Lezen

Allemaal lampjes

Op de een of andere manier lukt het ons niet om de juiste verlichting voor de woonkamer te vinden. We hebben het licht nog niet gezien, zou je kunnen zeggen. Aanbod is er genoeg. Ook in deze winkel staat wat binnen. Exact wat ik tegen de ietwat oudere eigenaar zeg, die naar ons toe komt gestapt. Met zijn handen op de rug. Alsof hij zich op die manier recht wil houden. "Jazeker", antwoordt hij. "Allemaal lampjesss". De 's' duurt wat langer dan normaal. "Kijkt u maar rustig", zegt hij. Onderweg naar zijn toonbank hoor ik hem opnieuw 'lampjesss' zeggen.  "Hoelang bent u al eigenlijk op zoek?", vraagt hij ons even later. "Tien jaar? Vergeet het dan maar. Dan moet u gewoon zeggen: kopen, die handel. Anders lukt het nooit." Terwijl we enkele details over een bepaald type plafondverlichting vragen, herhaalt hij het. "Gewoon zeggen: we doen het. Anders staan jullie hier over tien jaar opnieuw."  "Nu is het wel jammer dat u de beurskorting van vorige week gemist hebt", doet hij nog wat extra aas aan zijn vishaak. "Toch 30 procent. Maar ik kan even naar de vertegenwoordiger bellen. Misschien lukt het, als ik het op datum van vorige week verkoop. De kans is klein, maar je weet nooit." Hij heeft werkelijk niemand aan de lijn. Het draagbare telefoontoestel zou speelgoed kunnen zijn. Af en toe laat hij een pauze, om het echt te doen lijken. Hij legt de woorden in de mond van zijn onzichtbare vertegenwoordiger René. Ik zie hem voor me als de cafébaas uit 'Allo 'Allo. "Oke, dus als ze vandaag beslissen, dan krijgen ze die korting nog. Nee, dat begrijp ik René. Prima, doe de groeten aan Sandra." Niet veel later staan we terug buiten. Zonder lampjes. Het was Sandra wellicht. Die zag ik totaal niet.  

Rudi Lavreysen
18 1

Covid-19, Russische roulette?

En toen was er het Coronavirus, Covid-19.  Ik twijfel nog of ik alvast ga hamsteren. Sowieso heb ik een ruime voorraad hand-gel gekocht.  Of ik het wil of niet, maar met regelmaat check ik het nieuws. Ik ben ongerust. Moeten we ongerust zijn? Is het Corona-verhaal opgeblazen door de media of is dit nog maar een tipje van de ijsberg?  Vanaf het moment dat grote bedrijven maatregelen beginnen te  nemen en er vanuit regeringswege drastische stappen worden ondernomen zoals het afgelasten van grote evenementen, wie zijn wij dan om het dreigend gevaar te bagatelliseren en te doen alsof er niets aan de hand is? Mij zie je in ieder geval niet meer in een restaurant, een bioscoop of café.  Vanaf nu doe ik m’n boodschappen online.  Als ik dan toch genoodzaakt ben om in publiek te komen, loop ik met een grote boog om mijn medemens heen. Geen kusjes, geen handjes, en als ik thuis kom van eender waar, was ik mijn handen minstens twee minuten met ontsmettende zeep. Ben ik gestoord of verstandig? Moeten we doen of het er niet is?  Begon het in Wuhan ook niet klein?  Gewoon met enkele mensen die het virus hadden?  In Noord Italië zijn ze nog steeds op zoek naar die ene eerste, die verantwoordelijk is voor honderden- en zometeen duizenden besmettingen.  In Duitsland, vlak over onze grens, verdubbelde het aantal besmettingen in nog geen dag. Niet elke drager van het virus wordt ziek en niet iedere drager is bewust van besmetting. Onze vijand kan vrij woekeren. Dit is de harde realiteit. Het is een Russische roulette. Het is onmogelijk om te voorspellen wie er ziek van wordt, wie er dood aan gaat, of wie gewoon herstelt. Velen zullen het overleven en gezond blijven. Toch is er die angst. Ongezonde angst of realistisch bewustzijn? Als er oorlog uitbreekt kan niemand er omheen. Dan is het duidelijk wie de vijand is en waar hij vandaan komt. Nu is onze vijand ‘under cover’.  Hij infiltreert en besluipt onzichtbaar zijn doelwit. Een nies en een kuch… is hij het, of is het zijn virale familie, Sars, Mers, of onze jaarlijkse Influenza? Ik heb géén idee waar dit virusverhaal naartoe gaat.  Is het een opgeblazen hype of gaat ons leven in de komende zes maanden drastisch veranderen?  Worden we gemanipuleerd door de media of moeten we onze innerlijke stem volgen? Wat is gezond verstand in dit geval? Ik heb geen antwoorden. Van nature ben ik geen bang vogeltje. Maar voor’t eerst ben ik ongerust.

Heidi Schoefs
54 0

Sunparks (3)

Lees hier deel 1 en deel 2 van de Sunparks Saga. Ik sta te kijken naar de grootste verzameling Kyano’s, Shania’s en Dylans die het menselijk oog ooit heeft mogen aanschouwen. Links van me krijst Sky omdat Ashley de opblaasbare donut niet afgeeft. Rechts van me spuwen Jayden, Liano en Iluna zwembadwater naar iedereen die voorbijloopt op de kant. ‘Joy! Joy! Joy!’, weergalmt een echo door het complex. Ik twijfel even of de parkbeheerder ons met propaganda de illusie van plezier in de hersenen probeert te pompen. Maar neen, het zijn de tientallen moeders die tegelijk op hun dochter roepen, waarvan de naam minder uniek blijkt dan gedacht. Ik krijg één meisje in de gaten en stel mezelf de vraag of, als dit neuspeuterende wezentje dat rechtstaand pipi aan het doen is in het kinderbad de verpersoonlijking is van Hope, we er niet beter onmiddellijk mee stoppen op deze planeet. Waar ik ook kijk, overal vertelt informatieve inktversiering op extreem onder- of overtrainde lichamen van volwassenen me de verjaardag en naam van zowat elk kind onder deze koepel. Wanneer je de kleine gezantjes van de duivel uit dit schouwspel wegdenkt, ziet het geheel eruit als een levend portfolio van een tattoo-artiest die z’n dromen is blijven volgen ondanks de Parkinson. Nergens vind je een overtuigender argument van het feit dat er geen tattooshops zouden mogen liggen in een straal van 15 km rond plaatsen waar alcohol geserveerd wordt, dan hier. Ik zie doodshoofden op bierbuiken, blote borsten op behaarde bovenarmen en misvormde dolfijnen over zwangerschapsstriemen. De bovenbilspleettribal, ondanks al vijftien jaar uit de mode, is hier hipper dan ooit. M’n ogen volgen een man die volgekleurd is van kop tot teen en even vraag ik me af of hij Michael Scofieldgewijs het volledige plan en dús de ontsnappingsroute van het park op z’n lijf heeft staan. Eens dichterbij, merk ik teleurgesteld dat het 17 verschillende spinnensoorten en een half serpentarium zijn die z’n lichaam bevolken. Overprikkeld van dit alles, ga ik op zoek naar een plek om tot rust te komen. Achter een plastic oerwoud vind ik de verborgen oase die de oudste parkbezoekers duidelijk al allemaal voor mij ontdekt hebben: de bubbelbaden. Ik stap in een bad waarin het water al flink aan het borrelen is van de luchtbellen. Zitten mee in mijn persoonlijke bubbel voor het komende half uur: vier bomma’s. Nog voor ik mij kan zetten, lonkt de eerste al opvallend naar het doorweekt, drijvend stuk stof vlak naast haar. Blijkbaar gelden de wetten van Benidorm ook hier en leggen we onze handdoek op de plek die we willen reserveren. Ik wurm me met moeite tussen het Aftellen-naar-Alzheimer-clubje en voel meteen iets tegen m’n knie stoten. Het blijkt de linkerborst van Oudje 2 tegenover me, wiens kalebassen het gevecht met de zwaartekracht ergens in 1997 moeten hebben opgegeven. Enkele ogenblikken later voel ik aan de luchtblazer in m’n rug dat de jacuzzi pas nu in gang schiet en vraag ik me af van waar die voorgaande bubbels dan eigenlijk kwamen. De derde bomma, rechts naast me, blijft ongegeneerd staren, ook nadat ik al twee keer oogcontact heb gemaakt. In een poging om onze staarwedstrijd te winnen, geef ik haar m’n obsceenst mogelijke tongbewegingen die ik kan bedenken. Bomma 3 laat zich echter niet van haar stuk brengen. Waar ik niet op had gerekend, was dat Oma 1 tegenover mij duidelijk vatbaar is voor m’n onweerstaanbare avances, al is het niet helemaal duidelijk of ze opgewonden naar me blijft knipogen of een beroerte krijgt. Wanneer ik ook haar tweede borst als de rug van een krokodil naar me toe zie drijven, besef ik dat het tijd is om me uit de voeten te maken. Terwijl ik uit het bad stap, bedenk ik me dat ik Grootmoeder 4 links van me in het voorbije half uur nog geen enkele keer heb zien bewegen. Enkel God en de beveiligingscamera’s weten hoeveel weken het arme mens hier al in het bad hangt. De dag loopt op z’n einde en maakt plaats voor de volgende, die tot aan de bubbelbadbomma’s toe een exacte replica blijkt van de vorige. Het hele weekend waterpret vliegt voorbij als een kip. Maar op zondagavond gebeurt het. Als een fata morgana zien we de uitgang plots voor ons verschijnen en komt het weekend in een stroomversnelling die de enige en saaiste wildwaterbaan ooit ons niet kon bieden. We maken dat we met de auto aan onze microvilla staan en gooien alleen het hoogst noodzakelijke van onze bagage in de koffer. Deuren toe, motor aan en weg ermee! Alsof ons geluk nog niet groot genoeg is, zie ik de Nederlander in de Corsa naar z’n huisje tuffen. Ik dwing hem om de volledige kilometer in sneltempo achteruit te rijden, bedank hem uitbundig met beide middelvingers, volg de rest van de ontsnappingsroute en rijd met de breedste smile ooit in één trek door naar huis.

Hans Verhaegen
60 4

Over "Help, mijn kind kijkt naar porno!"

Het Vier programma “Help, mijn kind kijkt porno” is weer zo’n programma over seks en liefde voor hetero’s (*), alsof homoporno niet zou bestaan of iets vies zou zijn. Seks tussen mensen van hetzelfde geslacht lijkt ook hier weer taboe. Dat taboe, die onzichtbaarheid, begint al op de speelplaats waar flirten, verleiden en een eerste kus gedeeld met iemand van het andere geslacht het normale parcours is, ongeacht je geaardheid, maar daarna stopt het vrijwel voor iedereen die homo is. Althans op diezelfde speelplaats. Zelfs alleen maar flirten met iemand van hetzelfde geslacht is er not done. Deze gevoelens van liefde maar ook van seks zijn totaal afwezig wanneer je jonge homo bent, terwijl de pornotheek voor hetero’s heel compleet en alom aanwezig is in vrijwel elke media. In porno zit lust. Lust om met iemand seks te hebben. Dat is niet anders voor jonge en oudere homo’s. Maar of het nu op televisie, in seksbijbels of in de geschreven media is, telkens weer wordt seks tussen mensen van hetzelfde geslacht vermeden, men gaat het medicaliseren, normaliseren of heteroseksualiseren, terwijl gayporn eigen is aan een hele homocultuur. In het programma zwijgt men in alle talen over homoporno en dat is bedroevend. Voor jonge holebi’s, die ook gevoelens en goesting hebben, zie ik geen enkel rolmodel of representatie van wie je bent of wat je voelt als het over seks gaat. In brave fictieseries die je op tv ziet zijn holebi’s omgevormd tot heteroseksuele homo’s. Promotiefilmpjes of interviews in magazines veranderen daar niets aan. Films als “La vie d’Adèle” en “120 battements par minute” zijn gelukkig een uitzondering maar hebben na hun promotie geen effect meer. Er moet dus meer homoseks komen. En homolust, échte lust. Geen overgeacteerde kus op stijf gesloten lippen. De geschiedenis van homoporno heeft een aparte weg afgelegd en heeft zo te zien nog een lange weg af te leggen. Voor jonge homo’s uit de jaren ’70 van vorige eeuw betekenden de laatste pagina’s van de 3 Suisses catalogus hun seksuele bevrijding. En ook de eerste mannen-Flair uit de jaren ’80, waar een niet onknappe blonde kerel in een schuimbad zat, kon tellen als erotiek voor mannen. Het summum waren “de boekskes” aan de krantenkiosken in iedere grootstad waar je een paar keer nonchalant voorbijliep om toch maar een glimp op te vangen van enkele mannen die seks met elkaar hadden, ook al was een zwarte balk getekend over hun lid. Ik was amper 12 jaar en het voelde als thuiskomen. Voor homo’s is het kijken naar homoporno een bevrijding en een eerste contact van goed gevoel, van dit ben ik. Een herkenning en een erkenning van jezelf als seksueel wezen. Homoporno heeft veel homo’s gerustgesteld in hun diepste zijn en een antwoord gegeven op hun verlangen naar seks. Homoporno bouwt mee aan de identiteit van iedere homoman, terwijl iedere heteroman zijn seksuele identiteit al vanaf de speelplaats ten volle kan vormen. Homoporno is subversiever dan heteroporno omdat de gepenetreerde persoon een man is. Homoporno draagt ook bij tot persoonlijke ontwikkeling van homo’s en stelt ook onze genderrollen in de maatschappij in vraag. Porno maakt deel uit van het leven van iedere homoman. Porno is ook politiek, toen nog niet zolang geleden, in volle aidscrisis, gezegd werd hoe homo’s wel en niet seks mochten hebben. Porno is politiek omdat extreemrechtse partijen het nog steeds hebben over de waarden van traditionele families. Lesbische porno sloopt dezelfde heteronormatieve muren in onze maatschappij. We smijten vandaag nog altijd kwistig met woorden als inclusief en diversiteit, toch maken we keer op keer dezelfde fout. We gieten het allemaal wel in mooie woorden maar we willen het liever niet zien. In die zin heeft “Help, mijn kind kijkt porno” gefaald en paait het allicht enkel de kijkcijfers. Jammer van de gemiste kans van de immer sympathieke Evi Hanssen. Een passage bij jonge én oudere homo’s over homoporno had allicht een andere kijk kunnen werpen op de belevenis van porno voor mensen van wie de maatschappij liever de seksualiteit niet ziet. Die seksualiteit bestaat, die lust, die geilheid. Het experimenteren, het ontdekken. Het zit er allemaal in. Ook die seksualiteit bepaalt de identiteit van een individu. Homo’s hebben dezelfde gevoelens en dezelfde goestingen maar het praten over, het vertonen van of het spreken over homoseks is voor veel mensen en media nog steeds een brug te ver. De regels van het beleven van eigen seksualiteit gelden niet voor iedereen. Zal ik er dan maar mee beginnen? (*) : bij het schrijven van dit artikel is nog maar één aflevering uitgezonden. Navraag bij Evi Hanssen of er ook over homoporno en homoseks wordt gesproken, heeft nog geen antwoord van haar kant geleverd.

Erwin Abbeloos
81 0

Zwaarteman

I   Hij had al twintig zakjes met zaad gevuld en was bezig met de voorlopig laatste. Hij keek naar zijn schoot waar een enkeling was ontsnapt. Hij pakte het zaadje voorzichtig op, bestudeerde het even en liet het vallen in de massa. Nog één kant dichtnaaien en dat was het dan. Hij wist dat zijn plan waanzinnig moet geleken hebben. En misschien was het dat ook. Misschien was hij dat wel, waanzinnig. Maar hij moest iets doen om meester te worden over dat onbehaaglijke gevoel. Het was niet dat hij dacht dat hij hier niet langer thuis hoorde, maar veeleer in zijn eigen lichaam. Het leek hem vreemd, onaangenaam en onherkenbaar. Iedere dag voelde alsof een ongekende kracht zijn lichaam net iets hoger oplichtte. Als een marionet die zonder touwen werd opgeheven: hoofd naar beneden, opgetrokken aan nek en schouders, armen en benen lichtjes geplooid, gewichtloos en wezenloos. Als verlamd, opgehangen in het ijle. Hij wist wel dat het niet echt zo was, maar het voelde wel zo. Hij had zich afgezonderd. In huis opgesloten en lang nagedacht over een oplossing. Zijn zwaartepak zou redding brengen. Dat moest het ook. Naaimachines en patronen waren hem niet vreemd, dus had hij het plan opgevat om het pak zelf te naaien. Het zou zijn lichaam terug voelbaar maken. Mentaal kreeg hij zijn lichaam niet meer aan de grond, dus dan moest het maar fysiek. Hij had urenlang kleine stoffen zakjes genaaid en gevuld met zaadjes en pitjes om ze uiteindelijk met de nodige zorg en precisie te bevestigen op een zelf ontworpen hemd en broek. Het was de enige manier om de wereld te trotseren. De zakjes met zaad gaven hem gewicht. Het hield zijn lichaam bijeen.   II   Op de muur verscheen een zacht silhouet dat ze niet meteen kon thuisbrengen. Het was al zo lang geleden dat de zon haar appartement was binnen gedrongen dat ze vergeten was hoe de koperen ballerina op haar dressoir zich elke lente ontpopte tot een sierlijke schaduwpartij. Ergens in het zuiden van Italië had ze het op een marktje zien staan tussen een houten juwelenkistje en een leren krukje bezet met metalen studs. Ze was op slag verliefd geworden op het kleinood. Hoe sierlijk het postuurtje ook was, het was geen evident stuk om in te pakken. De uitstekende armen en benen maakten het beeld broos. Ze had het ingepakt tussen enkele T-shirts en onderbroeken, hopend dat het niet zou worden verward voor een of ander wapen of de ideale drager voor smokkelwaar. Ondertussen fleurde de kleine danseres al een drietal jaar haar living op en in de lente ook haar muur. Hoewel ze genoot van de eerste lentezon, wist ze niet goed wat doen. Een wandeling in het park misschien of was het nu het moment om terug te beginnen lopen en wat spieren in dat slappe lijf te krijgen? De kans was groot dat ze lethargisch op de zetel eindigde, zappend van het ene scherm naar het andere. Zo was het meestal op zaterdag, tenzij iemand haar uit haar routine wist te halen. Ze ging voor het gemak al even zitten, voelen of de zetel ook vandaag haar luiheid zou aanvaarden. Het was niet alleen de gezelligste plek in huis, maar degene met het beste uitzicht, een blik op de bomenrij en het parkje dat nog net in de linkerhoek van het raam zichtbaar was. Als ze goed keek, kon ze ook bij de buren binnenkijken. Ze had al de vrouw aan de overkant bespied, die elke week haar gordijnen stofzuigde (God weet waarom). Of het jongetje schuin tegenover haar dat het huis rond kroop met een glazen potje waar hij allerlei dingen in verzamelde. Ze vermoedde dat het om insecten ging, maar dat waren speculaties. En dan had je nog de eenzame man op het gelijkvloers die naast de notaris woonde. Och ja, eenzaam, dat wist ze niet, ze had nooit met hem gesproken, maar ze vermoedde dat hij niet de gelukkigste man op aarde was, aangezien ze er nog nooit bezoek had gezien. Hij trok het vaakst haar aandacht. Zeker de laatste dagen. Hij was met iets vreemd bezig. Ze zag het vanuit haar raam. Ze wist wel dat ze haar buren niet mocht bespieden, maar hij was te fascinerend. Ze begreep niet goed wat hij aan het doen was, maar het bleef haar intrigeren. Ze zag hem bezig met kleine rechthoekige zakjes die hij onder een naaimachine doorhaalde om ze nadien traag en zorgvuldig te vullen met kleine bolletjes. Geen flauw idee wat hij er mee van plan was, maar zelfs van veraf leek het een weloverwogen plan. Hij was haar vroeger nooit opgevallen, maar nu kon ze haar ogen niet van hem af houden. Hij keek opzij, haar richting uit. Ze wist niet zeker of hij het door had, maar voelde zich betrapt en vluchtte de keuken in. Genoeg de voyeur uitgehangen.   III   Een irritant, licht hysterisch geschater haalde hem uit zijn concentratie. Hij keek naar buiten en zag enkele voetgangers vluchten voor de regen onder het portaal van de notaris die naast hem woonde. Hij hoorde de stemmen lustig keuvelen over dat verdomde weer, terwijl de auto's de moedige fietsers voorzagen van een grote gulp water. Hij had eerlijk gezegd nooit begrepen hoe mensen van het weer een conversatie konden maken. Het leek hem zo zinloos. Tegelijkertijd maakte het hem jaloers. Praten over niets, denken aan niets, je nergens zorgen over maken. Het water kletste ritmisch verder tegen zijn ruiten. Ook de stemmen ratelden verder, maar het leek allemaal zo ver. Het bracht hem terug naar zijn kindertijd, toen hij zachtjes in de zetel voor tv in slaap viel, terwijl de stemmen van zijn ouders geleidelijk aan niet meer verstaanbaar werden en vervormden tot wollig gesus. Deze verdoezeling van klanken had lange tijd vertrouwd aangevoeld. Eraan terugdenken had hem altijd rust gebracht en een gevoel van gelukzaligheid. Nu was de stemvervorming eerder verontrustend. Hij lag niet in de zetel, sliep niet, was ook niet op weg naar de slaap en toch kreeg hij geen vat op wat hij hoorde. Hij ging rechtop staan en legde zijn oor tegen de muur in de hoop dat alles zou opklaren, de tonen zouden verscherpen en verstaanbaar worden, maar het leverde niets op. Hij voelde zijn adem versnellen. Een lichte paniek maakte zich van hem meester. Hij kreeg zijn ademhaling niet onder controle. Zijn hoofd tolde, zijn handen en voeten tintelden. Zijn ogen ontwaarden de eerste vlekken. Meer vlekken. Zwart. Niets meer.   IV   Ze had het moeilijk om de overbuur uit haar hoofd te zetten. Telkens ze wou gluren naar de overzijde, dook haar geweten op om haar tegen te houden. Het hield echter geen stand. Haar nieuwsgierigheid vertroebelde haar etiquette. Haar ogen gleden voorzichtig naar links, alsof iemand haar nauwlettend in de gaten hield. Het beeld dat ze zag, drong niet meteen tot haar door. De voeten lagen verwrongen aan de tafelpoot. Ze ging dichterbij het raam en bukte om alles beter te zien, maar zag alleen de benen vanonder de tafel uitkomen. Wat er ook was gebeurd, goed was het niet. Ze liep naar de deur, griste haar sleutels mee en rende de trap af. Toen ze het gebouw binnenstapte, was ze even niet zeker of het links of rechts was. Zelfs haar twijfelachtig oriëntatie vermogen zou dit moeten weten. Links dus. Ze bonkte op de deur, maar kreeg geen gehoor. Ze belde bij de buur aan, ook geen succes. Moest ze een ambulance bellen? De politie?   V   Toen hij wakker werd, lag hij op zijn bed gekleed in zijn zwaartepak, getergd door een priemende pijn die een lijn leek te trekken van zijn achterhoofd naar zijn kin. Het was een vreemd neveneffect van zijn dissociërende geest. Ergens tussen bewusteloosheid en bewustzijn had hij zijn nieuw ontwikkelde pak aangetrokken. Of had iemand hem daarbij geholpen? Het was de derde black-out deze week en wijzer werd hij er niet van. Voorzichtig ging hij op de rand van zijn bed zitten en wreef verveeld over zijn voorhoofd. Hij wist dat er er iets moest veranderen. De hoofdpijn, de verwardheid, het geheugenverlies. Het was niet alleen lastig, maar ook verontrustend. Terwijl hij zat, zag hij plots een briefje van zijn schoot vallen. Hij las het. “Ik zag je liggen, je slot is kapot. Sorry.” Helemaal wakker voelde hij zich niet, maar hij liep de keuken in om een glas water te halen. Hij keek uit het raam naar boven op zoek naar zijn buurvrouw. Ze was zoals gehoopt ook naar hem op zoek. Voor hij het goed en wel besefte, nodigde hij haar met een simpele handbeweging uit om naar hem toe te komen.      VI   Zijn stem klonk helder en luid. Het voelde alsof hij voor de eerste keer sinds jaren een woord uitte. Of zelfs voor de eerste keer ooit sprak. Hij had zin om zijn tong over alle letters van het alfabet te laten rollen, maar om haar niet helemaal van de wijs te brengen, vroeg hij simpelweg waarom ze naar hem staarde. Haar wenkbrauwen fronsten. Ze was nog jong, maar het vele piekeren en overpeinzen hadden al twee duidelijke lijnen op haar voorhoofd getekend. Ze was nieuwsgierig, zei ze. Ongerust was juister, dat zag hij. Maar hij knikte bevestigend. “Vanwaar die zakjes?” Vroeg ze. “En hoe kom je aan dat zaad? En die naaimachine? Doe je dat al lang?”. “Te veel vragen”, zei hij. Weer die frons. “Hoe kom je aan dat zaad?” “Dat kan je toch overal kopen”, ze hij. “Ja, maar jij bent bang van mensen. Jij gaat dat niet gewoon kopen.” “Jij bent hier toch?” “Ja, maar ik verkoop geen zaad. En ik ben je eerste bezoek in maanden.” Zijn uitleg over een gepubliceerd zoekertje voor vogelzaad vond ze absurd. “Wie doet dat nu?” Hij keek haar geïrriteerd aan. “Thee?”, vroeg hij. Het was de enige suggestie die in hem op kwam en gepast leek. “Leuk”, zei ze. Hij greep naar de kast waar drie glazen theepotten bestoft stonden te wachten op een bezoeker en haalde uit een lade een rond theebuiltje te voorschijn. Hij vulde het builtje zoals ze vroeger haar grootvader zijn pijp had zien stoppen. Met geduld en een beheerst verlangen plukte hij telkens opnieuw de tabak uit de houten pot, waar ook enkele gedroogde sinaasappelschillen in verborgen lagen, en drukte ze laagje per laagje in de pijpenkop. De geur kwam haar bij de gedachte tegemoet. Net zoals koffie ruikt tabak veel beter wanneer hij zijn nut nog niet heeft voldaan. De laatste strengels thee vielen elegant de theepot in. “Heb je mij op bed gelegd?” ‘’Je vroeg om je pak en ik wist niet goed wat doen, dus heb je er maar in geholpen. Je viel als een blok neer op je bed. Ik staarde om te zien of je ok was. Ik wist niet goed of ik een dokter moest sturen. Ik sta al een uur te nagelbijten.” “Dat kunnen we niet hebben”, zei hij terwijl hij haar een kopje aanbood. Ze dronk, maar wist niet goed wat zeggen. Ze was vooral blij dat ze niemand ongewild had laten sterven. Ze keken elkaar tevreden aan. Er hing geen spanning in de lucht, enkel opluchting. Ze gaf hem opnieuw een briefje. “Iemand om je te helpen”, zei ze. Hij volgde de krullen van de cijfers met zijn wijsvinger en staarde ongemakkelijk voor zich uit. Zijn linker mondhoek krulde omhoog. “Misschien.” Hij kneep in haar hand, maar was te moe om te spreken. Zijn bed riep. Hij ontdeed zich van zijn pak en ging languit neerliggen. Ze nam een laatste slok thee, keek hem nog even aan en trok de deur achter zich dicht.          

Eline Van de Voorde
80 0