Lezen

La Boca,

Op de hoek van een straat laat de muziek al flirtend een koppel , als een passionele wervelwind, circuleren in de ruimte. Uit hun sensuele bewegingen van aantrekken en afstoten straalt er een zekere poëzie uit. De bandoneón ondersteunt melancholisch de zwaarte en tragiek in hun dans. De gezichten staan strak en geconcentreerd met de benen in dialoog. Ik wandel verder en laat mij door gelach en muziek op de tonen van de tango verder meeslepen in een euforische stemming. Achter golfplaten van de "conventillos"  worden sores en armoede omgetoverd tot felle kleuren. Rood, geel en blauw overheersen. Zij zorgen voor een vrolijke en speelse sfeer. Als een geest dwaalt "El Dios" door de caminitos.  Hij sleept je mee naar een snoepachtig gebouw, "La Bombonera". Tienduizenden doldwaze fans zorgen voor een angstaanjagende sfeer. De geest van Diego Maradona was nooit ver weg in La Bombonera. Aangetrokken door de geur van een “parrilla” begeef ik mij naar El Caminito. Locals afgebeeld als karikaturale grote poppen, van papier-maché,  leunend over smeedijzeren balkons verwelkomen mij alsof ik een lokale held ben.  Er heerst een kosmopolitische sfeer, een gevolg van de multiculturele explosie in de 19de eeuw. Stilletjes mijmerend kan ik me niet ontdoen van de gedachte  dat het grootste symbool van de Argentijnse cultuur en karakter hier in La Boca is ontstaan. La Boca is de adem van de Tango. Tout court,  La Boca is Argentinië, waar het Argentijnse voetbal en de tango is ontstaan. Nu zak ik af naar een cantina waar ik een stuk Argentijnse pizza  bestel met een "Moscato" en "Faina".  Een gewoonte die van oudsher  hier bestaat. Omgeven door een warme menigte, de geur van eten en tango geniet ik van mijn uitstap in La Boca.            

Guy Van Damme
19 1

Een ringetje

Dat Martine bij haar oude moeder terecht kon nadat Erik haar het huis uitzette, kwam de familie goed uit. Zo was er steeds iemand in huis om het negenentachtig jaar oude mensje te verzorgen en moesten ze geen geld spenderen aan bejaardenhulp.   “Als ik kost en inwoon kan krijgen,” zei ze op de familievergadering, “dan betekent dat heel veel voor mij. Ik heb geen nagel om aan mijn gat te krabben.”  In haar herinneringen zag ze hoe haar moeder vijftig jaar geleden in de woonkamer stond. Ze droeg een blauwe bloemenjurk en had krullen in het haar. Haar zes jaar oude ogen staarden als een ekster naar het ringetje met een briljant en naar het bijpassende dunne gouden kettinkje met ovalen hangertje. De randen van dat hangertje waren bezet met diamantjes en ook in het midden blonk een diamantje. Concentrisch rond dat middelste steentje waaierde een reliëf van slanke jugendstil blaadjes uit. De oorbellen hadden een grote blauwe saffier in het midden.  Op het zolderkamertje van Armand, haar enige broer en kakkenestje, had ze nog niet gezocht naar de juwelen of naar iets anders van waarde dat haar financiële nood kon ledigen.   Bij het openen van het zolderluik voelde ze hoe het stof in haar kapsel terecht kwam. Met een bezemsteel haalde ze de spinnenwebben uit de opening. Het houten schuiftrapje kraakte. Eenmaal boven zag ze hoe het licht door een klein raampje aan de westkant naar binnen viel. In de rest van het zoldertje hingen halfduistere schaduwen over het eenvoudige door haar vader gemaakte bed en de gebricoleerde kastjes. Links van haar was het donker. De zwarte bolvormige lichtknop deed gelukkig de gloeilamp nog wakkelend branden. De kamer was nog kleiner dan ze had gedacht en ze kon er maar net rechtstaan. Een balk van het dakgebinte liep van links naar rechts over de hele lengte van de kamer. De doffe en tegelijk scherpe geur van het stof drong diep door tot in haar sinussen. De houten platen van het plafond waren rechtstreeks tegen de panlatten geklopt. ’s Winters was het hier ijskoud en ’s zomers niet te harden. Tegen het raampje stond een bureautje naast het voeteinde van het bed. Er hingen nog kleren in de kleerkast, het bed was niet opgemaakt, een zelfbouwdoos voor een vliegtuig lag op het bureaublad, het vliegtuig zelf half afgewerkt, tijdschriften op de grond en een poster van een vogel in volle vlucht boven het bed. De rechterbovenhoek van de poster was losgekomen en krulde naar beneden. De lucht was hier zo verzadigd van stof dat ze voelde hoe er een laagje op haar armen, kleren en op haar gezicht kwam te liggen. Ze onderdrukte de neiging om zo snel mogelijk uit dit vuile nest te verdwijnen, maar toch keek ze onder de kromgetrokken matras, tussen de boekjes op het rekje en in de kleerkast. De schuifjes van het bureautje klemden zo hard dat ze dacht dat er ergens een slot op moest zitten. Het onderste schuifje gaf als eerste mee. Daar vond ze tussen de dode insecten een pin-upkalender. In het middelste schuifje vond ze Playboys. De recentste was van 2002, een jaar voor haar vader aan longkanker overleed. Om het bovenste schuifje los te krijgen moest ze wrikken en schudden. Net toen plofte de lamp.     ***    Martine overschouwde de enveloppen met geld op Armands bed. Sinds het tellen van de briefjes trilden haar handen als espenbladen in de wind. Alles samen was het vierhonderdduizend Belgische frank. Ze had nog nooit zo veel geld bij elkaar gezien.  “Het is te veel om zo te wisselen,” zei de bankbediende aan de telefoon, “waarom kom je deze namiddag niet langs? Dan kijken we samen wat we met het geld kunnen doen. Past vier uur voor jou?”  Martine hield haar adem eventjes vast, blies hem daarna in een langzame zucht en met bolle wangen uit haar longen. Ze keek op haar horloge. Drie uur. Door het raam zag ze een grijze duif door een bewolkte hemel vliegen.      Ze riep naar beneden.   “Moeder!”  En nog eens:  “Moeder!”  “Ja.”  “Alles in orde?”  “Ja-a.”  “Heb je nog iets nodig, ofzo?”  “Nee. Alles goed hier.”  “Heb je je mineralendrankje opgedronken?”  “Wat heb ik gedronken?”  “Dat drankje van de dokter tegen de diarree.”  “Bijna op. Nog een kletske.”  “Opdrinken, eh. Dat moet van de dokter.”  “Ja-a. Het moet toch niet allemaal in één keer. Ik drink het wel op.”  “Oké, goed. Zolang je het maar opdrinkt. Ik ga me omkleden en dan kom ik. Het duurt niet lang.”  Martine opende de enveloppen nog eens, alsof ze wilde controleren of het geld in tussentijd niet verdwenen was. Ze ritselde met haar wijsvinger over de randen van de briefjes. Ze rook eraan.   Twee weken voor Erik haar de deur gewezen had, had ze dit kakigroene kleedje ook aangehad. Ze had het pas gekocht en zichzelf bediend van een parelketting, bijpassende oorbelletjes, ring en armbandje. Ze waren samen in de MangerManger uit gaan eten. Hij had haar complimentjes gegeven.  Een week daarna, toen duidelijk werd hoe duur het jurkje en de juwelen waren en van welk geld ze alles had gekocht, was ze haar krediet kwijt. Het was de druppel, had Erik gezegd en hij dreigde ermee de juwelen en het kleedje terug naar de winkel te brengen. Uiteindelijk had ze alles mogen houden en was zij terug naar haar moeder. Alsof zij ook te duur van deze winkel was gekocht.   Het kon haar niet meer schelen. Dat kakikleurige kleedje en die paarlen ketting met bijbehorende oorbelletjes, ring en armbandje waren niet bedoeld om in de kast te hangen. Vandaag wou ze in stijl naar de bank. Tijdens het schminken, kreeg ze haar trillende vingers niet onder controle. Beneden hoorde ze iets vallen.   “Moeder?! Moeder?!”  Er kwam geen antwoord. Ze stommelde de trap af om te kijken.  Haar moeder lag in haar zetel en sliep. De tv stond aan en het Duits van ‘Sturm der Liebe’ verstomde elk mogelijk ander geluid in de woonkamer. Martine nam de afstandsbediening van de vloer en zette het geluid zachter. Ze dronk twee portootjes kort na elkaar, spoelde het glas uit en zette het daarna weer bij de schone glazen in de barkast. Boven merkte ze weinig verschil bij het schminken. Aan de linkerkant van haar bovenlip was ze een beetje uitgeschoten met haar lippenstift en bij haar linkeroog was het lijntje gehakkeld. Het moest maar zo. Ze koos haar bruinlederen handtas en stak de enveloppen er rechtop in. Het was tijd om te vertrekken.   Beneden merkte ze onmiddellijk de zure geur van ontlasting. Het was niet waar, dacht ze, niet nu. Potverdikke.   “Moeder, heb jij een vuile pamper? Moeder, moeder! Word eens wakker. Moeder, hoe is dat mogelijk! Je bent in slaap gevallen en je pamper zit vol. Vooruit, dit moeten we eerst opkuisen.”  Tijdens het verversen vielen twee enveloppen uit haar handtas. Met vuile vingers raapte ze die op, stak ze terug in de handtas en gooide die in een hoek. Het beeldje dat nonkel pater uit de tropen had meegebracht en dat in die hoek stond, wankelde, maar viel niet.   Een half uur later zat haar moeder proper in haar zetel. Zij veegde eerst nog met een schotelvod een vlek van haar jurk en ging toen aan de keukentafel zitten. Ze had geen zin meer om naar de bank te gaan en keek met een half oog naar de opengeslagen krant.  “Sorry, liefje,” zei haar moeder.   “Maar moeder, daar kan jij toch niks aan doen. Het is niet prettig, maar je kan er niets aan doen.”  “Sorry.”  “Ik weet het moeder. Stop maar met sorry zeggen, het is nu zo. De dokter komt morgen nog eens langs.”  “Weet je wat, Martine.”  “Wat is er moeder?”  “Ik heb nog iets voor jou. Ga eens boven in de commode kijken. De onderste lade. Daar ligt een zijden zakje. Ga dat halen. Wat daar inzit is voor jou.”  “Moet dat echt nu, moeder? Dat hoeft toch niet.”  “Ik sta erop.”  “Weet je wat? Ik zal het gaan halen en dan zien we wel.”  Martine blies de lucht weer met bolle wangen uit haar longen. Haar voeten sleepten over de vloer en over de treden van de trap. Ze vond het paarse zijden zakje in haar moeders commode, zoals ze gezegd had. Het was met een zilverkleurig lintje dichtgeknoopt .  “Hier is het,” zei Martine.  “Kom eens, meisje.”  “Moeder, allé.”  “Nee, nee, kom hier. Vooruit. Geef je hand.”  Haar moeder opende het zakje en de erfjuwelen die ze eruit haalde, glommen in het oranjegele licht van de staande lamp. Haar moeder schoof de ring over Martines vinger. Daarna hing ze het hangertje om haar nek. Martine moest daarvoor zo ver vooroverbuigen dat ze bijna op de schoot van haar moeder viel.  “Voor jou. Ze zijn voor jou. Jij verdient dat.”  Haar moeder snoot haar neus en veegde met de zakdoek haar ogen droog.  Martine verving haar eigen oorbellen en deed de paarlen ketting uit. De rest van de namiddag en de avond hield ze haar moeders juwelen aan. Pas vlak voor ze ging slapen, legde ze het paarse zakje weer op zijn plaats.     ***    Drie weken later lag haar moeder in een ziekenhuisbed. De bacterie die haar diarree veroorzaakte, bleek tegen elke vorm van antibiotica opgewassen. Een infuus zorgde voor vocht in haar aderen. In bed nam ze niet de helft van de plaats in die ze normaal gezien innam. Martine was in die laatste weken amper van haar moeders zijde geweken en had geen tijd genomen om naar de bank te gaan. De enveloppen lagen weer op hun oorspronkelijke plaats.  Haar moeder wilde iets zeggen, maar haar stem was te zwak om boven het geluid van de tv uit te komen. “Wacht even, moeder. Ik zet eerst de tv af. Zo kan ik je niet verstaan.”  Martine zette de tv af en legde de afstandsbediening op het ongebruikte eetplankje. Daar donderde hij meteen af. Martine moest op haar knieën onder het bed om eraan te kunnen. Ze stootte haar rug tegen de rand.  “Wat is dat hier allemaal,” riep een verpleegster. “Is alles nog in orde?”  “Het tv-kastje was gevallen.”  “O, als het dat maar is. Ik kom eens kijken hoe het zit. Mag ik even onder de lakens?”  De verpleegster wachtte niet op een antwoord en sloeg de lakens achteruit. Kordaat ververste ze haar moeders pamper die alleen nog maar wat vochtig slijm bevatte. Toen ze klaar was, stopte ze haar moeder onder en trok de lakens strak.  “Heb je het niet te koud? Zal ik er een extra dekentje opleggen?”  Weer wachtte ze niet op een antwoord en ze dook de kast in waar ze een dun dekentje uithaalde. Met een zwier legde ze het in één beweging losjes over haar moeder.  “Dank u, dank u,” mompelde haar moeder.  De verpleegster keek Martine aan en wenkte haar met het hoofd. Op de gang fluisterde ze plots.  “Ik heb er geen goed oog in,” zei ze. “Jouw mama is erg zwak geworden.”  Martine zweeg en keek naar de grond.  “Ik vrees dat het tijd is om afscheid te nemen.”  Ook de verpleegster zweeg nu en keek Martine van top tot teen aan.  “Ik zeg het maar.”  “Nee, nee, dank u verpleegster. Misschien moet ik inderdaad de rest van de familie bellen.”  Martine nam haar telefoon en belde eerst naar haar oudste zus. Daarna contacteerde ze de rest van de zussen en uiteindelijk Armand. Ze spraken af om de volgende dag naar het ziekenhuis te komen. Alleen Armand kon niet, die kwam dezelfde avond nog.  Toen Martine terug de ziekenhuiskamer in ging, lag haar moeder te slapen. Met open mond. Haar adem schuurde tegen haar huig en haar armen lagen bleek bovenop de lakens.  Armand kwam een half uurtje later aan en trof zijn moeder zo slapend aan. Hij zette de tv op.  “De laatste kilometers van de koers,” zei hij. “Er is een ontsnapping en er zitten drie Belgen in.”  “Ik ga in de cafetaria iets drinken,” zei Martine, “en in het winkeltje een krant kopen.”  Bij het terugkomen, was haar moeder wakker. Armand hield haar hand vast. Op tv zag ze een renner op een podium staan. Hij trok een groen truitje aan. De bloemen in zijn hand gooide hij het publiek in. Het geluid stond af.  “Het is goed dat je dat gezegd hebt, moeder,” zei Armand. “Rust nu maar weer uit.”  Haar moeder sloot onmiddellijk weer haar ogen.   “Ze is er slechter aan toe dan ik dacht,” zei Armand, terwijl hij op zijn horloge keek.  “We zullen haar maar laten,” antwoordde Martine.  Samen wandelden ze naar de uitgang. Armand reed met de auto naar huis. Martine nam de bus. De zussen hoefden de volgende dag niet meer te komen.     ***    Priester Gerard verzorgde de uitvaartdienst. Op het einde van de koffietafel raakte Martine met hem aan de praat. Ze hield van zijn melodieuze stem en de manier waarop hij met zijn donkere ogen recht in haar ziel leek te kijken. Haar zussen en broer wachtten niet tot het einde van dat gesprek en vertrokken zonder haar. Toen ze haar jasje aandeed, nam priester Gerard haar hand in zijn twee handen en knikte. Hij deed zijn mond open, maar voor hij iets kon zeggen, werd hij onderbroken door de zaakvoerster.  “Martine? Jouw zus zei dat jij de betaling van de koffietafel zou regelen.” “O ja, dat weet ik niet. Dat zal dan wel.”  Priester Gerard wuifde en draaide zich om.  “Dat kan cash als je wilt.”  Martine voelde haar hoofd rood aanlopen en het jasje dat ze net had aangetrokken, moest onmiddellijk weer uit. Zo veel geld had ze niet. Ze kon het niet eens voorschieten.  “M-mag dat ook met een o-overschrijving? Ik heb geen cash bij me.”  “Er is een bankautomaat iets verderop in de straat.”  De bovenste knopjes van haar blouse moesten ook los. Ze krabde aan haar armen alsof ze pas door een mug gestoken was.  “Nee, ik bedoel, misschien toch liever met een overschrijving. Dat is gemakkelijker om het onder elkaar te regelen.”  “Dan is het wel iets meer, natuurlijk.”  De zaakvoerster van de zaal verdween achter de toog en kwam vijf minuutjes later terug met een factuur. Martine plooide het blad twee keer dubbel.  De twee kilometer terug naar het huis van haar moeder legde ze te voet af. Op hoge hakken. Toen ze de straat in stapte, zag ze van ver de auto’s staan. Haar zussen en broer zaten rond de keukentafel. Ze moesten het eens hebben over hoe lang ze hier nog in huis wilde blijven.  “En moeders juwelen,” vroeg haar oudste zus, “weet jij toevallig waar die liggen? Ze had mij beloofd dat ik die als oudste zou krijgen als ze er niet meer was, maar ik vind ze nergens. Ze zitten niet in haar juwelenkoffertje.”  Martines hand gleed naar haar handtas. Ze voelde eerst aan het zijvakje en daarna haalde ze de factuur eruit. Ze legde die in het midden op de tafel.  “Ik denk het wel,” antwoordde ze. “In haar commode, de onderste schuif, helemaal achteraan en onder de lakens verstopt.” Ze mompelde het bijna als een excuus.  Haar oudste zus schoot meteen naar boven. Een andere zus nam de factuur, plooide ze open en keek er lang naar. De twee andere zussen dronken koffie en zeiden niets. Armand dronk bier en glimlachte na elke slok.  Een paar dagen later merkte ze dat de enveloppen niet meer op hun plaats lagen. Ze vloekte één keer kort en luid. Daarna kwam ze twee dagen het huis niet uit. Tien dagen later verkocht ze haar eigen paarlen juwelen tweedehands voor bijna evenveel als ze hen gekocht had. Niet lang daarna mocht ze voor de eerste keer bij priester Gerard gaan koken en poetsen. Het was ook priester Gerard die ervoor zorgde dat ze net buiten het centrum in een studio kon intrekken. Voor weinig geld.   Op heldere dagen lag ze op haar rug in de zetel en keek ze via een koepeltje door het platte dak naar de hemel. Ze hield ervan om door dat kleine vierkantje vogels te zien vliegen in een blauwe lucht. Het zou niet lang meer duren voor de erfenis rond was en de boerderij te koop gezet werd. Daarna hoefde ze met geen van haar familieleden nog contact te houden.  Om haar rechterringvinger zat het ringetje met het briljantje. Op het schapje naast de tv stond een klein kristallen vaasje dat ze bij priester Gerard weggenomen had. Ze had het opgeblonken en er een plastieken roosje in gestoken. Zowel het briljantje als het vaasje vingen het licht en verspreidden het in geometrische figuren tegen de muur. Over en door elkaar.       

Hans Van Ham
20 0

Memento mori

De laatste dag van de zomervakantie is exponentieel veel droeviger dan de eerste was in al zijn vrolijkheid. Ze herinnerde zich die dag in juli: hoogzwanger van mogelijkheden en barstensvol goesting. De duizenden musea die ze mogelijkerwijs zou kunnen bezoeken, passeerden de ene al aantrekkelijker dan de andere haar geestesoog. De weg ernaartoe lag bezaaid met ongeplande aankopen in onooglijke winkeltjes vol snuisterijen en wijnbars waar het tintelende gevoel van een gulp Chardonnay haar zinnen zou beroeren. Eindelijk aangekomen in een van die musea zou ze zich zuchtend vergewissen van de tijd en zich troosten met de gedachte dat de dag nog jong was en de vakantie nog lang. Ze zou de kunst inademen en niet enkel verstrooiing zoeken zonder op zoek te gaan naar het genot van de esthetiek. De rust in haar hoofd omarmen en wegvluchten van het ondraaglijke alledaagse was het plan. Ze zou naar zee gaan. Baden met haar voeten in de branding, de zon op haar snoet en zich overgeven aan de zilte zoen van het strandleven. Vanzelfsprekend zou ze zich inwrijven met klodders Nivea die het gloeiende gevoel van haar verbrande huid zouden koelen. Cocktails zou ze drinken met liters, in strandbars met witgebeitste loungezetels en palmen die het heerlijke vakantiegevoel moeiteloos zouden evoceren. Enkelbandjes waarvan de kleuren van de kralen zouden vervagen naarmate de dagen voorbijgingen, droeg ze tot de laatste dag van augustus, toen ze plots besefte dat de eerste dag van de zomervakantie exponentieel veel vrolijker was dan de laatste is in al zijn droefheid.

Véronique Scheyvaerts
39 0

Remember Sinead

  Dit is een zeer oud restje. Het doosje komt uit Noorwegen, maar waag je niet. Daarnaast is het uitvinding met aardige neveneffecten. Meerdere beteren verwierven hierdoor faam en erkenning. Wetenschap hielp ons vooruit. Zelfs als we de pro’s afwegen tegen de contra’s en bovendien is er ook niets mis met degelijke schrijfambacht. De prijzen staan gelijk met dikke duimen. Daarbij werd geen kepernagel gemist en het is altijd fijn wanneer een schoolmeester je alles haarfijn uitlegt. Deze ruilbeurs gaat door op de speelplaats, maar waag je dus niet. Want in India slaapt men niet in tenten, maar onder golfplaten. Onder een moerbei kan ook en straks komt de crèmekar. Dat is een mededeling van meester Johan, hoewel we de kennis aangaande vele wonderen in de eerste plaats aan Marcus te danken zijn. Zeven-en-dertig werden er door hem genotuleerd en daarom heet zorgleraar Marc ook Marc. Elk struikelend kindt word hier gered, er is een voetbalveldje en verlegenheden kunnen gewoon bestaan of pissebedden zoeken onder die paar losse tegels. Dat pad is aan vervanging toe, maar voor de rest is dit een zeer degelijke en propere school. Des te beter want straks komt de inspecteur. De techniek maakte niet alleen in Noorwegen vooruitgang, maar ook in dit land zijn we mee. Toegang tot de digitale wereld wordt stilaan een basisrecht, terwijl ze lachen in de verte, koekoeksouders, grondwetspecialisten, maar we beseffen dat. Niets is perfect. Johan knikt instemmend. Marc voert de rede immers niet alleen deftig maar evenzeer met fraaie denkbeelden. Intussen gebeurt het. Hij parkeert daar zijn Simca. Het is de inspecteur, een creatief creatuur dat van de lens, dat van de pellicule houdt en hij zal straks zijn oordeel vellen. Hij zal zich naar de kelder begeven en daar plaatsnemen achter de grote ordinateur. Thuis heeft hij ook zijn eigen beeldmateriaal, een klein deel bevindt zich ook onder de rechter voorzetel van zijn automobiel en hij kent er iets van, niet alleen van onderwijs, economie en consumentengedrag, maar dus ook van dat beeld. Doch en meester Marc zegt dat al jaren. Er is iets mis met zijn stem. Veel te gaaf om waarachtig te zijn, maar in deze school ziet God ons en we mogen daar op vertrouwen. Christus verdrijft ze allen uit, elke demoon. Vijf-en-twintig vermeldingen daarvan in Ons Boek, weet Johan. Zelfs de varkens moeten eraan geloven. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de gehele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water. Deze quote verdient een schouderklopje van meester Marc. Het is nu wachten op de inspecteur, op diens oordeel. Welk wordt het winnende filmpje? Zelfs de eerste klassen deden mee aan de competitie en de onderwerpen liepen zeer uiteen. En het kan zijn, dat die oude doos, met die grijsgrauwe plaatjes van broeder Mephisto hem nog het meest interesseerde, daar in die kelder, maar broeder Mephisto’s nalatenschap moet daar blijven. Dat weet hij en een paar kiekjes later, kijk, hij is terug. Het filmpje van klas 2C, een hommage aan Sinead O’Connor, laat hij winnen, maar thuis, daar zal hij toeslaan.     uit de reeks 'Dialogen met monsters en dia's'

Bernd Vanderbilt
8 0

Het allerlaatste afscheid, heel alleen!

Er lopen nog steeds koude rillingen over mijn lijf telkens als ik de laatste woorden lees die mijn vader vanuit zijn ziekbed in het  Imelda ziekenhuis te Bonheiden op een pagina van een magazine bovenaan het blanco gedeelte van een artikel schreef. Woorden die uit de pen vloeiden van een man die heel zijn leven met een vaste hand mooi kon schrijven, een architect waardig. Als ik nu naar die woorden kijk, dan lijkt het alsof deze geschreven zijn door een kind uit het eerste leerjaar die heel fier aan zijn ouders, als teken van zelfstandigheid, zijn eerste zelf geschreven zinnetje toont alsof het zijn nieuwjaarsbrief betreft. Wat een contrast.  19 september 2014 herinner ik mij nog heel goed. Die ochtend was ik samen met mijn moeder nog bij mijn vader op bezoek geweest. Hij was fel verzwakt, met momenten nog helder van geest, maar vooral heel verward. Herinneringen van toen werden samen met momenten van nu door elkaar gemixt. Voortdurend keek hij met een starre blik naar mijn moeder. Was dit reeds een voorbode van de naderende dood en wou hij het beeld van zijn geliefde meenemen naar het eeuwige leven? Hoogstwaarschijnlijk wel. Hij had een voorgevoel. Nietsvermoedend van wat er later die dag zou gebeuren verlieten wij het ziekenhuis met de gedachte om de dag nadien opnieuw op bezoek te komen en tevergeefs te hopen op beter. Helaas het heeft niet mogen zijn. In de namiddag werd mijn moeder opgebeld om naar het ziekenhuis te komen omdat mijn vader overleden was. Aangekomen in het ziekenhuis lag hij vredig - in zijn eeuwige slaap - op zijn ziekbed, naast hem op zijn nachtkastje een magazine waarop bovenaan een pagina "Jij Emma zijt voor mij alles!!! Je Armand" stond geschreven. Een allerlaatste boodschap die hij tijdens zijn noodlottige strijd,  die hij alleen aanging met de dood, aan mijn moeder heeft achtergelaten. Het was een laatste moment van helder bewustzijn om afscheid te nemen van dit aardse leven. Alsook een betuiging van zijn eeuwige liefde voor zijn Emma. Maar ook  dankbaar voor alles wat zij in haar zorgzaam leven voor hem heeft betekend. In zijn geschrift ontwaar ik even nog een poging om de letter z te handletteren, het creatief vormgeven. Heel typisch voor mijn vader. Met zijn laatste energie die traag uit zijn lichaam stroomde heeft hij nog krachtig 3 uitroepingstekens geplaatst achter het woordje "alles". Een heel overtuigend signaal. Zou het waar zijn dat mensen steeds alleen sterven? Wanneer de stervende alleen is, gaat dat proces makkelijker, zegt men. Alleen is niet eenzaam. De vraag die ik mij steeds stel "Zit mijn moeder met een schuldgevoel?"  Ik vermoed van wel omdat zij niet aanwezig was tijdens zijn stervensfase. Op dat moment hadden zij elkaar als geliefden nog eens goed kunnen vastpakken. Anderzijds de woorden "Jij Emma zijt voor mij alles!!! Je Armand"…  was een mooie manier om een blijvende herinnering achter te laten. Het zijn innemende woorden die het hart van  mijn moeder dagelijks troosten.   Zij heeft het afscheid van haar man een plaats kunnen geven.

Guy Van Damme
141 6

DE DICHTER SCHRIJFT

DE DICHTER SCHRIJFT: IK BEN  3 BLOEMEN OP DE BUIK VAN DE TAALGODIN   DE ZEISBEUL DENKT: 1 DOMOOR 2 DROLLENVANGER 3 IDIOOT   GEDICHTEN KOEN VLERICK 2020   1 DE DICHTER SCHRIJFT:               Zonlicht             Een anjer 1 bloem               Kokosmelk aan altaar van huid             Velletje vlees in breedte van hand               Wereld 1 seconde                 Vrucht van zaadje van zee               Anjer streelt anjer              Ook zonder handen                Bijna tam gemaakt             Het is waar van die toverlamp boven   DE ZEISBEUL DENKT:   Pikkedonker P Domoor geachte domoor D   Ik stuur u wandelen 2 ik stuur u wandelen 3 ik stuur u wandelen Weet u van waar naar waar wel van Melle naar Schellebelle   Weet u en dan weer te voet terug tot aan een bebloede brug In een spooknacht over wel 1000 konijnenkeutels   In een spooknacht over wel 1000 natte graslanden misschien meer Dit alles tot op het botste bot van bot van u   O nare woordenknutselaar van mokkeltje deern O amen en uit met u     2 DE DICHTER SCHRIJFT:               Leven             Een lelie 1 bloem               Woorden aan hart              Als navel in vel               En in borsten van zomervogeltjes             In borsten van een zeemeermin                In uzelf ook lelie             Tot zelfs in katjesdragende boom in ledemaat van dier een poot               Om cru te zeggen in een wc te velde latrine             Daarbij leg ik een laatste lelie een laatste lelie een laatste   DE ZEISBEUL DENKT:   Dood D Drollenvanger geachte drollenvanger D   Ik zwijg u dood 2 ik zwijg u dood 3 ik zwijg u dood             Weet u tot in een uitholling in de grond voor u alleen               Weet u tot helemaal in een kuil in een helemaal vergeten hoekje             In een decadente sleuf ik herhaal               In een decadente sleuf waarin ik al uw opstelletjes opsluit             Dit is een besluit van ikke en de clubbbbbbb               Der kring der harde hakwerktuigenmakkers                                         Wat ze in de volksmond noemen ja der elite der poëzie ja (ikke ikke ikke)      3 DE DICHTER SCHRIJFT:               Liefde             Een roos 1 bloem (niet het fijnste van meel)               Op en neer gaan golven             Einde van spier pees                Reukstof in flesjes parfum             Knie zoals in hemel knie               Alles komt ter wereld uit een groefje in de huid             Een tatoeage               Een tent van indianen             Een smal diep water nu later   DE ZEISBEUL DENKT:   Haat met de grote H van Haat Idioot geachte idioot I   Ik haten uw woorden 2 ik haten uw taal 3 ik haten uw hoofd Aanhoor mijn ene uiting van ene macht en   Weet u ik willen geen ballen in de bloes als borstjes             Edoch ikke zijn lid van de keiharde keurgroep               Edoch ikke zijn als een actuele dictator in maatkleding             O kom er eens kijken (slimmerds weten dit zomaar zelfs)               O mooie minnaar van uw moedertaal ja ja ja             The end (het einde) en het is voorbij (the end)   PS Wie is de dichter & wie is de zeisbeul? Mail uw antwoord naar koen.vlerick@telenet.be        

Koen Vlerick
11 1

Home … not sweet home

Heel je leven ben je zelfstandig geweest. Je nam je eigen beslissingen. Je hebt mensen steeds met eerbied en waardering behandeld. Iedereen was welkom in jou huis. In je leven bleef je niet gespaard van moeilijkheden en ziektes. Met vallen en opstaan gaf je zin aan je leven. Je hebt je steentje bijgedragen aan een betere maatschappij. Nu  ben je oud. Het leven heeft al zoveel van je geëist, je vitaliteit neemt af. Je wordt hulpbehoevend en moet je woning ruilen voor een home. Een paar meubels en herinneringen mag je meenemen. In een kamer van ongeveer 25m² met een toilet en een wastafel met warm en koud water. Een bad neem je verderop in de gang. Heb je iets nodig … druk op de knop,  Er zal wel iemand komen … na een half uur of langer. Je zelfstandigheid ben je nu kwijt. Je wordt behandeld als een kind, ondanks het feit dat je nog geestelijk gezond bent. Je routines worden ontnomen, want je kunt het zogezegd niet meer. Als je vroeger dagelijks je medicamenten op een vast tijdstip nam, worden deze nu bruusk uit je handen genomen, want je mag ze enkel nemen op het tijdstip dat het personeel je oplegt. En dan zegt het personeel grof tegen je “ik zal melden dat de patiënt weigert van de medicamenten te nemen”. Je bent overgelaten aan de goodwill van het personeel. Je moet braaf zijn, want als je braaf bent dan heb je geen problemen. Als mens – jong of oud - is er één ding dat iedereen wil: respect. Ook in een home! Je nieuwe home… is geen sweet home!  

Guy Van Damme
34 1

En toen kwam teleurstelling aankloppen

Het leven is niet altijd rozengeur en maneschijn, that’s a given. Als mens lijken we steeds moeite te hebben om dit te bevatten. We kunnen zo wijs en ervaren zijn als we willen, in ons onderbewuste heerst er steeds een notie dat alles hoort te verlopen zoals wij dit voor ogen hebben. Wetens en willens durven we de stap te zetten in het diepe, zonder ook maar even stil te staan bij de consequenties. Dan bedoel ik niet de logisch beredeneerde, potentiële high risk resultaten, maar veeleer de intensiteit en de impact ervan op ons algeheel lichamelijk welzijn. We nemen ons voor dat alles uiteindelijk weer goed komt, dat het leven inspanning en risico’s vergt. Zowel voorspoed als tegenspoed horen erbij, nemen we ons voor.   Echter zijn we onvoldoende voorbereid op de tegenslag van een tégenslag. We veronderstellen dat we sterk genoeg zijn om elke klap te trotseren, maar zijn er ons niet bewust van hoe hard deze klap al dan niet zal aankomen. We werpen de boemerang in de lucht, denkende dat ie veilig terugkeert naar de hand, terwijl het ding heel listig, de terugkeer plant naar het gezicht. We kennen het concept van een regressie wel, we honoreren haar wezenlijk bestaan, maar weigeren – bewust dan wel onbewust – haar draagwijdte te erkennen.  We beschouwen onszelf als rationele, beredeneerde wezens. Wat we echter niet inzien; onze zogezegde, logische en rationele redeneringen worden steeds gemaakt in functie van onze menselijke verlangens. Hebben we onszelf dan nooit verloochend met het idee een rationele stap te zetten, resulterend in de bewustwording van de latent aanwezige gevoelsmatigheid? Begeerten nemen de bovenhand en zorgen ervoor dat we, impulsief, de nodige “berekeningen” doen. Zonder enige zelfreflectie, zonder beroep te doen op ons gezond verstand. Er is geen sprake van rede, noch enige luciditeit. De voortdurende strijd tussen rede en emotie. De ironie wil dat deze strijd gaat om twee extremen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Rede versus emotie? Rede én emotie. Kunnen niet met, noch zonder elkaar.   Is dit dan niet wat de mens in wezen is? Dé definitie van versmelting van extremen. Een vat vol tegenstrijdigheden, een unicum in de wereld der verrassingen. Een verloren ziel ergens tussen rede en emotie, de aantrekkingskracht tussen twee tegenpolen. Magneten, dat zijn wij. Hoop, onze drijfveer, resoneert via ons magnetisch veld met het universum, in afwachting van blijde nieuws. We maken onszelf wijs dat we geduldig zijn, maar schreeuwen diep vanbinnen “mijn wil is wet”. We staren ons blind op de keerzijde van de medaille. De zijde waar één van de pijnlijkste vormen van waarheid rust. Teleurstelling. De zijde die luidkeels graag terug schreeuwt: “Goed geprobeerd!”. 

Müge Yalçin
1 0