Lezen

Leven onder zeeniveau

Verdriet is iets wat anderen overkomt. Anderen ver weg, en hopelijk ook de buurvrouw, want statistisch gezien mij dan niet meer. Mijn ongelukje ligt op de sofa, over te geven. Ik wens het de buurvrouw ook toe, maar toen ze vorig weekend de zandzakken in de voortuin aanvulde, roddelde ze nog over Ella-June van hierboven. De generatie met lelijke namen is groot geworden, en ongewenst zwanger. Niet genoeg punten, ge kent dat, zei de buurvrouw samenzweerderig, die nam elke week het vliegtuig, dan moogt ge niet meer he. Nee, dan moogt ge niet meer. De wereld is er enkel nog voor kinderen van ouders die een klimaarneutraal leven lijden - die braaf de zandzakken vernieuwen en weten waarom soja eten alweer erger is dan een kotelet.  Ik had er bijna voldoende bij elkaar gespaard, en toen dronk ik een fles wijn. Gerecylcleerd glas, maar het kind kon niet hergebruikt worden, dus mijn totale saldo werd toch nog negatief. En nu ligt het resultaat over te geven op de sofa, in lakens die al drie jaar stinken, want extra lakens aan de waslijn kunnen alleen maar voor argwaan zorgen.  Ik staar door ramen die net vuil genoeg zijn, maar wel de blauwe flikkerlichten nog reflecteren. Ze stoppen voor het flatgebouw. Ons flatgebouw.   Later, als het kind in de kast zit en ik de pillen al bijna doorgeslikt heb, wordt er niet bij ons aangeklopt, maar bij de buurvrouw. Ze huilt als ze naar de combi geleid wordt - dat ze van haar af moeten blijven, dat ze het recht niet hebben. Een politieman hoont. Alweer een lijf voor hergebruik. Ik haal het kind uit de kast, wieg het tegen me aan. Verdriet is iets wat de buurvrouw overkomt, die haar kind verkoopt aan Ella June maar zichzelf verraadt met een oogopslag tijdens het ophangen van de was. God verdrinkt daarbuiten, maar ik bedank hem toch. Wij zijn veilig.  

Anke Vandoolaeghe
26 0

Ochtendshow

 “Gaan we een spelletje spelen?” In combinatie met zijn puppyblik (move over Puss in boots) is het moeilijk nee te zeggen tegen Lucas, mijn vierjarige zoon. Ik heb echter geen keuze want om 07u10 op een schooldag hebben we andere prioriteiten. Ik sta in mijn kamerjas in de keuken met kilo’s slaap in mijn ogen. Deze avond ga ik écht wel op tijd slapen, mompel ik nog tegen mezelf wanneer ik grijp naar de koffiezet. “Straks jongen, nu gaan we eerst eten,” zeg ik, voor de eerste (maar zeker niet de laatste) keer, tijdens deze traditionele ochtendrush. Alsof ik hem net verteld heb dat zijn kleutertijd voorbij is en hij vanaf nu shiften van 12u in de koolmijnen moet gaan draaien, laat Lucas zich kermend op de grond vallen. Ik stap over hem om te gaan kijken waar zijn zus blijft. Hoewel ze nog maar 8 jaar is, heeft ze zich al volop gespecialiseerd in puberslaapgedrag. ’s Avonds wil ze er niet in, ’s ochtends er niet uit. Net wanneer ik naar boven wil gaan om haar nog eens – heel zachtaardig, dat spreekt voor zich –  te herinneren dat ze moet opstaan, komt Emma slaapdronken de living binnengewandeld. Haren alsof ze net Amerika doorkruist heeft in een cabrio, een lading knuffels onder haar arm.   Wanneer ik de kinderen even later vraag aan tafel te komen negeer ik de kreten van verongelijkheid en begin alvast aan de boekentassen. Eens aan tafel, na slechts twee keer vragen en één keer eisen, ontvouwt het ontbijtgesprek zich zoals gewoonlijk: “Ik heb geen drinken.” (Je ziet toch dat ik volop water aan het inschenken ben?) “Ik wil deze boterham niet.” (Neem dan deze, net niet identieke boterham) “Ik vind dit vleesje niet lekker!” (Exact hetzelfde vleesje waar je gisteren zo van smulde?) “Ik moet pipi doen” (Toen ik het 5 minuten geleden voorstelde hoefde je niet!) “Mama, waarom heb ik vijf vingers aan één hand?” (Euhm… omdat zes te druk zou zijn?) … Het merendeel van hun ontbijt lijkt eindelijk naar binnen gewerkt dus ik stuur Emma alvast naar de badkamer.   Nog een half uur vooraleer we moeten vertrekken.   Ik ruim snel de keuken weer op en steek in de gauwte nog een was in. Wanneer ik in de badkamer kom, word ik getrakteerd op een mini playbackshow. Ze was toch wel ‘vergeten’ dat ze haar tanden kwam poetsen zeker? Ik maan haar aan voort te maken terwijl ik de tanden van Lucas probeer te poetsen. Meewerkend als hij is, duwt hij zijn lippen stijf op elkaar. “Doe het dan zelf” roep ik op het randje van hysterisch en verdwijn naar de slaapkamer. Zoals elke avond dacht ik gisteren om vandaag eens werk te maken van mijn outfit. En zoals tijdens elke ochtendrush haal ik mijn schouders op en trek snel weer een jeans en een trui aan.   Nog 15 minuten!   Terwijl Emma zich aankleedt, probeer ik hetzelfde te doen bij Lucas. “Ik ben een draakje en jij moet mij pakken!” giert hij uit terwijl hij van me wegloopt. “Nu niet Lucas, we moeten op tijd op school zijn!” “Maar ik wil niet naar school! Ik wil een spelletje spelen” Zijn hoofdje zakt scheef en hij steekt zijn onderlip uit. “Straks, na school,” probeer ik hem te sussen terwijl ik op mijn knieën zit en probeer zijn elastieken benen in zijn broek te wurmen.    Hij verliest bijna zijn evenwicht maar gelukkig heeft hij mijn haar nog om zich aan vast te houden nadat hij me eerst nog per ongeluk een vuistslag verkoopt. Wanneer Lucas eindelijk aangekleed is, heb ik het gevoel dat ik een halve marathon gelopen heb. Nog geen tijd voor rust, nog maar 7 minuten!   In de living zit Emma achter haar tablet. Haar arm hangt stil in de lucht, in haar hand de kam. Tijdens het zoveelste filmpje van Dylan Haegens (Dylan wie?) is ze alweer vergeten wat ze aan het doen is. Ze merkt zelfs niet dat ik de kam uit haar handen neem en snel een paardenstaart probeer te maken. Probeer, want blijkbaar is 8 jaar voor mij nog te weinig om me deze ambacht écht eigen te maken. Hoe dichter we komen bij het moment van vertrek, hoe gejaagder ik me voel. “Lucas, doe je schoenen aan! Nee, niet je laarzen, je schoenen! Emma, doe je jas toe. Je fluo niet vergeten! Waarom heb je toch je laarzen aan? Emma, ga maar al naar de auto, hij is al open. Lucas, waar zijn je schoenen naartoe?”   Bloed, zweet en tranen maar het is gelukt, we zitten op tijd in de auto!   “Mama?” klinkt het aarzelend vanop de achterbank wanneer het me na veel binnensmonds gevloek eindelijk gelukt is in te voegen op de drukke baan. “Mmm?” “Ik heb mijn boekentas niet bij….”   En dan is mijn ‘echte werkdag’ nog niet eens begonnen….

MiMa
0 0

Meedogenloos

Kevin keek door het keukenraam, ademde zijn buik bol en zuchtte alle lucht naar buiten. Met de top van de linkerwijsvinger vormde hij zijn initialen in de mistig geworden ruit. Blies dan zijn laatste zwarte gedachte uit en deed daarmee de zonet gevormde letters weer verdwijnen.   Vandaag was de Dag, niemand kon hem stoppen.   Keurige Kevin, het haar strak naar achter, hemd in de broek. De accidentele veeg schoenpoets stond hem goed. Zo ging hij de deur uit. Bestemming: dienst bevolking, loket 2.   “Volgende.” Een kleine vrouw met grote bril leunde over de toonbank. Haar ogen gingen twee verschillende richtingen uit waardoor Kevin even twijfelde. “Jongeman, ik heb niet de hele dag tijd.” "Kevin de Kleine, goe... goedendag. Ik ben hier voor…” “de Kleine… Hm, uw naam staat niet op de lijst. Zonder afspraak, geen behandeling van uw dossier. Ga naar huis, regel een afspraak en kom dan nog eens terug, manneke. Volgende!”   Teleurgesteld droop Kevin af... maar wacht eens. Dit klopte niet. Het scenario kreeg een wending die hij niet begreep. Normaal zou hij het gemeentehuis fier verlaten als Ludo De Grote. Kevin de Kleine was op dat moment al dood. De sterfscène succesvol voltrokken bij de overhandiging van de nieuwe identiteitskaart, terwijl de brilvrouw met ontzag “Proficiat, mijnheer De Grote” had uitgebracht.   Gedreven door een plotse razernij draaide Kevin zich om, schuimbekte “Ik… ben… geen… manneke!” waarop hij een balpen uit een van de houders greep en die met volle kracht in het montuur van de ambtenaar priemde.   De vrouw viel voorover op de toonbank – “Oh-ah” – en nam door het gebroken glas twee schimmen waar.   Haar linkeroog zag Kevin uitgestrekt op de grond liggen.   Haar rechteroog aanschouwde in een waas hoe Ludo triomfantelijk het pand verliet.

mme evil
30 1

Gebakken lucht

Doorgaans ben ik iemand die zich heel weinig stoort aan andere mensen, hun stomme andere-mensen-gewoontes, hun stomme huisstank-meedragende-kinderen en hun stomme levenskeuzes. Ik oordeel niet snel, sta open voor medemensen uit alle lagen van de bevolking en ik roddel niet. Zo heb ik na twee dagen nog altijd tegen niemand verteld hoe ik onze licht mentaal gehandicapte wijkagent om 5 uur ’s ochtends bovenop zijn papiercontainer zag zitten, terwijl hij kreunend een paar liter zure darmlimonade over Het Reklameklokske van vorige week uitstortte. Mij stoort zoiets niet. Leven en laten leven. Ik heb zelfs empathie voor parkeerwachters. Maar wanneer ik compleet onverwacht door een wolk bosbessenmuffin, piña colada of wortelpuree met worst van zo’n onnozele e-sigaret-vape-dampende failure of life wandel, dan kan ik mij niet inhouden om zelf wat stoom af te laten.   Kijk, roken is belachelijk. Probeer mij niet tegen te spreken want je hebt geen been om op te staan. Als we de foto’s op de pakjes mogen geloven, heb je dat straks écht niet meer. Roken is belachelijk, net als alcohol drinken, elke dag 17 Big Macs eten, naar Thuis kijken of tegen 240 over de pechstrook van de Antwerpse ring rijden om een parkeerplek aan ’t Sportpaleis te vinden waar je na de show géén twee uur moet wachten voor je naar tweede kunt schakelen. Maar wij zijn mensen en mensen maken niet altijd de meest rationele keuzes. ’t Zijn er weinig, maar ik heb ook mijn zwaktes. Ik ben bijvoorbeeld té principieel in het bezorgen van mijn vrouw haar orgasme voor ik zelf Heist-centrum wakker brul van uitzinnig genot, om daarna alles nog eens vier keer over te doen, haar een vijfgangenontbijt op bed te serveren en nog snel heel het huis te vullen met rode rozen die ik zelf ben gaan plukken in het meest idyllische, met dauw bedekte bloemenveld van België, twee provincies verder. Verder lust ik ook geen kaas.   Maar als roken belachelijk is – en dat is het – dan is een mp3-speler uit 2002 volgieten met nicotinehoning, opladen via usb en dan casual naar buiten wandelen terwijl je heel ’t straat vol blaast met Luikse wafel-aroma complete wáánzin. Zo moet ik niet meer passief meeroken, zeg je? Aha, we zitten met een health coach, begot! Wil je er dan misschien met dat Nobelprijswaardige medeleven van jou ook even bij stilstaan dat ik mogelijk ook niet actief jouw naar de gft-bak meurende ochtendadem gemixt met Cherry Coke-verstuiver wil inhaleren? Het is echt heel simpel, hoor. Als ik suikerspinnen wil ruiken, ga ik naar de kermis. Wil ik de geur van barbecuevlees opsnuiven, dan fiets ik op de eerste dag van het jaar dat de zon schijnt door eender welke Belgische straat. En als ik een vispannetje van de Lidl over datum onder m’n neusgaten wil, dan spreek ik af met uw obese moeder. Sorry, te gemakkelijk. Zoals uw obese moeder, quoi.   ‘Habemus papam!’ riep ik, toen er weer zo’n wandelende schoorsteen voorbij slefte en een wolkendek van witte rook met pizza Hawaï-geur – HAWAÏ!!! – in mijn gezicht joeg. ‘Ehm, hmphffzz…?’ brabbelde hij, op een manier die je exact verwacht van zo’n defecte dampkap. ‘Da’s Latijn,’ zei ik. ‘Dat betekent dat je eruitziet alsof je een robot aan het pijpen bent en dat ik medelijden heb met elke vrouw die ooit jouw inferieure zaadcellen vol ongeboren dopzuipers, Discovery Channel-stoners en autoradiodieven in haar lijf kreeg.’ ‘Pardon, monsieur. Je ne suis pas sûr d’avoir compris. Vous dites quoi, monsieur ? Est-ce que je peux vous aider avec quelque chose ?’ Ook weer typisch dat ik van al die mensen in Brussel die ene Franstalige aanspreek, hè. Maar ik zweer het je, dat is de laatste keer dat ik mij zo heb laten uitschijten door een.   Nooit gedacht dat ik dit ooit zou zeggen, maar we hebben Frank Deboosere nodig. Je bedoelt dat nichterige karikatuurtje dat al 63 jaar lang elke dag hetzelfde mopje uit z’n onderontwikkelde onderkaak gooit? Die, ja. Geen idee wat hij rookt, maar aan z’n optimisme te zien moeten het de volle tampons van Ingeborg uit haar Blind Date-periode zijn. Als deze overenthousiaste weercoryfee gewoon elke avond een klein segmentje integreert in z’n weerbericht met waar welke naar broccolisoepscheten of Bacardi Breezer stinkende lokale bewolking hangt, dan weet ik waar ik weg moet blijven. En dan kunnen die e-rokende nicotineslaven ook rustig hun lavendelconfituurgeurig ding blijven doen. Leven en laten leven, zeg ik. Ondertussen zal ik, nostalgisch als ik ben, wel genieten van de rook van normale tabaksrokers. Noem mij een purist, maar ik kan mij wel vinden in die eenvoudige, zoete zweem die mij meteen meevoert naar verbrande familiefoto’s, verbrande oorlogsgevangenen en verbrande dromen.   Trouwens, we moeten er niet onnozel over doen. Die Frank is toch echt niet half de man meer die hij was sinds hij die magnifieke moustache heeft afgeschoren, niet? Van stomme levenskeuzes gesproken.

Hans Verhaegen
0 0

Slaapwel

Het laatste wat ik wil, beste lezer, is u vervelen met mijn kwaaltjes. De rug, nek en schouders, de knieën, het geheugen. En dan vergeet ik er nog een paar. Maar omdat het rechtstreeks te maken heeft met dit stukje, wil ik het u niet onthouden. Ik ben geen al te beste slaper. De laatste jaren manifesteert het zich meer en meer. Het begint met het in slaap vallen voor de tv. Kent u dat? Plots wakker worden en dan Goedele Wachters opnieuw zien, die het nog altijd over hetzelfde nieuwsitem heeft. Je denkt dat je even ingedut bent, maar er zijn ondertussen vijf herhalingen van het laatavondjournaal gepasseerd. Een blik op de keukenklok leert je dat het ondertussen twee uur ’s nachts is. Als je dan in bed duikt, staan je ogen net zo ver open als je mond tijdens de jaarlijkse controle bij de tandarts. Van slapen lijkt er niets meer in huis te komen. Zoals nu. Het is weer zover. Ik lig klaarwakker in bed. Ik herinner me plots een interview met Louis Paul Boon, de schrijver. Hij legde ’s nachts wel eens een biefstuk in de pan als hij niet kon slapen. Straf dat hij die altijd in huis had, denk ik nu. Bij mij zou het een rolmops worden. Maar die doet, ook na het opeten, niets dan zwemmen in het midden van de nacht. Trouwens, bij het bakken van een biefstuk moet je de dampkap opzetten. Of de afzuigkap, in mooi Nederlands. Dan maak je iedereen wakker. Van mooi Nederlands gesproken. Met een Nederlandse vriend vergelijk ik wel eens woorden uit ons dialect met dat van hem. Hij woont net over de grens, in Valkenswaard. Altijd lachen. Nog meer als ik in een zin het woord ‘eng’ laat vallen. “Eng? Rudi, dat is niet eng”, zegt hij dan. “Mijn schoonmoeder in een badpak, dat is pas eng.” Het doet me midden in de nacht luidop lachen. Naast me lijkt er iemand wakker te worden. Ik kan beter even stil zijn. Ik neem mijn e-reader, zodat ik het nachtlampje niet moet aandoen. Het is een geweldige uitvinding, dat digitaal boek. En je moet je vingers niet natmaken, bij het omslaan van een bladzijde. Maar het zit me niet mee. De batterij laat het plots afweten. Opladen aan de laptop maar. Och, dan kan ik evengoed dit stukje schrijven. En de krant lezen. De digitale krant, want die komt rond 3 uur ’s nachts online. Daar kan geen postbode tegenop. Maar eigenlijk hoort een mens dat niet te weten, wel? Afijn, ik laat het hierbij, als u dat niet erg vindt. Ik ga het nog even proberen, om de slaap opnieuw te vatten. Slaapwel. En als u ook niet kan slapen, leest u dit stukje maar even opnieuw. En opnieuw.  

Rudi Lavreysen
0 0

De vallingman

"De plaatsen zijn duur", zegt de man tegen zijn vrouw. Ze speuren op het terras naar een vrijstaand tafeltje dat er niet is. Ik bezet op een zonnige dag een tafel met vier stoelen. "Stoort het als we hier aanschuiven?” vraagt hij. “Natuurlijk niet”, zeg ik. In een trein is het normaal dat mensen bij elkaar gaan zitten. Op een terras is het dat nog niet.Aan het tafeltje naast ons zegt een man tegen zijn tafelgenoot: “Heb ik nu toch geen valling zeker.” Ook zonder dat hij het expliciet zegt, is het te horen. Zijn nasale stem klinkt als die van de actrice uit The Nanny, de tv-serie uit de jaren ’90. Ik hoor het hem al bijna zeggen: ‘Oh Mr. Sheffield...’ “Dat is met de verandering van het weer”, zegt de man naast hem. Het is wellicht zijn dokter. Hij heeft meteen een diagnose klaar. “Maar goed dat de zon schijnt”, gaat The Nanny verder. “Dat is goed voor mijn valling.” Zijn dokter spreekt het niet tegen. Maar eigenlijk is het fout. “Dat is goed tegen mijn valling”, zou het moeten zijn. Plots krijgt de vallingman een oproep op zijn smartphone. Het geluid is dat van een oude telefoon. Het klinkt zo luid als het toestel dat we vroeger in huis hadden. Als pa achteraan in de tuin aan het werk was, hoorde hij het nog. En hij hoorde niet al te best. De persoon aan de andere kant van de lijn heeft moeite om hem te verstaan. “Nee, ik heb een valling”, zegt de man. “Het ligt niet aan de lijn.” Omdat hij die zin nog een paar keer herhaalt, telkens luider en luider, kan iedereen op het terras en in de nabije omgeving hem horen. “Het is inderdaad een slechte lijn”, gromt hij tenslotte. “Ik bel wel terug.”  

Rudi Lavreysen
16 0