Lezen

Uiteindelijk

Rust. Ik wil even rust. Ik hoop dat schrijven me een beetje zal helpen. Met alles op een rijtje te zetten. Orde. Duidelijkheid. Geen chaos. De chaos zal verdwijnen als ik hem neerpen.  Het ging even beter. Ik voelde me wat stabieler, ik voelde me gelukkig. Ik heb alles wat ik wil, nog steeds. Het enige wat ik nog mis, is mezelf. Een zelf om op terug te vallen. Dat heb ik niet. Echt niet. Ik laat mezelf in de steek en hoe hard ik ook probeer, ik vind me niet meer terug. Ik vind die IK niet meer, waarvan ik weet dat die er zit. Er is enkel nog een WIJ die ik me eigen maak en van waaruit ik functioneer, maar ik voel dat IK dat niet ben. Ik heb me leeggegeven. Alles gedaan om mezelf te vinden, en die persoon graag te zien. Maar als ik mezelf dan eens tegenkwam, dan haatte ik dat. Ik haat de persoon die ik ben. Dat klinkt zielig maar stel het je eens voor. Zou jij een persoon graag kunnen zien die constante aandacht en controle nodig heeft, die niet meer functioneert als ze dat niet heeft en op jou rekent om haar staande te houden, en gelukkig. Niemand kan dat. Ik al zeker niet. Dus snap je nu ergens waarom ik niet snap dat Nick me wel nog graag ziet? HOE IN GODSNAAM?  Hij is de enige reden waarom ik blijf vechten. Geloof me, het voelt als een gevecht. Ik ben 20 jaar en ik ben moe. Kapot. Ik vecht om mezelf graag te leren zien en een gezonde relatie aan te kunnen gaan. Maar het is me nog steeds niet gelukt. Ik weet niet of het ooit gaat lukken. Wat ik wel weet, is dat als het niet lukt, dat ik ermee stop. Ik zie het niet zitten om een heel leven op deze rollercoaster te zitten doordat ik mijn geluk in andere mensen zoek. Andere mensen kunnen je niet altijd gelukkig maken, ze zullen je zeker ook eens teleurstellen. Daarom dat de meeste mensen bij zichzelf dat geluk vinden. Omdat ze geloven dat ze goed genoeg zijn en liefde van anderen zullen vinden en verdienen. Maar ik leef vanuit de andere, dus als die me verlaat, dan besta ik niet meer. Dan heb ik geen reden meer om te bestaan.  Ik zeg altijd tegen mezelf dat ik het positieve moet opschrijven zodat het daar zwart op wit staat en ik het wel moet zien en geloven. Mijn handen leiden me echter telkens naar het negatieve. Ik typ en de chaos stroomt eruit. Maak ik daarmee een fout? Waarschijnlijk. Maar als de chaos hier zou kunnen blijven, dan heeft het misschien wel geholpen. Ik laat hem hier. Ik laat hem achter en ik probeer rust te vinden in mezelf. Rust. Rust brengt verdriet naar boven. Ik voel het zitten, in mijn keel en achter mijn ogen. Het drukt. Wil het eruit of is het gewoon blij dat er even rust is?  Ik denk vaak dat ik mijn hoofd wel al doorheb. Dat ik snap hoe ik in elkaar zit en waar dat verdriet en die chaos vandaan komen. Maar uiteindelijk weet ik het eigenlijk niet. Want als ik het wist, zou ik het dan niet kunnen begrijpen en aanvaarden? Ik zoek er woorden voor, maar er zijn geen woorden voor. Misschien moet ik een andere taal zoeken maar ik weet niet welke. Ik wentel me in woorden maar die brengen me geen rust. Ik heb geen voeling met schilderen, beeldhouwen of iets van die soort. Ik heb nooit muziek leren spelen en denk dat ik eerst veel geduld zal moeten hebben eer ik daar een soort van taal in zou kunnen vinden. Ik zit vast. In een lichaam, met een persoon die me vreemd is. Die me telkens saboteert. Nee, ik dissocieer niet, maar ik doe zo hard mijn best om gelukkig te zijn en het lukt me maar niet. Er is iets in mij dat me niet toelaat om gelukkig te zijn. Een persoon die zoveel pijn heeft dat die wel gevoeld moet worden. Maar ik heb geen tijd en geen zin om die persoon te leren kennen en die de kans te geven om zijn plaats in te nemen. Want als ik dat doe, dan ga ik een heel zware periode tegemoet en Nick ook. En als er nu iets is dat ik niet durf, dan is het wel gewicht op Nick en onze relatie leggen. Maar zo kan het ook niet verder.  Wat moet ik doen?

Layla Clarke
10 1

Geen likes, geen leven.

Enkele zomers geleden streken wij neer in dit Land van Melk en Honing. Vogels zonder kooi. Een nest van vijf waarvan elkeen twee vrachten torste. Behalve ik. Één schouder diende om opa Anwar te stutten. En in te springen als het misliep met de plastic tassen van mijn jongere zus Sahna. Ik was veertien en een flink stuk sterker dan zij. In mijn armen en mijn hoofd. Ook al kwam ik moeilijk vooruit met de drie paar kousen en de vier t-shirts die ik over elkaar droeg om ze niet moeten mee te zeulen. Wij arriveerden juist op tijd. De dochter van onze vroegere buurvrouw ontving ons met open armen. Zij had hier de grote liefde en de lokale gewoonten ontdekt. Heerste over de nieuwe contreien en demonstreerde dat met gebak dat in de honing zwom. Een week na onze aankomst vernamen wij dat ons ouderlijk huis met de grond was gelijkgemaakt. En vonden wij hier ook de liefde. Van een compleet andere soort, maar niet minder zoet.   In het begin was het wennen. Die voorname gevels, die rechte banen. Allemaal piekfijn afgelijnd en afgeborsteld. De stilte, ook. De droom die de plaats van de nachtmerrie innam. De nieuwe taal. Klanken van een onbekende muziek. Pa had een IT-opleiding en in zijn computer-Engels zat voldoende van alles en nog wat. Ma was een schooljuf die werk vond in een kuisploeg van dames die er zozeer op los kletsten dat zij elke avond met een woordenvracht naar huis kwam, waaruit wij wel foute origines moesten ziften. En voor Sahna en mij bood de speelplaats de beste tolkopleiding. Wij papegaaiden elk gekwaak.   Sahna had geen idee wat ze later zou worden. Ik wel. Schrijver. Dat was het kordate antwoord als mij de vraag werd gesteld. Wat bij de anderen altijd voor een bezorgde blik zorgde. Schrijver? In de spiegel van hun pupillen kon ik de twijfel lezen. Och Roman jongen, laat dat maar over aan mensen van hier.   Eerst woonden wij in een huis met een vijvertje in de kelder en zwarte stippen op het slaapkamerbehang. Vlekken die uitgroeiden tot bolle bloemen met mauve randen. Gelukkig hadden wij, voor zij verwelkten, genoeg geld bijeengeschraapt om te verkassen naar een zonniger oord. Ik zelf had door het stapelen van blikjes en dozen bij de Pakistaan, voldoende om een tweedehands smartphone te kopen. En voilà, ik was zover. Hier stond ik, de aanstormende auteur met mijn eigen high tech materiaal.   Nu kon ik schrijven, maar ook herschrijven. Toevoegen. Weglaten. Copiëren en plakken. Monteren. De wereld naar mijn hand zetten. Die van vroeger, voor wij aangekomen waren. Die van nu. Die van morgen. Als een goochelaar. Een filmmaker met hoogstpersoonljke, geheimzinnige tekens. Ik bedacht vernuftige camerastanden. Lichteffecten. Imposante  ruimten.  Waarin ik mij kon nestelen en aan de anderen onderdak verschaffen. Ik tikte op mijn nieuwe speeltje van bij het ontbijt tot na de laatste hap. Soms de hele nacht door. Gelukkig met het lot dat mij naar hier had gevoerd. De plaats waar ik de aardbol in mijn grip kreeg met mijn smartphone. En te ademen in de cloud.   En dit was nog maar het begin. Ik keek uit naar de dag waarop ik mijn lezers vol verstomming zou slaan. Met mijn durf. Mijn aanpak. Mijn vernieuwing. Het bestaan werd gedicteerd met de hulp van mijn slimme foon. Ik mocht niet langer twijfelen. Mijzelf niet in vraag stellen. Integendeel. Ik moest er helemaal voor gaan, mezelf tonen, mijn kunstjes laten zien. Alleen de digitale doorzetter wint.   Mijn zakcomputer toonde mij de afrekening. Snel en zonder pardon. De toekomst lag niet in mijn handen, maar in die van de anderen. Geen likes, geen leven.   Ik moest goed uitkijken. Straks werden de muren van mijn nieuwe broedplaats ook nog neergehaald.

Dorlan Slefficsroth
15 0

Wachten op regen

De drie meisjes lagen naast elkaar te zweten. Er waren twee bedden tegen elkaar geschoven, de matrassen er dwars overheen gelegd, zodat ze er met zijn drieën in pasten. Het was een broeiendhete julinacht. In de verte rommelde al lange tijd de donder en de lucht leek wel als warme watten in hun kelen te dringen. De meisjes - twee zusters en een nichtje - konden de slaap niet vatten. Eerst hadden ze liggen giechelen en babbelen, stonden om beurten op voor nog een glas water en deden het raam steeds weer open en dicht. Wanneer het open stond, moesten ze het laken over zich heen trekken om de nijdig zoemende muggen van zich af te houden. Wanneer ze het raam sloten, leek de lucht in de kamer zo plakkerig en heet te worden, dat ze geen woord meer konden uitbrengen. Het nichtje An, de jongste van de drie, moest in het midden liggen. De zusters Hilde en Katrien lagen op het uiterste randje van de matrassen, angstvallig vermijdend dat hun zweterige lichamen elkaar zouden raken. Weer rommelde de donder, weer werd het raam geopend in de hoop op een zuchtje wind. "Doen we het licht aan en meppen we wat muggen dood?" vroeg Hilde, het jongste zusje.  "Neuh er komen toch weer nieuwe bij," zuchttte Katrien en veegde met haar katoenen lijfje haar gezicht af.  An zei niets, ze kon wel huilen. Waarom hadden haar oom en tante geen logeerbed? Waarom moest je helemaal naar beneden wanneer je naar de WC ging en waarom moest iedereen door hun kamer om naar de badkamer te gaan? Er waren nog twee neven die gelukkig een aparte kamer haden. Ze gluurden altijd naar haar en de oudste raakte eens, zogezegd per ongeluk haar borst aan. Haar broers begonnen ook al zo raar te doen, want hoewel ze pas tien was, kreeg ze al borstjes en groeiden er fijne haartjes in haar oksels en tussen haar benen. Het zweet liep in straaltjes van haar voorhoofd in haar oren. Geen van de drie kon het nog opbrengen iets te zeggen.  Plots werd de kamer hel verlicht alsof iemand een grote spot op hen had gericht. De meisjes sprongen op en keken naar buiten. Een plotselinge windvlaag deed hun lange, plakkerige haren bewegen, als drie jonge medusa's, wachtend op een slachtoffer om te verstenen. Toen barstte de hel los. Een krakende donderslag gaf het startschot, het leek wel of er een fluisterende menigte kwam aangesneld. Er vielen warme, dikke druppels op het platdak naast hun kamer.  "Vlug, naar buiten!" riep Katrien," we doen de regendans!" De meisjes kropen op blote voeten door het houten raam en draaiden verrukt rond in de stromende regen, die snel afkoelde en hun verhitte lijven deed dampen. Ze leken heidense schepsels, lachend met hun mond wijdopen om zo veel mogelijk regen op te vangen. De bliksem verlichtte hun verrukte gezichten en hun katoen hemdjes die tegen hun dansende benen plakten.  Toen ging het licht in hun kamer aan. " Katrien, Hilde, An, zijn jullie gek geworden? Maak dat je binnen komt, straks zien de buren jullie!  " Kom erbij mama," riep Katrien, "het is zalig!" Even leek haar moeder met het idee te spelen. Ze snakte ook wel naar wat verfrissing. Maar dan dacht ze aan haar man, die haar gestuurd had om de meisjes binnen te roepen, omdat hij vond dat het niet hoorde. Ze zuchtte. "Kom nu binnen, het is genoeg geweest."   Herinnering aan thuis in de zomer van 1976  

gabrielle
12 3

zoete wraak

Daniel keert de gevulde vleestomaten met hun onderkant naar boven. Hij neemt een pollepel saus en laat die langzaam leeglopen. Rood kleurt groen, de keuken vult zich met een aroma van look en koriander. Nadien legt hij op elke tomaat een stukje kruidenboter en een opgerolde ansjovis.“Wow, het zijn precies echte!” zegt Vero. “Cup C, schat ik?”  “Hier gaan we weer,” bromt Daniel. Neemt een handvol peterselie en strooit die met een wijds gebaar over de schotel.  “Lachen, Daniel!”, roept Emma. “Of is het weer kortelontjesalarm?”Vero komt dichter bij Daniel staan, haar borsten tegen zijn rug. Ze knijpt hard in zijn bil. “Ja, vertel eens... hoe kort is je lontje eigenlijk?”Bliksemsnel draait Daniel zich om en tikt met een vinger op haar wang. "Blijf-van-me-af!""Nu hang ik helemaal vol peterselie," pruilt Vero."Eigen schuld," antwoordt Daniel en buigt zich terug over de tomaten. Hij vindt Vero best aantrekkelijk, al vanaf de eerste blik. Toen ze pas in De Lantaarn werkte, genoot hij van hun subtiele flirtjes, onopvallend in de hectiek tussen de kookpotten. Soms gingen ze samen iets drinken. Tot Vero hem begon te bepotelen. In het begin nog luchtig, als een spel. Maar dan werd het steeds ranziger. Wars van alle signalen die Daniel gaf, bleef ze rond hem draaien als een krolse kattin. Enkele keren heeft hij op het punt gestaan om Karel, de eigenaar, in te lichten.  Niet als zaakvoerder maar als vriend. Zijn beste vriend.  De wrange opmerkingen die Karels vrouw over Vero maakte, hielden hem tegen. Hij vermoedde dat er ooit een affaire was, al had Karel er met geen woord over gerept. Als hij op een dag het restaurant binnenkomt, vindt hij een hem onbekende vrouw achter de bar. Ze is rond de veertig, halflang bruin haar, tenger, reeënogen. “Ik ben Ingrid,” zegt ze en steekt haar hand uit. De handdruk is forser dan Daniel verwachtte.“Daniel,” antwoordt hij. “Mag ik vragen wat je hier doet?”“Stagedagje. Om te zien of het werk me bevalt. En of jullie me willen.” Lichtjes glanzen in Ingrids ogen.  Daniel knikt, en gaat naar de keuken. “Waarom weet ik hier niets van?” vraagt hij als Vero binnenkomt. Hij wijst naar de bar.“Niet goed? Ik dacht nochtans dat dat magere brunetje je wel zou bevallen? Op blond en mollig val je niet, dus…”“Ik wil weten wat er hier gebeurt, dat is alles. Als aandeelhouder heb ik…”“Het is zo he?,” onderbreekt Vero hem. ”Ze bevalt je!” Luidop lachend stapt ze verder. “Hoe heeft ze dat zo snel gezien?” denkt Daniel.  Een maand later staat bij aan de kassa van een Aziatische supermarkt.  Twee ijskoude handen leggen zich op zijn ogen... Hij neemt ze vast en draait zich om.  Kijkt recht in de twinkelende irissen van Ingrid. Zijn hart maakt een sprongetje. “Wat een toeval, he,” roept ze. “Ik wist niet dat je hier kwam?”“Zelden,” antwoordt Daniel. ”En jij?” “Ik kom hier vaak. Een  dagschotel halen… woon 100 meter verderop. Mag ik mijn handen terug?” ""Sorry," antwoordt Daniel en lost zijn greep. Hij voelt zijn nek nat worden. Ze monstert zijn winkelkarretje. “Wow, allemaal vers. Dat jij nog zin hebt om te koken? Ik dacht dat je gewoon wat meenam uit De Lantaarn…”“Verkeerde gok! Ik ben op mijn vrije dagen wel eens toe aan iets anders.” “Ik bedoel, als single….”  “Ik zie er dus uit als een eenzame single?” Daniel werpt Ingrid een gespeeld boze blik toe. Ze lacht. “Weet je… ik word al moe als ik aan koken denk… Soit. Geniet jij maar van jouw, of jullie, Aziatisch avondje dan.” “Het is ‘jouw’,” antwoordt Daniel. “Tot morgen!” Hij drukt een vluchtige kus op haar wang. Als hij zijn boodschappen op de band wil leggen, houdt Ingrid hem tegen. “Geen zin om samen Chinees te gaan eten?”“Oh…,” zegt Daniel. “Euh… Wel… Ik... Euh...” Ingrid gniffelt. “Hm… dat klinkt pas enthousiast zeg… “ Een half uur later zitten ze in "De Lange Muur", een restaurant aan de kade.  Voor hen staat een gigantische Chinese rijsttafel. Nu Ingrid zo tastbaar tegenover hem zit, krijgt Daniel met moeite iets door zijn keel.“Dat was heerlijk, voor mij toch,” verklaart Ingrid als de kelner komt afruimen. Die buigt dankbaar.Daniel slikt. “Ik vond het ook lekker.”“Eet jij altijd zo weinig dan? Of komt dat door mij?”“Nee, natuurlijk niet door jou.  Waar haal je dat nu vandaan." Hij kijkt naar buiten, over het water. "Zeker geen zin in een kleine havenwandeling?”“Oh... wat een puppyblik. Maar hm… nee. Het is me te kil…”“En als ik ervoor zorg dat je warm blijft?”“Hoe ga je dat doen?” Hij legt zijn hand op haar arm. “Wat denk je?”Ingrid draait zich naar hem toe. Ze kijken elkaar lang in de ogen. Wanneer Daniel de volgende dag wakker wordt, ligt Ingrids hoofd tegen zijn schouder. Ze slaapt nog, zijn pyjamavest om haar smalle schouders.  Lang houdt hij haar vast met zijn blik. Het is voor hem bijna onvatbaar dat ze zo dicht bij hem is. Als hij voorzichtig probeert op te staan, slaat Ingrid haar ogen open en zet zich in één ruk recht.  “Waar ben ik? Oh, Daniel, ja... Heb ik veel gedronken gisteren? Hebben we....?”“Een halve fles rode wijn bij de Chinees. En dan die fles Champagne in de haven…. Is dat veel? En nee… we hebben gewoon geslapen.”“Ja, voor mij is dat veel... Heb je koffie?” “Natuurlijk. Nog iets? Melk? Suiker? Koekjes?”“Alle drie.” Ingrid rekt zich uit. Daniel wrijft zacht over haar schouder en staat op.  Zet de koffiemachine aan en kijkt naar de klok. Het is middag. “Binnen vier uur moet ik in De Lantaarn zijn,” zegt hij als hij terug de slaapkamer binnenkomt. Hij reikt Ingrid een gouden plateautje aan met een kop koffie en wat zelfgebakken koekjes.  “Dankjewel! Ik ook… en mijn auto staat nog aan de supermarkt…” antwoordt Ingrid.“Er is hier een bus om de hoek. Dat haal je makkelijk, de bus rijdt elk half uur.”“Bus? Kan ik niet gewoon met je meerijden?”“Meerijden? Hoezo?”Ingrid neemt haar kopje in beide handen en spiegelt zich in de koffie.  “Hm mijn mensenkennis is blijkbaar toch minder dan ik dacht…”“Iedereen hoeft toch niet meteen te weten dat we wat closer zijn? Ik wil geen verkeerde indruk wekken...”“Verkeerde indruk? We hebben bij elkaar geslapen. So what? We zijn meerderjarig.”“Ik wil niet dat Vero denkt dat wij…”“Wat mag Vero niet denken?”Daniel kucht. "Ik weet niet goed hoe ik het moet uitleggen." “Vero is een speciaal geval. Dat weet ik. Ik ken haar al heel lang.”“Je kent Vero al lang?” Onthutst kijkt Daniel Ingrid aan. “Ja, sinds de hotelschool.”“Zijn jullie vriendinnen?”  “Niet echt. We waren ooit zelfs vijanden. Toen ik haar vriendje inpikte op school, John. Ze kon mijn ogen wel uitkrabben. Maar tijd heelt alle wonden... we kunnen er goed om lachen nu.”“En wat is er gebeurd met die John?”“We zijn getrouwd. Intussen weer gescheiden…. Vero heb ik al die jaren niet gezien. Tot ik haar herkende… ook in een supermarkt. Grappig he. Babbel gedaan. En ze vertelde me waar ze werkte en dat daar een vacature was. De rest weet je.”Ingrid neemt het koekje en bijt erin. "Hmmmm, heerlijk!"“Zei ze al eens iets over mij?” “Goh, Daniel, zo belangrijk is dat allemaal toch niet?”“Ik vind van wel.”“Ja... eerder toevallig. Ze vroeg naar John. Toen, in die supermarkt. Ik schrok van die vraag moet ik zeggen. Na vijftien jaar... Was eigenlijk opgelucht dat ik kon meedelen dat we niet meer samen zijn. En dan hadden we het over singles. Omdat iedereen in De Lantaarn single is. Behalve Karel dan… Ze vertelde me dat er een knappe kok werkte. Die goed bij me zou passen.  Ik vond dat supergrappig. Maar voor alle duidelijkheid: ik ben niet omwille van jou bij De Lantaarn gaan werken.” “Vero, dat serpent.” “Jij ziet spoken, Daniel.” “Ik wil gewoon niet dat ze weet dat wij..."Ingrid neemt nog een koekje. “Wel, om eerlijk te zijn… ze weet het eigenlijk al.”“Wablief?” kirt Daniel. Zijn stem slaat over. “Rustig! Gewoon, chat. Ik heb haar gevraagd of ze kon raden met wie ik op restaurant zat. Toen jij onze jassen ging halen. En zij heeft het geraden. That's all.”“Jij chat met Vero?”“Ja, soms.”“Wat weet ze nog?”Ingrid staat op, en kleed zich aan. “Ik ben weg,” zegt ze . “Dit gesprek is te gek voor woorden. Ik begin te snappen waarom jij nog single bent". “Komaan, Ingrid... Ik wil weten wat je tegen Vero gezegd hebt. Het is mijn chef."“Alsof het daarom draait. Hoe onnozel denk je dat ik ben? Wees gerust... ik snap het heel goed, Daniel. De voordeur vind ik zelf wel trouwens.” Als Ingrid buiten is, gaat Daniel terug in bed liggen en kijkt naar het plafond. “Idioot!” sist hij. “Je bent een idioot, man!”. Dan springt hij recht, kleed zich aan en rijdt naar De Lantaarn.  Hij belt aan bij Karel. “Daniel?” zegt die. “Hoe zie je eruit, jong? Kom binnen…”“Geef me iets sterks, Karel. Cognac of zo.”“Oké, het komt eraan. Ga naar mijn bureau boven. Patricia’s ouders zijn op bezoek.”Een uur later is het Karel die naar het plafond staart, uitgestrekt op een zetel. “Ik geloof het niet, Daniel. Ik-geloof-het-niet….”“Het is de waarheid, Karel. Het spijt me. Ik kan niet meer. Het is zij of ik.”“Kiezen tussen de vrouw van mijn leven en mijn beste vriend. Je maakt het me moeilijk.”“Ik wil dit niet meer, punt. Als jij geen knopen doorhakt, doe ik het.”“Dat is chantage, jong, chantage. Wat een rotstreek!”“Ik hoor het wel,” zegt Daniel. Hij staat op en gaat naar beneden. In de gang ziet hij Patricia en haar ouders. Zonder te kijken loopt hij hen voorbij. De verwonderde blik van Patricia ontgaat hem echter niet. Als Daniel in de keuken komt stelt hij vast dat de hulpkoks alles al hebben klaar gezet. Stilaan voelt hij zich ontspannen, al blijft er een beklemming in de hartstreek. Hij doet zijn schort aan, en grijpt een grote zeef met fijngesneden aardbeien. Neemt een koperen steelpan, giet er suiker in en laat die kristalliseren. Voorzichtig schudt hij de aardbeien erbij.  “Alles in orde, chef?” vraagt Emma."Jullie zijn bijous," antwoordt Karel. Op dat moment komt Vero de keuken binnen  Ze gaat naast hem staan; slaat een hand om zijn heup en knijpt enkele keren. “Hmmmm... zo'n zacht stukje man. Was het lekker gisteren?” Daniel tilt de pan met de aardbeien opzij. Neemt een grote kookpot, zet die op het vuur en gooit er een homp boter in. “Als je het eten bij de Chinees bedoelt… ja. De rest gaat je niks aan.”“Er was dus een rest?” “Goed dan.” Daniel dooft het vuur en kijkt naar Vero, zijn armen gekruist voor de borst. “De rest was nog lekkerder.”“Hoor eens aan,” zegt Vero. Haar stem klinkt traag en nadrukkelijk. Ze bijt op haar onderlip. "Dus ik had gelijk... Je valt op haar. Op die bonenstaak. Je weet niet wat je mist." “Aan Karel te zien… niet zoveel.”“Karel? Heeft hij zijn bek open gedaan? Och… zielig. Hij houdt van mij. Wat is daar mis mee?”“Dat hij getrouwd is met Patricia, misschien?”“Permiteer me dat ik hierop niet inga.””Bon, de teerling is voor mij toch al geworpen. Ik ga weg. Karel is op de hoogte.”“Hoezo jij gaat weg?” Vero zet een stap achteruit. Ze spitst haar lippen. “Als jij weg gaat, zij ook. Besef je dat?” zegt ze. Haar mond toont iets tussen een kramp en een glimlach.  Op dat moment komt Patricia binnen. “Wat is dat hier? We hebben zeventig reservaties vanavond en jullie staan gewoon te kletsen? Goed dat Emma me kwam halen. Aan de potten, voordat mijn ketel overkookt! Kom je even mee, Vero?”“Meekomen? Waarom? Zeg maar hier wat je te zeggen hebt. Ik heb geen geheimen.”“Ben je zeker?" vraagt Patricia. Vero knikt."Goed dan. We hebben besloten je te ontslaan. Je hebt een uur om op te rotten.”Er klinkt een harde lach. “Wij? Och och och. En ik moet dat geloven? No way! Waar is Karel? Als ik het tegen hem zeg, vraag hij de scheiding aan!”“Denk je dat?” Patricia kijkt Vero recht in de ogen.  “Schat, er is iets wat je moet weten.  Daniel heeft een derde van het restaurant in handen. En ik de rest. Zonder mij is Karel niets met zijn bakstenen. Waarom denk je dat hij zich door mij laat behandelen als een hond?”“Je kan dat niet doen, Patricia.” Vero is krijtwit. “En of ik dat kan. Morgen stuur ik je ontslagbrief. En jij, Daniel, bent vanaf nu waarnemend chef de cuisine.”“Dus jij gelooft zomaar wat een hulpkokje je wijs maakt?" roept Vero. Ik wil naar Karel, zeg ik”.“En ik wil dat je ophoepelt,” antwoordt Patricia rustig. “Je mag Karel gerust meenemen.”Met forse stappen gaat Vero haar mantel halen. “Jou spreek ik nog,” bijt ze in het passeren Ingrid toe. Dan trekt ze de restaurantdeur met een smak dicht. Langzaam wandelt Patricia naar de deur en doet ze op slot. Terug in de keuken, gaat ze naast Daniel staan.  “Luister eens… er is natuurlijk geen sprake van dat jij hier weggaat.”Daniel zet het vuur terug aan en gooit een stapel paddenstoelen in de pot. “Ik weet het nog niet, Patricia. Er is zoveel gebeurd. En ik heb een heel goede aanbieding. Een nieuw dagrestaurant. Geen nachtwerk meer. Zou leuk zijn, ook voor Ingrid.”“Hoezo leuk voor Ingrid?”“Ik neem haar mee. Als ze nog wil…”Hij ziet er rustig uit maar zijn hart raast. Honderd gedachten gaan door zijn hoofd. Nog enkele uren voordien had hij de wens uitgesproken dat Vero zou ontslagen worden. Nu ze weg is, lijkt de keuken leeg. “Meen je dat nu? Jij met dat wicht? Dat is toch niks voor jou?” “Ruik eens… wilde paddenstoelen in boter. Iets heerlijkers bestaat er niet. Bijna te zonde voor soep… ”“Geef mij die glacé des fraises maar. Net wat geproefd. Heerlijk!” antwoordt Patricia glimlachend. “Het zal de laatste keer zijn dit jaar. De aardbeien zijn over hun seizoen heen. Maar dit champignonsoepje wordt goddelijk. Ik ben nog aan goede peterselie geraakt… ”“En jij, ben jij ook over je seizoen heen?”Daniel kijkt Patricia zijdelings aan. “Wat bedoel je daar nu mee?” Patricia stapt naar hem toe, gaat pal achter hem staan en knijpt in zijn bil. “Die geglaceerde fraisjes… kom je me straks een kommetje brengen?”      

patrice
15 0