Lezen

Over activisme.

            Met duizenden manifesteerden we in de kou. De romantiek die de straten van Parijs kenmerkte was omgeslagen in woede. Vooraan trok een lange rij mensen, mannen en vrouwen, blanken en zwarten, jongeren, minder jongere en ouderen, homo’s, hetero’s en transgenders onze vermoeide lichamen in hun colère met zich mee. Je zag geëngageerde beau monde van televisie, theater en muziek en die later ook onze bondgenoten zijn geworden. Artiesten die niet bang waren van imagoverlies want aids is niet goed voor een imago. Hier geen garagetalk en geen Instagram. Alleen pure colère. Samen droegen we de slogan, in zwarte letters geverfd op een wit canvas: “Arrêtez le sida!” De bonte massa kleurde de straten met harde slogans in alle haast gekrabbeld op karton, tegen het lakse beleid, tegen de foute politiek, tegen het geweld, tegen de leugens en vooral tegen het zwijgen. Maar een massa in woede zwijgt niet. Ze maakt lawaai. Met fluitjes, toeters en bellen. Om het luidst. Minutenlang schreeuwden we onze kelen schor. En wanneer plots de stilte viel, wanneer iedereen op de natte boulevards het lichaam liet neervallen, wanneer de laatste slogans door de Parijse vooravond weergalmden en je enkel de grommende buik van Parijs nog hoorde, dan wisten we dat we gehoord waren. Dan hadden we een stem gegeven waar stemmen moesten gehoord worden. En dan konden we onze kennis als wapen inzetten.             Toen homo’s in de jaren ’90 van vorige eeuw in juni een Gay Pride hielden en ieder jaar opnieuw in het hartje van de meest gure winters een AIDS-mars organiseerden, werden hetero’s altijd geassocieerd. Ze kwamen vanzelf. Bondgenoten, weet je wel. Een strijd waar één gemeenschap met de vinger gewezen wordt omdat haar gedrag niet past in de boekjes van een weldenkende maatschappij of van een lakse overheid, is een strijd van iedere gemeenschap. Ook wij voelden de pijn wanneer onze lichamen niet voldeden aan de verwachtingen en we betaalden het gelag.             Vandaag kunnen we niet schrijven: “Ik zou geen aandacht geven aan een witte columnist in een tekst over zwarte levens”. We kunnen niet zeggen dat “witte mensen niet over racisme mogen spreken.” Net zoals we nooit kunnen zeggen: “Hetero’s hebben niets te zoeken op een Gay Pride.” Niemand moet in erfzonde leven en geen andere gemeenschap staat boven een andere gemeenschap. Het is de verdomde plicht van iedere gemeenschap om alle andere gemeenschappen te beschermen. Dat doen we alleen maar samen. Instagram staat een dag of wat op zwart. Dat is niet genoeg. We moeten nu écht meer gaan doen en dat sluipend gif dat racisme heet bij de kraag en de staart vatten, zoals we dat met het coronavirus allemaal samen hebben gedaan. Eendracht maakt macht in België. Dat kunnen we alleen maar door al onze krachten en onze kennis te bundelen. Dat vraagt tijd, kennis, kritische discoursanalyse en expertise. De juiste mensen met de juiste connecties. En activisme. Veel actief activisme. Ik ben in elk geval al begonnen.   Erwin Abbeloos is activist.              

Erwin Abbeloos
31 0

What Happened, Mister America

Nina Simone had gelijk!  Onlangs zag ik de pakkende Netflix documentaire What Happened, Miss Simone? In een interview zegt Nina Simone: "There aren't any civil rights." "What do you mean?" vraagt de interviewer. "There is no reason to sing those songs. Nothing is happening. There's no civil rights movement. Everybody's gone." Zij speelde haar politieke nummers op een gegeven moment niet meer, men boycotte haar en het haalde niets uit, zoals ze in het citaat omschrijft. Nu verschijnen ze terug op LP en vind je de songs op YouTube, waar ze meer dan ooit worden afgespeeld. Maar ergens had ze gelijk, want is er veel veranderd? Wat met de burger- en mensenrechten nu? Geweld en vooroordelen   Geweld en vooroordelen zijn nog steeds schering en inslag. Alleen verbergt men het misschien beter nu, men veegt het met de borstel onder de mat. Tot de sociale media viraal gaan en niets het nog lijkt tegen te houden, waarbij vaak emotioneel en vol frustratie gereageerd wordt. Zie maar naar de geweldpleging op de zwarte Amerikaan George Floyd (25/05/20) wanneer een politieman hem wurgt door zijn knie op zijn keel te zetten. De man was ongewapend. Hij smeekte om losgelaten te worden: "I can't breathe." Hij stierf. Zwart Amerika kreeg en krijgt het nog steeds hard te verduren. Protesten lopen her en der uit de hand en van de chaos wordt misbruik gemaakt. Nieuwe leiders Er is nood aan een nieuw soort leider. Een Trump bijvoorbeeld kan zo iets niet aan en dreigt het alleen maar erger te maken. Doordat hij een atypische president is krijgt hij echter wel wat bijval. Maar dit soort leider reageert bij voorkeur impulsief en zegt wat hij denkt dat zijn aanhang (niet zijn volk, enkel zijn selecte clubje) wil horen. Schijnbaar zonder verder na te denken over de consequenties, tenzij het in zijn eigen voordeel is. Zulk een leider verliest zichzelf in egokwesties, oppervlakkige populistische uitspraken en kijkt naar belangen die enkel hem dienen. Terwijl andere echte prioriteiten worden genegeerd. Nu vel ik in zekere zin een oordeel op wat ik verneem vanuit de media en vanuit wat ik zelf al ervaren heb, maar ik zie het meer als een zeer verontrustend gevoel dat me bekruipt met een soort van déjà vu. Wat de rol van de mainstream media hierin is, is me nog niet duidelijk. Zij tonen nu eenmaal vaak het meest sensationele en nuances vind je nog zelden terug. Wel wordt het duidelijk dat Amerika eerder verdeeld is dan verenigd. En als dit niet goed aangepakt wordt, zal dit zich als een nieuw virus verspreiden. De kiem voor een burgeroorlog en voor onrusten wereldwijd. Toch heb ik hoop want ook vele mensen verenigen zich nu. Er komt solidariteit vanuit diverse hoeken: zoals een buschauffeur die weigert demonstranten te vervoeren naar een cel, zoals agenten die zelf knielen voor de demonstranten uit medeleven en respect. Er zijn ook vele vreedzame reacties vanuit heel de wereld tegen racisme en voor gelijkheid. Wat doet dan een goed leider? Een leider verbindt en brengt het volk samen. Zo simpel is dat. Een goed leider vertegenwoordigt zijn volk, neen beter nog, is het volk! Het luistert naar alle geledingen die er zich afspelen van de top tot de onderbuik, wat verstopt is en niet naar boven durft te komen is eens zo belangrijk. En dat zal deze leider - of het politieke systeem - samenbrengen tot een gezond evenwicht. Een moeilijke balans waarbij extremen steeds zullen trachten de leider in diskrediet te brengen, maar een goed leider doorziet dit en weet die balans te behouden en op de juiste manier erover te communiceren. Duidelijk, helder en zonder vooroordeel, in het licht van een volk dat de kans krijgt om zich te ontwikkelen.Daarmee keer ik even terug naar Nina Simone, deze grand dame van jazz, blues en klassieke muziek, had ook haar fouten en enkele extreme kantjes, maar zij kanaliseerde die in haar muziek, dat mensen raakt en samenbrengt. Wat engagement betreft is zij alvast een voorbeeld voor de generatie van nu. Haar songs klinker luider dan ooit. Wanneer leert de mens echt? Als er iemand luid roept? Als het te laat is, dan voor even? Of als iemand net op de juiste plaats op de juiste manier, luistert en je echt iets te vertellen hebben? Wanneer staat er dan een nieuwe Simone op of een Martin Luther King of een Gandhi of ... ? Of zijn wij het, de gewone mens, de leraar, de verzorger, de kunstenaar, de arbeider, de bediende, de zelfstandige: zij die hard werken en dit doen vanuit passie voor het vak en vanuit liefde voor de naaste? Zo, die mensen dus, zij die echt luisteren en een krachtig menswaardig signaal geven, zonder bloedvergieten, vanuit het hart spreken en zachtheid brengen in een wereld met individuen die niet meer durven zien welke eigen weg, samen te kunnen gaan.

Bart Vermeer
44 0

Als ik even tijd heb

Ik heb er geen zin in.  Dagen, weken, jaren aan een stuk roep ik het luid: als ik tijd heb. Als ik tijd heb doe ik de grote kuis. Koop ik mij een elektrische fiets en fiets elke dag kilometers ver. Duwen we hem in de achterkant van onze ruime wagen – daarom kochten we hem toch? – rijden we tot in de verste uiteinden van het land en fietsen we stad in stad uit. Niet naar Nederland. Ik haat Nederland. Iedere vakantie die we daar ooit doorbrachten hadden we slecht weer en onweerde het elke avond. Echt elke avond. De kinderen noemden het op den duur Donderland.    Ons witte houten plafond. Ik zie het niet graag. We kregen het erbij, zes jaar geleden bij het verlijden van de akte. De vorige bewoners vonden het ook maar niets. Dus lieten ze het hangen. Dat witte plafond heeft ofwel een lik verf nodig ofwel gewoon eens een haal met een natte spons doordrenkt in Cif. Als – wanneer – ik eens een paar weken thuis zal zijn, dan was ik dat houten plafond af. De barre winterse avonden zijn telkens een reden voor de echtgenoot om het haardvuur te doen aanwakkeren. Tof. Echt tof. Een open haard. Heet, brandend, rood met geel vuur. Assen die ronddwalen in de living. Een schoorsteen die verstopt zit door een duif die net in de onze zijn nest wil maken om de winter door te komen. Zie je het al voor je. Dat mooie, witte, houten plafond. Zwart. Dan heb ik het niet over mijn gordijnen. Ooit maagdelijk wit. Doordrenkt met rook in een huis waar niemand rookt.    Zou het niet zalig zijn, zo eens weken thuis zijn zonder ziek te zijn. Dat zei een collega onlangs tegen mij. Ik beaamde het volmondig. Gewoon thuis. Geen wekker ’s ochtends. Geen rush naar het werk. Sneeuw moet niet geruimd worden van de vensters, ik wacht wel om naar de winkel te vertrekken tot het ijs gesmolten is. Heel de dag naar series kijken. ‘s Nachts niet kunnen slapen omdat het middagdutje uitgelopen is tot na vijf uur. Pas ‘s middags wakker worden omdat ik ‘s nachts door het huis rond dwaal op zoek naar de geest die we bij het huis kochten. Vonden de vorige bewoners blijkbaar ook niet nodig om die mee te doen. De douche een paar dagen overslaan, want ik ga het huis niet uit. Lekker lui de ganse dag rondlopen in lazy pants. Of met een poncho over mijn hoofd. Schijnt de mode te zijn. Maar opgepast, het verspreidt zich snel. Liep er hier onlangs één iemand mee rond, zijn er dat intussen al twee. Meer dan 20 graden en de jeugd heeft het koud.    Ik zou meer op bezoek gaan bij anderen. Wanneer ik eens vijf weken verlof heb. Bij mijn pa. Dan nestel ik me in zijn zetel. Eet de ene winegum na de andere op. Hij vraagt er gewoon om, elke dag staat er een nieuwe kom vol met snoepen klaar. Ik verdenk hem ervan ons zo naar hem toe te lokken. Ik zou niet zeggen: ‘nee pa, ik kan niet lang blijven. Ik heb geen tijd.’ Lees: ik wil me in mijn zetel nestelen met een deken om me heen, want ik ben moe van het geklaag op het werk, van de eindeloze stroom aan telefoons van mensen die niet altijd even vriendelijk blijven. Mensenmoe. Wereldmoe. Gewoon moe. Ik blijf urenlang in zijn zetel zitten en luister naar de verhalen die hij keer op keer herhaalt. Ik luister. Hij is elke dag alleen. Doe alsof ik het verhaal nog nooit gehoord heb. Dat is het minste wat ik voor hem kan doen.    Het grappige is. Ik ben nu al zeven weken thuis. Ik kan het plafond afwassen. De echtgenoot is eraan begonnen. Na één vierkante meter zei hij: ‘het heeft geen zin, je ziet het verschil niet.’ Weer een klus die kan afgevinkt worden.  Ik kan mijn huis schoonmaken van zolder tot kelder. We hebben geen kelder, nog een klus afgevinkt. De elektrische fiets heb ik niet. Te duur voorlopig, helaas.  Series kijken lukt wonderwel. ‘s Nachts slapen moeilijk. Soms voel ik een druk op mijn borst die er voorheen nooit was.  Mijn pa kan ik niet bezoeken. We skypen zo nu en dan. Niet veel. Te weinig. Ik bel hem niet vaak. Er zijn dagen dat ik honderd telefoons beantwoord, bellen is dan het verste van mijn gedachten. Hij vraagt me boodschappen mee te brengen die hij eigenlijk zelf kan meebrengen als hij naar de winkel gaat. Ik zet ze als een dief in de nacht aan zijn voordeur, bel aan en blijf dan op vijf meters van hem staan om toch even met hem te praten.    Ik denk al heel mijn leven dat ik niet veel schoonmaak omdat ik geen tijd heb. Blijkt dat het niet gebeurt omdat ik het gewoon niet graag doe. Dat heb ik geleerd, in die zeven weken, waarin we noodgedwongen binnen zitten.  Naast alle andere zaken die we allemaal intussen in deze tijden van onzekerheid wel geleerd hebben. Dat we nooit meer zomaar iets voor lief nemen.  Gelukkig zijn er in tijden van onzekerheid nog zekerheden.   

Jenka
10 1

groot dictee 2020

De maan spuwt spatjes licht op de lange rijen boeken. Biler spitst haar oren. Ze luistert gespannen. Haar mond is kurkdroog en zweet druppelt op haar voorhoofd. Het is stil op straat. Ze haalt gespannen adem en zakt weg tegen de muur. Zonder geluid te maken komt ze overeind en trippelt langs de boekenkast. Ze sluipt op haar tenen, gebukt en houdt het raam in het oog. Koplampen reflecteren op de muur. Ze verstijft.                                                                Het licht glijdt verder en verdwijnt. Ze klemt het boek dieper onder haar taille. Stap voor stap sluipt ze de gang door. Haar hart klopt in haar keel.   Ze had gerend als een bezetene toen ze de groene mannen in het vizier kreeg. Net op tijd griste ze het spreukenboek weg, dat open lag op een houten sokkel.                                            De oude bewaker was in trance. Hij schommelde met gesloten ogen heen en weer in kleermakerszit. Onbegrijpelijke klanken ontsnapten uit zijn tandloze mond. Zijn kale schedel glom in het licht. Biler had snel gehandeld zonder op of om te kijken. Het boek stopte ze onder haar trui en ze propte de zoom onder haar broeksriem. Ze spurtte in een ruk de straat uit.                                 Weg van de groene mannen, weg van de markt.                                                                             In de Goswin de Stassartstraat hield ze halt achter de biggenrug vlak voor de bibliotheek.           De straat lag verlaten.                                                                                                                       Ze rende naar de inleverbus, scande snel de code op haar arm. Een woeste wind stak op en pijnigde de treurwilgen voor de Dossinkazerne.                                                                              Toen het cijfer twee eindelijk oplichtte, kroop ze, met het boek stevig onder haar trui, op de rolband, veilig door de inleverschuif. Ze smakte op de grond. Hees zich recht en keek het vertrek rond. Elke meter van de kamer was ingepalmd met boeken. Op de grond, in de kasten, op rolkarren, op en naast elkaar. Het plafond leek wel gestut door de hoge rijen stapels.             De deur van het vertrek stond wijdopen.  Biler sloop voorbij de inleverkasten, haar blik gericht op de schuifdeur voor de ingang.                                                                                                   De balie lag half verscholen in het licht dat uit de ramen scheen. Ze kwam uit in een lange gang. Grote raamdeuren gaven uit op de kloostertuin. Even stokte haar adem in haar keel. Groene schimmen doemden op achter de bankjes.                                                                        ,,Die verdomde maan…”. Ze haalde opgelucht adem.                                                                      De bankjes in de tuin waakten als geraamtes, strak in het gelid. Aan het uiteinde van de gang ontdekte ze de trappen die naar boven leidden. Op de muur hing een plattegrond van de bibliotheek. Ze hield halt bij het eerste raam dat uitkeek over de straat. De huizen dommelden in. Hier en daar brandde licht achter een gordijn. Ze zag de wind bonken op de fietsenstalling. Het metaal wrong naar alle kanten. De gedachte aan haar achtervolgers stuwden haar verder. Honderd meter verder, in de ijzige kilte, verzamelen de groene mannen, in het hof van Busleyden. De leider kreet ijzige klanken en kaffert zijn onderdanen uit. Zijn wangen kleuren asgroen om zoveel onkunde.                                                                                                           ,,Als ZIJ niet gevonden wordt, én HET BOEK”….foetert hij en beent de kring rond, ,,.....beloof ik jullie één voor één”… stopt beurtelings bij zijn trawanten en priemt met woeste blik, ,,....om te toveren tot het ALLER-laag-ste-schep-sel!......de schildwants!!!”                                                     Het apparaat om zijn hals braakt piepgeluiden uit. Hij drukt het tegen zijn oor en luistert met opeengeperste lippen. De groene mannen wachten in de gesloten kring. Sidderend om de straf die kan volgen.  Wachten tot hun leider een teken geeft.     Biler leunt tegen de kast achter haar. ‘’Kast 13 – 15 NEDERLANDSE LETTERKUNDE” staat er in drukletters. Ze haalt het spreukenboek tevoorschijn. In sierlijke krullen staan de woorden gegraveerd:  Liber sit sicut hortus, in sinum tuum.                                                                      Ze streelt het omslag. Snuift de specifieke geur op en slaat het boek open.                                   Biler legt het boek behoedzaam op de vloer en haakt haar benen in kleermakershouding.           ,,Het is nu of nooit”, fluistert ze dwingend.                                                                                       Voorzichtig slaat ze de perkamenten bladen om. Het papier ruist. Ze bladert door.                       ,,Daar!”. De spreuk van het opstralen telt vier zinnen.                                                                      Biler zet zich schrap tegen de kast achter haar. Met haar wijsvinger wijst ze de woorden aan terwijl ze luidop leest:,, In het patriam van litterra zoek ik mijn heil                                                                               Onder uw brede schouders                                                                                                              Eleveert het peil                                                                                                                            Van mijn cerebrum                                                                                                                           Naar het summum Het is doodstil in de grote bibliotheek.  De houten balken die het gebouw zo rijk is ademen een milde statigheid uit. Talloze titels zijn duidelijk leesbaar door het binnengekropen maanlicht. De muren ogen wijs en conventioneel. Biler wacht gelaten.                                           Ze hoort geknetter boven haar. Aan het dakkapel flakkert er een vonkje. Het geknetter gaat over in diep gegrom. Ze kruipt in elkaar.                                                                                          De vonken dijen uit tot wasems oogverblindende lichtstralen. Kolkend spuit het licht een oorverdovend geluid. Biler drukt haar handpalmen tegen haar oren. De kasten daveren op hun grondvesten. De boeken schudden op hun as. Het spreukenblad fladdert rechtop als een bange vleugel. In een vlaag klapt het boek dicht. Het zweeft zigzaggend van de vloer, wentelt in het rond en kolkt het licht in. Biler grijpt zich vast aan het onderste schap van het rek. Haar haren zwiepen in de lucht. Ze knijpt haar ogen dicht en voelt haar lippen klapperen. Haar borstkas rijst en daalt in snel tempo. Ze voelt zich loskomen van de letterkundekast. Met een zompig gesmak zuigt het licht haar op. Nog eenmaal braakt het licht een scherpe toon. Het geluid zwakt af en verdwijnt in zacht gebrom.                                                                                 Doorheen de plafondbalk tekent een diepe barst.          

elmo
1 2

Alice en ik

Met haar lange blonde haren, haar blauw jurkje en wit schortje ziet ze er nog steeds hetzelfde uit. Ik leerde haar kennen via een strip, waarin ze me meenam naar een Wonderland, vol met speelkaarten, een gekke hoedenmaker, een waterpijprokende rups, een grijnzende kolderkat en een wit konijn met een horloge. Zij raakte een gevoelige snaar in mijn kinderhartje. Want ik gaf me een tijdlang uit voor haar, tot grote verwarring van mijn kleuterjuf. Zelf heb ik daar geen herinneringen aan; het is een naverteld feit. De strip, daarentegen, kan ik me nog voor mijn geestesoog halen. Het was geïnspireerd op de film van Walt Disney, want zij had die typische grote ogen van tekenfilmhelden. Ik neem het mezelf nog steeds kwalijk, dat ik als tiener tekstballonnen begon te lezen. Want op die fatale dag verdween de magie van mijn kindertijd. Ik had immers jarenlang mijn eigen fantastische verhalen verzonnen rond de kleurige plaatjes die ik bekeek. De avonturen van mijn striphelden, Suske en Wiske en Jommeke waren bij lange na niet zo spannend meer als daarvoor. Of dit ook opging voor mijn Alicestrip, weet ik niet meer. Ik zag het toen allicht voor wat het was: een warrig kinderverhaal. Jaren heb ik niet meer aan Alice en haar verhaal gedacht. Enkel tijdens de voorbije 5 jaar kruiste zij weer mijn pad, hier op Boeken en op reis in Oxford. In die statige universiteitsstad kon ik niet naast haar kijken. Hier schreef Lewis Carroll immers zijn nonsensverhaal over een meisje, dat in haar droom een wit konijn volgt, vervolgens in een konijnenhol valt en terechtkomt in een bizarre wereld. Toeval wil, dat ik Alice daarnet nog zag, op een bedankingskaartje dat bij mijn bestelling zat van boekhandel het Stad Leest. Hoewel het citaat op het kaartje uit ‘Alice in Wonderland’ komt, ken ik het niet. – Wordt het nu eens niet stilletjes aan tijd dat ik deze klassieker lees? Vooral omdat Wonderland ooit een deel was van een tijd, waarin ik avonturen verzon en me identificeerde met Alice. In die tijd waren gekke werelden nog gewoon verzinsels. Of dromen van kleine, eigengereide meisjes.- Want anno 2020 heb je geen droom meer nodig om terecht te komen in een wereld, waarin alles anders en vreemd is. Sinds kort dwingt een dodelijk virus ons namelijk tot het dragen van mondmaskers en laat het verzorgend personeel rondstrompelen in pakken, die eerder thuishoren in een sf-verhaal. Voorlopig kunnen we enkel maar speculeren over wanneer alles weer zal worden zoals voorheen.  

Danielle Cobbaert
3 0