Lezen

Geheel gesloten trapten zij in mij rond (B. Schierbeek - De andere namen)

Onderweg waren er de wegen, de omkadering van een landschap dat in mij rond trapte en de gedachten des heden verdwenen kort in mijn maag die zich settelde in dit lichaam: de gedachte ‘eindelijk’ keerde zich nog eens licht om en verdween daarna voor goed. Het was zomer, het zou winter kunnen geweest zijn en de nachten waren warmer dan de dagen die weinig verrassends met zich meebrachten en doch, telkens ik wakker werd, werd alles als nieuw: de abstracties die me aanstaarden uit de muren nieuw, de mensen rondom mij telkens nieuw, de handen waarmee ik greep… een wakker worden dat wel eens nee zei… een gedachte? Eerder een toezegging voor de onwetenden, ik stelde daarmee de nieuwe dogma’s, maar dan ongeschreven.   Geheel gesloten zullen ze wel in mij rondtrappen maar de maat wordt gezet met een toon die geheel gesloten verloren is in zichzelf en alleen op zichzelf bestaat dus en mij de oren toe krijgt zonder geforceerd een ontkenning van het blije te blijken; ik ben een aardmens en ken mijn toebehoren van buiten en de mensen die me dragen ken ik van binnen en geheel gesloten verachten zij mij soms maar ook dat ligt in mijn aard die de rijken aanstaart en de blinden aanstaart omdat ik meer weet van het niet-zien dan zij en de zieken aanstaart omdat ik meer weet van volledig zijn dan zij, zij kunnen volledig zijn maar ik ben een volledig onder- wezen dat altijd onder zal blijven: onder de maat van het leven dat ook wel zwaar is verdwe- nen onder de straal van het zicht dat iedereen heeft op elkaar en de dingen die zingen en de mensen die woekeren in de muren die ik betast met nieuwe handen… slechts een gedachte zou er tussen mij en de ontwaking, een symbiose met het leven waarvan er slechts één écht organisch de verdwenen tijd bezingt. De tijd, van wie ik lethargisch wil zijn zoals Bert al zei, ik die lethargisch de tijd vrijt, die passief de rij mensen bedwing zonder gek te worden zoals iedereen aldoor gek is geworden en de tijd spastisch bedwing zodat ik nieuwe dogma’s schrijf voor een eigen leven dat leeft in arrogantie maar IK BEN VRIJ en dat zingt me goed   AT LAST I AM FREE I CAN HARDLY SEE IN FRONT OF ME   Twijfelt de wanhoop me toe maar ze zit me goed in mijn ruggenwervel die mijn baken van mens-zijn zou kunnen zijn maar het niet is, eerder de bele- ving van het organische dat samenleeft, van het onder-zijn, van de regels die nog geschreven moeten worden maar waar ik al naar leef, de fata morgana die de tijd verspreid over la mélodie du bonheur want alleen in klank slaag ik er nog in te denken.   alles dat verdwijnt dat verdwijnt sprak hij en ver zat hij er niet naast toch zou ik nog enkele keren willen horen naar zijn gedachten in klank een gedachte? nee eerder een uiteenzetting over het zweverige het aangetaste die ik met mijn bloedeigen handen verwerk tot kamer waar ik in huis de muren zijn blauw ik ben blauw de vrienden zijn koud en tijdelijk ik ben vooralsnog voor altijd   Het laat weinig aan de verbeelding over, deze 4x4 die me plooit tot ontkenning van mezelf. Ik laat alles toen buiten mezelf die zichzelf kan zijn in het ijle van de tijd en de kamer plooit zich dubbel op een zucht van mij maar ik heb niet veel nodig om hét te voelen en daarmee bedoel ik dat ik meer volledig ben dan zij dat meer zie in het viriele dan zij dat ik meer een onderwezen zal blijven dan zij en de staat zal blijven geloven in tegenstelling tot zij omdat het accepteren ervan is als een vrolijke bevrijding die ik alleen in dat aanvaarden terugvind. Aanvaarding. Aanvaring. Ontkennen om uiteindelijk te verpletteren onder de blik. De blik die alles aanpast naar zijn ongeschreven formules die het 2D een 3D verkopen op een lens die alles toelaat maar ook de kritiek die meer ziet dan het ongeziene die de politiek ontzet verlaat voor een andere veldslag om dan terug te keren hahaha die het geweld alleen maar wilt maar niet krijgt en de über aanslag is de aanslag op het geweld.     Het geweld buiten deze vier muren is een afval dat altijd buiten zal blijven die altijd buiten zal vrijen die altijd buiten zal steigeren in zijn successen maar ook in zijn afvaart die altijd buiten zal bedreigen maar dus nooit hier binnen die altijd de klank zal blijven van de wereld.   Soms ook ik die de situatie met geweld bespeelt en geheel gesloten mijzelf van binnenuit gewelddadig kapot trapte en de ogen uit krabde tot ideeën van een zicht die geheel buiten zichzelf van binnenuit bestonden en I have decided to take off my eyes from the pain die dus niet van tevoren maar pas achteraf de situatie als fetisj act bestempelde want alles - ook geweld - bestaat uit een obsessief trachten de situatie te veranderen als een perfomance die een act is - niets dan een act - die steeds in herhaling valt maar omdat we het telkens als nieuws zien worden we niets van dat geweld beu en heb ik mezelf achteraf nadat ik mezelf had getrapt en opengekrabt, mijn hart uit gesmeten over de straat en achtergelaten zodat al wie er nu nog liep in de horror van mijn liefde verzonk. Alweer in een fictief zicht dus.

Dries Verhaegen
52 0

Kamperen voor Dummies  (vervolg) Het belang van echte vrienden

Wat is er belangrijker dan vrienden? Vrienden waarop je kunt rekenen! Die je door dik en dun bijstaan en waar je volop plezier mee kunt maken. Zij leerden ons kamperen en alles wat er bij hoort. Hierbij denk ik met heimwee terug naar de vakanties die we met hen doorbrachten. Helaas slaat het noodlot soms toe als iemand van die vrienden komt te overlijden. De wereld van de wederhelft van de overblijvende partner stort ineen. Plots blijft er één vriend over… de harmonie, de samenhorigheid ontwricht. Niemand weet hoe zich te gedragen, te verwachten. Het verdriet is gemeenschappelijk, ongemeen hartverscheurend. Overspoelt door herinneringen snak je naar die dagen van toen maar je kan enkel elkaar troosten. Samen mijmeren naar alle momenten toen we nog met vieren waren.  ‘Weet je nog…’ Automatisch herbeleef je alle mooie momenten, we schateren het uit… terwijl onze harten huilen. Na de overlijdens-ceremonie keert iedereen naar huis om zijn wonden te likken, het gemis een plaats te geven. Tijd heelt alle wonden al blijft het gemis voor immer aanwezig. En je hoopt dat er nog ruimte is voor een hereniging. De drie musketiers zonder Dartagnan.  Plots is er dan dat telefoontje, een berichtje of een uitnodiging op facebook waar je hart sneller van begint te kloppen. In je hoofd vechten blijdschap en ontroering voor de eerste plaats. Toch breekt een gedachte door:  ‘De dood heeft onze vriendschap niet kunnen verbreken!’ Wanneer, waar dat weet ik niet maar we gaan misschien terug samen kamperen om een band te koesteren die soms mooier is dan verwantschap.

Fanny Vercammen
0 0

verdikte tijd

Die dag op de trein tikte de tijd tergend traag voorbij. Er was geen rood sein, geen technisch probleem, geen mensen op het spoor of geen andere trein die voorrang moest krijgen en dus stiefelden we aan een gestaag tempo richting Brussel. Ik zag lege wasdraden en argeloos achtergelaten driewielers, een man in boxershort die lusteloos in zijn ballen dabde, een verzameling van afgedankte frigo’s en wasmachines waar kippen tussen scharrelden, verveelde koeien die onbegrijpend naar me terug staarden. En toch, terwijl de achterkant van het leven als een woeste rivier aan m’n ogen voorbij raasde, verdikte de tijd in de trein tot honing die maar niet van je lepel wil vallen.    Het gebeurde in het vorige station. Een menigte druilerige pendelaars verdrong zich voor de deur, maar niemand van hen kon voorbij aan de immense, zweterige vetklomp die zich als eerste in de wagon neer plofte, naast mij. Als op commando gingen de haren op mijn armen overeind staan.  Ze doorbraken eensgezind en zonder aarzelen de millimeter afstand tussen zijn arm -bloot, donker behaard en bezweet - en de mijne. Schielijk trok ik mijn arm terug en krabde in mijn haar. Daarbij probeerde ik subtiel ook mijn oor te bedekken, om toch maar die zware, hijgende ademhaling niet te moeten horen. De kolos boog zich voorover en opende daarbij zijn benen om ruimte te geven aan zijn pens. Ik wilde elk mogelijk lichaamscontact vermijden, sloeg mijn benen over elkaar en dook verstijfd ineen tegen het raam. Steunend greep hij zijn rugzak en haalde er een van vet doordrongen papieren zak uit. De geur van warme worstenbroodjes die eruit op steeg haalde mijn maag, nog nuchter om kwart over zeven ‘s ochtends, overhoop. Ik dwong mezelf om uit het raam te kijken. Voor het eerst in jaren pendelen vervloekte ik mezelf dat ik geen headset bij had, zodat muziek op zijn minst het geslobber en gesmak uit m’n oren kon verdrijven. Tot twee keer toe verdween de hand opnieuw in de papieren zak. Ik sloot m’n ogen en probeerde me te concentreren op een vluchtplan. Zijn lichaam was echter zo gigantisch in omvang dat ik hem niet zomaar voorbij kon. Het idee hem te moeten aankijken om te vragen of ik er even langs mocht, joeg de rillingen over mijn rug. Ik stelde me varkensoogjes voor, smakkende lippen die glinsteren van het vet, vier kinnen, zweet dat langs zijn slapen naar beneden stroomt. Ik panikeerde bij het idee dat hij niet vóór mij zou afstappen en overwoog de mogelijkheid om desnoods een station verder te reizen. Mijn ene been begon zwaar en dof te tintelen, maar ik kon het andere er niet af nemen zonder de man te raken. Ik verbeet het nu brandende gevoel, overwoog of ik zou afstappen in Brussel Noord, ook als de papzak bleef zitten, of één, desnoods twee haltes verder zou rijden. Hem aanspreken, in zijn gezicht moeten kijken en mogelijk ook moeten aanraken, of nog minstens vijf minuten langer deze kwelling ondergaan?   Ik opende m’n ogen nog voor ik besefte waarom, en werd overweldigd door een plotse invasie van zintuiglijke stimuli. Ik rook een doordringende stank, als van gebakken ui en camembert die te lang in de zon heeft gelegen. Tegelijkertijd zag ik de immense, witgerande zweetvlek die nu vlak voor m’n gezicht zweefde. Ik voelde hoe zijn arm m’n knie raakte in een poging het vettige zakje in het vuilbakje te proppen dat onder het tafeltje hing waar ik me in al mijn afgrijzen aan vastklampte. Pardon, baste de papzak, en daarbij vloog er een restantje van zijn worstenbrood voor me door in de richting van mijn arm die over het tafeltje lag. Met een schok kwam ik overeind. Ik stootte zowel m’n knie als m’n elleboog tegen het tafeltje en kon amper een schreeuw onderdrukken. Pijn schoot door m’n arm en beide benen. Het onder bacteriën en speeksel bedolven stukje vermalen vlees en dierlijk vet dat net zijn grote vraatzuchtige mond verlaten had, belandde op mijn arm, net onder mijn pols. Vol afgrijzen hield ik m’n arm voor me uit en hoewel mijn jas me gelukkig gered had van direct contact met het minuscule, half vermalen etensrestje, voelde ik m’n pols gloeien. Mijn obese buur zat inmiddels terug recht. Hij haalde luidruchtig zwoegend adem, alsof hij zonet een marathon gelopen had onder de Griekse zon in plaats van enkel zijn arm uit te steken naar een vuilbakje. Ik wilde een zakdoekje nemen om m’n mouw proper te vegen, maar mijn rugzak onder mijn zitje was net buiten bereik. Ik strekte mijn arm al uit, maar besefte dat ik zodanig veel opzij moest buigen dat ik niet anders kon dan de dikzak met mijn schouder te raken in zijn derde buikkwab. Bovendien zou mijn neus even ter hoogte van zijn meurende oksel blijven hangen, dus zag ik maar snel van dat idee af. Stiekem veegde ik het voedselrestje aan de zijkant van het zitje voor mij en nam me voor om mijn jasje vanavond onmiddellijk in de wasmachine te steken.    Ik keerde me terug naar het raam en met m’n ellebogen op het tafeltje en mijn vingers nu ostentatief in mijn oren keek ik door zijn weerspiegeling heen hoe we aankwamen in Vilvoorde. Bijna extatisch registreerde ik ‘s mans aanstalten om uit te stappen. De walm van ui en camembert toen hij z’n arm op de hoofdsteun voor hem legde, het gekreun dat hij uitstiet toen hij zichzelf omhoog probeerde te hijsen. Het hijgen toen hem dat niet lukte, de scheet die aan hem ontsnapte bij de tweede poging. Eindelijk stond hij daar, in al zijn logheid, en voor het eerst durfde ik hem aan te kijken. Hij nam zijn rugzak en draaide zich om om uit te stappen, zijn met pukkels bedekte bouwvakkersreet liet hij me na als onvergetelijk adieu.  

Hilde Christens
59 2

De keuze

De hele ochtend volgden we de weg die gelijk liep met de rivier. We -dat zijn de ninja en ik- luisterden naar het getsjirp van de krekels en het brommen van de kikkers en het geschater van de vogels. Het riet danste, net als de takken van de bomen. De zon was koning in een schaduwloos landschap. Zo verging het ons, tot we iemand zagen in de verte.Daar, aan de kant van de weg zat een man op een grote, gladde rots. Hij droeg een strohoed, een vuile tuniek en een gerafelde broek. Langs hem, in het vochtige gras, lag een kano. De man leek diep na te denken. Eens we dichtbij waren, vroeg ik hem waarover.‘Ik heb raad nodig,’ zei hij. ‘Want ik ben radeloos.’Ik zei dat ik geen raad kon geven, omdat ik niets wist. Wel bood ik een luisterend oor aan. Dat aanbod moet hem wel eerlijk geleken hebben, want hij vertelde me zijn verhaal.Ik volgde hem tot tot aan zijn dilemma, zijn kruispunt van keuzes. Toen vroeg hij me nogmaals om raad.Opnieuw zei ik dat ik geen raad voor hem had. Dat raad gevaarlijk kon zijn.‘Ja,’ zei hij. ‘Maar nu ken je het verhaal. Jij kan de kwestie benaderen op jouw manier. Ik vraag je, wat zou jij doen?’Ik dacht na. En opnieuw zei ik dat ik het niet wist. Toen kwam de ninja naast me staan. ‘Je twijfelt of je het juiste doet,’ vertelde hij. ‘En zo hoort het ook. Je kunt niet ver zien, dus bestaat er geen goed of slecht antwoord. Alleen misschien een gehaast antwoord. Maar dat betekend niet dat je moet zwijgen. Vertrouw de man. Vertel hem jouw waarheid.’Ik dacht lang na over de waarheid. Mijn waarheid. Ik was niet eens zeker of ik wist wat waarheid was. Alles kon eindeloos gerelativeerd worden, tot het punt dat het allemaal niets meer uitmaakt.Het begon reeds te schemeren eer ik wist wat ik wist.‘Dan zeg ik ja,’ zei ik uiteindelijk. 'Ga terug naar huis, vraag om vergiffenis en probeer het.'De man knikte, stond op en trok zijn kano tot aan de oevers van de rivier. Toen duwde hij het in’t water. Hij stapte in, nam zijn peddel vast en gleed stroomafwaarts, het schemer in. De horizon tegemoet.‘Is dat dan juist?’ vroeg ik de ninja.‘De waarheid bestaat enkel in het moment,’ zei hij.‘Enkel nu kan je juist zijn, als je het tenminste aandurft.’Ik vertelde hem dat ik niet juist of fout wilde zijn. Ik was al tevreden met gewoon te “zijn”.Hij droeg me net op om te kiezen. Iets wat ik nooit eerder had gedaan.

Stelselmatig
0 0

De dag dat de kater verdween

De dag ontwaakt en kondigt zich zacht en zomers aan, Stefano kijkt door het keukenraam naar de zon die langzaam omhoog klautert en het water in de fjord een zilveren glans schenkt. Vandaag zal hij eerst geconfronteerd worden met de verdwijning van Ziggy, de kater van het gezin. Wanneer de dag op zijn einde loopt zal hij bericht krijgen dat ook zijn moeder verdwenen is. Voorlopig is er nog geen vuiltje aan de lucht, goedgeluimd fluit Stefano een zelfverzonnen deuntje wanneer Martha vrolijk de keuken komt binnengehuppeld. Zijn vrouw Hilde is al naar het werk en het is Stefano’s taak om hun zesjarige dochter aan te kleden en naar school te brengen. Zoals steeds staat het ontbijt al klaar op het aanrecht: een grote kan koffie, een fles melk, enkele sneden brood, boter, beleg en twee stukken fruit. Ernaast staat de kanariegele broodtrommel van Martha vrolijk te blinken tot ze in haar rugzakje kan verdwijnen. Voor ze zelf aan de ontbijttafel kunnen plaatsnemen, moeten Martha en haar vader elke morgen hun ongeduldig miauwende kater van ontbijt voorzien. Maar vandaag schudt Martha wel vijf minuten lang met de zak kattenbrokken zonder dat Ziggy komt opdagen. Martha’s glimlach verdwijnt en een eenzame traan glijdt aarzelend over haar wang. Stefano probeert zijn dochter gerust te stellen: ‘Ziggy komt heus wel terug, hij heeft vast een mooi kattinnetje uit de buurt op het oog, die moet hij eerst zien te versieren en dan pas kan hij zijn brokjes komen opeten.’ ‘Echt papa, zou Ziggy verliefd zijn en straks thuiskomen met een vriendinnetje?’ ‘Dat denk ik wel, maar nu mag jij eerst je boterhammen opeten zodat we niet te laat op school komen.’ In de auto op weg naar school is Martha stiller dan anders. Stefano maakt zich voorlopig weinig zorgen over de kleine verstoring van hun ochtendritueel, hij is ervan overtuigd dat de speelse kater snel terug aan de achterdeur zal verschijnen. Hij levert Martha veilig aan de schoolpoort af en doet nog enkele boodschappen. Thuis ruimt hij de ontbijttafel op en steekt de borden, het bestek en de tassen in de vaatwasser. Daarna installeert hij zich op het terras met een tas koffie en de krant. Weinig nieuws onder de zon, hij sluit zijn ogen terwijl de pianoklanken van jazzpianist Dave Brubeck zijn oren vullen. Hij zweeft een uurtje rond in het niemandsland van de lichte slaap. Als hij wakker komt staat de zon al hoog aan de hemel. In de keuken maakt hij een snel pastagerecht klaar. Tijdens het eten realiseert hij zich dat Ziggy nog altijd niet terug is. Een vaag gevoel van onrust borrelt op en hij besluit de kat te gaan zoeken. Hij wandelt door de residentiële woonwijk waar ze nu al bijna negen jaar wonen, speurt in kleine steegjes en roept af en toe de naam van de verdwenen kater. Ziggy is nergens te bespeuren. Stefano is een rasechte Napolitaan die al van kindsaf droomde van een leven als muzikant. Hij studeerde piano aan het conservatorium van Napels en ontwikkelde zich als een degelijk en gedreven jazzpianist. Als jonge twintiger reisde hij de wereld rond, eerst speelde hij in diverse jazzclubs in de Verenigde Staten. Hij trok van Los Angeles naar New Orleans, woonde een tijdje in Chicago en probeerde door te breken in New York. Het was de meest opwindende periode uit zijn leven, maar hij kon er nauwelijks van leven. Hij gaf toe aan de roep van het geld en koos voor een leven als pianist op verschillende luxe-cruiseschepen. Op één van zijn ontelbare zeereizen, nu zo’n vijftien jaar geleden, leerde hij Hilde kennen. Hij was toen net dertig geworden, zijn hele leven draaide rond de piano en speelde zich af aan boord van de meest luxueuze schepen. De zeldzame vakanties, korte onderbrekingen tussen de verschillende cruises, bracht hij door in zijn thuisland. Het was een verademing om de glamoureuze wereld op zee achter zich te laten en terug te keren naar het rauwe, authentieke Napels. Voor een relatie had hij geen tijd, af en toe bracht hij de nacht door in de kajuit van een rijke jongedame tot wie hij zich fysiek aangetrokken voelde, maar hij had nooit de intentie om met één van hen een serieuze relatie op te bouwen. Hilde was een ander verhaal, ze ontmoetten elkaar op de Noordzee, tussen Duitsland en Noorwegen. De zee was ruw die avond, met zijn pianospel probeerde hij de passagiers af te leiden van de deining van de golven. Hilde viel hem meteen op, een prachtige, jonge blondine op de eerste rij, die met ingehouden adem naar hem keek. Na het concert raakten ze aan de praat. Hilde was een Noorse, vijfentwintig jaar oud, ze kwam uit een klein dorpje in het noorden van Noorwegen, studeerde rechten in Oslo en mocht er haar stage doen in een bekend advocatenkantoor. Op het eerste zicht verschilden ze als dag en nacht, maar het klikte meteen. Stefano leerde Hilde kennen als een sterke, onafhankelijke vrouw. Ze fleurde zijn eenzame bestaan op met haar gulle lach en kuste een verborgen verlangen in hem wakker. Nadat ze jarenlang een langeafstandsrelatie onderhielden, gaf hij zijn nomadenbestaan finaal op en vestigde hij zich in Noorwegen. Stefano en Hilde kochten een mooi huis aan de Oslofjord. Ze trouwden en kregen een dochtertje. Op Martha’s vijfde verjaardag kreeg het gezin het gezelschap van Ziggy. De beginjaren waren moeilijk voor Stefano, maar ondertussen heeft zijn leven een vaste structuur gekregen en voelt hij zich goed in zijn rol van echtgenoot en vader. Hilde werkt als advocate in een advocatenkantoor in het centrum van Oslo. Stefano treedt op donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagavond op in een vijfsterrenhotel in de stad en geeft op woensdagnamiddag en zaterdagmorgen pianoles aan jonge kinderen. Na zijn vruchteloze zoektocht naar Ziggy oefent Stefano een nieuw stuk in op de piano dat hij vanavond voor het eerst wil spelen. Hij haalt Martha van school en meteen vraagt ze naar Ziggy. Als hij haar vertelt dat hij nog steeds vermist is, begint ze meteen terug te huilen. Ze is vastbesloten om Ziggy te gaan zoeken en Stefano ziet zich genoodzaakt om, ditmaal met zijn dochter aan de hand, de wandeling van vanmiddag nog eens over te doen. Ook nu is Ziggy nergens te vinden. Stefano haalt opgelucht adem als hij merkt dat zijn vrouw al thuis is. Hilde staat achter het fornuis, kookt de aardappelen en schikt de garnalen en de groenten, die hij vanmorgen in de kleine buurtsupermarkt kocht, zorgvuldig op de borden. Hij kust haar op de lippen, Martha stort zich huilend in haar armen. Hilde beraamt samen met Martha een plan om Ziggy terug te vinden. ‘Mama gaat straks een foto van Ziggy zoeken, we kunnen de foto dan verspreiden in de buurt met ons nummer erbij. Ik ben zeker dat Ziggy snel terugkomt.’ Vol liefde en bewondering slaat Stefano hen gade. Na het avondeten, die ze traditioneel vroeg achter de kiezen hebben, vertrekt hij naar zijn werk. Stefano neemt plaats achter de vleugelpiano in het restaurant, zoals gebruikelijk speelt hij zachte pianomuziek bij het diner. Daarna begeleidt hij een jonge zangeres op de piano in de bar. Iets voor middernacht houden ze het voor bekeken. Hij kleedt zich om en kijkt op zijn gsm, hij heeft vijf gemiste oproepen, twee van zijn zus, drie van Hilde. Hilde sprak een bericht in. Zijn moeder ging vanmorgen inkopen doen op de markt en is ruim een half etmaal later nog steeds niet terug. Wanneer hij, met trillende handen, zijn zus opbelt krijgt hij meer informatie. Ondertussen hebben ze de politie verwittigd, en die doet er, gezien haar beginnende dementie, alles aan om hun moeder zo snel mogelijk terug te vinden. Na een slapeloze nacht belt hij naar zijn vader. Mama is nog steeds niet terug. Hij beslist zo snel mogelijk het vliegtuig naar Napels te nemen. Vlak voor de middag is er een vlucht. Zijn schoonouders zullen zich om Martha bekommeren. Twee maanden vroeger dan voorzien zet hij voet op Italiaanse bodem. Hij neemt een taxi naar zijn ouderlijk huis. Zijn lichaam staat onder hoogspanning, hij heeft geen controle over zijn ledematen. In zijn hoofd klinken onheilspellende pianoklanken. Hij ziet zijn ouders slechts één keer per jaar en hij weet dat ze daar onder lijden, vooral zijn moeder heeft het er moeilijk mee. Hij is haar enige zoon en heeft alles aan haar te danken. Ze leerde hem piano spelen toen zijn vingertjes nog nauwelijks de kracht hadden om de toetsen aan te slaan. Het was de muziek die hen verbond, maar het was ook de muziek die hen uit elkaar dreef. Hij koos voor het buitenland en een avontuurlijk leven op zee. Daarna settelde hij zich in Noorwegen. Nu hij geconfronteerd wordt met de verdwijning van zijn moeder, is het alsof de Etna, na jarenlang stilzwijgen, in alle hevigheid uitbarst en alle opgekropte gevoelens van heimwee naar zijn thuisland en diep gemis uitspuwt. Stefano belt aan, zijn zus doet open. Ze omhelzen elkaar stevig. Papa houdt de wacht bij de telefoon, hij ziet er oud en breekbaar uit. Stefano kust hem op beide wangen, hij voelt de tranen prikken in zijn ogen. Dan vermant hij zich, hij moet sterk blijven, nadenken, Ziggy kon hij niet vinden, zijn moeder moet hij absoluut zien te vinden. Hij dropt zijn bagage in zijn vroegere slaapkamer, die er nog net zo uitziet als vijfentwintig jaar terug, alsof de tijd is blijven stilstaan terwijl hij almaar verder wegging. Stefano wandelt door de stad waar hij zijn kindertijd doorbracht. Hij probeert zich te verplaatsen in zijn moeder, vraagt zich af hoe ze zomaar kon oplossen in deze stad, waar de scooters aan de macht zijn en het wasgoed de smalle steegjes kleurt. Hij snuift de stad op alsof hij er voor het eerst is. Dan krijgt hij telefoon van Hilde. Ziggy is terug. ‘Katten keren altijd terug naar de plaatsen waar ze zich thuis voelen, mama’s doen hetzelfde,’ klinkt het aan de andere kant van de lijn, enkele duizenden kilometers verderop. Plots krijgt hij een ingeving, hij springt op de metro en gaat naar het hotel waar zijn moeder jarenlang de kamers poetste, en waar hij zijn eerste stappen als beroepsmuzikant zette. Als achttienjarige kroop hij er achter de piano om de gasten te entertainen. Toen hij er twee jaar later zijn laatste optreden gaf, speelde hij één nummer samen met zijn moeder aan de piano, een emotioneel afscheidsritueel tussen moeder en zoon. Het hotel kijkt uit op de baai van Napels, waar de avondzon ondertussen het water streelt. Vijfentwintig jaar nadat hij hier de deur achter zich dichttrok heeft het hotel nog niks van zijn grandeur verloren. Hij gaat naar de receptie en legt de situatie uit aan de dame achter de balie, Sofia volgens haar naamkaartje, die hem met haar breedste glimlach ontvangt. Ze scrolt door het scherm en zoekt naar mevrouw Colombo. Hoopvol en gespannen wacht Stefano haar antwoord af. Hij ziet haar blik veranderen, ze schudt langzaam van neen. Stefano voelt zich verslagen, hoe dichter hij bij het hotel kwam, hoe zekerder hij werd dat hij het bij het juiste eind had. ‘Misschien onder haar meisjesnaam, Giulia Greco?’ De zoektocht begint opnieuw, nu klaart het gezicht van Sofia op. ‘Gisteren heeft er een Giulia Greco ingecheckt.’ ‘Welk kamernummer?’ ‘365.’ Nog voor Sofia kan uitleggen hoe hij daar komt, stormt hij de trappen op, liften vermijdt hij meestal, ze moesten maar eens stilvallen. Hij bonst op de deur, het blijft stil aan de andere kant. ‘Mama, ik ben het Stefano.’ Hij hoopt, beeft, begeeft het bijna van de spanning. De deur gaat open, daar verschijnt ze, zijn moeder. Ze draagt een lange, rode galajurk. Haar blik is vurig en verward. Hij neemt haar in zijn armen. Ze is zo dun dat hij bang is haar pijn te doen. ‘Pas op jongen, mijn jurk, we moeten vanavond nog piano spelen, jij en ik.’ Stefano lacht en huilt tegelijk. ‘Dat doen we mama, vanavond spelen we samen piano.’

Ine Moreels
11 2