degelijke aannemer in de buurt. Met een kookeiland in elke habitat en een derde schuif per koppel. En ergens, aan de rand van dat reservaat, sta ik te kijken. Te denken dat ik misschien ooit één van hen zal worden. En dat ik dan, op een dag, een zin zal zeggen die eindigt op  “met bevriende koppels”. Ik weet alvast genoeg over klinkers en opritten om te kunnen meepraten.

Katrien Daniels
55 2

Het verhaal van grote beer die plots niet meer kon lachen

1. De nieuwe dieren van het bos vertellen het verhaal nog altijd. Het is heel wat jaren geleden gebeurd. Misschien wel honderd jaar. De dieren van toen hadden nog nooit zoiets meegemaakt. Het begon allemaal op een mooie zondag in oktober. Ze hadden eerst gepicknickt en daarna gevoetbald op de grote weide in het midden van het bos. 2. Het was niet dat grote beer de wedstrijd had verloren. Nee, hij had als doelman zelfs enkele prachtige reddingen gemaakt. Na de wedstrijd werd hij door alle dieren op handen gedragen. Ook op die van de tegenpartij, dat waren de dieren van het andere bos. Maar de volgende dag gebeurde er iets. Beer kon plots niet meer lachen. 3. Muis zag snel dat er iets scheelde met haar grote vriend. Ze was, zoals elke maandag, naar het huis van beer getrippeld, om samen op verkenning te gaan in het bos. Op zoek naar heel wat lekkers. Oktober was ideaal om paddenstoelen te plukken. Daar waren ze allebei zot op. 4. "Ben je klaar grote beer? Ik kan de paddenstoelen al bijna ruiken", zei muis, waarna ze haar neusje in de lucht stak. Het enige wat beer zei was 'Hmmm'. "Wat hmmm?", zei muis. "Is dat het enige dat je kan zeggen?" "Hm hm", zei beer opnieuw. Muis besteedde er niet te veel aandacht aan. Ze dacht dat het wel zou beteren als ze de eerste paddenstoelen hadden ontdekt. Helaas, het beterde niet. Beer had wel twintig keer 'hm' gezegd, maar geen enkele keer gelachen. En beer lachte graag, dat wisten alle dieren. 5. Omdat dieren niet goed kunnen zwijgen, wisten binnen de kortste keren alle dieren dat er iets scheelde met grote beer. Op dinsdag kwam meneer de hert langs. Hij wist hoe hij beer aan het lachen kon krijgen. "Zeg beer, weet je nog? Dat ik bij boer Vanspringel met mijn gewei in het hek vastzat? Ik kon nog net op tijd ontsnappen. Hij liep naar buiten met zijn geweer, struikelde over de mat en schoot de lamp stuk. Hahahahahaha." "Hm", zei grote beer, terwijl meneer de hert op de grond lag van het lachen. 6. Op woensdag bracht konijn een bezoekje. "Beer kan niet meer lachen? Dat kan niet", had hij vooraf gezegd. Grote beer had amper een kopje thee uitgeschonken en konijn begon hem te kietelen. Niet alleen met zijn pootjes, maar ook met zijn grote oren. Beer keek konijn aan alsof hij niet snapte wat er gebeurde. Vroeger zou hij al na twee seconden plat hebben gelegen van het lachen.  7. Op donderdag stond het wilde zwijn aan het huis van beer. Hij had al een paar keer met zijn poten op de deur geklopt, maar er kwam geen reactie. Ook niet toen hij een paar keer luid had geknord. De volgende dag, op vrijdag dus, stond het wilde zwijn er opnieuw. Nu deed grote beer wel open, al nodigde hij zwijn niet uit om binnen te komen. "Zeg beer", begon zwijn op de drempel van het huis. "Ik ken nog een leuke mop. Het is groen en het komt van een berg af. Wat zou dat ...". Zonder af te wachten wat zwijn nog ging zeggen, gooide beer de deur dicht. Zwijn zat er bijna met zijn neus tussen. 8. De dieren wisten niet wat ze moesten doen om beer aan het lachen te krijgen. Het enige wat misschien zou helpen, was naar de dokter gaan. Helaas konden ze bij dokter de vos  pas op maandag terecht. In het weekend ontving hij geen patiënten. De dieren probeerden op zaterdag en zondag om beer mee naar het grote veld te nemen, om een balletje te trappen, maar hij deed de deur niet open.  Muis besloot om op maandag beer mee te nemen naar dokter de vos. Als ze hem meekreeg natuurlijk. Dat lukte wonderwel. Beer slofte als een mak lammetje achter muis aan.  Ze gingen samen bij de dokter naar binnen. Plots kwam beer alleen naar buiten. Na een paar minuten volgde muis. Er was duidelijk geen beterschap te zien. Hij slofte zo mogelijk nog erger op het bospad. 9. De dieren wisten niet wat aanvangen. Het mocht zeker niet te lang blijven duren. Dat wisten ze wel.  Er ging een week voorbij. Muis besloot op opnieuw met beer naar de dokter te gaan. Het ging immers van kwaad naar erger met Beer. Door het sloffen zorgde hij voor een enorme stofwolk op het bospad. Net zoals wanneer boer Vanspringel er met zijn tractor reed.  Terwijl beer bij dokter de vos naar binnen was, verzamelden plots alle dieren van het bos, plus de dieren van het andere bos, bij de boom waar muis zat.  Voor de vogels hoog in de bomen was het een prachtig beeld, al die dieren samen.  10. Er gebeurde nog iets wonderlijk. Dokter de vos nam beer plots mee naar het raam van zijn dokterspraktijk. Vanwaar ze stonden, konden de dieren het goed zien. Dokter de vos stond op een stoel en had zijn ene poot op de schouders van beer liggen. Met zijn andere poot wees hij naar buiten, waar alle dieren stonden. "En nu allemaal zwaaien en juichen", riep muis plots. Het gaf een enorme herrie en van al die zwaaiende dieren ontstond er een grote wind. De vogels vlogen in de lucht en begonnen te kwetteren. En daarna, alle dieren zagen het, verscheen er een glimlach op het gezicht van grote beer. Alle dieren begonnen luid te klappen.  Op de terugweg wandelde beer in het midden van de grote groep dieren, alsof ze hem extra wilden beschermen. Hij slofte niet meer. Ze gingen rechtstreeks naar de weide voor een voetbalwedstrijdje. 11. De dag erna ging muis terug naar dokter de vos. Niet omdat ze ziek was, maar ze was nieuwsgierig.  “Wat was er nu met beer aan de hand dokter?” "Het ligt aan oktober", zei dokter de vos.  "Hoezo oktober? Daar kan je toch niet ziek van worden", zei muis.  "Toch wel", antwoordde dokter de vos. "Dieren kunnen om heel wat zaken verdriet hebben. Als ze een voetbalwedstrijd hebben verloren, of omdat ze plots aan hun overleden oma denken." "Dat klopt", zei muis. "Dat heb ik ook ooit." 12. "Dit is nog niet iets anders", ging de dokter verder. "Het is nu oktober en dus herfst. De bladeren beginnen van de bomen te vallen. Beer had verdriet omdat er weer een jaar voorbij is. Dat zag ik." "Ik had je vorige keer gevraagd om na een week opnieuw tot hier te komen, als het niet zou beteren. Omdat je me vertelde dat jullie altijd samen voetballen, vroeg ik je om stiekem alle dieren tot hier te laten komen. Beer zag nu dat hij er echt niet alleen voor staat. Je kan verdriet niet wegen, maar het is altijd te zwaar om alleen te dragen", zo eindigde de dokter. Daar moest muis even over nadenken. Daarna vertelde hij het snel aan alle dieren. Want zoals je weet kunnen dieren niet goed zwijgen.  En daarom vertellen de nieuwe dieren van het bos dit verhaal nog altijd. (einde)

Rudi Lavreysen
19 0