Lezen

Tip

De slechtste dingen in het leven zijn gratis

“Wanneer zijn de dromen begonnen, herinnert u zich dat nog?” vraagt dokter Martens. “Een jaar geleden.” Lieg ik. De dromen zijn er al vanaf zo lang ik het me herinner. Maar dat kan ik hem natuurlijk niet vertellen, dan houden ze me hier nog langer vast. De sanseveria die de verpleegster enkele weken geleden in mijn kamer heeft gezet, om de boel wat op te fleuren hangt er slap bij.   Rechts naast de verwelkte kamerplant staat mijn bed dat nog niet is opgemaakt.  Ik ben mijn kracht om basistaken uit te voeren verloren en de huisverpleegster is nog niet langs geweest om het voor me te doen. Aan de andere kant van de kamer staat een typisch ziekenhuistafeltje met twee oncomfortabele plastieke stoelen. Op de geelgekleurde stoel met  wiebelende poot, zit ik. Recht tegenover dokter Martens, die een poging tot het gesprek verder te zetten heeft gestaakt wegens mijn concentratiegebrek.   Ik glimlach flauwtjes naar hem, niet in staat hem in zijn ogen aan te kijken. Ik kan niemand meer recht in de ogen kijken. Niet sinds ik de zijne heb gezien. “Astrid, het heeft geen zin meer voor mij om nog langer te blijven als je niet antwoord.” Zegt hij. Ik knik en hij zucht. Hij neemt zijn bruine lederen tas waar hij mijn dossier in stopt, en vertrekt naar zijn volgende patiënt. Ik zucht opgelucht.  Zo gaat het als sinds ik ben opgenomen, tijdens therapiën hou ik me stil. Enkel tijdens bezigheidstherapie geef ik ze iets waarmee ze kunnen werken. Een simpele quote van een liedje. Ons liedje. Ik glimlach. Hij heeft me sinds mijn opname niet meer bezocht. Misschien komt het door de zware medicijnen, of hij wilt natuurlijk dat ik zo snel mogelijk thuiskom. Dat ik weer bij hem kan zijn, ongestoord en zonder vooroordelen. Enkel hij en ik in onze eigen wereld. De wereld die hij voor me geschapen heeft. Of ik voor hem, ik kan het moeilijk uitleggen.   Ik hijs me uit de stoel en zet koers richting mijn ziekenhuisbed. Boven het bed hangt een  rood knopje, de ‘alarmknop’ zoals ze het hier noemen. Een soort van oproepknop voor noodgevallen zeg maar. Ik heb al talloze keren op die knop gedrukt in de waan dat ik hem zag. En ook juist omdat ik hem niet zag.  Ik moet hem zien. Sommigen zeggen dat hij een waanbeeld is, en anderen denken dat ik lieg over wat me overkomen is. Maar ik ben er zeker van, hij bestaat. De dag dat ik en hij besloten dat ik zou springen om voor eeuwig bij hem te zijn, stond hij beneden voor me klaar. Hij zou me opvangen, zoals hij dat iedere keer in mijn leven opnieuw had gedaan.

Lana Salamone
66 2

In vergetelheid vergeten

Vandaag lig ik in een poel van mijn eigen zweet te baden. Het is 36°graden en ik zit in mijn bed naar een documentaire te kijken van hoe Pablo Escobar Colombia in een drugsoorlog heeft verwikkeld. Het interesseert me niet veel maar het herinnert me dat ik pietluttig ben in deze wereld en wat ik vandaag zal doen, zal niet veel uitmaken in het universum. Pablo heeft honderden mensen gemarteld en vermoord. Hij heeft families uit elkaar getrokken en haalde het ergste uit mensen. Vandaag hebben zijn beslissingen nog altijd veel effect op het land. Ik, ik heb geen effect. Op niets en op niemand. Hier geloof ik met heel mijn hart in. Vanochtend is de miserie begonnen. Mijn T-shirts zijn allemaal maar echt allemaal in de was. Het gevolg is dus dat ik een lang shirt moet aandoen. En dit op een van de warmste dagen van het jaar. Dit is duidelijk het universum dat zegt dat ik moet binnen blijven. Zodat ik me kan voorbereiden op het einde van de wereld. Naast mijn verslaving aan documentaires, ben ik een einde van de wereld believer. Urenlang kan ik op het internet surfen over hoe ik me moet voorbereiden op de ondergang van de wereld. Daarom heb ik vorige maand voor mijn 17de verjaardag vier gasmaskers gevraagd. Omdat mijn ouders wisten dat ze met niets anders me tevreden zou stellen, hadden ze mijn wens ingelast. Alleen hadden ze er maar één gekocht. Dit verpestte alles! één gasmasker voor heel ons gezin? Moet ik alleen achterblijven ofzo? Mijn moeder zei als het einde van de wereld komt, dan mag ik het nemen. Natuurlijk zou ik dit niet doen, als ik een klein broertje heb van 3 jaar. Finn is niet mijn favoriete persoon op aarde maar mijn kleine broer laten doodgaan in een vreselijk martelend gas? Dat gaat me een hele brug te ver. Dit had gezorgd voor een vreselijke sfeer waarbij ik men hele taart alleen op de wc heb opgegeten. Om daarna heel de nacht op te blijven om heel mijn maaginhoud te legen in de wc. Diezelfde nacht had ik de kracht van hypnose ondervonden. De draaikolken die tevoorschijn kwamen nadat ik de wc had doorgespoeld waren prachtige wervelvinden die me gezelschap gaven in die donkere nacht. Spijtig genoeg hebben ze niet geholpen bij de geur van men zure taartsap. Die dag heeft me geholpen om de conclusie te trekken dat mijn familie en ik niet in de nieuwe wereld samen zullen zijn.  Over de jaren heen heb ik een hele verzameling van overlevingsspullen. Mijn trots is mijn Swiss army knife met wel twaalf verschillende functies. Ik wou dat één van die functies me kan laten verdwijnen.      Hij heeft me doorzien, niemand heeft ooit iets gezien. Behalve hij. Mijn leerkracht van geschiedenis. Ik wist niet eens dat hij me in de gaten hield. Niemand let ooit op mij. Dat dacht ik toch. Ik weet dat hij antwoorden wilt. Ik wil het hem zo graag geven. Maar iets houdt me tegen. De zwaarte die aan mijn lichaam hangt. Het is zo zwaar, dat ik sommige dagen alleen maar kan slapen.  “Ali...Vertel me wat je denkt. Alsjeblieft.” Hij pakt mijn hand heel teder vast. Ik heb nog nooit zoveel intimiteit gevoeld als nu. Mijn lichaam reageert hier dorstig op. Een zacht briesje komt aangewaaid.  “De wind is iets wonderbaarlijk, vind je niet?” “Hoe bedoel je?” vraagt hij “Je kan het niet zien. Dan denk je dat hij er niet is.  Je zou het niet eens weten als hij naast je stond”  Hij kijkt me vragend aan.        De spin kroop op mijn linkerbeen. Hij begroette me als mijn vriend. Voor mij was dat het teken dat het tijd was om te gaan. Eerst ruimde ik mijn kamer want ik had gehoord dat sommige ouders alles intact willen houden. Ik zou niet willen dat ze mijn vieze was op de grond zouden laten liggen. Stel je voor als er iemand anders mijn kamer binnenkwam. Ik had vooral stress dat de riem mij niet ging kunnen houden met mijn gewicht. Maar het hield wel en mijn kleerkast was ook niet ineen gevallen. Mijn buurvrouw Ella heeft mijn levenloze lichaam ontdekt. Ik was vergeten mijn gordijn dicht te doen aan de kant van de weg. Toen ze terugkwam van de winkel en alles van haar boodschappen zorgvuldig had weggezet, ging ze haar auto vastdoen. Toen zag ze mij. Een figuur dat ze eerst niet kon onderscheiden. Dat kwam waarschijnlijk door dat ik het licht had uitgedaan. Ik wou me met het donker één voelen. Ze gilde en liep naar mijn voordeur. Ze bonkte heel hard terwijl ze hysterisch aan het wenen was. Niemand was thuis. Ze waren allemaal weg. Naar waar weet ik niet meer. Ik weet wel nog dat ik helemaal alleen op de wereld voelde. Ik hoop dat mijn ouders één van mijn gedichten kiest voor op mijn doodskaartje. Ook heb ik verschillende keren gezegd dat Coldplay mijn favoriete band was. 

Nell De Mayer
0 0

De hotelgast

"Kan ik hier even bellen mevrouw?" Kijk, dat hoor je niet meer vaak, dacht ik meteen toen de pas binnengekomen jongeman deze vraag aan de uitbaatster van de taverne stelde. "Ik logeer in het hotel vlakbij", ging hij verder. "Ik ging nog even naar de nachtwinkel voor een kleine snack en ik heb mijn gsm in de hotelkamer laten liggen. Bij het terugkomen geraakte ik nog in de hal, maar ik kwam met mijn badge niet voorbij de tweede deur. Dus ook niet bij mijn kamer. En hier zag ik nog licht branden. Ik dacht, misschien kan ik er de uitbater van het hotel bellen, want daar is 's nachts niemand aanwezig."  Nu weet u meteen dat we op een niet al te christelijk tijdstip in die taverne vertoefden. We hadden die avond een speelfilm bekeken in onze bioscoop. Dat filmverhaal moest nog geëvalueerd worden. Tussen ons gezegd en gezwegen is dat een belangrijk aspect van het speelfilmgebeuren. En die nabespreking wil al eens uitlopen. Al weet ik daar thuis meestal een draai aan te geven. Dat de ondertiteling niet startte en daarom de film langer duurde. Wat als eens echt gebeurd is, maar dat kan je natuurlijk niet elke keer vertellen, want dan is je geloofwaardigheid naar de haaien. "Vroeger, toen de mobiele telefoons nog niet bestonden, gebruikte iedereen het telefoontoestel van het café", vertelde ik aan de vrienden rond de tafel. "En als de cafételefoon rinkelde, kon je er gif op innemen dat het merendeel van de late bezoekers 'ik ben er niet' tegen de cafébaas zou zeggen. Of 'zeg maar dat ik net naar huis ben'. Je kan daar nostalgisch over doen, maar nu kan je tenminste verklaren dat je het bericht op je gsm niet gezien hebt. Of dat de batterij leeg was. Kortom, we gaan er op alle vlakken op vooruit." De onfortuinlijke hotelgast had ondertussen een paar keer getracht om de hoteluitbater te bereiken, maar dat lukte vooralsnog niet. We waren dus genoodzaakt om de arme man een handje toe te steken en een oplossing voor hem te zoeken. Waardoor het nog later werd. De volgende ochtend kreeg ik op het thuisfront de vraag voorgeschoteld of er 'toevallig' weer iets aan de hand was met de ondertitels van de film. "Nee, totaal niet", antwoordde ik. "Maar we hebben een hotelgast uit de nood moeten helpen, daarom is het wat uitgelopen. Dat klinkt misschien ongeloofwaardig, maar het is echt gebeurd." Totaal naar de haaien natuurlijk.  

Rudi Lavreysen
0 0

Een wenssprookje

Er was eens een meisje dat thuis even was weg gegaan om te gaan wandelen. Ze moest even bezinnen over de laatste dagen, weken, maanden en misschien ook wel de jaren. Ze volgde de weg, al had ze het gevoel die kwijt te zijn. Toch bleef ze doorgaan, omdat ze het gevoel had dat het zo hoorde. Ze ging verder en verder op zoek naar een nieuwe uitdaging, op zoek naar een weg die haar beter bij zichzelf zou brengen. Ze liep verder het duister in en kwam terecht op een open veld. Een groot grasveld dat overdag diende als vliegveld. Nu de avond viel was er niemand meer en weerklonk de stilte en de rust. Ze liep naar het midden en ging in het droge gras liggen. Ze keek omhoog naar de hemel op zoek naar antwoorden. Op zoek naar zichzelf keek ze naar het wolkendek boven haar. Langzaam gleden de wolken voorbij. Hier en daar zag ze een opening naar de rest van de hemel. De wolken hadden haar beschermd van de immensiteit, maar nu kon ze glimpen opvangen van de rest van het bestaan. Ze bleef gespannen liggen om steeds meer te kunnen zien. Tevergeefs, want het wolkendek werd weer dikker waardoor de immensiteit verdween. Ze verloor het zicht op hetgeen haar het gevoel van vrijheid was. De wolken zorgden er echter voor dat haar zicht op deze immensiteit werd vertroebeld. Ze voelde zich weer gevangen in het kleine deel van de wereld die ze bewoonde. Ze zocht haar hele leven al naar datgene dat haar kon bevrijden van de prachtige, kleurrijke, maar toch klein stukje wereld. Ze bleef naar boven kijken in de hoop nog een glimp op te vangen van de vrijheid die ze wenste. Heel even zag ze weer een poort naar deze plaats, maar toch verdween deze snel weer in het wolkendek. Ze sloot haar ogen om zich voor te stellen wat er zich achter deze wolken bevond. Een verborgen wereld van een oneindige grootte, een weerspiegeling van haar wereld, maar anders. Anders, als een wereld zonder grenzen i.p.v. het stukje wereld afgescheiden van alles door de rotsen en zeeën. Ze zocht steeds naar openingen die verborgen waren door duister, licht of zelfs magie. Tot vandaag had ze deze opening naar vrijheid niet gevonden in haar eigen leefwereld. Nu had ze het gevoel dat ze er even was uitgestapt in deze wandeling. Een wandeling die nu al een hele avond had ingenomen met enkel tijd voor zichzelf. Nu ze even alles van een afstand kon bekijken zag ze dat de waas even was verdwenen. De waas die ervoor zorgde dat ze de realiteit niet kon zien zoals ze was. Nu zag ze alles van een heel ander perspectief. De waas was opgeklaard. Ze keek omhoog en zag de wolken die de waas waren vóór haar immensiteit, vóór haar vrijheid. Ze steeg op en vloog omhoog. Ze vloog naar de wolken, ze vloog door de wolken, zo vloog naar de vrijheid. Ze genoot van de duisternis die oneindig was. De gehele duisternis was echter gevuld met allemaal lichtpuntjes die de duisternis opklaarde. Zo was het leven nu éénmaal, duister zonder die lichtpuntjes in ons leven. Door de waas over haar leven had ze de lichtpuntjes al even niet meer gezien, maar nu zag ze hen weer. Haar leven was helemaal niet zo duister als ze dacht. Ze moest voorbij de waas kijken om zo de lichtpuntjes te kunnen laten schijnen. Van zodra ze deze lichtpuntjes zou toelaten kon ze het geluk vinden in zichzelf. Zo kon ze de zon worden die de wolken zou doen verdwijnen. Ze opende haar ogen en besefte dat ze haar eigen waas gecreëerd had en dat ze zelf kon kiezen om deze op te klaren. Ze stond op en ging naar huis. Ze nam afscheid van de dingen die haar wolken creëerden en ging verder in de helderheid van de lichtpuntjes om zo het geluk in zichzelf te ontdekken. Zo begon Nathalie aan een heel nieuw avontuur.

S.P. Steyl
0 0

Systeeminstinct

“The truth is …”: maar er komt geen vervolg aan die zin. Moest ik die zin afmaken, dan zou ik mezelf en alles rondom me onderbraken. Die zin en het bijhorende verhaal heb ik al oneindig vaak uitgekraamd. In grijze kantoren, met harde stoelen en mannen in maatpakken die op dat soort stoelen plaats nemen. Ik ben namelijk vertegenwoordiger voor een bedrijfssoftwarepakket. Of was, ik heb namelijk een ongelofelijke hekel aan de job die ik nu al zo'n 20 jaar beoefen.   De hele zaal wacht in spanning af op het vervolg van de zin maar mijn gedachten waren al lang vervlogen. Diezelfde woorden zouden zolang ik leef niet meer uit mijn mond vloeien. Terwijl mijn handen de das rond mijn nek losmaken, duwt mijn achterwerk de stoel waarop ik plaats had naar achter. Ik recht mijn rug, ga staan op de stoel en dan met twee voeten op de tafel. Daarna wandel ik over de tafel de vergaderzaal en dan het kantoor uit. Elke beweging die me er nu zou van weerhouden rechtstreeks te doen wat ik wou, was er te veel aan. Elk graantje politieke correctheid, sociaal besef en respectabel gedrag was vandaag te veel geweest.   Als een tornado raas ik door de straten, hier en daar duw ik iemand omver, een oud vrouwtje of een spelend kind. Een rood licht, toeterende auto’s en schreeuwende mensen zijn beelden die op mijn netvlies branden, nergens stopte ik nog voor. Mijn benen hadden hun eigen wil en ik kon hen dit genot niet langer ontkennen. Al twintig jaar moesten ze luisteren en stilzitten, tegen hun eigen natuur in. Een verlangen naar rennen, springen en pijn doen had zich al die jaren lang in deze benen genesteld.   Mijn in revolte geraakte benen besmette nu ook mijn andere ledematen met de zoete smaak van vrijheid. Mijn armen begonnen stevig te gesticuleren naar de mensen die in de weg van mijn losgeslagen benen kwamen. Maar al snel veranderde die gebaren in gracieuze bewegingen die op het zelfde ritme als mijn dartelende heupen ontstonden. Voor ik het wist, ging ik dansend door de straten en mensenmassa heen, een lichaam dat eindelijk op een ander ritme kon doen en zijn.   Toen begrepen ook mijn ogen de strijd die mijn lichaam al die jaren had moeten voeren. Rondom zich heen kijkend en dan plots naar boven naar een zwerm vogels. Op dat moment worden mijn armen en benen de hoogte in geworpen in de richting van die zwerm om dan terug van hen weggetrokken te worden en met een afschuwelijke smak terug op de grond te komen. De zwerm vogels vliegt weg, een hevige pijn schiet in mijn benen, mijn armen stoppen met dansen en voor mijn ogen wordt het zwart. Enkel mijn oren horen nog een jammerende stem en het dichtslaan van een autodeur.  

Prins Vogelvrij
14 0

Utopisch visioen

Schotland, achttiende eeuw   De zonsondergang begon vroeg in de avond. Het donker verdreef het laatste restje warmte, dat die middag met de zon was binnengestroomd. Het vuur laaide hoog op in de haard. Samen met de kaarsen verlichtte het de slaapkamer. Lisa McBrady lag op adem te komen. Robyn McBrady zat naast haar, haar hand in de zijne. Ze had hem fijn geknepen, maar het deerde hem niets.    Na vier maanden had Lisa besloten dat ze thuis wilde bevallen. Te veel vrouwen in de ziekenboeg in het dorp overleden aan kraamkoorts. ‘De vrouwen bevielen eeuwen geleden ook zonder hooggeëerde dokter,’ argumenteerde ze toen Robyn zijn twijfel uitsprak.    Na Lisa urenlang in pijn te zien, sloeg de twijfel echter weer toe. Had hij er verkeerd aan gedaan haar wens in te willigen? Ze had donkere kringen onder haar ogen, het zweet stond op haar voorhoofd. Op sommige momenten overstemde haar uitputting alles.    ‘Waar blijft die vroedvrouw dan toch?’ Robyn veegde de haren uit het gezicht van zijn vrouw. De laatste wee had nieuwe plooien in haar gezicht getekend. Ze was zo sterk, maar hij was bang. Hij hield van haar. Hij zou alles voor haar doen; hij zei het nooit, maar hij hoopte dat zij dit wist.   Lisa glimlachte naar hem. ‘Heethoofd,’ zei ze en ze streelde zijn wang.   ‘Ja, ze had hier al lang moeten zijn!’ Robyn schudde zijn hoofd.   ‘Het past bij je rode haren.’ Ze pakte een rode krul tussen duim en wijsvinger en zei: ‘Ik hoop dat zij jouw haren krijgt.’   In haar dromen zag ze hen soms, met zijn drieën op de klif, vlakbij hun huisje. Ze voelde de wind door haar haren waaien en hoorde de zee tegen de klif slaan. Hun dochter tussen hen in. Over de wind en de zee hoorde je haar gegiechel, ze danste met onschuldig plezier. De blik in Robyns ogen als hij naar zijn dochter keek, versterkte haar liefde voor hem, haar verlangen naar haar.   Robyn ontwaakte uit een sluimer door gebons op de deur.   ‘De vroedvrouw.’ Lisa gaf hem een bemoedigende kneep in de hand.   Robyn haastte naar de deur.   ‘Het spijt mij, meneer, mevrouw, dat ik zo laat ben,’ zei Blaire, ‘de jonge Evangeline Douglas is bevallen van haar zoontje. Hij wilde niet huilen.’ Aan de frons op het gezicht van de vrouw te zien was dat niet goed. ‘Gelukkig ben ik nog niet te laat. Nu, laat mij eens even kijken.’    Ze knielde naast het bed en liet haar handen onder de dekens glijden. Lisa huiverde bij de aanraking. Hij liet zich aan de andere kant van het bed op zijn knieën zakken en pakte Lisa’s hand. Met zijn andere hand streelde hij voorzichtig haar bruine haren, haar zachte betraande wangen en hij murmelde nietszeggende woorden in de hoop dat het haar zou geruststellen.    Nu Blaire er was ging het snel, alsof Lisa zich had overgegeven. Het lichaam van zijn vrouw kromp ineen bij de volgende wee, haar gezicht vertrokken tot een pijnlijke frons. Robyn schoof zijn hand rond haar nek. Hij was koud van de spanning; hij hoopte dat het haar wat verlichting bracht.   Blaire sloeg het deken terug, ‘Bij de volgende verkramping moet u persen, mevrouw.’ Haar handen verdwenen weer onder het witte laken dat over Lisa’s onderlichaam lag.   Lisa kermde, kneep in Robyns hand tot hij dacht dat zijn vingers zouden breken en toen hij ervan overtuigd was dat ze niet langer kon, bewees ze opnieuw haar kracht. Hij zag de spanning in haar kaken. Haar gezicht was rood aangelopen en het laken dat over haar heen lag, trilde mee met haar benen. Robyn moedigde haar aan; streelde de haren van haar voorhoofd, fluisterde. Vertelde haar over de eerste keer dat zij met hun dochtertje naar de zee zouden gaan.   Ze schreeuwde. Een paar tellen later zakte ze happend naar adem terug op het bed. Het geluid van een huilende baby klonk vanuit de armen van Blair.   ‘Een gezond meisje, meneer, mevrouw.’ Ze legde het mensje voorzichtig op de borst van Lisa en dekte moeder en dochter toe met een laken en wollen deken.    Robyn kon zijn blik niet van zijn vrouw houden. Haar ogen straalden in het licht van de kaarsen. De tranen op haar wangen leken te glimmen als zilver. Ze aaide met haar wijsvinger over het wangetje van hun dochter en toen ze hem aankeek was haar blik zo intens dat zijn hart pijnlijk samenkneep.   Blaire scharrelde rond in de kamer. Ze laaide het vuur in de haard hoog op en kookte water. Voor Robyn haalde ze een glas cognac. ‘Dat heb je verdient, vader,’ zei ze met een glimlach.   Voorzichtig zette Robyn het lege glas weg en boog zich over Lisa. Haar witte gezichtje stak fel af tegen de donkere kringen onder haar ogen. Door halfgesloten oogleden staarde ze naar de baby in haar armen. Hij gaf het meisje een kus en daarna zijn mooie vrouw. Ze lachte naar hem. Met een diepe zucht sloot ze haar ogen.   Hun dochter lag al warm toegedekt in haar houten wieg, toen Lisa onrustig werd. Ze trilde, kreunde en schudde wild met haar hoofd heen en weer. Blaire, die aan de andere kant van de kamer bezig was geweest, liep met een frons op haar gezicht naar het bed.   ‘Ze is erg wit,’ zei Robyn.   De frons verdiepte.   ‘Haar vingers worden maar niet warm.’ Robyns handen waren na de bevalling weer opgewarmd en hij had de hele tijd dat Lisa sliep, de hare vastgehouden.   Blaire knielde bij het voeteneind en liet haar handen onder de dekens glijden.‘Meneer McBrady,’ fluisterde Blaire, ‘als ik u vraag de kamer te verlaten, doet u dit dan?’   Robyn bestudeerde het gezicht van de vroedvrouw. ‘Absoluut niet, wat is er met mijn vrouw aan de hand?’   Blaire was al opgestaan en sloeg de dekens omhoog. Scherp ademde ze in en keek met grote ogen neer op het bed.    Robyn werd duizelig toen hij de hoeveelheid bloed zag. Dat kon niet goed zijn. Hij keek terug naar het gezicht van zijn vrouw. Haar mooie gelaatstrekken waren samengetrokken in pijn. ‘Doe iets!’ bulderde hij toen Blaire verstijfd bleef staan. Hij kon zijn vrouw niet verliezen. Hun dochter had haar nodig. Híj had haar nodig.   Uit de linnenkast, die Robyn haar wees, haalde Blaire alle schone lakens die er lagen. Ze knielde opnieuw bij het bed, zei: ‘Ze moet stoppen met bloeden,’ en ging aan het werk.   Even later zei ze: ‘Haalt u water uit de put. Het zou koud genoeg moeten zijn om de koorts te laten zakken.’   Robyn kuste Lisa’s hand en haastte zich naar buiten. Blaire stond al met het laatste laken paraat toen hij de houten emmer, op haar aanwijzingen, naast het bed zette. Tussen de benen van zijn vrouw lagen de lakens opgepropt. Zou het genoeg zijn? Blaire doopte een deel van het laken in het steenkoude water en begon zijn vrouw te wassen.   Een paar uur voor zonsopgang stopte het ijlen. Lisa’s ademhaling bleef oppervlakkig, maar de frons was van haar gezicht verdwenen. Robyn zat naast haar, zijn dochter in zijn armen, toen ze haar oogleden opende en het eerste licht in haar ogen weerkaatste. Haar blik was dof en haar gezicht had een grauwe kleur.   ‘Geef me May?’   Robyn glimlachte bij het horen van de stem van zijn vrouw. Ook al kraakte ze, het was nog steeds de mooiste stem die hij ooit had gehoord. Voorzichtig kuste hij Lisa en legde May in haar armen. ‘Een mooie naam, May.’   Lisa streelde met haar vingertop over het gezichtje van May. Haar bolle wangetjes, de wat gezwollen oogleden, de getuite lipjes en het wipneusje. Een stille traan gleed uit haar ooghoek, over haar wang. ‘Beloof me … dat je met May … naar de klif gaat, haar … de wind laat voelen … en het ruisen van de zee laat horen,’ zei Lisa met tussenpozen.   Er kwam een verstikt geluid uit Robyns keel.   Lisa hief haar hand en streelde haar duim over zijn natte wang.   Hij greep haar pols en kneep zijn ogen dicht. ‘Ik hou van je,’ fluisterde hij. Hij opende zijn ogen, keek haar aan en zei haar: ‘Ik hou zoveel van je.’   Acht jaar later   Robyn ademde diep in. De koude zeelucht stroomde naar binnen, raakte zijn hart.   ‘Vader, kan moeder ons zien vanuit de hemel?’   Robyns hart kneep samen bij Mays gefluisterde woorden. ‘Ik denk het wel lieverd.’ Hij keek omlaag toen haar kleine handje in de zijne gleed.   ‘De zonsopgang heeft de kleur van onze haren, vader,’ zei May. Geconcentreerd staarde ze naar waar de zee de horizon raakte.   ‘Ja,’ zei Robyn, ‘dat is zo.’

schaapschrijft
0 0

Over jagen

Haar huid voelde zacht als zijde en terwijl ze daar lag, welde er diep in mijn binnenste medelijden op. Ik was een bloeddorstige jager en zij niets meer dan mijn prooi. Om het gevoel van medelijden te onderdrukken, dacht ik altijd aan roofdieren, die genadeloos met hun slachtoffer spelen alvorens hen te doden. De medogenloosheid die dieren konden vertonen, bracht mij altijd weer in het hier en nu. Niet dat ik een moordenaar was, maar een roofdier zeker wel. In deze stad waren er wel meerdere zoals ik maar niemand zo fijn geslepen, niemand zo uitgerekend.   Terwijl mijn huid de hare raakt, schrikt ze op:   “Wat heb jij het koud.” en ze glimlacht naar me, een glimlach die de meeste mannen in vuur en vlam zou zetten. Blonde krullen, een satijnen huid en donkergroene ogen. Mannen stonden in rijen aan te schuiven om haar het hof te maken. Ze wou graag actrice worden maar zoals haar waren er duizenden.   “Het is mijn bloed” antwoord ik kil.    “Je bloed?” er verschijnt een kronkel op haar daarvoorheen gladde voorhoofd. Het was niet het antwoord waar ze op had gehoopt.   Ik tover een lach op mijn gezicht die haar meteen terug gerust stelt. Ze lacht, kijkt me aan en het spel gaat weer verder.   “Koud bloed? Wat voor roofdier bent u dan?”   “Het meest gevaarlijke dat hier op aarde rondloopt.”   “Oh ja?”   Ik laat het gesprek achter me en wandel richting het balkon om een sigaret te roken. In de straat spelen wat jongeren voetbal met een platgedrukt blikje frisdrank. Luid en met hun arme zwaaiend telkens de lichte van een auto opdoemt. Om daarna, wanneer de auto voorbij rijdt, het spel weer te hervatten. Ik nam en laatste teug van de sigaret en keerde terug naar haar bed. Ze sliep reeds en toen ik haar daar zag liggen, borrelde het medelijden weer in me op. Hier kon ik de rest van de nacht niet spenderen, dacht ik bij mezelf. Een teveel aan gevoelens schrikt me af. Na al mijn spullen te verzamelen, slenterde ik de trap af richting de voordeur. Buiten was het nu veel rustiger, de spelende kinderen waren allemaal naar binnen, enkel het blikje lag nog op straat. Met een heuse aanloop en enorme trap probeer ik het blikje weg te stampen. Mijn voet blijft echter steken achter een grote kassei en ik val op een auto die aan de zijkant van de straat geparkeerd stond. “Gevaarlijkste roofdier” dacht ik en een glimlach verscheen op mijn gezicht.

Prins Vogelvrij
1 0