Lezen

Hades aan de lijn.

‘Wat denk je?’, vroeg Jane aan de apothekersassistent. Hij had de klant bediend en was bij haar aan de keukentafel komen zitten. Hij at van zijn bord opgewarmde havermout. Het was ochtend. ‘Ik kan Boris toch niet met een ooglapje laten rondlopen van zodra Yelena dat oog van hem heeft verwijderd? Hij heeft niets van een piraat. ‘Pirates of the Caribbean’ gaat het zeker niet worden.’ ‘Je hebt tegenwoordig heel mooie oogprotheses.’, zei hij. ‘Oh ja? Vertel.’ ‘Iemand van de klanten heeft een oogprothese die meerolt met het andere oog.’ ‘Wauw, dat zoiets kan. Daar wil ik meer over weten.’ ‘Ze bevestigen de oogspieren op een of andere manier aan de prothese.’ ‘En kunnen ze zover gaan dat je dan kunt zien?’, vroeg ze enthousiast. ‘Nu ga je toch wel wat ver, denk ik.’, antwoordde hij. ‘Waar is Bernard, trouwens?’, vroeg ze. ‘Die is hiernaast zijn koffietje gaan drinken en zijn babbeltje aan het doen.’ ‘En nu mag jij de boel alleen runnen? Ik stap maar eens op. Dat wordt dadelijk vast druk. Tot volgende week?’ ‘Nee, dan ben ik er niet. We rijden naar zee. Dat is alweer lang geleden.’, zei hij. Ze liepen allebei naar voor in de apotheek. De deurbel had twee keer gerinkeld. Twee nieuwe klanten stonden al klaar om te worden bediend. Ze nam vlug afscheid. ‘Tot de volgende keer en veel plezier aan zee. Doe Bernard nog de groetjes van me.’ ‘Zal ik doen.’    - - - Jane’s focus was haarscherp. In het stadsdeel waar ze zich ondertussen bevond wilde ze een mogelijke parkeerplaats niet missen. Het oude Brusselse stadscentrum herbergt lege plaatsen voor huizen die de spot drijven met menig chauffeur op zoek naar een autostaanplaats. Een inrit of een voordeur, het is een flinterdunne grens en een ongeoefend oog ziet nauwelijks het onderscheid. De inritten zijn soms zo krap dat je je afvraagt welk voertuig er nog langskan. Dubbele houten poorten die soms een voordeur zijn, dan weer een autoinrit of gewoon ook beide. Om gek van te worden.    Parkeren voor een inrit is natuurlijk dé reden om je wagen getakeld te zien. Ooit had Jane voor een hekwerk gestaan. Door de spijlen heen was er de uitkijk op een prachtige binnentuin. Met veel zorg aangelegd. Het was mei en dat maakt van zelfs de kleinste tuin een paradijs. Een oude rozelaar aan het begin van de binnenkoer stond overvloedig te bloeien. De rozen reikten met hun parfum tot aan het hekwerk en bedwelmden nieuwsgierige passanten die het hoofd door de spijlen probeerden te krijgen om nog meer van dat moois te kunnen opvangen. De zon kon het kleine stukje stadsgroen nog net zo belichten dat het een plaatje leek uit een reisgids. Het had haar zo afgeleid, dat ze geen oog meer had voor de informatie die de eigenaar op het hekwerk had opgehangen. Toen ze terugkwam dacht ze dat haar wagen op klaarlichte dag was gestolen. Niet dus. Hij was getakeld. ‘Stationnement interdit’, las ze nu. Op een terrein buiten de stad kon ze hem gaan ophalen. Eerst de rekening betalen. Die was niet mals. Takelkosten en stalling: honderdvijftig euro. De onoplettendheid had een gat geslagen in het huishoudbudget. Zoiets wilde ze niet nog eens meemaken.   ‘Mijn hemel wat is dit straatje smal.’, dacht ze. ‘Geparkeerde auto’s links en rechts. Halleluja, als ik hier een parkeerplaats vind. Ik zal tot het uiterste mogen gaan om mijn bolide ingedraaid te krijgen.’ ‘Hoe ver ben ik hier in vogelvlucht van de Grote Markt? Honderd meter? En toch geen toerist te bekennen. Wat een heerlijk rustige straat. Geen verkeer, geen pottenkijkers. Dat helpt mocht ik hier een parkeerplaats vinden. Zie ik dat nu goed? Een lege plaats voor die enorme glaspartij van dat oude herenhuis? Het ziet eruit als een winkel. Hopelijk verwachten ze geen levering en hebben ze de plek voor een vrachtwagen geblokkeerd.’ De goden waren haar gunstig gestemd. Zelfs Hades, de God van de onderwereld, die vlug van zich zou laten horen.   ‘Yes’, riep ze enthousiast terwijl ze haar tong oeverloos de es liet slissen tot haar stembanden het geleidelijk aan begaven en ze in een kleine ademnood dreigde te geraken. Heerlijk lang bleef ze genieten van het stukje parkeergeluk dat ze daar had gevonden. Ze stond op nauwelijks vierhonderd meter van de Bozar.   Net op het ogenblik van haar ontdekking reed een auto het smalle straatje in. In haar achteruitkijkspiegel zag ze hem veel te vlug naderen. En alsof dat nog niet genoeg was ontving ze een inkomend telefoongesprek. Ze was erop gebrand om te kijken wie het was. Twee weken geleden had ze op drie interessante vacatures gereageerd en ze verwachtte minstens één uitnodiging voor een gesprek. De wagen achter haar stond binnen de kortste keren op een enerverende afstand. Ze was nog niet eens begonnen met een parkeermanoeuvre. Gelukkig had ze net op tijd haar richtingaanwijzer opgezet. De hitsige chauffeur wist dus dat hij ieder ogenblik een achteruitrijdende auto mocht verwachten. Of ook niet? ‘Kerel, hou toch op. Man. Ben jij er weer zo eentje die denkt dat ie iemand kan wegjagen door geen ruimte te geven? Hup met die klotenwagen van je. Maak maar dat je minstens drie meter van me verwijderd blijft als je dat mooie chroom van je ook zo wilt houden.’   Ze had schoon genoeg van het soort types dat met een dure wagen anderen zat op te jagen. ‘Eikel, dacht je nu echt mij hier te kunnen wegjagen? Je ziet toch dat je die Porsche Cayenne van je hier niet kunt parkeren. Kerel, leer je auto kennen. Jouw wagen is veel groter dan mijne. Veel te groot voor deze plek. Vergeet het dus maar. En als ik die van mij er niet onmiddellijk kan indraaien, neem dan alvast je lintmeter en begin je wagen op te meten. Ik neem mijn tijd. Neem jij maar de tijd om je wagen én de parkeerplaats op te meten. Het zal je leren.’   De beltoon van haar gsm was ondertussen blijven rinkelen. Er was duidelijk iemand die haar graag wilde bereiken. Met een volumeknop op maximum was het aanhoudend gerinkel al even enerverend als de chauffeur achter haar. Terwijl ze de wagen in achteruit zette keek ze hoeveel ruimte ze rechtsvoor nog had opdat ze de geparkeerde wagens niet zou raken. Haar blik kruiste daarbij de console waarop de trillende gsm neurotisch om aandacht lag te vragen. In een oogopslag keek ze op het scherm.   ‘Verrek,’, zei ze. ‘Hades.’

Attendant Moon
0 0

Vergeten Cake

‘Wat gaat ge met dat brood doen?’  Mijn oma kijkt mijn vader bezorgd aan.‘Dat is geen brood, ma. Dat is een cake,’ reageert hij. ‘Als jullie die hier in het rusthuis niet opeten, dan neem ik ze mee naar huis als dessert voor vanavond.’Mijn oma knikt tevreden.‘Moet ge niks drinken?’ vraagt ze dan aan mij. Ze glimlacht, maar in haar blik meen ik toch nog altijd een soort bezorgdheid te ontwaren.‘Neen dank je oma, ik heb geen dorst,’ zeg ik.‘Wat gaat ge nu met dat brood doen?’ herhaalt ze en aait met haar linkerhand de verpakking van de cake.‘Waarom wilt gij heel de tijd discussiëren over die cake?’ Mijn grootvader laat zijn hoofd in zijn handen zakken. ‘Het is toch al beslist dat zij die meenemen. Waarom wilt gij daar altijd op terugkomen?’ mompelt hij.Mijn oma giechelt en kijkt ons ongemakkelijk aan. Ik vraag me af of ze beseft dat ze de dingen niet meer onthoudt. Er heerst blijkbaar ook een totale ontkenning van het concept ‘cake’ in haar hersenen.‘Ziet maar dat ge niet dement wordt,’ zegt mijn grootvader met zijn hoofd nog altijd in zijn handen. ‘Laat het ons op tijd weten als ge iets dergelijks gewaarwordt, dan kunnen we er misschien nog iets aan doen.’‘Daar kunt ge toch niks aan doen pa,’ verdedigt mijn vader mijn oma.Mijn grootvader kijkt op en tuit zijn lippen. Hij weet dat mijn vader gelijk heeft, maar mijn grootvader geeft mensen nooit gelijk. ‘Hoe is het met de bouw van uw huis?’ vraagt hij in plaats daarvan aan mij, mijn vader negerend. ‘Ge moet zien dat ge de juiste keuzes maakt. Eén foute keuze en alles is naar de vaantjes.’Ik knik begrijpend.‘Ge bouwt tenslotte maar één keer,’ voegt hij daar nog aan toe.‘Ik beloof dat ik goed zal nadenken over alles, opa,’ stel ik hem gerust.Mijn grootvader zucht vermoeid.‘Zijt ge moe pa?’ vraagt mijn vader.‘Moe? Neen, wij zijn nooit meer moe. Om zeven uur moeten wij hier al in ons bed. Eten, drinken en slapen. Een mensenleven is ineens lang als ge geen doel meer hebt,’ antwoordt mijn grootvader.‘Ze zorgen hier wel goed voor ons,’ pikt mijn oma in met een positieve noot. ‘Ze komen altijd vragen of we nog eten moeten hebben. Eten dat wij hier hebben! En om drie uur ’s nachts komen ze altijd nog eens kijken of we er nog zijn.’Mijn vader kijkt haar vragend aan. ‘Wordt ge daar dan wakker van?’‘Wij slapen nooit diep, wat wilt ge als ge niet moe zijt,’ repliceert mijn grootvader in haar plaats.Een vriendelijke verpleegster komt de kamer binnen. Of mijn grootouders niet vergeten om naar de eetzaal te komen voor het avondeten.‘Moeten we wéér eten?’ vraagt mij oma bijna wanhopig.In de eetzaal zijn twee verzorgsters in de weer met boterhammen.‘Gaat ge krabsalade eten, Maurice?’ vraagt er één aan mijn grootvader.Hij knikt langzaam.‘En gij ook Lucie? Twee bokes?’Mijn oma kijkt de verzorgster verward aan. Bokes? Dat is een woord dat ze als rasechte Oost-Vlaamse niet kent. Ze trekt het mandje met brood dat voor haar op tafel staat naar zich toe.‘Maurice,’ fluistert ze tegen mijn grootvader, ‘ze zijn de cake vergeten mee te nemen.’

Ans DB
0 0

Smalltalk

‘Dat is niet de lente waar we op gehoopt hadden, hè.’ Of, ‘gisteren de koers gezien?’ Smalltalk hoeft niet moeilijk te zijn. En toch gooi ik er in die benauwde vierkante meter die onze kantoorlift beslaat niks beters uit dan: ‘en wat zijn uw hobby’s zoal behalve verrassend veel oorsmeer produceren en look eten als ontbijt?’   Het is waar. Vanaf ik doorheb dat ik meer dan 30 seconden met een onbekende moet converseren, word ik schichtiger dan Anne Frank op een buitenspeeldag. Als ik nog maar aan een kassa of toonbank arriveer, klap ik dicht als de laptops van de gemiddelde bank om 15.30 uur. Ik zweet mezelf een porie-ontsteking bij het idee alleen al dat ik die ongemakkelijke stiltes moet opvullen met iets wat mij niet doet overkomen als een psycho die – ik zeg maar iets – ’s nachts everzwijnen verkracht en z’n slachtoffers opeet om alle bewijsmateriaal te vernietigen. En voor ik het weet, vraag ik aan de gepensioneerde vrijwilligster in de bibliotheek: ‘hoort gij ook dat kinderstemmetje dat mij opdraagt om dat boekenrek hier over u te gooien?’ Vorige week in de apotheek was het ‘puur informatief, maar voor Rohypnol heb ik toch geen voorschrift nodig, hè?’ En wat ik tegen de vrouw aan loket 2 van de post heb gezegd durf ik hier niet herhalen, maar het was iets met enveloppen likken, een kiwi met de schil opeten en de oksels van Anne Frank als er op de deur wordt geklopt.   Mijn moeder is een meester in het smalltalken. Ze onthoudt hoeveel kinderen je hebt, in welk leerjaar de middelste van de drie zit, welke bloedgroep de jongste heeft en dat de oudste 18 op 20 had op haar toets rekenen... 7 jaar geleden. Ze vraagt hoe het met de gebroken ribben van je grootmoeder gaat, maar zwijgt over het gevecht op de parking van de Lidl dat de oorzaak was. En ze maakt grapjes over de hond van je buren die eruitziet als een eekhoorn met een ego-probleem.   Interesse tonen in het leven van anderen, laat staan hun kindersituatie, is genetisch gezien helaas aan mij voorbijgegaan. Op een goeie dag reproduceer ik de naam van mijn petekind zonder voorafgaande stilte – ’t ligt op het puntje van m’n tong, ik zweer het! – en slik ik net op tijd een goedbedoelde ‘uw moeder’ in tegen m’n collega die twee weken geleden nog een begrafenis moest regelen. 1 - 0 voor baarmoederhalskanker, laat ons zeggen.   Toch heb ik vorige week iemand bezig gezien die op sociaal vlak nog onhandiger was dan je favoriete – en, oké, enige – Heistse columnist. De vrouw in kwestie stapte naar de kassa van de Blokker met een dvd van het 43ste seizoen van De Kampioenen in haar handen. Meestal al een voorteken dat er weinig vruchtbare gesprekken zullen volgen, maar we moeten niet zo snel oordelen. Voor hetzelfde geld koopt ze de dvd voor haar zwaar mentaal gehandicapte zoon – excuses, ik weet niet meer wat dit jaar het politiek correcte woord is voor les handicapés – die zijn enige beetje levensvreugde haalt uit Marcske met zijn scrotum in een molshoop gezogen zien worden. De vraag die zich na deze hypothese natuurlijk onmiddellijk stelt: zijn er überhaupt andere Kampioenenkijkers?   De vrouw was nog maar net begonnen aan haar zin, die volgens mij iets moest worden als ‘zit de dvd in het doosje of moet ik die hier nog krijgen’ en liet daar tijdens het woord ‘doosje’ zo’n oorverdovende, onwelriekende spermaboer dat de pannen van Piet Huysentruyt kletterend van de muur vielen. Nog veel erger was dat ze tijdens haar ‘pardon’ zo’n donderende zaadscheet liet dat de lantaarnpalen voor de winkel uit de grond werden gerukt en er een golf van autoalarmen door onze winkelstraat trok. Daarop is de vrouw in zeven haasten vertrokken, zonder dvd, en dus hoop ik dat mijn veronderstelling over mentaal beperkte Fritsje niet klopt. Ook ik heb mij er rap uit de voeten gemaakt, want heel de Blokker stonk op dat moment naar het zaaltje van de Swingers XXXtravaganza Party in Aarschot om 6 uur ’s ochtends. Ik werd er onpasselijk van.   Het allerergste soort smalltalker, ten slotte, is wat ik noem De Martelaar H/T. Het type dat je gijzelt in een ijzeren kooi en je elke ochtend foltert met buitengewoon oninteressante ‘anekdotes’ waarvan je je polsen binnenstebuiten wilt keren met een dunschiller. Om dat ’s avonds nog eens helemaal over te doen, deze keer mét foto’s van z’n lelijke kinderen erin verweven. Je zal maar vasthangen aan zo iemand waarmee je van Gent-Dampoort tot Brussel-Noord voor de rest van je leven verplicht moet chitchatten voor 54 minuten enkele rit. Of verschrikkelijker nog, iemand die met z’n nuchtere-maag-op-een-koffie-en-twee-sigaretten-na adem jarenlang gepassioneerd blijft ratelen over z’n gecompliceerde darmproblemen. Ontsnappen. Is. Geen. Optie. Denk daar maar eens aan de volgende keer dat je mij tegenkomt en ik oogcontact vermijd als Anne Frank die uit de nachtwinkel wandelt met een gepikte fles rum onder haar rok. Soms zijn ongemakkelijke stiltes er om van te genieten in plaats van op te vullen. Er moesten meer mensen zijn die na een ‘goeiemorgen’ gewoon vriendelijk hun bakkes houden.

Hans Verhaegen
0 0

De supporter

Sommige mensen vergeet je niet snel. Ook al heb je ze maar een half uur gekend. Hij is een gast, net als wij, voor een bed en een ontbijt in de stad. De gastvrouw geeft hem ’s morgens een vriendelijke ‘goodmorning’, die wij even voordien ook hebben ontvangen. “Oh, het is in het Engels vandaag”, zegt hij. “Geen probleem.” Waarna hij zich naast ons aan de ontbijttafel zet.   Het is opvallend, niet alleen onze woordenschat, zoals de afkorting B&B, maar ook de gesproken taal in het hotel- en logeerwezen vertoont alsmaar meer sporen van verengelsing. Hij is een voetbal- en wielerfan. Voor het tweede is hij nu in de stad. “Ze rijden vandaag een belangrijke wedstrijd. Het is de koers voor de tricolore trui”, verduidelijkt hij. “De nationale titel. Ik ben altijd grote supporter van Claude Criquelion geweest. In 1990 werd hij Belgisch kampioen. Daar was ik bij.” “Hij heeft in de Tour heel wat top 10-plaatsen behaald”, zeg ik. “Klopt”, zegt hij. “Vijf keer, met een vijfde plaats in 1986. Veel ritten gezien in Frankrijk. Eigenlijk had hij twee keer wereldkampioen moeten worden. Ik was erbij in 1988, in Ronse, toen die Canadees hem dat lapte in de sprint.”  De naam van de winnaar krijgt hij nog altijd niet over zijn lippen. Hij vertelt het zichtbaar ontroerd. Als hij vermeldt dat zijn held veel te vroeg overleden is, klinkt het alsof hij ook daar bij aanwezig was. Toevallig net op dat moment veegt hij een kruimel uit zijn mondhoek en meteen snel iets uit zijn oog.   Ondertussen supportert hij al jaren voor een andere coureur. Alsof een mens zonder helden toch maar alleen is. Net als de renner zonder supporters. “Je hebt zijn naam niet gevraagd”, zegt mijn vrouw achteraf. “Klopt”, antwoord ik. “Maar misschien vindt hij het niet erg dat we hem herinneren als Claude.”

Rudi Lavreysen
0 0

CENSUUR

Het eens zo gevreesde woord boezemt me niet langer angst in. Het woordje censuur las ik voor de een of andere reden in twee stukken, namelijk ‘cense’, ‘gevoel’ in het Engels en ‘suur’ waarvan ik ‘zuur’ maakte. Bijgevolg: zure gevoelens. Vermits ieder mens fantasie heeft creëerde mijn linker – of is het rechterhelft – van mijn brein een niet al te fraai beeld van de Homini-censura. Een magere man in een donker pak met een brilletje op de punt van zijn neus, een magere vrouw met een streng knotje, smalle mond en het onvermijdelijke brilletje, waarover beiden je rigide aankijken met een blik die doet vermoeden dat hun gevoel voor humor al bij de geboorte geamputeerd werd. Het duo zit aan een  groot bureau waarin een enorme versleten tapijt op de grond ligt, in een donkere kamer, waar het daglicht, angstvallig door  zware draperieën verbannen wordt brandt een felle bureaulamp. Tegenover hen op een krakkemikkelig stoeltje doordrongen met de geur van angstzweet zit de auteur.  Blijkt dat ik dit helemaal verkeerd heb ingeschat. Vergelijk het met politiemannen- en vrouwen in België die  bijna een ceremoniële functie hebben gekregen. Ze hebben wel een wapen maar ojee als ze ermee schieten.  Zoveel  staat er niet meer op het spel. We hebben een open-debatcultuur, voorlichting, psychologen, psychiaters en allerlei mensen die moeilijke thema’s niet langer uit de weg gaan. Integendeel. We omarmen de wetenschap en verbranden vele ‘heilige huisjes’ om de delinquent te vergeven of te begrijpen. We zijn allemaal, of toch bijna, kinderen van de verlichting die niet sidderen voor God of Duivel. Natuurlijk zijn sommige thema’s, weliswaar gezegd of geschreven, zo wansmakelijk dat ze afschuw veroorzaken. Gruwelijke moorden, kindermisbruik, slavernij, uitbuiting, groepsverkrachting, volkerenmoord of vervolging van minderheden. We hebben het allemaal eens gezien, gehoord of besproken. Wie eraan twijfelt zet best het nieuwsbericht op. Er zit ongetwijfeld wel iets naar uw gading bij. U kunt kiezen voor het geschreven of gesproken woord. Wil je zelf iets publiceren  wees dan gewaarschuwd. Wil je het uitgeven? Begin te beven. Ik volg het programma ‘Master chef’ waarin  censuur wordt toegepast op drie koks die het hart uit hun  borstkast rukken tijdens het koken en samen opdienen met  gerechten die ze aan een aantal criticasters in chique kledij voorschotelen. De presentators beoordelen het zelf ook eens zodat er geen twijfel bestaat wie geveld gaat worden door het zwaard van Damocles. Dan worden de ongelukkigen verjaagd uit de tempel des heren met ‘good luck’, een vriendelijk woord. Geef toe het kan onpersoonlijker en onbeschaafder.  Maar ja dat staat niet sympathiek voor de televisiemakers. Nu zit ik in hetzelfde schuitje als de drie koks af te wachten of ik de eindtermen zal halen. Schrijven, het doet iets met je. Die onzekerheid: was ik niet te sarcastisch… To be Azerty of niet?  Censuur bestaat in grove of fijne penselen. Gelouterd ga ik door, of het lot van zovelen op de slushpile delen? Het zwarte pak, het knotje en de strenge blikken zijn nu verdwenen door sympathieke mensen.   De censuur blijft.

Fanny Vercammen
17 0

CENSUUR

Het eens zo gevreesde woord boezemt me niet langer angst in. Het woordje censuur las ik voor de een of andere reden in twee stukken, namelijk ‘cense’, ‘gevoel’ in het Engels en ‘suur’ waarvan ik ‘zuur’ maakte. Bijgevolg: zure gevoelens. Vermits ieder mens fantasie heeft creëerde mijn linker – of is het rechterhelft – van mijn brein een niet al te fraai beeld van de Homini-censura. Een magere man in een donker pak met een brilletje op de punt van zijn neus, een magere vrouw met een streng knotje, smalle mond en het onvermijdelijke brilletje, waarover beiden je streng aankijken met een blik die doet vermoeden dat hun gevoel voor humor al bij de geboorte geamputeerd werd. Beiden gezeten aan groot bureau waarin een enorme versleten tapijt op de grond ligt, in een donkere kamer waar het daglicht door zware draperieën verbannen wordt.  Jij zit tegenover hen op een krakkemikkelig stoeltje doordrongen met de geur van angstzweet. Blijkt dat ik dit helemaal verkeerd heb ingeschat. Vergelijk het met politiemannen- en vrouwen in België die  bijna een ceremoniële functie hebben gekregen. Ze hebben wel een wapen maar ojee als ze ermee schieten .Zoveel moraal staat er niet meer op het spel. We hebben een open-debatcultuur, voorlichting, psychologen, psychiaters en allerlei mensen die moeilijke thema’s niet langer uit de weg gaan. Integendeel. We omarmen de wetenschap en verbranden vele ‘heilige huisjes’ om de delinquent te vergeven of te begrijpen. We zijn allemaal, of toch bijna, kinderen van de verlichting die niet sidderen voor God of Duivel. Natuurlijk zijn sommige thema’s, weliswaar gezegd of geschreven, zo aanstotelijk dat ze afschuw veroorzaken. Gruwelijke moorden, kindermisbruik, slavernij, uitbuiting, groepsverkrachting, volkerenmoord of vervolging van minderheden. We hebben het allemaal eens gezien, gehoord of besproken. Wie eraan twijfelt zet best het nieuwsbericht op. Er zit ongetwijfeld wel iets naar uw gading bij. U kunt kiezen voor het geschreven of gesproken woord. Wil je zelf iets publiceren  wees dan gewaarschuwd. Wil je het uitgeven? Begin te beven. Ik volg het programma ‘Master chef’ waarin  censuur wordt toegepast op drie koks die het hart uit hun  borstkast rukken tijdens het koken en samen opdienen met  gerechten die ze aan een aantal criticasters in chique kledij voorschotelen. De presentators beoordelen het zelf ook eens zodat er geen twijfel bestaat wie geveld gaat worden door het zwaard van Damocles. Dan worden de ongelukkigen verjaagd uit de tempel des heren met ‘good luck’, een vriendelijk woord. Geef toe het kan onpersoonlijker en onbeschaafder.  Maar ja dat staat niet sympathiek voor de televisiemakers. Nu zit ik met dezelfde angsten als de drie koks af te wachten of mijn grammatica, woordenschat, verouderd taalgebruik, komma’s en aanhalingstekens de eindtermen halen. Schrijven, het doet iets met je. Was ik niet te sarcastisch, te bout of onbeschoft, interessant of niet?  Censuur bestaat in grove of fijne penselen. Ga ik door, of moet ik het lot van zovelen op de slushpile delen? Het zwarte pak, het knotje en de strenge blikken zijn nu verdwenen door sympathieke mensen. De censuur blijft.

Fanny Vercammen
0 0

Puberale schromantiek

Het eerste jaar. Mijn eerste relatie heeft niet lang geduurd. Eén nacht om precies te zijn. Geen one-nightstand, dat begrip werd pas een jaar of tien later geïntroduceerd. Nee, ik heb het over de nacht waarin de junior versie van mezelf, ongeveer een jaar of dertien oud, zich slapeloos overgaf aan de euforie van een pas ontloken liefde. Pieter had ja gezegd.  De eerste schooldag van het eerste jaar middelbaar. Nadat het luidruchtige tienergeweld in klassen was onderverdeeld en de meute netjes naar hun klaslokaal schuifelde, zag ik hem. Pieter. De adonis van klas I6, de god van de economie-wiskunde, de held van het voetbalveld. Na zijn vroege groeispurt en opvallend smetteloze huid stak hij letterlijk en figuurlijk boven de doorgaans pukkelige puberjongetjes uit. Ik had niet veel nodig om verkocht te geraken. Ik zag hem maar af en toe. Op maandag, wanneer we het tweede uur Lichamelijke Opvoeding hadden, wist ik dat hij in het geschiedenislokaal zat. Op de derde rij, aan het raam. Ik zorgde ervoor dat ik, net op tijd, even op mijn tenen liep zodat ik een glimp van zijn blonde kuif kon opvangen. Op vrijdagnamiddag was het pas echt feest. Het wiskundelokaal, waar ik doorgaans lag te schuimbekken van verveling, bevond zich schuin tegenover het aardrijkskundelokaal. Wanneer ik ging dralen rond de vuilbak kon ik nét binnenkijken. Hij zat op de tweede rij in het midden. Na de les probeerde ik mijn buitengaan zo te timen dat we samen door de gang liepen. Of beter: dat ik ergens in zijn buurt kon lopen en hem met argusogen in de gaten houden. Zag ik dat nu goed? Het leek alsof hij terugkeek. Of was hij iets aan het zeggen tegen Thomas, zijn beste vriend? Ik kende intussen de namen van al zijn klasgenoten. Ik hield een logboek bij, waar ik ’s avonds minutieus in noteerde wanneer ik hem gezien had. Hoe hij zich gedroeg. En, het belangrijkste, of hij één of ander teken van herkenning gaf wanneer ik in zijn buurt was. Op de speelplaats verzon ik de meest inventieve smoesjes om mijn trosje vriendinnen toch maar mee te krijgen naar een punt vanwaar ik een goed zicht op hem had. Dat lukte soms. Alle andere pauzes waren verloren moeite. En toen werd het juni. Zo kwam mijn eerste jaar middelbaar ten einde. Weken lag ik wakker van de naderende zomer. Die eindeloos lange zomer waarin ik Pieter zou moeten missen. Pieter die geen flauw benul had van mijn bestaan. Pieter die, zonder het te weten, al 56 pagina’s lang de protagonist van mijn dagboek speelde. Ik had zijn klasfoto afgeprint en zijn hoofd liefdevol uit de foto geknipt. Het korrelige portret, dat in die tijd meer weg had van een knap staaltje pointillisme, stak ik in een medaillon. Het hoofd van Pieter reisde die zomer overal met me mee. En toch brak september weer aan. En stond ik op een grauwe maandagochtend op het speelplein veronderstellingen en doemscenario’s te maken met mijn vriendinnen. Over de klasindeling, de leerkrachten en de duo’s die aan de schoolbanken gevormd zouden worden. Pieter had ik al lang gespot. Hij was er nog, op het College. Gelukkig maar.Weer gingen de weken voorbij. Weer had ik vakkundig uitgedokterd op welke momenten hij in de buurt was. In de refter werd ik stilaan stoutmoediger en durfde ik al eens onbeschaamd staren naar hem. Tot onze blikken elkaar kruisten en ik me met een rood hoofd terug over mijn boterhammen met smeerkaas boog.   Het begin. Het einde. Ik had mijn geheim gekoesterd als een kostbare schat. Alleen mijn hartsvriendin, die mee was gekomen uit de kleine dorpsschool waar ik zes jaar lang in een veilige cocon had gezeten, wist ervan. Ze was ook op iemand. Uren mijmerden we over onze toekomstige vriendjes. We zouden de perfecte double date hebben, een synchrone relatie uitbouwen en een begrip worden op school. Die populaire daters toch. Wat een prachtige koppels. En iedereen zou jaloers zijn. Het zou niet meer lang duren. Maar toen ging ik in de fout.  De langlauftrip naar Ovifat die we in januari maakten, zou mijn idylle met Pieter voorgoed veranderen. De stralende winterzon had me die dag overmoedig gemaakt. In alle uitgelatenheid door ons gezamelijke zwoegen op het maagdelijk fonkeltapijt van sneeuw, verklapte ik mijn geheim. Aan Els. Terwijl ik sprak, drong de impact van mijn daad plots tot me door. Ik zag de blik van Els. Ik wist dat er iets ging gebeuren.Er zijn twee soorten mensen. Mensen die gewoon zwijgen en meeleven. Maar ook mensen die niet kunnen zwijgen en die, kost wat kost, het heft in handen willen nemen. Onder het mom van een goede daad, maar vooral voor hun eigen vermaak. Els behoorde tot die laatste categorie. Ze had een plan. De rest van het parcours, tot bij de busparking, probeerde ik haar op andere gedachten te brengen. Er hoefde niks geregeld te worden, mijn denkbeeldige relatie met Pieter was volmaakt.Talloze smeekbedes ten spijt, stapte ze met gedecideerde tred op hem af nadat we bij de rij bussen gearriveerd waren. Hij stond net aan een busje Capri-sun te lurken.Ik zag haar enthousiast gesticuleren en wijzen naar mij. Hij keek. Even voelde het alsof ik wegzonk in het sneeuwlandschap. Zijn klasgenoten volgden grijnzend zijn blik.Beschaamd begon ik verwoed te graaien in mijn Kipling rugzak. Toen ik bijna uitgegraaid was, zag ik dat hij nonchalant op me af geslenterd kwam.Els gebaarde naar mijn vriendin dat ze ons alleen moest laten. Ik had vooral als prioriteit ervoor te zorgen dat ik niet als een pudding in elkaar zakte. Toen hij voor me stond, verbaasde ik me over de blonde donshaartjes op zijn bovenlip. Het prille begin van zijn mannenstem. Het was bevreemdend om hem bij me te zien staan, bedacht ik, nog steeds met één hand in mijn rugzak. De busrit terug duurde eindeloos. Els ging in overdrive. Af en toe zag ik geniepige blikken van boven de - met vale hoesjes overtrokken - hoofdsteunen snel terug naar beneden duiken.Eens op school aangekomen, stonden we een beetje rond te draaien. Ik vroeg me af wanneer hij me eindelijk zou kussen. Ongemakkelijk had hij mijn vingers tussen de zijne genomen en gezegd dat hij me morgen terug zou zien. Die nacht sliep ik niet. Ik kon niets anders dan zuchten. Altijd maar zuchten. Mijn buik hield me wakker. Mijn hart klopte in mijn keel. Ik vroeg me af wanneer hij me zou kussen. Hoe tergend traag liep de tijd, de aanloop naar ons weerzien. Stralend liep ik de schoolpoort binnen. Hij had me gezien, maar hij kwam niet meteen naar me toe. Dat vond ik een beetje raar. Ongemakkelijk deed ik alsof ik aan gesprekken deelnam. Intussen observeerde ik elke beweging die hij maakte. Eindelijk slofte hij naar me toe. Zijn ogen stonden ernstig.Wanneer zou hij me nu kussen? Hij kuste me niet.   Ik verbrandde mijn dagboek. De veraste snippers heb ik op een stormachtige onweersdag uit mijn raam laten waaien met Céline Dion, keihard op repeat, als enige getuige van mijn theatrale ritueel. Mijn liefde was gereduceerd tot een regen van zwartgeblakerde papierstukjes, waarop hier en daar nog een vage krul van mijn jongemeisjeshandschrift te ontwaren viel.     Tragische epiloog: Jaren later.  Ik zat op mijn kamer.Mijn moeder riep me, van beneden aan de trap.Er was telefoon voor mij. Een zekere Pieter. Ik herkende zijn stem meteen, al was deze onmiskenbaar mannelijker geworden dan de beginnende-baard-in-de-keel-versie die me destijds van mijn sokken geblazen had.  Hij vroeg me of ik hem nog kende. Ik bevestigde.Sorry dat hij nu ineens belde, na elkaar zo lang niet meer gezien te hebben. Met ernstige stem vroeg hij me:  “Wel…heb jij er ooit al eens aan gedacht om te beginnen met pensioensparen?”    

Ann Joris
8 0
Tip

Het is Robert Anker - Mechelen

Het is Robert Ankers stem die me wakker schudde. Wakker worden deed ik in de vertrekhal, is ook maar een woord. Zo blijven we bezig. De gesprekken die al in je drijven nog onuitgesproken, zo blijven we bezig. Leonie moet al op de toppen van haar tenen gaan staan voor een glimp van de zaal met taal, of noemde ze Justine, zo blijven we bezig. Maar het is een bewijs dat niets zeker is, alleen maar beter dan ervoor, want nu is nu en straks is dan nu. Meer hebben we niet in deze vondst. Dus verzinnen maar.   Ik zie wat taal niet ziet en ben het alweer vergeten. Sporen van handschrift zijn het, eerste mail van mijn emotie die in me gedrukt stond en nu verzonden naar de tong. Kijk uit, hij is geletterd.   Lezen is a) ontdekken b) verwekken   c) leuk want ik woon te Mechelen. Taal vormt het netje dat de buitensporigheden van empathie zou kunnen filteren, maar dit vervolgens niet doet en zegt: in mijn potentieel verveel ik me nooit. En wij maar luisteren. Dat ik vergeet hoe ik heet in de weifelachtig warme literatuur. Waarna ik opsta en mezelf voorstel. Ik ben mijn boek omdat ik heet wie ik denk. Ik denk dat ik groot ben maar daarmee verzet ik nog geen bakens en ben ik al helemaal niet onsterfelijk, want wat zouden we meer willen dan willen? Het lezen blijkt het wezen.   Dan belt moeder: zo is ze nog net geen schrijver. Moeder belt want ik ben een zoon en of ik er niet ben als ze niet belt. Zegt: hoi lust je vanavond alles want als kind wat je nu krijgt. Wat je zoals leest als je nee zegt: Vestdijk en Joyce want je vindt ze waar je zoekt. Neenee moeder, zo werkt dat niet. Ik ken de verkoper door er weer te komen en altijd. Hij kent me want heeft geen keuze en dit is Mechelen     Of de apotheek en de bib in één want dit pakje boeken staat me. Happy days, jij ook moeder. Zie je in de dagen dat ik nee zeg. Haha daar heb je me.   Moeder die ophangt. Ik die de dag in de volgende zin nestel: Ook morgen kan vandaag zijn als je de telefoondraad je hoofd in altijd maar bellen. Kan ik nu nooit eens.   Boek is al uit, next up: Het boek alfa of een Hellevaart. Niet geleerd, wel verknocht als tast op beenmerg. Harder fietsen Dora! Iloveyou maar je bent mijn hier en nu al. Harder fietsen als je me maar vastpakt ach zonder gemaar.   Ik heb niet gehuild toen je niet nee zei en ook niet zei. Doodnormale vriendin wat heb ik je. Dat we zonder elkaar enkel maar alleen net woord.   Nu is nergens maar op het lezen na vertel ik je de wereld in die om onze kant en klare verbinding draait. Dora die belt:   Slik ik de gesloten woorden in komen ze en zo weer de telefoon weg de weg uit naar jou. You but I’m always blue.Nergens zou ik de woorden weer onderuit kunnen halen maar erg gevat - zucht - roep ik haar weer tot leven.   Ze zwijgt me tot mijn naam vergeten maar ik zie de verkoper ook graag omdat ik er altijd.   Harder fietsen. Nu is toen toen er straks dan weer meer is. Dat we elkaar steeds weer naast elkaar zullen lopen en liefst nog draai ik mijn hand rond je naam en draag ik je ook nog eens terug de dag in. (Ik die de dag in de vorige zin in nestel)  

Dries Verhaegen
68 0

Zes uur stipt!

Op weg naar Bernard dacht Jane voor de zoveelste keer aan de onbekende oude man die ze drie weken eerder in haar straat had ontmoet. ‘Moet ik hem nu opzoeken?’, vroeg ze zich af. ‘En hoe pak ik dat dan aan? Vind ik zijn naam nog wel terug in mijn smart phone? Het ging ook allemaal zo vlug. Twee keer moest ik hem vragen om rustig zijn naam en adres te geven. Heb ik toen alles wel goed genoteerd? Mijn hemel, wat was hij vinnig op het einde van ons gesprek.’   Jane kon zich niet meer herinneren wat de voor- of achternaam was van de kleine tengere man. De straatnaam waar hij woonde wist ze wel nog. Die kon ze moeilijk vergeten zijn. Het was de naam van de bloem die zich in het voorjaar graag uit de koude en soms nog bevroren grond stampte. Ieder jaar opnieuw, zonder dat ze er iets voor moest doen kwam ze piepen, eerst met donkergroen blad en daarna met een stralend gele glimlach. Haar kelk nodigde bijen en hommeltjes na hun winterslaap uit om zich van haar nectar te komen voorzien. ‘Vanaf 10 graden Celsius vliegen eerst de hommeltjes uit.’, had Jane ooit gelezen. ‘Die wilde beestjes zijn dus veruit nog belangrijker dan onze gecultiveerde bijen. Als er zich al iemand druk maakt over de geleidelijke vernietiging van de mensheid door onze honingleveranciers te vergiftigen, dan zeker nog een kleinere minderheid die zich met de wilde exemplaren bezighoudt. In Jane’s tuin stonden vooral de miniversies van de voorjaarsbloem. Ieder jaar kocht ze reeds bloeiende exemplaren om haar keuken op te fleuren en eens ze hun kopjes lieten hangen en zich geleidelijk aan naar een uitgedroogde fase begaven, kregen de knolletjes een plek in de tuin. Het jaar daarna waren ze in het voorjaar een aangename verrassing voor haar, want waar ze de nieuwkomers had geplant was ze inmiddels alweer vergeten.   De oude man woonde niet ver van haar. Al die tijd was ze niet durven langsrijden. Ze had een aantal mannelijke vrienden en kennissen over hem verteld. ‘Wat moet ik daarmee?’, was de vraag die ze hen één voor één had voorgelegd. Haar man had zich direct na het voorval als eerste erover uitgesproken. ‘Je had hem gewoon moeten laten doodgaan.’ Ze wist niet goed of hij een grapje maakte. Ze was in allerijl vertrokken net voor het avondeten en had met grote stelligheid gezegd, dat het haar ging lukken om op tijd terug te zijn. Ze was een kwartier later dan het afgesproken uur. ‘Hij wil natuurlijk laten merken dat het hem niet zint dat ik te laat ben.’, dacht Jane.   - - -   ‘We eten om zes. Zes uur stipt, hé mama. Als je er niet bent, dan heb je pech. Wij beginnen. Ook zonder jou.’ ‘Mijn hemel’, dacht Jane. ‘Wat een strenge woorden komen er uit dat stukje vlees dat ik ooit heb gebaard. Toen iets meer dan drie kilo en sinds een paar maanden geen tiener meer. Volwassen in aantal lichaamscellen zijn nu ook de ideeën en meningen over tijd zich goed aan het ontwikkelen. Niet filosofisch, maar wel heel belangrijk. Etenstijd. Ze heeft gelijk. Ik moet mijn best doen om op tijd te zijn. Er wordt tenslotte voor mij gekookt.’   Haar dochter’s boodschap was duidelijk, de afspraak eenzijdig gemaakt. Dit was nooit een huisregel geweest die Jane zelf met zoveel branie de wereld had in geholpen. Er kon in dit gezin nogal wat gefreestyled worden. Een vast etensuur was er gedurende jaren wel geweest, dat wel. Misschien zelfs langer dan het ongeluksgetal. Geleidelijk aan was het in hun dagritme gegroeid, verweven met de tijd, totdat het een gewoonte was geworden. Het afgelopen jaar was er aan dat tijdstip gemorreld. Met de kinderen door de week op kot - waarbij er eentje zelfs weken niets van zich liet horen - was een vast etensuur geen heilige koe meer. Verder waren er de vele netwerkogenblikken van Jane her en der te lande die ‘s middags en ‘s avonds - afhankelijk van het precieze tijdstip en de files - beslag legden op het verloop van de dag. Het tijdstip van het avondeten - het samen eten - kon niet altijd meer op een vast uur. ‘Mijn etenstijd verbrokkelt de dag. Ik eet waar en wanneer het me uitkomt. De dag is belangrijker geworden dan de tijd om te eten. Ik snap wel dat ze met mij niet veel rekening houden. Ik doe mijn best om er regelmaat in te houden, maar ik heb nu niet bepaald een alledaags leven of een vast patroon en daarmee leven valt niet mee.’    Voor het jongvolwassen lijf dat tijdens de examenperiode in het ouderlijk huis was komen studeren speelde etenstijd een belangrijke rol. ‘Misschien is regelmaat zelfs een basisvoorwaarde om te slagen.’, dacht haar dochter. Ze werden met z’n allen gekatapulteerd naar de tijd dat het vaste ritme er nog was.   ‘De stelligheid waarmee ze haar boodschap brengt flankeert het tijdsparadigma.’, dacht Jane. ‘Zelf koken op kot lijkt een invloed te hebben op het respecteren van het ogenblik dat er wordt gegeten. Waarom heb ik me eigenlijk al die jaren de moeite getroost om iedereen gezamenlijk rond één tijdstip aan tafel te krijgen?’, vroeg ze zich af. ‘Tijd neemt en tijd geeft. Ik had het gewoon wat meer tijd moeten geven.’   ‘Dat ijzersterke commando zou haar vader hebben kunnen terugbrengen tot een veel korter zinnetje’, dacht Jane ‘We eten om zes’. Dat jonge geweld heeft nog een hele weg af te leggen voor ze haar overtuiging kan vastleggen in een oneliner. Ik hoop maar dat ze die tijd ook zal krijgen. Hoe ze zich zal ontwikkelen, daar heb ik niet veel invloed op. Onze samenleving speelt daarin een veel grotere rol en allerlei nieuwe communicatiemiddelen hebben een veel grotere impact dan we het zelf graag willen toegeven. Ik zal alvast op mijn manier laten zien dat je zonder al die vernuftige dingen georganiseerd en waardevol kunt leven. Ik weet precies hoeveel tijd ik nodig heb om dadelijk mijn taakje af te werken. Zelfs een ouderwets horloge heb ik niet nodig om me daarin bij te staan.’   Haar man stond te koken. De kip werd bepoederd met kruiden en vervolgens zorgzaam in de hete boter dichtgeschroeid. Het zou weer lekker worden. Dat wist ze zeker.   ‘En wie zorgt er voor het eten van de kip?’, vroeg Jane. ‘Morgen is het een feestdag en overmorgen maken ze de brug.’ ‘De eigenaar van de winkel wil natuurlijk zoveel mogelijk verkopen.’, dacht Jane. ‘Liefst op een feestdag ook, als niemand - behalve het verkooppersoneel - moet werken.’ Het handjevol graan dat er nog restte, leek haar niet voldoende om er een dag mee door te komen. Het risico dat het tuincentrum toch de deuren zou sluiten wilde ze niet lopen. Het was inmiddels juni. Nog wel een interessante maand voor menig tuinier, maar winstcijfers bepalen alles, niet de noden van een gepassioneerd tuinliefhebber of de gewone man. Aangezien ze geen inzage had in de boekhouding van de winkel, trok Jane er op uit. Ze gritste haar jas en handtas en reed met haar wagen - net iets sneller dan toegelaten - de doodlopende straat uit. Haar focus weerhield haar niet om even verderop links van haar een oud mannetje langzaam te zien stappen.   ‘Wat strompelt dat mannetje op het voetpad.’, dacht Jane. ‘Zou hij gedronken hebben?’  Ze reed iets langzamer en zag dat het zeker geen dronkemansgang was. ‘Wat maakt het ook uit. Dronken of niet. Als hij valt heeft hij recht op hulp. Ik snap niet dat mensen daarover moeilijk doen.’   Het onhandig gesukkel kon je gezien zijn leeftijd wel verwachten. In een straat met een toegelaten snelheid van dertig kilometer per uur, was vijftig rijden een reden om haar rijbewijs ingevorderd te zien. Een sukkelgang die haar toeliet om iedereen die van het station kwam stappen goed te kunnen observeren. Rond dit uur was er altijd veel passage in de lange straat die het treinstation richting Brussel en Leuven met een sociale woonwijk verbindt. Niemand keek naar het oude mannetje om. Het was ook niet zo dat hij dreigde om te vallen. Nog niet.

Attendant Moon
0 0