Lezen

Ingetuind in Vondelpark

De bankjes in het Vondelpark zijn bijna allemaal bezet maar zoals meestal heb ik geluk en staan er net twee mensen op en heb ik het bankje voor mij alleen. Mijn zonnebril doet het werk waar hij voor bedoeld is en ik kan heerlijk naar de paraderende mensen kijken. Het leven is mooi. In de verte komt een ouderpaar aansjokken. De man hangt wat aan de arm van de vrouw. Het lijkt wel of hij blind is. De vrouw kijkt mijn kant op en ze lopen op mijn bankje af. Daar gaat mijn rust. Dag meneer, mogen wij hier bij u komen zitten, vraagt de vrouw vriendelijk. Wat doe ik dan? Ik zeg niet wat ik denk: laat mij even lekker alleen zitten, er is plek zat in het park, waarom juist bij mij. Maar ik zeg, tuurlijk kom er gezellig bijzitten. Ik schuif wat op en ze gaan zitten. Dank u wel meneer. He, he eindelijk even zitten. Het zit namelijk zo. Mijn man is zijn bril kwijt. Nu denkt u natuurlijk, zijn bril kwijt? Hoe ken dat nou. Het zit zo. Me zaten in de tram en Arie, zo heet mijn man zegt: me hoortoestel doet het niet, dus hij doe zijn bril af. Zijn bril af? U bedoeld zeker zijn hoortoestel. Nee, ze bril. Dat zit zo. Dat toestel zit achter ze oor onder de bril. Die moet dus eerst af voordat het hoortoestel eruit kan. Afijn. Arie zegt, hier Dientje, das mijn naam, hou jij me bril effen vast. Nu was ik net met een aardige dame aan het praten en zonder erg stop ik hem in de openstaande tas van die dame. Ja daar kwam ik later achter. Ik dach dat het mijn eigene tas was. U wil het toch wel horen? Zonder mijn antwoord af te wachten ratelt ze door. Zoos toch Arie? Ja geloof wel. Sakkerloot, geloof je het wel, dat doe je maar ergens anders, ik vertel de waarheid. Afijn om een lang verhaal kort te maken, Arie is nog steeds met zijn hoortoestel bezig als we eruit moeten. Met het apparaatje in zijn hand gane me de tram uit en dan als de tram weer rijdt merk ik dat de bril niet in mijn eigenen tas zit. Zonder bril is Arie stekeblind. Wat moete me nou. Die bril krijge me nooit trug en me hebbe geen geld voor een nieuwe. Ken u ons misschien helpe? Ze lijken echt zielig. Ik kijk in mijn portemonnee en zie dat er vijfentwintig euro in zit. Oké, ik kan verder vandaag wel pinnen en geef die vijfentwintig euro. Harstikke bedankt meneer. Ze staan op en sjokken verder. Ik zie dat ze in de verte weer op een bankje zijn aangeschoven. Later op een terrasje vertel ik het verhaal aan een Amsterdammer en die begint hard te lachen. Jij bent er dus ook ingetrapt, die oudjes doen dat verhaal altijd en zo halen ze op een dag heel wat geld op. Ze gaan van bankje naar bankje. Mijn biertje smaakt opeens niet zo heel lekker meer.

Bassam Camino
0 0

Spermabank

Het is weer zover: we zitten met een kakkertje! En dan heb ik het niet over een jeugdspelertje bij KV Mechelen. Wel over een tepelbijtende, luiers vol schijtende, kwijlende, reflux- kokhalzende parasiet. Dit exemplaar is een goede 52 cm lang en weegt 3,7 kg. Het staat allemaal netjes op het kaartje dat gisteren in de brievenbus stak. Of ik buiten de witte gestandaardiseerde omslag en de klassieke postzegel, die niet prior was gefrankeerd, nog iets noemenswaardig te melden heb: ? Dan eventueel de overwegend groene achtergrond die een bos voorstelt waarin een kleuter (ik denk een jongen) zich, plitse-pletse, een weg doorheen speelt. Joehoe! Voor een die hard Racing fan zou bij het aanschouwen van deze geboorteaankondiging de titel al binnen zijn. Verder merk ik geen noemenswaardige afwijkingen.   Tien vingertjes en tien teentjes. Meer niet. Wel twee onschuldige oogjes die, vanonder een wollen mutsje met daarin (waarschijnlijk) een punthoofdje, als een hongerig glimwormpje in een onderaardse ziekenhuisgang liggend op de buik van mama worm wachtend op zijn eerste witte glimmelk, recht in mijn gezicht loensen vanaf de haastig getrokken foto die papa worm voor alle andere wormen uit de naaste familie en nabije kennissenkring op zijn facebookpagina heeft gepost.   Kijk wat een leuke houten legpuzzel zegt mijn vriendin die achter mij is komen staan en opgewonden haar favoriete geboortelijstartikelen met vette vingers op mijn computerscherm aantikt. Als we nu eens zoals altijd deden zeg ik en eerst onze chipshanden wassen. Gewoon vijftig euro storten is zo onpersoonlijk zegt zij. Maar goed. Als jij dat wilt is dat voor mij oké.   Ik heb het uitgerekend: tweeëntwintig keer. Tweeëntwintig keer hebben we een geboorte in onze brievenbus ontvangen. Dat betekent in totaal: voor duizendhonderd euro aan papflessen en luiers. Dat is op zijn minst twee weken Costa del Sol of Benidorm. Toch zeker één week Tenerife. Het moet gedaan zijn, onze vrienden- en kennissenkring telt nu genoeg kinderen. Mijn geld is op zeg ik terwijl mijn vriendin nog een schijfje gefrituurde aardappel in haar mond stopt. We kunnen dat niet maken zegt zij. Tradities zijn er om in ere te houden, wij geven altijd vijftig euro. Goed dan zeg ik. Dan ga ik vanaf nu iedere week naar de spermabank. Wat ga je daar doen zegt zij het zout van haar vingers aflikkend.   Ik heb het uitgerekend zeg ik. Vijfenzeventig euro per gevuld potje, handje contantje. En daar bovenop schrijf ik alle koppels voor wiens kinderen wij geld gestort hebben dat ik ook papa geworden ben. En nu serieus zegt mijn vriendin: hoeveel houd je daar echt aan over? Ik heb het nagevraagd zeg ik. Wat afgetrokken is kan niet nog eens afgetrokken worden door de belastingen. Voor mij hoef je vanavond niet te koken er liggen nog zakjes paprika in de snoepkast, dat bespaart je alvast een halve euro zegt mijn vriendin met geveinsde ernst.   Morgenvroeg doe ik alvast een eerste aankondiging op de bus:   Ik ben nog niet geboren en toch ik ben op komst. Ik ben ook niet zoals jullie maar ik ben Anders. Anders Beernaert.   Ja, ik geef al mijn kinderen een naam. En mezelf vijfenzeventig euro!

Sascha Beernaert
13 0

Kids

Ja, het is tegenwoordig gevaarlijk om te zeggen, maar ik hou van kinderen. Wat zeg ik, ik ben er verslaafd aan. Of het hun plakkerige polletjes zijn, dat schattige stukje bovenlip waar zachtgroen snot en Petit Gervais aardbei één worden, of dat verbluffende theatertalent waarmee ze in een nanoseconde van extatisch naar linkerpinkje-afgesneden-met-een-patattenschiller-pijn gaan, ik weet het niet. Maar ik verafgood ze. En aangezien zowel jonge ouders als grootouders stuk voor stuk te bescheiden zijn om hun wandelende melkscheetjes de hemel in te prijzen, ben ik zo vrij om wat reclame te maken in hun naam.   Zie, je hebt twee soorten mensen: mensen mét kinderen en ongelukkige mensen. Ik vertrouw ze voor geen haar, die zaad en eitjes verspillende nietsnutters die bewust geen kinderen willen. ‘Kinderen’ ja, want hen zal je nooit het vrolijke kids in de mond horen nemen. Alsof het hun grijze, doelloze leventje zou besmetten met een portie fun en een met glitters overdekte dosis cuteness. Je herkent ze zo op straat aan hun gemaakte manier van lachend en buggyloos rondwandelen, met hun provocerend uitgeslapen gezicht. Ik kots ervan. Daarom vraag ik elk dertigerskoppel zonder nageslacht bij elke mogelijke gelegenheid of er nog altijd geen broodje in de oven zit. Want kinderen krijgen is het opperste genot en het wordt eens tijd dat ze dat beseffen.   Wanneer ik op restaurant zit en ik hoor zo’n kaboutergroot bundeltje geluk vijftien minuten lang een versie van We Maken Een Kringetje zingen, denk ik ‘godverdomme, wat een schattig ding is me dat daar.’ Nog veel gelukkiger word ik als er plots zo’n hele klas huppelende perzikjes bij me op de trein stapt en je 32 unieke verhaaltjes tegelijkertijd kunt horen. Dan klap ik opgewekt m’n boek dicht en spring ik recht om hen een voor een over hun zachtgewassen donsbolletje te wrijven. Maar als onversneden kinderfanaat moet je altijd oppassen. Niet alle ouders geloven dat je zo’n onvoorwaardelijke liefde voor hun kindjes kunt voelen zonder er iets voor terug te willen. Kennen ze mij nog niet.   De moeilijkste momenten zijn die waarop ik niet in de buurt van kinderen kan zijn. Bijvoorbeeld als ze ‘s middags slapen. Dan klamp ik de eerst voorbijkomende verse mama of papa aan en smeek ik hen te babbelen over hun kids om de tijd te overbruggen tot hun kids terug wakker zijn. Wat moet je anders doen? Genieten van de rust, productief zijn of – erger nog – praten met je partner en plezier maken zonder zoon- of dochterlief? Doe niet belachelijk.   Nee, zelf heb ik er nog geen, dat niet. Maar ik wil er wel, zoals iedere rechtschapen Belg. En dat hoeft voor mij zeker geen vijftien jaar meer te duren. Maar tot het zover is, schuim ik babyborrels af, verslind ik mamablogs, omring ik me met zoveel mogelijk borstvoedsters en hang ik rond in speelgoedwinkels. Af en toe reis ik zwaar tegen m’n zin, lees ik een boek, geven mijn vrouw en ik elkaar aandacht, slaap ik acht uur op een nacht en probeer ik carrière te maken in iets dat me meer voldoening dan zekerheid geeft. Maar laat het duidelijk zijn, da’s alleen op de momenten dat ik écht niet in de buurt van kinderen kan zijn. Want ik hou van kinderen. Wat hou ik zo ondraaglijk hard van kinderen.

Hans Verhaegen
50 0

Het lekkerste

“Die zijn voor onderweg”, voegde ik er aan toe. De mevrouw van de broodjeszaak lachte vriendelijk. De twee frikandellen moesten de grote honger stillen, terwijl we naar huis stapten met onze broodjes. Bovendien is het buitengewoon gezellig. Maar spreken met een hete frikandel in je mond is niet het beste idee. ‘Eigenlijk is dit nog het lekkerste’, probeerde ik te zeggen. Het kwam er uit als 'eiheheh ih di no he hehhehe'. Toch had mijn vrouw me verstaan. ‘Ha ih ho’, antwoordde ze. ‘Dat is zo’, had ik begrepen.  “Weet je nog?”, vroeg ik. “Toen we frieten gingen halen en we niet konden wachten.” U kent het wellicht. Met de geur van verse frieten in de auto moet je karakter hebben om er af te blijven. Dat heb ik niet. Maar na één frietje komt een tweede en voor je het weet, scheur je de zak open. Met mijn ogen op de frieten, lette ik minder op de weg. Ik moest plots stoppen en de rest kan u zich inbeelden. De frieten lagen overal behalve in onze mond. En de frietgeur hing nog weken in de auto. Maar meestal gaat het goed. Alhoewel. De mannen hadden laat op de avond nog een hongertje. Pa zou wel naar de afhaalzaak rijden. Ze hadden me thuis gezegd dat je de bestelling voortaan aan een praatpaal moest doorgeven. Maar daar aangekomen reed ik er voorbij. De macht der gewoonte wellicht. Pas toen ik de paal passeerde dacht ik eraan. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik een auto aankomen. Achteruit rijden ging niet meer. Daarom stapte ik uit en gaf al staande, lichtjes door de knieën gebogen, aan de praatpaal mijn bestelling door. De mensen in de auto kwamen niet meer bij van het lachen. Wat te begrijpen valt. Ik stond er helemaal voor paal.  

Rudi Lavreysen
0 0

Bruggen bouwen

Hij zit daar, altijd op dezelfde plaats.  Ook nu het bitterkoud is en een snijdende wind de neuzen rood doet aanlopen, zit hij daar. Ik wandel hem voorbij en ik glimlach. Hij knikt vriendelijk terug.  Even later kan ik vanuit de zetel in de warme bib zijn rug zien, én zijn volharding. Gelukkig heeft hij een warme jas aan en een wollen muts. Een zwart deken heeft hij om zijn benen gewikkeld.  Ik kan het niet zo goed zien, maar ik denk dat hij op een meditatiebankje zit, met daaronder een stuk karton. Moedig blijft hij zitten, waarschijnlijk uren aan een stuk. En hij glimlacht, zonder te verwachten, soms smekend, soms gelaten, soms hoopvol. Een dame met een groene jas is zo in gedachten verzonken dat ze hem niet opmerkt.  Een jongeman die opvallend licht gekleed is, raast voorbij.  De brug waarop de man zit, zucht en kreunt onder zoveel onverschilligheid.  Zachtjes maar zeker kabbelt even later een stroom van vrijgevigheid voorbij: een glimlach, een muntstuk, een vriendelijk woord, ... De brug wint aan stevigheid. De koude snijdt door merg en been vandaag, maar hij blijft zitten. Zichtbaar onbewogen. Kalm. Dankbaar voor ieder muntstuk in zijn beker. Misschien stroomt er in zijn binnenste wel een kolkende rivier vol wroeging om wat verloren ging, vol jaloezie op rijke passanten, vol wanhoop om weggerukte dromen, vol woede op mensen die hem in de steek lieten...  Vriendelijk blijft hij zitten, stilletjes hopend op een betere toekomst. Ik duffel me warmpjes in en loop in zijn richting. Ik kom over de brug met wat kleingeld voor hem. In zijn blik ontwaar ik het vonkje dat hem warm houdt in deze kou.  

Aline
0 0

Dansplaag in Straatsburg

1   Mijn benen sleurde me deze ochtend opnieuw het bed uit, en terwijl mijn handen zich met de vorm van mijn haar vermaakte, bogen mijn knieën op en neer op de deun van een oude plaat. Mijn ledematen waren het nu reeds zo gewoon deze praktijken te verrichten dat ze maar weinig hulp nodig hadden van de bovenste kamer. Diezelfde kamer kon dan de eerste uren van de dag in volle roes beleven.   Diezelfde plaat leerde ik twaalf jaar terug kennen op het huwelijksfeest van mijn oudste broer. Met mijn knikkende knieën op de dansvloer had ik me hopeloos belachelijk gemaakt, toen ik probeerde met één van de bruidmeisjes te dansen. Zij had blonde krullen, groene ogen en een veel te grote neus maar dansen kon ze wel. Diezelfde kniëen waren sindsdien gebrand op wraak, en dus leerde ik mezelf enkele ritmes aan.   Mijn achterneef verloofde zich zo'n twee weken terug met een jonge griet uit een nabijgelegen dorp. De ideale kans om mijn gekrenkte eer terug te winnen. Oh hoe mijn knieën van die mooie zomeravond dromen waarop ze de jaloezie van duizenden vrijgezellen mannen zouden vormen. Hun perfecte ritmische bewegingen zullen duizenden vrouwen in de ban slaan, en dwepend zullen ze zijn tenen kussen tot ook de bruid zelf haar verraad moet bekennen aan haar net gehuwde man. Deze knieën vertonen zich als uit oud Griekse mythologie, als geschonken door de Goden zouden deze knieën misschien wel die van Achilles zelf kunnen zijn.   Mijn roes slaat pardoes over wanneer de plaat even hapert en ik me realiseer dat ik aan het werk moet. Het ritme loslatend, wandelen mijn benen me naar buiten om aan een nieuwe werkdag te beginnen.      2   Mijn benen sleurde me deze ochtend opnieuw het bed uit, en terwijl mijn handen zich met de vorm van mijn haar vermaakte, bogen mijn knieën op en neer op de deun van een oude plaat. Mijn ledematen waren het nu reeds zo gewoon deze praktijken te verrichten dat ze maar weinig hulp nodig hadden van de bovenste kamer. Diezelfde kamer kon dan de eerste uren van de dag in volle roes beleven.   Nee, nee deze ochtend niet, de ochtend van het feest. Mijn benen smeten mij het bed uit. Mijn handen bleven van mijn perfect geknipte haren, die ik de dag voor het feest in orde had laten brengen. Mijn kniëen beefde van de opwinding, en de bovenste kamer haar roes was nu al lang verlvogen. Dit soort toestanden kwam maar eens om de zoveel tijd voor zodat elk spiertje haar op mijn armen rechtstond om te het hele gebeuren te aanschouwen.   Zulk een dagen, duren altijd weer een eeuwigheid. Toen ik een kind was kende ik dit gevoel ook waar je vol verlangen naar iets uitkijkt. Is het een uitstap met school of de nacht voor je verjaardag, de tijd speelt dan met je mee en vertraagt om zo de spanning tot haar volle recht te laten komen. Eens dat moment dan dichterbij komt, lijkt het te overweldigend, een eeuwige vermoeidheid overvalt je en de onrust eist haar tol. Tot de klok slaat en het moment aanbreekt, en die spanning zichzelf veruitwendigt als herboren energie.   En dan op dat langverwachte moment terwijl ik mijn benen op de dansvloer strekte, bewogen de haren zich naar mij toe. Haar mond vormde zich in een lach vol spot, en toch bleef ik dansen. Mijn dansen veranderde wel, het werd eleganter en zo nodigde ik haar uit om zich bij mij te voegen. Haar heupen begrepen deze muziek veel beter als de mijne en plots voelde ik me voor schut gezet. “Leg je hand maar op ze” en zo volgde ik haar. Al de spanning van die dag was niets vergeleken, met de opwinding die in mij opwelde bij de eerste aanraking.     3   Mijn benen sleurde me deze ochtend opnieuw het bed uit, en terwijl mijn handen zich met de vorm van mijn haar vermaakte, bogen mijn knieën op en neer op de deun van een oude plaat. Mijn ledematen waren het nu reeds zo gewoon deze praktijken te verrichten dat ze maar weinig hulp nodig hadden van de bovenste kamer. Diezelfde kamer kon dan de eerste uren van de dag in volle roes beleven.   Elk bed draagt een geschiedenis met zich mee dacht ik in die roes: dromen die men niet meer tot zijn bewustzijn kan brengen, tranen die in alle verborgenheid vloeien maar ook het broeden van planen, het voeren van diepe gesprekken, vertellen van een domme mop en voor sommige veel belangrijker het verwekken van een kind. Een bed zou u veel meer kunnen vertellen dan eender welk stuk meubilair.   Wat vertelt dat bed dan, waar mijn benen mij net hebben uit gesleurd? Twee kussens die op elkaar liggen, dus geen partner. Saaie grijze overtrek wat twee zaken kan betekenen: Of ik koos deze lakens zelf, dus ik heb een zeer saaie persoonlijkheid, of mijn moeder koopt nog steeds mijn overtrek, dus ik heb een zeer saaie persoonlijkheid. De geur die mijn bed bezit, is zeer aangenaam, dus ik ben wel een proper persoon. Maar dit alles vertelt mij weinig over de gebeurtenissen binnen dit bed. Misschien komt hier wel een harem vrouwen elke vrijdagavond feest vieren in mijn bed.   Hij schudde met zijn hoofd om het analyseren van zijn eigen persoonlijkheid te vergeten. Zijn gedachten veranderede hun richting terug op de geschiedenis van het bed. Men zou allen hun eigen bed uit hout moeten doen verrijzen, en zo ging de roes terug verder. Als een wit blad dat klaar staat om beschreven te worden. Of nog beter zou men elke dag in een nieuw bed moeten slapen, of iemand anders bed beschrijven en haar geschiedenis delen. Door dolgedraaide gesprekken over boeken of zachte strelingen door lange haren. Men zou elkaars haren moeten borstelen in bedden, tot in een intimiteit waar ook het bed zich ongemakkelijk bij voelt.   Één nacht na het huwelijk van mijn neef bracht ik een meisje met mij mee naar dit bed. Die gebeurtenis herinnert zij zich nog goed, want meestal zijn, ik en mijn bed, wij getweeën maar gewoon met twee. Maar nu werd twee, drie en dat voelde best wel aangenaam. De zachte handen van het bed duwde ons naar elkaar toe. Waar het meisje zojuist nog zo onverstoorbaar danste, toonde ze nu haar broosheid in alle intimiteit van mijn veel te grijze bed.   Nog voor de nacht voorbij was, had zij die intimiteit echter al verraden. Op het donkerste moment van de nacht, wanneer ik in mijn diepste slaap verwikkeld was, sloop zij weg om nooit meer terug te keren.     4   Mijn benen sleurde me deze ochtend opnieuw het bed uit, en terwijl mijn handen zich met de vorm van mijn haar vermaakte, bogen mijn knieën op en neer op de deun van een oude plaat. Mijn ledematen waren het nu reeds zo gewoon deze praktijken te verrichten dat ze maar weinig hulp nodig hadden van de bovenste kamer. Diezelfde kamer kon dan de eerste uren van de dag in volle roes beleven.   Tot ook zij haar taak kon uitvoeren, en aan haar tot in het oneindig voorbereide salespitch kon beginnen. “The truth is …”: maar er komt geen vervolg aan die zin. Moest ik die zin afmaken, dan zou ik mezelf en alles rondom me onderbraken. Die zin en het bijhorende verhaal heb ik al oneindig vaak uitgekraamd. In grijze kantoren, met harde stoelen en mannen in maatpakken die op dat soort stoelen plaats nemen. Ik ben namelijk vertegenwoordiger voor een bedrijfssoftwarepakket. Of was, ik heb namelijk een ongelofelijke hekel aan de job die ik nu al zo'n 20 jaar beoefen.   De hele zaal wacht in spanning af op het vervolg van de zin maar mijn gedachten waren al lang vervlogen. Diezelfde woorden zouden zolang ik leef niet meer uit mijn mond vloeien. Terwijl mijn handen de das rond mijn nek losmaken, duwt mijn achterwerk de stoel waarop ik plaats had naar achter. Ik recht mijn rug, ga staan op de stoel en dan met twee voeten op de tafel. Daarna wandel ik over de tafel de vergaderzaal en dan het kantoor uit. Elke beweging die me er nu zou van weerhouden rechtstreeks te doen wat ik wou, was er te veel aan. Elk graantje politieke correctheid, sociaal besef en respectabel gedrag was vandaag te veel geweest.   Als een tornado raas ik door de straten, hier en daar duw ik iemand omver, een oud vrouwtje of een spelend kind. Een rood licht, toeterende auto’s en schreeuwende mensen zijn beelden die op mijn netvlies branden, nergens stopte ik nog voor. Mijn benen hadden hun eigen wil en ik kon hen dit genot niet langer ontkennen. Al twintig jaar moesten ze luisteren en stilzitten, tegen hun eigen natuur in. Een verlangen naar rennen, springen en pijn doen had zich al die jaren lang in deze benen genesteld.   Mijn in revolte geraakte benen besmette nu ook mijn andere ledematen met de zoete smaak van vrijheid. Mijn armen begonnen stevig te gesticuleren naar de mensen die in de weg van mijn losgeslagen benen kwamen. Maar al snel veranderde die gebaren in gracieuze bewegingen die op het zelfde ritme als mijn dartelende heupen ontstonden. Voor ik het wist, ging ik dansend door de straten en mensenmassa heen, een lichaam dat eindelijk op een ander ritme kon doen en zijn.   Toen begrepen ook mijn ogen de strijd die mijn lichaam al die jaren had moeten voeren. Rondom zich heen kijkend en dan plots naar boven naar een zwerm vogels. Daar rust zij even haar ogen op en droomt van hogere sferen. Op datzelfde moment worden mijn dansende armen en benen de hoogte in geworpen in de richting van die zwerm om dan terug van hen weggetrokken te worden en met een afschuwelijke smak terug op de grond te komen. De zwerm vogels vliegt weg, een hevige pijn schiet in mijn benen, mijn armen stoppen met dansen en voor mijn ogen wordt het zwart. Enkel mijn oren horen nog een jammerende stem en het dichtslaan van een autodeur.

Prins Vogelvrij
0 0

Jaklientje

Mijn kater legde een muizenlijkje op de vloer naast de tafelpoot. In de verte was het een donkere vlek, een grillige vorm aan een draadje, het viel niet op in het geheel van de kamer. ‘Jaklientje,’ dacht ik, en ik sprak de naam drie keer uit om te proeven of hij wel naar dode muis smaakte.   Ik legde de muis op het blauwe deksel van een tupperware doosje, een vierkant, van die doosjes die je gebruikt om soep in te bewaren. Ze paste er precies in, behalve haar staart, die hing een beetje over de rand. Het einde van die staart was een lus, zoals een koord aan een muziekknuffel, en ik trok aan de staart van Jaklientje tot ze geluid maakte, maar ze verschoof alleen een beetje.   Ik legde het lijkje op de vensterbank omdat ik wilde zien hoe ze verging. Dat wilde ik vaker, zien hoe dingen vergaan. Planten, een appel, alles wat tijdelijk is, maar niet als het mensen zijn.   De voorpoten van de muis waren gekromd, je kon haar ergens over haken. Het oor waarop ze lag was verfrommeld, zoals spek wanneer het gebakken wordt, en het bleef zo staan omdat ze dood was. Op haar vacht was gekauwd, dat zag je, dus ik bestudeerde het gebit van mijn kat of ik zijn tandafdrukken herkende. Een boog kleine gaatjes en links moest er een gat zijn, want daar had hij een kankergezwel.   Aan de zichtbare kant van haar kop had de muis geen oog meer. Het was een gaatje, zoals een gaatje waar je een naald door haalt, en ik zag het voor me, hoe ze aan een draad geregen werd, een sleutelhanger, ik was blij dat ze al dood was.   Na drie dagen op de vensterbank was Jaklientje gekrompen. Ze leek niet meer op een slapende muis die toevallig dood was, maar op iets weerloos, een velletje met klitten eromheen. Ik nam haar omtrek met een lintmeter, ze was al voor de helft verdwenen, alleen de staart bleef intact. Ik probeerde een lijst te bedenken van dingen die intact blijven, maar zelfs de kleur van inktvissen verandert. En vroeger lustte ik slagroom, en nu niet meer.   De lucht boven de muis had toefjes slagroom. Ze zeggen dat de hemel bestaat uit springkastelen. Als er al een hemel was, dan wou ik dat Jaklientje stopte met verdwijnen, want zonder zwaartekracht zou ze alleen maar kunnen liggen, tot iemand vlak naast haar sprong en ze omhoog veerde.

Kristien Spooren
38 1

Mokerslag

  Aan de oostzijde van het dorp Halfstede, langs de rand van een groepje huizen die in eenzelfde zomer werden neergezet en er allemaal eender uitzagen, lag een klein parkje, een bescheiden stukje groen. Er stonden een paar bomen, één bank met de rugzijde naar straat gekeerd, aanleunend tegen een rij struiken,  en een bescheiden gazon waarvoor de gemeentediensten nauwelijks een half uur nodig hadden het om te maaien. Een kindvriendelijke toets werd bij de aanleg niet vergeten: een klimhuisje met een glijbaan van nog geen meter hoog, en twee wiebeltuigjes in de vorm van een paddenstoel op een grote veer gemonteerd. Kortom, een klein vredig plekje, een uitnodiging om te verpozen, gewaardeerd door iedereen in de buurt. Op een frisse, regenachtige morgen in maart verscheen een man in het park. Hij zette enkele stappen op het kleine grasveld, bleef staan, bracht zijn armen achter zijn lichaam en liet zijn jas in een paar schokjes van zijn rug glijden en op de grond vallen. Hij keek er niet naar om, alsof het een stuk afgeworpen dode huid betrof. Hij droeg een blauwe jeans en een lichtkleurig hemd, netjes alledaags. Hij was helemaal niet op het vervolg gekleed, want hij nam een bijl uit een tas, gloednieuw, plantte de steel stevig in beide handpalmen en klemde alle vingers er rond. Hij ging voor een boom staan. Plots dreef hij zonder aanleiding en met een ongeziene brutale kracht de bijl in de stam. Door de slag vluchtte een duif door de takken weg. Vloekend wrikte hij de bijl los. De vezels kraakten en hingen als stroeve draden uit de stam. Hij sloeg opnieuw, en opnieuw. Er leek geen welbepaalde plaats te zijn waar hij zijn bruut geweld op richtte. Hij sloeg enkele keren op de ene plaats en beukte dan op een andere, bedacht zich opnieuw en viseerde dan weer een andere plek. In zijn allesomvattende woede kwam hij handen tekort.  Het liefst had hij de boom overal tegelijkertijd willen treffen, op eenzelfde moment. Bij elke slag was er een dof trillend geluid dat in het vochtige hout uitstierf, en harsdruppels liepen dik en langzaam langs de stam naar beneden. De man kreunde bij elke uithaal zoals tennissers op televisie plegen te doen. Af en toe schreeuwde hij iets onverstaanbaars, haalde onverwacht een paar keer vastberaden uit naar de onderzijde van de stam, ging een stap opzij en zette plots zijn zinnen dan weer op een grote tak boven zijn hoofd. Hij maakte een paar keer gekke sprongetjes terwijl hij hem te lijf ging. Het duurde een tijd voor iemand het opmerkte, maar na twintig minuten stonden er een vijftiental omstaanders toe te kijken. ‘Wat bezielt die man toch?’ zei er iemand, en vertolkte daarmee iedereens indringende vraag.  Iemand wou op de woesteling afstappen maar werd door anderen tegengehouden. ‘Niet doen, het is een gek uit die instelling verderop.'  Het was waanzin wat ze zagen. ‘Hé, wat richt jij daar uit?’, riep tenslotte iemand vanop een veilige afstand. Hij hield niet op met de bijl in het hout te drijven, leek de man eerst niet te horen, maar zonder op te kijken schreeuwde hij zichzelf tussen twee slagen schor. ‘Laat me met rust! Bemoei je met je eigen zaken!’ Het was gewoonweg ontstellend zielig, de boom werd in zijn razernij onherstelbare schade toegebracht en was nu stervende. Overal stukken bast op de grond, zichtbare, verscheurde en gapende wonden in het bleke spinhout, loof dat overal verspreid lag, takken die op gebroken armen leken. 'Hebben we misschien bomen te veel in de wereld misschien?’ werd hem opnieuw toegeschreeuwd. Hij antwoorde niet meer, speeksel liep langs zijn wang en in zijn haar, zijn hemd hing uit zijn broek, een kleed in zwijgzaamheid gehuld dat somber en gevaarlijk aanvoelde.   Iemand belde de politie. Toen twee eenheden zonder sirene en zwaailichten maar wel in kogelvrije vesten arriveerden lag de boom geveld op zijn zijde, en zag eruit alsof hij urenlang een tyfoon het hoofd had moeten bieden. Het was niet genoeg dat hij tegen de grond lag. De man hakte en houwde verder. Een agent beval hem onmiddellijk op te houden. Hij hield inderdaad even halt maar sprak vreemd genoeg de boom aan. ‘Sapstroom ? Waar ben je ? Sapstroom?’ Daarna begon hij te huilen. Het leek op het huilen van zijn prille begin als kind, wanneer zijn moeder hem voor de eerste keer naar de kleuterklas bracht. De agent keek zijn collega aan en fluisterde. ‘Compleet door het lint. Hou je klaar.’ De agent probeerde hem al pratend te bereiken en sprak hem verzachtend als een grote broer toe. ‘Zie je, je hebt hem omgehakt nu, je hebt je doel bereikt. Je bent klaar hé? Kun je die bijl een eindje van je weggooien? Dan kunnen we rustig even praten.’ Voorovergebogen keek de man de agent aan terwijl hij zwaar stond te snuiven, zijn borstkas hevig op en neer ging, de bijl rustend op zijn knie. Een splinter hout lag op zijn onderste lip. Het leek even of hij ging braken terwijl hij het tesamen met andere troep uitspuwde. Iemand zei: ‘Drugs natuurlijk’, wat op veel bijval kon rekenen. ‘De druk op de gezinnen mag je tegenwoordig ook niet onderschatten’ zei een ander. ‘Ze persen je uit als een citroen, straks werken we tot ons tachtigste.’  Maar allemaal waren ze het er over eens dat bomen onschuldige wezens waren die ’s nachts zuurstof afgaven en daarom met grenzeloos respect bejegend moesten worden. ‘En, wat denk je? Kan je mij  jouw naam zeggen?’  vroeg de agent rustig. Het enige antwoord dat volgde was een onbedaarlijk snikken dat in alle hevigheid weer toenam. ‘Man, ik zie dat je het moeilijk hebt’ zei de goed opgeleide agent. Plots, met een krachtige haal die alle vorige overtrof, dreef hij een laatste keer de bijl in de verwoeste stam en liet hem daar zitten. Vanaf dan ging het snel. Bijna ogenblikkelijk wierpen drie agenten zich op hem, spreidden armen en benen in veiligheidshouding op de grond uit en fouilleerden van boven naar beneden. Voor de nieuwtjes onder hen was het een goede praktijkoefening. Onder de wirwar van armen en benen zag je de man niet meer liggen. Hij bood geen weerstand. Je hoorde hem alleen roepen.  ‘Geen vruchten meer ! GEDAAN ! Niet groen, maar ZWART ZWART ZWART ! ‘ De politiemannen zeiden niets terwijl hun volle aandacht naar het in hechtenis nemen ging. Ze brachten zijn polsen samen op zijn zijn rug en boeiden hem. Net op dat moment kwam een fietser langs, zag de twee politiewagens en het tumult op het gras. Nadat hij door het groepje toeschouwers uitvoerig op de hoogte werd gesteld fronste hij zijn wenkbrauwen terwijl de man werd weggeleid. ‘Is dat Peter Van Hul niet?’ zei hij hoogst verwonderd. Alle ogen keken naar de man op de fiets. ‘Hoezo, ken je hem?’ ‘Natuurlijk. Peter heeft hier vlakbij gewoond. Onze kinderen zaten bij elkaar op school. Af en toe hoorde ik nog iets van hem, maar ik had onlangs liever niet vernomen dat zijn dochter Judith in een ongeval om het leven was gekomen. ‘O, maar die arme man is gek geworden! ’ viel iemand hem bij. De man op de fiets keek naar de plek en staarde naar de boom die in een deplorabele toestand op de grond lag. Hij speurde het park af en begon zich iets te herinneren. ‘Ik geloof dat…’ Hij zocht in zijn geheugen naar steunpunten. ‘Het is nog altijd geen reden om de natuur zo te vernietigen als ik het eerlijk mag zeggen’ zei een oudere vrouw. Dit keer zei niemand iets. ‘Ik geloof dat die boom daar...’ ‘Wat dan?’ Alleen wie dicht genoeg stond kon het hem horen zeggen. ‘Ze hebben die boom daar bij haar geboorte geplant.’  

Lode Van Wabeke
0 0