Lezen

verloren zon

Het was bijna middag. De maan schoof voor de zon, de wereld viel even stil. Daar lagen we, stoned, uitgeteld en wel, bijna als in een droom. Drie vrienden, hand in hand. Er viel op dit middaguur een avondlijke stilte over de wereld, onze wereld. We lagen in de woestijn. Althans in een lap grond die wij de woestijn noemden. Een onmetelijke vlakte enkel afgebakend door de fabrieken achter ons en het kanaal Gent-Terneuzen voor ons. Rechts naast ons lag de jungle. Dat wat wij de jungle noemden. Het was een lange tijd geleden gesloten dierenpark. Er waren nog dieren: apen, panters, exotische vogels. De combinatie van die woestijnvlakte en het geluid van vreemde diersoorten maakten deze plek een haast mythisch bedevaartsoord voor ons. Er passeerde een olietanker richting Rotterdam. Fré Wes En ik. De zonsverduistering als laatste wapenfeit van onze puberteit. Fré zou gaan werken, Wes zou gaan trouwen en ik wist nog van niets. Misschien was studeren wel wat. Al bekeken ze mijn plan met argusogen. ‘Toneel? Je bent toch geen homo hé?’, prevelde Wes. ‘Nee, tuurlijk niet.’‘Heb je al gepoept dan?’ Het was er een keer bijna van gekomen. Als we op zaterdag niet naar het voetbal gingen kijken dan dronken we bier in ons gezamenlijk stamcafé ‘de zwaan’. Het leuke aan dat café was dat we onze eigen muziek mochten draaien. Er was nog wel volk maar niemand die het ook maar iets interesseerde wat er door de boxen schalde. We draaiden deftones en korn op onophoudelijke repeat. Het café lag vlak bij de overzet van Langerbrugge. Aan het kanaal dus. Het water klotste nerveus tegen de kade. De knipperlichten van het veer gingen onophoudelijk op en neer. Auto’s, fietsers, een verloren gelopen wandelaar gingen af en aan. Het lawaai van afgekoppelde buizen in de graansilo’s verzorgden buiten de beat. Het waaide er altijd en het was er kil. Wij waren er én een motorbende. Ze hadden van dit café hun schuilhok gemaakt en gedoogden ons. Wij geloofden dat het omgekeerd was. Dik Luckske en Schele Mario waren de voorzitters. Dik Luckske was dik en woonde nog bij zijn moeder. Ze bleef altijd wakker tot hij thuis was en werd dan kwaad omdat hij te veel gedronken had of, nog erger, ruzie had gemaakt. Schele Mario was scheel. Hij zou zich later te pletter rijden met zijn rode Kawasaki. Naast die twee waren er nog een aantal stoere mannen waar je best geen problemen mee kon krijgen. Omdat we bijna altijd weed bijhadden kregen wij nooit problemen. Dat de vader van Wez de beste vriend van Dik Luckske was kan eveneens in ons voordeel hebben gespeeld. In het kielzog van een motorbende verschijnen ook heel wat stoere meisjes aan het firmament. Sandra was zo een meisje. Ze was knap, na een aantal glazen bier deed ze me een beetje denken aan Jennifer Aniston. Als ik haar zag werd ik behoorlijk geil. Ik wist dat ik geen schijn van kans had. Ik reed toen met een Peugeot fox. Op de keper beschouwd een stomme brommer. Maar wel eentje die hard ging. Daarenboven was er plaats achterop. Om de een of andere reden was Sandra wild van die Peugeot fox. Op een zaterdag riep ze in het café van wie die peugeot fox die buiten stond was. Ik stak mijn hand op. Ze kwam naar mij en -toegegeven het was mijn dag niet- ze zag dat ik kriek dronk. Ze bestelde er nog eentje. We dronken hem samen op. ‘Gaan we eens rijden…op uw brommer?’‘Euh…Ja…Ik heb wel maar een helm bij.’‘Je kan toch rijden?’‘Ja, ja, zeker wel.’‘Wel dan. Kom we zijn weg.’ Ze had een neuspiercing. Haar broer zag het gebeuren en kwam bijna tussenbeide, maar ik was vlugger. We glipten naar buiten. Mijn brommer stond links van het café, rechts het water. Ik vroeg haar om even naar de kade te gaan. Kwam het door het verschil in temperatuur van binnen naar buiten. Of door dat venijnige water dat maar bleef jagen. Door de felle spot misschien. Ik weet het niet. Maar plots kotste ik daar op de kade het mooiste meisje wat ik tot dan had gezien helemaal onder. Ze ging naar huis. Sissend riep ze: smeerlap. Ik zag haar broer grijnzen. Later zag ik Sandra terug. Ze was zwanger van Dino. Een jongen die export dronk. ‘Ja vorig jaar op pukkelpop’, loog ik.

Thomas De Mulder
56 1

De zakdoek

“De poten van de krukken met de rubberdoppen staken uit het achterzijraampje, en mijn vader bond er zijn zakdoek aan vast om andere chauffeurs te waarschuwen.” Ik lees deze zin in een boek en leg mijn bladwijzer op de pagina. Herkenbaarheid. Soms heb je dat. Het fragment brengt me terug naar eind september 2019. Het is nog warm. We ontruimen het appartement van ons ma, die ondertussen in het woonzorgcentrum woont. Ik verwijder de gordijnstokken van de muren terwijl de zon genadeloos op mijn hoofd brandt. De overgordijnen liggen netjes opgevouwen in een doos. We brengen de stokken en de gordijnen naar een vriendin, die er op haar beurt een nieuw Belgisch gezin mee blij maakt. De gordijnstok van het raam aan de voorzijde is zo lang als een polsstok, maar niet zo buigzaam. Daarom moet de gordijnstok door het voorzijraampje van de auto. Mijn vrouw zit aan het stuur en ik ernaast. Het zweet breekt me onmiddellijk uit. Maar mijn zakdoek heb ik – net als in het boek – aan de voorzijde van de stok geknoopt. Ik kijk even naar de doos met overgordijnen op mijn schoot, maar de blik van mijn vrouw zegt ‘niet doen’. Dan maar met mijn pols het zweet afvegen. De polsstok arriveert veilig bij het huis van onze vriendin. Ik ben blij dat ik mijn zakdoek terug heb. "Ma droeg vroeger een rode zakdoek met witte bollen op haar hoofd terwijl we de aardappelen van het veld raapten", vertel ik tijdens de terugrit. “Vader had in de zomermaanden een strooien hoed op zijn hoofd. Die zijn helemaal terug hip. Maar die rode zakdoeken zijn iets uit het verleden.” Ondertussen zijn we acht maanden verder. Het woonzorgcentrum houdt omwille van de coronacrisis de deuren gesloten. Maar goed dat we dat verleden nog hebben. En mijn zakdoek.   

Rudi Lavreysen
11 0

De coronadagboeken (deel 2)

Vrijdagavond besliste de Nationale Veiligheidsraad onze ‘lockdown light’ met twee weken te verlengen tot 19 april. En eigenlijk mogen we er al vanuit gaan dat er daarna nog eens een verlenging komt tot 3 mei. Het zijn geen leuke vooruitzichten. Toch heb ik het gevoel dat ons land de situatie vrij goed onder controle heeft, en dat stelt me gerust. De regering neemt het advies van de virologen ter harte. Het is de bedoeling om de curve om te vormen: van een korte(re), steile beklimming (geen vrijheidsbeperkende maatregelen) naar een lange, lopende col (wel vrijheidsbeperkende maatregelen). Door het virus uit te strekken in de tijd kan het personeel in de ziekenhuizen de inspanning langer volhouden. En dat is nodig om Italiaanse en Spaanse toestanden te vermijden. De beelden uit andere landen zijn vaak schrikwekkend. In Spanje voeren patiënten hun doodstrijd op de grond in de gangen van het ziekenhuis. Wreed. Soldaten vinden lijken in verlaten rusthuizen, bejaarden sterven er in alle eenzaamheid. Italië staat dan weer eenzaam aan de top in de ranglijst van het aantal coronadoden. In landen als Nederland en Groot-Brittannië zijn ze wellicht te laat in actie geschoten, de verwachting is dat ze hiervoor een hoge tol zullen moeten betalen. In de Verenigde Staten en vooral in New York loopt de situatie nu al uit de hand. Zelfs de president weet niet meer van welk hout pijlen te maken. Zal het hem zijn tweede ambtstermijn kosten? En wat met een land als Syrië, waar de ziekenhuizen door de oorlog vernietigd zijn? Op dagen als deze ben ik blij in een land te wonen met voldoende ziekenhuisbedden. Het is gelukkig niet allemaal kommer en kwel. Deze week plaatste ik een knuffelbeer voor mijn raam. Enkele uren later was het zo ver, mijn beer werd gespot door een uitbundige jongen, hij stootte zijn mama aan en wees met een brede glimlach naar boven. De glimlach van een kind is zo’n klein gelukje dat me zelf even doet glimlachen. De berenjacht heeft wel wat weg van de Pokémon-jacht, een ware hype enkele zomers terug, corona was toen nog sciencefiction. De berenjacht is democratischer en leuker dan dat Pokémongedoe waar ik niet veel van begreep, je hebt er zelfs geen smartphone voor nodig. Ik ging zelf ook op jacht, ik trok lussen door de buurt, een lus van een halfuurtje in mijn middagpauze, een nieuwe lus van een halfuurtje na het werk. Ik zag witte lakens, kindertekeningen, hartjes voor de zorg en knuffelberen in alle vormen en maten. Dinsdag ging ik naar de supermarkt. Een groot bord voor de ingang wees me erop dat ik nog altijd verplicht was mijn boodschappen in een winkelkar te verzamelen. Toen ik de kar wou nemen ontdekte ik dat ik geen kleingeld op zak had. Ik ging dus eerst naar binnen, om een briefje van tien te wisselen aan de kassa, en dan terug naar buiten om de winkelkar los te koppelen. Een vriendelijke man zag me sukkelen, hij sprak me aan en bood me een winkelwagenjeton aan. De komende weken kan ik met een gerust gemoed mijn boodschappen doen. De transactie verliep trouwens veilig, want de man droeg handschoenen om zijn handen te beschermen tegen vieze beestjes op winkelwagens. Gisteren ging ik terug, met jeton, en stonden er flessen ontsmettingsmiddel om de winkelwagens te reinigen voor gebruik. Elke dag ontdek ik iets nieuws. De hamstertijd lijkt gelukkig voorbij, geef mij maar mijmertijd, dat gaat me beter af. Elke avond om 20 uur luiden de klokken van de kerk. Het sein voor heel wat dorpsgenoten om uit hun raam te hangen of even de straat op te gaan en in hun handen te klappen. Een mooi symbool van samenhorigheid. Er zijn zoveel mensen die een applaus verdienen in deze moeilijke tijden, omdat ze zich inzetten voor anderen, omdat ze ervoor zorgen dat de economie blijft draaien, omdat ze gewoon hun werk blijven doen, ook in moeilijke omstandigheden. Een vrouw uit de buurt trakteerde ons op cupcakes, ze lachtten me toe vanuit een afgesloten bakje aan mijn voordeur. Ondertussen worden er plannen gesmeed om iets te doen voor het rusthuis wat verderop in de straat. De warmste week valt dit jaar in maart. De Olympische Spelen zijn ondertussen uitgesteld naar volgend jaar en volgens de virologen moeten we ons ook over de zomerfestivals geen illusies maken. De kans dat we een kruis mogen trekken door ons weekendje Brussel in mei, en onze reis naar Italië eind juni, neemt met de dag toe. Gelukkig kan ik nog altijd reizen in mijn hoofd, en dat is vandaag al heel wat. Meer dan ooit voed ik mijn honger naar kennis en cultuur. Ik reis door boeken, kranten en tijdschriften. Maar ik kan ook ontspannen met een puzzel die me naar het New York van voor de crisis brengt. Nu ik mijn werkplek niet meer hoef te delen, kan ik de hele dag door naar mijn favoriete muziek luisteren. Ik probeer positief te blijven, niet verder te kijken dan 19 april en te focussen op wat er echt toe doet: zorg dragen voor mezelf en voor de mensen van wie ik hou, ook al moet ik ze op afstand houden.    

Ine Moreels
21 2
Tip

Wie beweerde dat eenzaamheid bestaat?

Ze staart naar zichzelf in het smalle raampje van de treindeur. De troosteloze buitenwijk van de stad glijdt aan haar voorbij. Haar blik zoekt een andere horizon. Ze is het moe om steeds zichzelf te zien. Nu merkt ze de vrouwen op, net als haar gevangen achter glas, in neonlicht en bijna naakt. Ze vraagt zich af of ook zij soms naar zichzelf staren, en hoe zij hun eigen blik kunnen verdragen. Mocht het kunnen, dan zou zij hen dekentjes bezorgen en het leed sussen met warmte. Het station doemt op en neemt het uitzicht weg. Van zodra de deuren van de trein openen, loopt ze het perron op, naar de trap. De traphal is smal, je kan er met moeite met twee naast elkaar lopen. Overal zijn mensen. Ze geeft zich over aan iedereen om zich heen. Straks zal ze zoals immer alleen over haar stad waken. Dus nu is het moment. Nu moet ze voelen. Onder het aankondigingsbord in de stationshal dat steeds meer rode cijfers toont, zoekt ze strategisch haar plaats. Er ontstaat een kleine groep van wachtenden: zij die verlangen naar huis, en zij die niet goed weten waar ze heen moeten. Bij mensen uit deze laatste groep gaat ze dichtbij staan. Ongemerkt kan je hen benaderen, dat heeft ze ondertussen al geleerd. Voor hen ligt elke weg open en maakt het niet veel uit wie dicht in de buurt blijft, of wie hen verlaat. De geur van gebrande suiker drijft nu om haar heen en doet haar honger krijgen. Ze kijkt voorbij de geur en ziet hoe een man net voor haar komt staan, met in zijn hand een warme Luikse wafel. Ze zou zich naar voren kunnen buigen en zacht in de warme wafel bijten. Maar dat doet ze niet. Ze observeert de man, en voelt medelijden. ‘Jij zou ook liever nog elke zondag op bezoek willen gaan bij grootmoeder. Ik weet dat je haar mist’, dat zou ze willen zeggen. Ze wil dieper voelen en zich overgeven aan de man. Ze snuift opnieuw de geur op die ver tot in haar longen trekt, en duwt daarmee de weemoed weg die zich in haar borst opstapelt. En dan vervolgt de man zijn weg. ‘Nee, doe het niet’, fluistert ze onhoorbaar. Er zijn maar weinig mensen die weten waar ze naartoe moeten. Er zijn weinig mensen die hun thuis al vonden. Die man gaat niet naar huis. Hij gelooft van wel, maar zij weet beter. Ze begon ermee toen ze een jaar alleen was. De warmte in haar lijf begon steeds sneller te verdwijnen. In deze groepjes mensen kon ze het opnieuw voelen. Het was de enige manier waarop ze kon gloeien. Dus sloot ze zich aan bij elke kleine bijeenkomst in stations of op straat om iemand anders te horen ademen, om stemvibraties te onderscheiden, om alle oogkleuren te leren lezen. Ze werd iedereen en ze kon niet begrijpen dat niemand anders dit voelde. Hoe mensen elkaar kunnen zijn. Hoe warmte glijdt en zoekt naar meer. En nog. En nog meer. De dagen na de man met de suikerwafel veranderen in snel tempo. Één voor één vallen mensen weg. Elke dag bereiken minder mensen het station. De groepjes worden kleiner en plots vallen ze uit elkaar. Er sluipt een onzichtbare vijand doorheen de straten. Zij heeft hem echter in het vizier. Elke dag ontneemt hij haar meer en meer warmte. Elke dag duwt hij haar schouders een tikje dieper. Elke dag zet hij de tijd stil. Eerst was het haar nog niet opgevallen, de stilstaande tijd. Het geluid van de seconden die verstreken was nog steeds hoorbaar. Ze merkte het pas op toen ze zag dat de klok op half acht stond terwijl het bijna middag was. Dat vertelde de honger haar. En sindsdien bleef de klok dit doen. Elke ochtend, om half acht staat de wereld stil en moet zij steeds weer de nobele taak op zich nemen om de tijd op gang te duwen. De fragiele zilveren wijzers hangen stil naar beneden. Met haar wijsvinger duwt ze hen op de juiste plaats. Ze houdt telkens opnieuw haar adem in en laat de lucht weer los wanneer de wijzers zich op gang trekken. Het lukt haar tot nu toe steeds weer en heel even voelt zij zich de behoeder van de hele mensheid. Het is haar een raadsel waarom net op dat uur de tijd even geen zin meer heeft. Ze vraagt zich af of het op dat uur gebeurt. Dat mensen sterven. Dat mensen verdwijnen. Gegrepen door de onzichtbare vijand. Hij houdt zijn greep op de wereld. Ze ziet hem grijnzen, terwijl iedereen hem met man en macht bestrijdt. Toch moet ze naar buiten, elke dag, naar het park dat haar zachtjes wenkt en met de vijand in haar kielzog. Tijdens haar wandeling merkt ze hoe mensen bochten maken, opzij schuifelen, grote passen nemen, lichtjes opzij springen. De groepjes zijn verdwenen, maar in de plaats ziet zij iedereen plots dansen. De spontane choreografieën betoveren haar. Iedereen om haar heen golft, voortgestuwd door een frisse lentebries. Er vormt zich een zachte gloed, gevolgd door de warmte waar ze zo vaak naar zoekt. Getroffen blijft ze staan. Eindelijk, na die dagen waarop de tijd haar in de steek liet. Daar. Hoe verder iedereen van haar weg danst, hoe warmer zij het krijgt. Ze ziet het in angstige, maar begrijpende blikken. Wij kunnen elkaar zijn! Mensen kunnen elkaar zijn! De kleine stem juicht. We zijn elkaar, we worden elkaar. Eindelijk. Eindelijk is er hoop dat iemand haar na al die jaren voelen kan. De warmte barst uit haar voegen. 

Jolien Van de Velde
272 5