Lezen

Wat ik mis in de lockdown

Tijd voor een bekentenis. Ik was gisteren op zoek naar die mooie bloempot, toen ik mijn knalrode vaas terugvond. Die nam ik ooit als een soort trofee mee na een avondje stappen. De vaas is spuuglelijk, maar dat was op het moment van het ontvreemden wel het laatste van mijn gedachten. De vaas behoorde toe aan het interieur van een gloednieuw hotel. Het hotel opende net zijn deuren en dat moest natuurlijk feestelijk gevierd worden met mannen in maatpakken en vrouwen in avondjurken. Mijn lief en ik waren op wandel, op zoek naar een café in de stad dat ontdekt moest worden. Het was donker op straat, het tafereel binnen baadde in het licht. We zagen groepjes mensen in geanimeerde gesprekken, er waren bubbels (de goeie soort), er waren verfijnde hapjes op een lopende band en bovenal, er was niemand die zich bezighield met wie het hotel binnen of buiten ging. Mijn lief en ik wisselde een blik, grijnsden naar elkaar en glipten binnen. We dronken te veel en we aten om dat te compenseren. Ik bleef maar kirren hoe fantastisch ik het systeem van de lopende band vond, onderwijl het ene na het andere hapje van de band pakkend. We voerden gesprekken met wildvreemden ('hebben jullie de lopende band met hapjes al gezien?'). Sommigen fluisterden ons toe dat ze wel wisten dat wij niet uitgenodigd waren, anderen vroegen geïnteresseerd wat onze functie was (‘hij iets met sales, ik iets met HR’). Ik staakte mijn zoektocht naar mijn mooie bloempot en haalde de vaas van de plank. Ik kocht bloemen en zette ze op de tafel in de woonkamer. De vaas werd het symbool van al wat ik mis in deze tijden. Ik mis de spontane en onberekende plotwendingen van elke dag. Ik zou zowaar la casa de papel beginnen bingewatchen om toch maar verrassende, ja zelfs vergezochte plotwendingen mee te maken. Ik mis het aan de praat raken met iemand van buiten je cirkel. Onvoorspelbaarheid kan in de juiste dosis inspireren, scherp houden en energie geven. Ik zit gevangen in een keurslijf van voorspelbaarheid. Er is geen opening voor een toevallig gesprek en geen gesprek tijdens een toevallige opening. Tijdens het schikken van de bloemen in mijn rode vaas wist ik plots wat het is dat ik mis in deze lockdown: serendipiteit. En mocht u aan één bekentenis niet genoeg hebben, hier is er nog één. Ik voel me nog altijd schuldig over het ontvreemden van die vaas. Ik heb al een plan als deze lockdown voorbij is: ik breng de vaas terug naar het hotel en informeer intussen of die lopende band met hapjes nog in gebruik is.   Dochter: Ik las net in de krant dat een hotel in de stad failliet is. Check die foto. Hebben wij niet net zo’n vaas als in die lobby? Moeder: Ahja, inderdaad. Wat een toeval.

Lore Dewulf
34 1

Wanneer is dat?

We zijn het binnen zitten beu en zetten een stapje in onze kleine buitenwereld. Aan het marktplein duiken de witte wintertenten op. Ze waren bedoeld om in de barre wintermaanden nog een veilig terrasje te doen. Het lijkt alsof we over een festivalterrein lopen waar iedereen naar huis is. Een kennis in het café met de Parijse terrastafels vertelde me eind september dat ze hem aan Calais deden denken. Terwijl hij het vertelde, zag ik opnieuw de beelden van de Noord-Franse havenstad. Mensen op de vlucht die in afwachting van een kanaalovertocht in witte tenten verbleven. “Ik ben er nooit geweest”, antwoordde ik. “Alleen gepasseerd.” “Iemand koffie?” Het is onze jongste die het vraagt. Hij gaat ze samen met mijn vrouw bestellen in het koffiehuis. Ik wacht buiten, aan de overkant van de straat. Het is er druk met wachtenden. Bij het buitenkomen lijkt het alsof hij het op een dansen zet. Hij huppelt van de ene voet op de andere, terwijl het toch zijn handen zijn die het te verduren hebben met de warme koffiebekers. “Geen servetten meer”, zegt hij. Stappen met een beker koffie in je hand is niet vanzelfsprekend. Tegelijkertijd wandelen en drinken lukt niet. Ik stop om te drinken. “Hoe doen ze dat in Amerika?”, vraag ik. “Daar loopt iedereen al koffie drinkend op straat." “De Amerikanen zijn dat gewoon hè pa”, zegt hij, van zijn koffie genietend terwijl hij verder stapt. Hij is er precies mee weg. Omdat de bekers gloeiend warm blijven, wikkel ik er mijn mondmasker rond. Ook een tijdsbeeld. “Och, straks wordt het allemaal beter”, zeg ik. Meteen moet ik denken aan de vraag van onze mannen toen ze nog klein waren, als we vertelden dat we straks naar de speeltuin zouden gaan. Of frietjes eten. “Wanneer is dat? Wanneer is straks?”

Rudi Lavreysen
51 1