Lezen

Meedogenloos

Kevin keek door het keukenraam, ademde zijn buik bol en zuchtte alle lucht naar buiten. Met de top van de linkerwijsvinger vormde hij zijn initialen in de mistig geworden ruit. Blies dan zijn laatste zwarte gedachte uit en deed daarmee de zonet gevormde letters weer verdwijnen.   Vandaag was de Dag, niemand kon hem stoppen.   Keurige Kevin, het haar strak naar achter, hemd in de broek. De accidentele veeg schoenpoets stond hem goed. Zo ging hij de deur uit. Bestemming: dienst bevolking, loket 2.   “Volgende.” Een kleine vrouw met grote bril leunde over de toonbank. Haar ogen gingen twee verschillende richtingen uit waardoor Kevin even twijfelde. “Jongeman, ik heb niet de hele dag tijd.” "Kevin de Kleine, goe... goedendag. Ik ben hier voor…” “de Kleine… Hm, uw naam staat niet op de lijst. Zonder afspraak, geen behandeling van uw dossier. Ga naar huis, regel een afspraak en kom dan nog eens terug, manneke. Volgende!”   Teleurgesteld droop Kevin af... maar wacht eens. Dit klopte niet. Het scenario kreeg een wending die hij niet begreep. Normaal zou hij het gemeentehuis fier verlaten als Ludo De Grote. Kevin de Kleine was op dat moment al dood. De sterfscène succesvol voltrokken bij de overhandiging van de nieuwe identiteitskaart, terwijl de brilvrouw met ontzag “Proficiat, mijnheer De Grote” had uitgebracht.   Gedreven door een plotse razernij draaide Kevin zich om, schuimbekte “Ik… ben… geen… manneke!” waarop hij een balpen uit een van de houders greep en die met volle kracht in het montuur van de ambtenaar priemde.   De vrouw viel voorover op de toonbank – “Oh-ah” – en nam door het gebroken glas twee schimmen waar.   Haar linkeroog zag Kevin uitgestrekt op de grond liggen.   Haar rechteroog aanschouwde in een waas hoe Ludo triomfantelijk het pand verliet.

mme evil
30 1

Gebakken lucht

Doorgaans ben ik iemand die zich heel weinig stoort aan andere mensen, hun stomme andere-mensen-gewoontes, hun stomme huisstank-meedragende-kinderen en hun stomme levenskeuzes. Ik oordeel niet snel, sta open voor medemensen uit alle lagen van de bevolking en ik roddel niet. Zo heb ik na twee dagen nog altijd tegen niemand verteld hoe ik onze licht mentaal gehandicapte wijkagent om 5 uur ’s ochtends bovenop zijn papiercontainer zag zitten, terwijl hij kreunend een paar liter zure darmlimonade over Het Reklameklokske van vorige week uitstortte. Mij stoort zoiets niet. Leven en laten leven. Ik heb zelfs empathie voor parkeerwachters. Maar wanneer ik compleet onverwacht door een wolk bosbessenmuffin, piña colada of wortelpuree met worst van zo’n onnozele e-sigaret-vape-dampende failure of life wandel, dan kan ik mij niet inhouden om zelf wat stoom af te laten.   Kijk, roken is belachelijk. Probeer mij niet tegen te spreken want je hebt geen been om op te staan. Als we de foto’s op de pakjes mogen geloven, heb je dat straks écht niet meer. Roken is belachelijk, net als alcohol drinken, elke dag 17 Big Macs eten, naar Thuis kijken of tegen 240 over de pechstrook van de Antwerpse ring rijden om een parkeerplek aan ’t Sportpaleis te vinden waar je na de show géén twee uur moet wachten voor je naar tweede kunt schakelen. Maar wij zijn mensen en mensen maken niet altijd de meest rationele keuzes. ’t Zijn er weinig, maar ik heb ook mijn zwaktes. Ik ben bijvoorbeeld té principieel in het bezorgen van mijn vrouw haar orgasme voor ik zelf Heist-centrum wakker brul van uitzinnig genot, om daarna alles nog eens vier keer over te doen, haar een vijfgangenontbijt op bed te serveren en nog snel heel het huis te vullen met rode rozen die ik zelf ben gaan plukken in het meest idyllische, met dauw bedekte bloemenveld van België, twee provincies verder. Verder lust ik ook geen kaas.   Maar als roken belachelijk is – en dat is het – dan is een mp3-speler uit 2002 volgieten met nicotinehoning, opladen via usb en dan casual naar buiten wandelen terwijl je heel ’t straat vol blaast met Luikse wafel-aroma complete wáánzin. Zo moet ik niet meer passief meeroken, zeg je? Aha, we zitten met een health coach, begot! Wil je er dan misschien met dat Nobelprijswaardige medeleven van jou ook even bij stilstaan dat ik mogelijk ook niet actief jouw naar de gft-bak meurende ochtendadem gemixt met Cherry Coke-verstuiver wil inhaleren? Het is echt heel simpel, hoor. Als ik suikerspinnen wil ruiken, ga ik naar de kermis. Wil ik de geur van barbecuevlees opsnuiven, dan fiets ik op de eerste dag van het jaar dat de zon schijnt door eender welke Belgische straat. En als ik een vispannetje van de Lidl over datum onder m’n neusgaten wil, dan spreek ik af met uw obese moeder. Sorry, te gemakkelijk. Zoals uw obese moeder, quoi.   ‘Habemus papam!’ riep ik, toen er weer zo’n wandelende schoorsteen voorbij slefte en een wolkendek van witte rook met pizza Hawaï-geur – HAWAÏ!!! – in mijn gezicht joeg. ‘Ehm, hmphffzz…?’ brabbelde hij, op een manier die je exact verwacht van zo’n defecte dampkap. ‘Da’s Latijn,’ zei ik. ‘Dat betekent dat je eruitziet alsof je een robot aan het pijpen bent en dat ik medelijden heb met elke vrouw die ooit jouw inferieure zaadcellen vol ongeboren dopzuipers, Discovery Channel-stoners en autoradiodieven in haar lijf kreeg.’ ‘Pardon, monsieur. Je ne suis pas sûr d’avoir compris. Vous dites quoi, monsieur ? Est-ce que je peux vous aider avec quelque chose ?’ Ook weer typisch dat ik van al die mensen in Brussel die ene Franstalige aanspreek, hè. Maar ik zweer het je, dat is de laatste keer dat ik mij zo heb laten uitschijten door een.   Nooit gedacht dat ik dit ooit zou zeggen, maar we hebben Frank Deboosere nodig. Je bedoelt dat nichterige karikatuurtje dat al 63 jaar lang elke dag hetzelfde mopje uit z’n onderontwikkelde onderkaak gooit? Die, ja. Geen idee wat hij rookt, maar aan z’n optimisme te zien moeten het de volle tampons van Ingeborg uit haar Blind Date-periode zijn. Als deze overenthousiaste weercoryfee gewoon elke avond een klein segmentje integreert in z’n weerbericht met waar welke naar broccolisoepscheten of Bacardi Breezer stinkende lokale bewolking hangt, dan weet ik waar ik weg moet blijven. En dan kunnen die e-rokende nicotineslaven ook rustig hun lavendelconfituurgeurig ding blijven doen. Leven en laten leven, zeg ik. Ondertussen zal ik, nostalgisch als ik ben, wel genieten van de rook van normale tabaksrokers. Noem mij een purist, maar ik kan mij wel vinden in die eenvoudige, zoete zweem die mij meteen meevoert naar verbrande familiefoto’s, verbrande oorlogsgevangenen en verbrande dromen.   Trouwens, we moeten er niet onnozel over doen. Die Frank is toch echt niet half de man meer die hij was sinds hij die magnifieke moustache heeft afgeschoren, niet? Van stomme levenskeuzes gesproken.

Hans Verhaegen
0 0

Slaapwel

Het laatste wat ik wil, beste lezer, is u vervelen met mijn kwaaltjes. De rug, nek en schouders, de knieën, het geheugen. En dan vergeet ik er nog een paar. Maar omdat het rechtstreeks te maken heeft met dit stukje, wil ik het u niet onthouden. Ik ben geen al te beste slaper. De laatste jaren manifesteert het zich meer en meer. Het begint met het in slaap vallen voor de tv. Kent u dat? Plots wakker worden en dan Goedele Wachters opnieuw zien, die het nog altijd over hetzelfde nieuwsitem heeft. Je denkt dat je even ingedut bent, maar er zijn ondertussen vijf herhalingen van het laatavondjournaal gepasseerd. Een blik op de keukenklok leert je dat het ondertussen twee uur ’s nachts is. Als je dan in bed duikt, staan je ogen net zo ver open als je mond tijdens de jaarlijkse controle bij de tandarts. Van slapen lijkt er niets meer in huis te komen. Zoals nu. Het is weer zover. Ik lig klaarwakker in bed. Ik herinner me plots een interview met Louis Paul Boon, de schrijver. Hij legde ’s nachts wel eens een biefstuk in de pan als hij niet kon slapen. Straf dat hij die altijd in huis had, denk ik nu. Bij mij zou het een rolmops worden. Maar die doet, ook na het opeten, niets dan zwemmen in het midden van de nacht. Trouwens, bij het bakken van een biefstuk moet je de dampkap opzetten. Of de afzuigkap, in mooi Nederlands. Dan maak je iedereen wakker. Van mooi Nederlands gesproken. Met een Nederlandse vriend vergelijk ik wel eens woorden uit ons dialect met dat van hem. Hij woont net over de grens, in Valkenswaard. Altijd lachen. Nog meer als ik in een zin het woord ‘eng’ laat vallen. “Eng? Rudi, dat is niet eng”, zegt hij dan. “Mijn schoonmoeder in een badpak, dat is pas eng.” Het doet me midden in de nacht luidop lachen. Naast me lijkt er iemand wakker te worden. Ik kan beter even stil zijn. Ik neem mijn e-reader, zodat ik het nachtlampje niet moet aandoen. Het is een geweldige uitvinding, dat digitaal boek. En je moet je vingers niet natmaken, bij het omslaan van een bladzijde. Maar het zit me niet mee. De batterij laat het plots afweten. Opladen aan de laptop maar. Och, dan kan ik evengoed dit stukje schrijven. En de krant lezen. De digitale krant, want die komt rond 3 uur ’s nachts online. Daar kan geen postbode tegenop. Maar eigenlijk hoort een mens dat niet te weten, wel? Afijn, ik laat het hierbij, als u dat niet erg vindt. Ik ga het nog even proberen, om de slaap opnieuw te vatten. Slaapwel. En als u ook niet kan slapen, leest u dit stukje maar even opnieuw. En opnieuw.  

Rudi Lavreysen
0 0

De vallingman

"De plaatsen zijn duur", zegt de man tegen zijn vrouw. Ze speuren op het terras naar een vrijstaand tafeltje dat er niet is. Ik bezet op een zonnige dag een tafel met vier stoelen. "Stoort het als we hier aanschuiven?” vraagt hij. “Natuurlijk niet”, zeg ik. In een trein is het normaal dat mensen bij elkaar gaan zitten. Op een terras is het dat nog niet.Aan het tafeltje naast ons zegt een man tegen zijn tafelgenoot: “Heb ik nu toch geen valling zeker.” Ook zonder dat hij het expliciet zegt, is het te horen. Zijn nasale stem klinkt als die van de actrice uit The Nanny, de tv-serie uit de jaren ’90. Ik hoor het hem al bijna zeggen: ‘Oh Mr. Sheffield...’ “Dat is met de verandering van het weer”, zegt de man naast hem. Het is wellicht zijn dokter. Hij heeft meteen een diagnose klaar. “Maar goed dat de zon schijnt”, gaat The Nanny verder. “Dat is goed voor mijn valling.” Zijn dokter spreekt het niet tegen. Maar eigenlijk is het fout. “Dat is goed tegen mijn valling”, zou het moeten zijn. Plots krijgt de vallingman een oproep op zijn smartphone. Het geluid is dat van een oude telefoon. Het klinkt zo luid als het toestel dat we vroeger in huis hadden. Als pa achteraan in de tuin aan het werk was, hoorde hij het nog. En hij hoorde niet al te best. De persoon aan de andere kant van de lijn heeft moeite om hem te verstaan. “Nee, ik heb een valling”, zegt de man. “Het ligt niet aan de lijn.” Omdat hij die zin nog een paar keer herhaalt, telkens luider en luider, kan iedereen op het terras en in de nabije omgeving hem horen. “Het is inderdaad een slechte lijn”, gromt hij tenslotte. “Ik bel wel terug.”  

Rudi Lavreysen
16 0

Zoektocht naar rust

Het trachten, het zoeken, het verlangen. Het hopen te vinden van de rust, de stilstaande fase in een dagelijkse wedstrijd, een ratrace, een race tegen de tijd. Het verlangen en het zoeken naar een quasi onbestaande tijdelijke toestand om deze eeuwig te laten duren. De rust zo ver weg, zo ver van hier en zo schraal en bitter weinig aanwezig. Gestoord, verstoord worden door de verstoorders, hen die drukte, lawaai en onrust kwistig uitdelen als hing hun leven ervan af. De druk van de dagen, weken en maanden vooruit vol plannen, volle agenda’s, sociale verplichtingen, ontmoetingen, afspraken, noodzakelijkheden, drukten in ons bestaan. Cijfers van uren, cijfers van minuten, cijfers van dagen, weken, maanden. Een rat race met mensen, bezige bijen omdat het moet, omdat we er onszelf toe verplichten. De wanhopige zoektocht naar stilte, rust, bezinning, verandering, stabiliteit. Rust. Het gezoem van bezige bijen, van slierten auto’s, tractoren, vrachtwagens, die alsmaar diepere putten maken in de wegen en het landschap. De rubberen banden die zich kapot verslijten aan het asfalt, betonnen straten en kiezelwegen. Het schuren tot het bot. Het gekreun en gezoem tot kilometers ver. Autoloze, autoluwe dagen. Een zegen voor mens en machine. De zondagse rustdag. De zondag wordt uitgesteld tot de volgende vakantie. De volgende vakantie verbleekt voor een nieuwe vlucht uit de dagelijkse beslommeringen. Het uitkijken naar verlof, pensioen en rust om als het zover is opnieuw deze momenten weer bomvol te boeken met taken, opdrachten, uitstappen, verkenningen, studies, verplichtingen, … De hunker naar rust, de hunker naar actief bezig zijn, nuttig zijn voor onszelf en anderen, de maatschappij. Bezig zijn, druk zijn. Wanneer mag Doornroosje weer gaan slapen? De boze wolf weer boos zijn? Roodkapje weer gewoon door het (Haller)bos wandelen? Zonder dit op Twitter of Facebook te moeten posten? Omdat iedereen het doet en we er ons toe verplicht voelen. De asociale maatschappij die gemaakt sociaal wil doen. Alleen als iedereen het kan zien. Alleen dan. Ik leef als ik twitter. Ik leef als ik facebook. Maar ik heb geen flauw idee wie de buurman is, de man of vrouw in de trein, in de winkel, naast ons. We zijn doof (dood?) als het geen likes oplevert. We weten niet meer wat we posten. Facebook vertelt het ons wel een jaar later. Druk doen, druk bezig zijn, de tijd, ons leven verder doen of verdoen, nuttig of nutteloos bezig zijn omdat het moet. Omdat ze willen dat we het allen zo doen? https://autismestorm.home.blog  

Autisme Storm
0 0

Mijn Draak (vervolg II)

1 juli 2018   Beste lezer   Ook dit jaar is de langverwachte zomervakantie weer begonnen. Het was een bewogen jaar op werkvlak – waarbij we van hot naar haar gingen – op zoek naar één ding... VOLDOENING...   Ken jij ook dat gevoel? Je doet je job met hart en ziel, maar denkt dat je het niet goed genoeg doet. Een merci of dankjewel kan wonderen doen – al is het maar een klein schouderklopje – dan voelt een mens zich toch al snel de hemel te rijk?! Het gevoel dat je écht iets uitmaakt in het leven van een kind – dàt is onbeschrijfelijk. Dàt is waarom ik mijn job enorm graag doe. Dàt is de roeping van het onderwijs... JA – u hoort het goed – het onderwijs. Die branche die op zoveel weerstand van de buitenwereld kan rekenen, maar vaak ook een bron is van succeservaringen voor zowel leraren als leerlingen. Succeservaringen op alle vlakken – waarbij we proberen de leerling centraal te stellen . En ergens, is dat wel gelukt! De appreciatie die ik kreeg van de lagere-school-kindjes waarmee ik als zorgjuf werkte --- staat  toch wel recht tegenover die van enkele pubers die daarna in mijn klas zaten --- maar met een beetje FANTASIE en VERBEELDING slaag ik er toch steeds weer in om (bijna) iedereen te blijven boeien en mee te nemen in het “verhaal”.   FANTASIE is fijn – het is nog steeds een plek waar ik helemaal mezelf kan zijn. De kleine Cornelia had dit al vroeg begrepen, en ging dan ook ongestoord op in die fantasie. Als volwassene, is dit beperkter geworden – want jezelf VERLIEZEN in een DROOMWERELD, ook al helpt dat je vooruit, dat is zeker NOT DONE! Hardop zingen, luidkeels lachen als je aan ietsgrappigs denkt of iets grappigs ziet..... Probeer het maar eens, want ik ben op zo’n momenten blij dat een mensenoog geen echte kogels afschiet!   Als kind, echter, kende mijn fantasie geen grenzen... Uren kon ik opgaan in mijn Fantasiewereld – is dat voor jou ook herkenbaar?! Een fantasiewereld, die bevolkt werd door vele dieren - hun aanwezigheid zelf kon me al troost verschaffen. Zo was er een pony, of was het een paard, of neen, een éénhoorn…? Die me vergezelde op mijn avonturen door het magische land van Cornelia. Ik kon er uren over fantaseren: Een droomwereld waar veel onwaarschijnlijke dingen gebeurden. Een land om te ontdekken, waarin een meisje het heft in handen had. Zo’n land sprak enorm tot de verbeelding, ik verlangde er soms zo hevig naar…   Als volwassene, blijkt dit verlangen steeds groter te worden... TERUGKEER naar het LAND VAN CORNELIA – Als dat eens zou kunnen?!    

CVDR
0 0