Lezen

Pedalenspel

Putteke winter. Donker, grauwe, grijze, winter. Onder een dek van lage wolken vormt zich een natte sliert van rode lichtjes die zich als een fluoriserende rups langzaam voortbeweegt. Moe van het pedalenspel starend in de verte. Maffe wereld. Robots, één persoon per auto, doodmoe van een lange dag voor een digitaal scherm. Huiswaarts. Te moe om te koken. Baby van de crèche oppikken, een snelle hap uit de microgolf. Kinderoppas voor een uurtje gym. Lege ogen staren naar reclamespots over fitte lijven. Een snelle douche en naar huis. Rupsenlichtjes, regenvlagen tegen wilde ruitenwissers. Baby slaapt. Niks op tv. Dan nog maar wat werk. Klik het scherm verlicht de kamer blauwgrijs. Te moe. Dan maar  Netflix in bed.  Baby huilt terwijl de wind om het huis giert. Tranende ramen tegen een donkere achtergrond. Geen oog dichtgedaan. Alarm. Flikkerend licht door de donkere kamer. Koffie. Nee eerst de kleine checken. Ze slaapt nog. Koffie. Geen honger. Misselijk van wéér een slapeloze nacht. Een snelle douche. Huilende baby. Dichtslaand portiek. Regenvlagen en slierten rode lichtjes. De baby huilt aanhoudend. Maagpijn. Pijn in het hart. Dichtslaand portiek. Putteke winter. Donker grauwe, grijze winter. Onder een dek van lage wolken vormt zich een natte sliert van rode lichtjes die zich als een fluoriserende rups langzaam voortbeweegt. Moe van het pedalenspel starend in de verte. Maffe wereld. Robots, één persoon per auto, doodmoe van een lange dag voor een digitaal scherm. Huiswaarts. Te moe om te koken. Baby van de crèche oppikken, een snelle hap uit de microgolf. Baby slaapt. Thuis op tv. Daarna nog maar wat werk. Klik het scherm verlicht de kamer blauwgrijs. Te moe. Dan maar  Netflix in bed.  Baby huilt terwijl de wind om het huis giert. Tranende ramen tegen een donkere achtergrond. Geen oog dichtgedaan. Alarm. Flikkerend licht door de donkere kamer. Koffie. Nee eerst de kleine checken. Ze slaapt nog. Koffie. Geen honger. Misselijk van wéér een slapeloze nacht. Een snelle douche. Huilende baby. Dichtslaand portiek. Regenvlagen en slierten rode lichtjes. De baby huilt aanhoudend. Maagpijn. Pijn in het hart. Dichtslaand portiek. Putteke winter. Donker grauwe, grijze winter. Onder een dek van lage wolken vormt zich een natte sliert van rode lichtjes die zich als een fluoriserende rups langzaam voortbeweegt. Moe van het pedalenspel starend in de verte. Maffe wereld. Robots, één persoon per auto, doodmoe van een lange dag voor een digitaal scherm, huiswaarts. Te moe om te koken. Baby van de crèche oppikken, een snelle hap uit de microgolf. Kinderoppas voor het uurtje gym. Lege ogen staren naar reclamespots over fitte lijven. Een snelle douche en naar huis. Rupsenlichtjes, regenvlagen tegen wilde ruitenwissers. De baby slaapt. Niks op tv. Dan nog maar wat werk. Klik het scherm verlicht de kamer blauwgrijs. Te moe. Dan maar  Netflix in bed.  Baby huilt terwijl de wind om het huis giert. Tranende ramen tegen een donkere achtergrond. Geen oog dichtgedaan. Alarm. Flikkerend licht door de donkere kamer. Koffie. Nee eerst de kleine checken. Ze slaapt nog. Koffie. Geen honger. Misselijk van wéér een slapeloze nacht. Een snelle douche. Huilende baby. Dichtslaand portiek. Regenvlagen en slierten rode lichtjes. De baby huilt aanhoudend. Maagpijn. Pijn in het hart. Dichtslaand portiek.  

Heidi Schoefs
0 1
Tip

Niets is wat het lijkt. Relaas van een bijzondere ontmoeting.

Ik woon dicht bij de Scheldevallei, aan de voet van de Vlaamse Ardennen, een regio die erg geliefd is bij fietsers en wandelaars. Met een paar locals verken ik af en toe de streek via wandelpaadjes langs poelen, vijvers, weilanden en bossen. Wandelen vind ik heerlijk: zowel om te genieten van de natuur als van het gezelschap. Zelfs wanneer we zwijgen, zegt de stilte vaak zoveel meer. Stilte vertraagt, zet de mallemolen tussen je oren even on hold en verscherpt je zintuigen.   Afgelopen zondag had ik er weer zin in. Ik vertrok onder een staalblauwe hemel met een stralende winterzon die haar best deed om de lente - veel te vroeg - te verleiden. Deze keer ging ik alleen op pad. Ik pijnigde mijn geheugen om mij de weg te herinneren naar een prachtige vijver, afgeboord met een rietkraag en wilgen. Het kostte mij wel wat moeite want het is een goed verborgen pareltje. Na een paar kilometer zag ik eindelijk de vijver tussen de bomen. Ik genoot van het heerlijke, winterse tafereel. Stil was het zeker niet want ik hoorde de vogels uitbundig fluiten. Ik wist dat er ergens aan de waterkant een kijkhut lag. Na een beetje zoeken, vond ik een kwakkel, houten brugje dat naar de hut leidde. De hut is vooral bedoeld voor vogelspotters. Ik ben absoluut géén vogelspotter. Ik kan met moeite een huismus van een koolmees onderscheiden en ik weet dat een vlieg geen trekvogel is. Tot zover reikt ongeveer mijn ornithologische kennis. Toch kan ik erg genieten van de schoonheid van die beestjes.   Door het natte weer van de afgelopen weken hing rond de zolen van mijn wandelschoenen al een even dikke laag modder en aangestapte aarde. Voorzichtigheidshalve hield ik mij links en rechts vast aan de reling van de brug en stapte voetje voor voetje naar de hut. Ik trok het gammele, piepende deurtje open. Ik dacht onmiddellijk aan het ‘Schurend scharniertje’ van Jos Ghysen, voor wie zich die tijd nog herinnert. Mijn gemijmer stokte al snel toen ik in de hut een oude man zag zitten. Hij keek niet op. Zijn ogen tuurden over het wateroppervlak. Ik twijfelde even of ik rechtsomkeer zou maken, wat ik overigens onbeleefd van mijzelf zou vinden, dan wel of ik zou blijven. Ik koos voor het laatste en schuifelde een beetje onwennig naar het midden van de hut voor een beter zicht op de natuurpracht. Met zijn ene gestrekte wijsvinger voor zijn mond, gebaarde de oude man met zijn andere hand om naast hem te komen zitten. Zijn gehavende handen verraadden noeste arbeid. Zwijgend nam ik naast hem plaats op het bankje. Ik leunde een beetje achteruit. Vanuit mijn ooghoeken sloeg ik hem gade. Hij deed mij denken aan de opa van ‘Heidi uit de bergen’: beetje nors voorkomen, een bruine, velourse broek, een zwarte rolkraagtrui waar een kolonie motten had huis gehouden, een kakigroene jas en een dikke, grijze haardos die om een kapper smeekte. Net zoals de opa van Heidi had hij een grijze baard, onverzorgd. De broodkruimels van deze ochtend kon ik nog spotten ... Voor de rest spotte ik helemaal niets ... Ik tuurde ook over het wateroppervlak. Ik zocht minutenlang tevergeefs naar wat de oude man zo fascineerde. Ik zag water, dode bladeren, riet, waterplanten, ...   Net toen ik voorzichtig weer wilde opstaan, nam hij mijn arm vast en wees hij naar de waterkant. Tussen het riet zat een koppel eenden. “Wilde eenden” fluisterde hij, alsof hij zijn woorden spaarde om geen geluidsoverlast te veroorzaken. “Cool!” dacht ik ironisch bij mezelf. “Het mannetje maakt het hof” fluisterde hij verder. Ik was niet bijster geïnteresseerd in het amoureuze gevogel, diep verscholen in het riet, maar ik bleef toch zitten. De oude man leerde me nog meer over de verliefde vliegbeesten, onder andere dat ik het mannetje, de woerd, kon herkennen aan zijn glanzende groene kop, een witte halsband en een kastanjebruine borst. De vrouwtjes zijn doorgaans donkerbruin. “De winter lijkt soms doods en stil, maar vergis je niet, alle voorbereidingen voor nieuw leven zijn ook onzichtbaar al aanwezig. In het donker ontkiemt immers het zaad” vertelde de oude man. “Wist je dat de Kelten feestten bij de eerste volle maan in november om het toekomstige nieuwe leven te vieren? Dat leven moet eerst kiemen, rijpen in de donkere aarde” ging hij verder. Ik humde eens om duidelijk te maken dat ik naar hem luisterde. Hij zweeg even, zuchtte diep en ging toen verder: “Zo gaat het ook met ons. Ons leven stopt niet bij onze dood, het kent net zoals in de natuur een cyclus.” Het gesprek kreeg plotseling een heel bijzondere wending. Voor het eerst keek ik hem recht aan in zijn glasheldere, blauwe ogen. Ik ken nog iemand met zo’n ogen ... Ik moest slikken bij de herinnering, de herkenning. Hij zweeg weer even maar bleef mij aankijken met een zachte maar toch doordringende blik. “We zijn hier om te leren, om een beter mens te worden, om te groeien, ons verder te ontwikkelen.” Ik was een beetje overdonderd en wist niet wat zeggen, maar ik begreep, ik voelde, wel wat hij bedoelde. Er hing een bijzondere, diepzinnige sfeer in de hut. De stilte was alleszeggend en oorverdovend. Ik hoorde zelfs de vogels niet meer. Ik vergat de woerd en zijn aanwinst. Ik dacht diep na over wat de oude man had gezegd ... Zijn woorden raakten mij.   Plotseling trok iemand de deur open. Ik schrok. De speciale stemming verdween, alsof ze wegvloog en opging in de natuur. Een nette dame van - ik ben slecht in leeftijden schatten - ongeveer 60 jaar stapte binnen. Ze was van kop tot teen uitgedost in een piekfijne wandeloutfit met een berenpoot. ‘Fashionable’ zou mijn oudste dochter zeggen. De dame bleef heel aanwezig in het hoekje van de hut staan. Ze keek me aan met een blik van ‘vertrek nu maar, IK wil nu op het bankje’. De oude man keek ondertussen weer strak en zwijgend voor zich uit. Ik hoopte zo dat de dame weer zou afdruipen. Helaas pindakaas ... Opeens rinkelde luid haar gsm. Het irritante lawaai stond in schril contrast met de natuurgeluiden. Ze nam op en begon met een schelle stem te tateren. De optie om terug naar buiten te gaan, overwoog ze duidelijk niet. En het leek er ook niet op dat het gesprek snel zou aflopen. Ik bedankte de oude man voor het bijzondere gesprek en verliet de hut.   De rest van mijn wandeling was ik verzonken in wat hij mij had verteld over de natuur, het leven en de dood. Waarom vertelde hij mij uitgerekend daarover? Het is toch geen koetjes-en-kalfjes-onderwerp voor vreemden die elkaar nog nooit eerder spraken. Of had ik hem al eerder ontmoet? Was onze ontmoeting geen toeval? Net voor ik de bebouwde kom weer naderde, kwam ik de dame uit de hut weer tegen. Ze leunde op één been tegen de koffer van haar mooie SUV en wisselde haar wandelschoenen voor een proper paar. Ik knikte en vroeg tijdens mijn passage wat ze van de hut vond. “Ik ben niet gebleven. Ik betrouwde die rare man voor geen haar.” Ik knikte nogmaals beleefd en stapte verder. “Je weet niet wat je hebt gemist” dacht ik bij mezelf. Niets is wat het lijkt ... Meestal toch.

Hilde Bours
48 1

Anates Ex Machina

Vergeet de Zapruder tape waarop de moord op Kennedy werd vastgelegd. Vergeet de iconisch geworden beelden van de Boeing 767 vliegtuigen die eerst de ene, dan de andere van de tweelingtorens doorboorden. Die opnames verdwijnen in het niets naast de beelden van de Aankomst.   Iedereen weet waar hij zich bevond en wat hij aan het doen was toen de eerste nieuwsberichten van de komst van de Ufo’s verspreid werden. De gigantische schotels verschenen op twaalf plaatsen tegelijkertijd in het luchtruim: Los Angeles, New York, Buenos Aires, Brasilia, Londen, Parijs, Berlijn, Moskou, Beijing, Seoul, Tokyo, Sidney.   Zien was geloven. Ik zag, maar geloofde niet. Ik wist wel beter. Ik had het idee geleverd voor de projectoren die deze illusies creëerden. Ik had de technologie gebouwd die dit bedrog mogelijk maakte. Ik was medeplichtig aan dit sterke staaltje van fake news.   Ik schreeuwde het uit op mijn website: “Levensechte hologrammen doen Moeder Aarde op haar grondvesten daveren.” Nog geen tien minuten later werd mijn site offline gehaald en was ik vogelvrij verklaard. Gelukkig had ik dit voorzien. Ik koos één van de vele valse identiteiten die ik speciaal voor deze noodsituatie had aangemaakt. Ik dook onder in een bos in een hutje waar de overheid niets van wist. Ik had er alles wat ik nodig had om het verdere verloop van de gebeurtenissen te volgen.   “Wij komen in vrede,” zeiden de aliens.“Wij komen orde op zaken stellen voor het helemaal verkeerd loopt met jullie planeet,”was hun boodschap.   Daar had de mensheid wel oren naar. De komst van de buitenaardsen was de oplossing voor al onze zorgen. Alle wapens zwegen op slag; gedaan met oorlog! Er was sprake van technologie die klimaatproblemen, honger en ander leed uit de wereld zou verhelpen! Geen religieuze twijfels meer: de aliens hadden God gezien; Hij sloeg zowaar een mea culpa voor de eeuwenlange verwaarlozing!   Deze beloftevolle aankondigingen waren zo overweldigend dat kritische vragen onverbiddelijk in de kiem gesmoord werden. Waarom vertoonden de aliens zich enkel aan de presidenten van China, Rusland en de Verenigde Staten? Waarom kozen ze net deze wereldleiders als hun spreekbuis?   Dag na dag arriveerden er nieuwe Ufo's boven de grootste wereldsteden.Activisten waarschuwden mensen op straat: “Als iets te mooi is om is om waar te zijn, is het dat ook.” Dissidenten riepen op onze ogen niet te geloven.Veel succes hadden deze enkelingen niet. Het fake news waardoor de massa alles voor waar aannam wat de leiders van China, Rusland en de VS beweerden, was veel geloofwaardiger dan de cynische werkelijkheid. Wie niet mee ging in de wereldwijde illusie werd opgepakt en afgeschilderd als een gek die geloofde in complottheorieën.Ik zag met lede ogen toe hoe online netwerken van verzet werden afgesneden van het internet. Ik weerstond de verleiding contact te zoeken met mogelijke medestanders. Het kwam er op aan uit de handen van de overheid te blijven en te wachten tot er Ufo’s in het buurt van mijn schuilplaats zouden verschijnen.   Ik wist dat die dag zou komen, en eindelijk kwam die dag. Ik zag mijn kans schoon. Vanuit mijn hutje in het Zoniënwoud kon ik met mijn telescoop vanop veilige afstand het toestel spotten dat een paar Ufo’s boven Brussel projecteerde. Ik wist perfect hoe die machines werkten; ik had er zelf de blauwdrukken voor getekend. Ik nam een GSM die bij geen enkele provider geregistreerd was en opende de app die ik voor dit doel geschreven had. Tot mijn grote vreugde bleek ik met het netwerk van de projector te kunnen connecteren.                                                               ***   Vergeet de Zapruder tape waarop de moord op Kennedy werd vastgelegd. Vergeet de iconisch geworden beelden van de Boeing 767 vliegtuigen die eerst de ene, dan de andere van de tweelingtorens doorboorden. Vergeet de filmpjes van het verschijnen van de Ufo’s bij de Aankomst. Die opnames verdwijnen allemaal in het niets vergeleken met wat de mensheid zag op de dag dat die imposante en machtige Ufo’s één voor één veranderden in reusachtige, maar onschuldige, zwevende, gele badeenden.  

Bruno Lowagie
32 0

het gras van de buren

Ward zat aan de ontbijttafel en las de krant op zijn tablet. Hij veegde kruimels van het scherm. Zij haalde de was uit de trommel en deed ze in een mand. ‘Voer voor de droogkast’ zei ze gelaten.   ‘Doe de verse was maar in de zon vandaag.   Met die hitte zijn ze zo droog’ zei hij zonder opkijken.  Hij las de krant oppervlakkig. Zijn blik gleed diagonaal over de kolommen tot hij aan een krantenkop bleef haken: “Mensen hielden de Sahara tegen”. Terwijl hij een slok koffie nam,  las hij verder en bakte zij een omelet.   Lang geleden was de Sahara nog groen maar toen veranderde de baan  van de aarde en viel er minder regen. De nomaden wisten  hoe ze de grond vruchtbaar konden houden. Als er één biotoop was  dat terrein won, dan was het de woestijn wel. Niets woekerde meer dan zand. Soms had hij de indruk dat hij zelf een nomade was, een kind van de woestijn . Als je er veertig jaar doorheen zwerft  word je een land beloofd. Halfweg het artikel vouwde hij de krant toe.   ‘Mag ik mijn groen hemd?’ vroeg hij.  ‘Straks. Geduld is een schone deugd’ zei ze terwijl ze  met een houten lepel in de pan roerde en de dooier brak. Ward had hemden in meer kleuren en hij koos de kleur die bij de dag en bij zijn bui pastte. ‘Vandaag was een groene woensdag’, besloot hij. ‘Wat is jouw plan?’ vroeg ze. ‘Gras zaaien en regen bestellen.’   Het was juli, de hooimaand en de naam leek niet uit de lucht gegrepen. De voorspelde hittegolf hield al weken aan. Ward schoof het raam open en liep de tuin in.  Het gras was geel, alsof er iemand met een haardroger over ging. Een kwartier later kwam ze buiten met het groene hemd en ze kneep  het vast aan een wasdraad. ‘Jouw omelet staat op de ontbijttafel, mijnheer.’    Het ophangen van was deed hem altijd denken aan een tafereel uit zijn jeugd. Als kind was hij getuige van een misdaad in de wijk.   Zijn oude buurvrouw, die het lef niet had om haar kip te slachten met een mes, hing ze op aan de wasdraad. In het begin had hij daar nachtmerries over, maar geleidelijk bezonk het. Het verschil tussen  het hemd  en de kip was groot genoeg om de herinnering  van zich af te zetten.    ‘Het gras van de buren is groener.’ zei hij terwijl zij de rest van de was ophing.  Het kon ook niet anders. Elke avond werd er gesproeid,  zodat hun tuin wel een moeras in de woestijn leek, zoals de Okavango delta die één keer per jaar overstroomt en alle vogels van Afrika aantrekt. Ward wachtte liever op de regen.  Hij wist dat als je te veel sproeit je het risico loopt dat het gras verbrandt. De druppels worden vergrootglazen  voor de zon. Je mag het gras niet verwennen zodat de wortels dieper moeten en weerbaar worden. Hij sproeide één keer per week en zette dan een lege theekop in het gazon, zette de sproeier aan tot het halfvol was. Dat was de wekelijkse portie regen die hij het gras gunde.    ‘Jij hebt het vaak over de buren’ zei ze licht uitdagend. ‘Heb je iets verloren bij hen?’ ‘Nee, ik vind hun gras gewoon groener. Maar het schaadt ons niet. Wij hebben alles wat zij missen.’ ‘Bluf’ zei ze. ‘Je hebt me door. Ik mag zoiets niet te luid zeggen  of de buurman klimt over de haag om mij aan te vallen.’ ‘Gekke man.’ zei ze met een knipoog. ‘De buurman is gekker.  Dat weet ik zeker. Hij is een wichelroedeloper  met een fobie voor aardstralen. Wist je dat? In geen honderd jaar word ik jaloers op de buurman.’   Ondertussen was het hemd bijna droog. Het kreeg een lichtere tint.  Hij haalde het van de wasdraad en vergeleek het groen van zijn hemd  met het groen van het gras van de buurman.  ‘Mijn hemd wint’ besloot hij nuchter, alsof het ging over een onderzoeksrapport. Hij trok het aan en merkte dat er een schaduw over hem schoof. Hij keek omhoog naar een dreigende wolkbreuk en ging terug naar binnen, aan de ontbijttafel zitten.  

Wim V
0 0