Lezen

Stoerdoenerij van het bange hart

Een paar dagen na mijn vertrek. Wanneer mijn planning volgens planning gelopen zou zijn, zat ik al in mijn hut, hoog in de Pyreneën. Met uitzicht over besneeuwde bergtoppen te schrijven over mijn avontuurlijke tocht. Met het knisperend geluid van de houtkachtel op de achergrond en Mila aan mijn voeten. Het leven loopt niet altijd volgens planning. Zeker niet als deze overmoedig en daardoor onrealistisch is. Daardoor vindt mijn dagelijks schrijven plaats in mijn favoriete koffiebarretje in Home Town Mechelen. Waar ik 20% van mijn geplande dag budget spendeer aan een latte. De rietsuiker, het speculaasje, wifi, warmte, toilet en drinkwater maken de 3,5 euro minder pijnlijk. Hoe ben ik in Kaffee-ine beland in plaats van mijn hut, ver boven zeeniveau en minstens even ver weg van de bewoonde wereld? Angst. Naast slechte raadgever ook de bron van deze change of plans. Vol goede moed liet ik Mechelen achter en wikkelde me in het gevoel van avontuur en vrijheid. Helaas sloeg dit haast euforische gevoel al heel snel om naar zijn minder positieve tegenhanger. Niet zo heel erg veel later, nog niet eens de taalgrens voorbij, bracht ik mijn bus noodgedwongen tot stilstand. Geen taferelen met zwarte rook uit de motorkap, al voelt het niet minder erg. Zware migraine. Van die soort dat het tikken van je richtingsaanwijzer voelt als een hamerslag op je schedel. Samen met het kloppen in mijn hoofd, ogen en maag, kwam het overduidelijke besef dat ik mezelf overschat heb. ‘Zwààr overschat’ was misschien wel beter op zijn plaats. Het was te ver buiten mijn comfort zone op dat moment om zonder plan door de vrieskoude alleen tot in de Franse bergen te rijden in mijn nieuwe oude logge 3tonner. “Hoe kan je één jaar alleen gaan reizen als je de tocht naar de Pyreneeën, zo ongeveer 5/365e van de onderneming, niet eens aan kan vangen vol vertrouwen. Of toch op zijn minst zonder het in je broek te doen?” Lekker kritisch. Zo is hij wel, die Eerste Stem. In een zachte melodieuze toon vervolgde Stem Twee op zijn eigen sussende manier “Nothing to be ashamed about: er zijn genoeg mensen die niet eens allen op een all-in vakantie zouden gaan. Of naar Antwerpen durven rijden. Zelfs in je vriendenkring.”“Yep,” antwoordde de kritische stem “die durven het niet en die doén het dan ook niet. Slimmer dan pretenderen meer te durven dan je kan. Zij kénnen zichzelf duidelijk beter dan jij jezelf kent. En dat geeft dan al jaren les over ‘naar jezelf luisteren’ en ‘je grenzen respecteren’. Tssss…” Even bleef het stil, waardoor de harde woorden hun doel niet misten. Recht in mijn bange hartje. De katalysator voor angstgedachten die op hun beurt mijn zelfvertrouwen aantastten. Dat brokkelde af met de snelheid van een over gemotiveerde lawine. Rillend in mijn bed, onzeker over hoe lang de verwarming op kan zonder de benzinetank leeg te maken, dienden twee opties zich aan. Angsten negeren, extra anti-migraine pilletje en moedig door rijden tot in de bergen. Of luisteren naar mijn gevoel en mezelf niet forceren iets te doen dat niet goed voelt. Geen evidente keuze, dààr, op de parking, tussen de truckers en in de schemer. De stemmen in mijn hoofd waren het nog steeds niet eens. “Komaan, wie durft er nu niét naar de Pyreneeën rijden?”, bulderde Stem Een. “Wel ja, …. “, hoorde ik Stem Twee fluisteren na wat getwijfel, “ik. Ik durf het niet op deze moment, alleen.”Wat was ik blij dat mijn Begripvolle Ik tussenbeide kwam, nog net op tijd om een ruzie tussen hen te vermijden. “Voelt het niet goed, dan is het niet goed. Waarom heb je een sabbat jaar genomen? Om te rushen? Om je stoer voor te doen? Ik dacht het niet. Les 1: wees trouw aan je gevoel. Je hebt niets te bewijzen en nog in het minst aan je zelf.” Ik draaide de sleutel om in het contact en reed terug naar Mechelen.

angelique
28 0

Verloren bewustzijn

Ooit vertelde men mij dat geloof het belangrijkste is. En als ik ongelukkig was, troostte ik mezelf dat je niet gelukkig hoeft te zijn in je leven. Het geloof zal uiteindelijk je redding betekenen. Het geluk is je beloning bij God. Later besefte ik dat geloven ten dienste staat van het geluk. Dus is geloven niet het hoogste.  Alles in onze praktische realiteit is erop gericht een staat van geluk te betrachten. Een streven naar balans, rustmomenten zoals zoet en zout water die één substantie worden. Aangezien kennis oneindig moet zijn, achter elk antwoord nieuwe vragen opdoemen, moet men buiten onze praktische werkelijkheid zoeken naar hogere waarden dan geluk. En als men aan ALLES mag twijfelen, behalve de twijfel, dan moeten we dus wel bestaan.  Dat ons bestaan wel verbonden moet zijn met deze subjectieve werkelijkheid waarin wij leven. Dan blijkt ons streven naar geluk;  dan staat geluk ten dienste van iets hoger. Dan gaan we een stapje hoger.  Naar een hoger bewustzijn alwaar ons streven naar geluk ons constant uitnodigt tot levenservaringen, waaruit wij gevormd lijken te worden. Al onze wereldse beslommeringen lijken dan niet meer te betekenen dan een golfje in de branding, niet meer dan een rimpeling over stilstaand water, een beweging.  Betekenisvol in ons bewustzijn, maar slechts een zucht in het hogere. DIE ZUCHT IS SAMENGESTELD UIT VORMINGSATOMEN, RESULTEREND UIT ONZE LEVENSERVARINGEN, AANGESTUURD DOOR DE NEIGING TE BALANSEREN, ONS IN ALLES STREVEN NAAR GELUKKIG ZIJN. Daar ligt de grens van ons weten.  Verder kunnen wij niet zien. Daarachter bevindt zich de oneindigheid van wat is, en alle mogelijkheden.   Alles is relatief. Mijn leven is niet meer van tel, vanwege de verkregen inzichten. Ik ben innerlijk vrij, verlost. Mijn ik zit nog geketend in onze aardse werkelijkheid, verlangend naar verlossing, naar eenwording met het absolute, allesomvattende bewustzijn, het Goddelijke. Nu begrijp ik Socrates.  De dood is voor de bewustgewordene een thuiskomen in het grote bewustzijn. Ik ben er geraakt in mijn eentje.  Ik ben geslaagd en ben er klaar voor.  Mijn ziel is vrij.  Slechts mijn lichaam is hier nog aanwezig.  Materie houd mij hier op aarde, een gedwongen leven. Ik leef in het toegevoegde. Niet begrepen, niet gehoord.  Het is mezelf gelukt. De uren, dagen of zelfs jaren die ik misschien nog leef zijn een pijnlijk ondergaan, slechts voor anderen. Ik verlang naar de andere zijde. Geen pijn meer. Verlossing.

Philissa
8 0

Allegorie vd Grot 2.0 / begin

Wat was het leven toch mooi daar beneden. We kwamen niets tekort. Alles was duidelijk. Nee, nee, nee! Zo gaan we er niet geraken! Opnieuw.. We waren gevangen.. We zaten gevangen.. Geketend. Nee, IK was gevangen, samen met de anderen. Echter besefte ik dat eerst niet. Eerst.. wel, tot voor kort, kon ik me geen ander leven voorstellen. We kenden niets anders. Voeding rolde sporadisch tot bij ons, en we verdeelden die. Aan het stroompje onder ons konden we onze dorst lessen. En we deden er onze behoeften in; op afspraak natuurlijk. Iedereen drinkt graag fris water hé. Vooraleer we onze dorst wilden lessen, spraken we samen af dat we enige tijd onze behoeften niet deden, zo verzekerden we ons van schoon water. Er was niet echt veel te doen daar. We zaten daar maar met onze gezichten naar voren gericht. Naast elkaar, zonder ooit elkaars gezicht te hebben gezien. Wel praatten we soms, en we kenden elkaars stem. Soms praatten we over wat ons bezighield. Waar komen wij vandaan? Wat is deze plek? Vanwaar komt dat water, en waar gaat het naartoe? Vanwaar komt dat eten?.. en nog veel meer vragen... Althans dat waren de grote vragen waar ik mijn gedachten in stilte mee kon vullen. In den beginne was ik best een aangename gesprekspartner in de groep. Doch raakte steeds meer uitgekeken op de oppervlakkige 'small talk', dewelke onze wereld, deze grot galmend vulde. Die gesprekken waren vooral ter verdrijving van onze eenzaamheid. Wat er van de tongen rolde had de schijn van inhoudelijkheid. Het was praten om te praten, om gehoord te worden. We kenden elkaar best wel door en door en de sociale interacties waren vooral lijm tussen lange stiltes. En van die stiltes hield ik steeds meer. In gedachten probeerde ik de fundamenten van ons bestaan te begrijpen. Zo vroeg ik mij af wat de bewegende Figuren vóór ons betekenden. Wie of wat waren Zij? Hoe vreemd waren de interacties tussen Hen. Zij leken met Elkander te dansen. Echter, waren Zij zoals wij? Zacht gefluit en licht geknetter begeleidden de zwevende Figuren. Maar praten, zoals wij, nee dat was niets voor Hen. Misschien communiceerden Zij op voor ons nog niet-begrijpbare wijze. Het leek wel alsof Zij superieur hun leven leidden en dat wij van aan de zijlijn Hun getuigen waren. Was dat de bedoeling? Waren wij uitverkoren hiervoor? Tot welk doel? Of waren wij misschien toevallig hier, zonder Hun medeweten. Wat waren Zij toch vreemdsoortige wezens. Vrije en willekeurige Bewegers. Hadden Zij ons geschapen? Waren Zij de Veroorzakers van ons bestaan? Wensten Zij bekeken te worden? Wensten Zij erkenning van ons? Wat verlangden Zij eigenlijk van ons? Hoe zouden wij dat hebben kunnen weten als Zij niet tot ons praatten, zoals wij gemakkelijk hadden kunnen begrijpen, onze taal? Was het de bedoeling dat wij Hun bewegingen zouden bestuderen en eruit leren? Wat dan wel? Voor mij zat er gewoon geen lijn in. Ik begreep er niets van. Toch voelden wij ons betrokken met Hen. We kenden Hen al heel ons leven, althans zolang ik mij kan herinneren. Hoelang ben ik hier" dacht ik plots? Ja, hoelang? En was ik altijd al daar? Ik bedoel, voordat ik hier was, zonder dat ik mij daar iets van herinnerde, waren wij misschien elders?? En waar zouden wij naartoe gaan? Was er iets dat ons te wachten stond? Zou dit ooit een einde in het vooruitzicht gehad hebben? Welk nut had mijn bestaan daar? Was er wel een begin en een einde? Was dit eeuwig? Mijn lotgenoten en ik leidden soms lange perioden honger, wanneer voedsel niet tot ons kwam. Werden wij gestraft? Hadden wij iets fout gedaan of gedacht? Praatten wij ongepast waardoor wij op onze honger bleven zitten? Ook wisselden warmere perioden met frissere. Soms was er meer wind dan anders, en dan dansten zij heviger, die figuren, en waren we bang. Ook het water onder ons werd soms heel erg koud, nadat het een tijd lauw was geweest. Vanwaar kwam dat water? Waarom die temperatuurswisselingen? En waar bracht het onze uitwerpselen naartoe? Was dat de reden van ons bestaan? Voedsel omzetten in afval? Voor Hen? Was het misschien voedsel voor hen? Nee dat zou niet kunnen, want het was vies. Voor ons toch.. Of bestudeerden Zij die en zouden Zij daarmee over ons oordelen? Er zou een reden voor moeten hebben bestaan, maar wij kenden niet wat. De kennis hierover lag ben Hen. Tenzij, wij absoluut niets met Hen te maken zouden hebben. Een toevallig naast en met elkaar bestaan. Misschien waren wij wel superieur aan Hen. Die laatste gedachten mocht ik niet delen met mijn vrienden. "Heiligschennis!" hoorde ik dan. "Het zijn jou foute gedachten die ons doen lijden!" "Zwijg, of Zij zullen ons nog harder straffen!". En dus, terwille van mijn vrienden praatte ik daar niet verder over. Wel begon ik mij in gedachten voor te stellen wat er meer zou zijn, meer dan wat wij met onze zintuigen konden waarnemen. Ik moest te weten komen waar het voedsel en het water vandaan kwam. Maar eerst zou ik mezelf moeten bevrijden van van mijn kettingen.

Philissa
0 0

Oud brood en autobanden

  Bij nacht, mijn liefste, fluister ik. Geen mos, geen daken roepen naar de maan. Melancholie, verdwaalde snot kleeft aan mijn stembanden. Schimmels groeien op mijn stil vinyl. Er groeien korsten op de scheuren, oude schreeuwen, echo’s dachten uit te sterven, alles hapert en het is nog zeven dagen voor de kerst.   Ik heb geen haard, geknetter kan ik enkel voelen als ik bij je lig, wanneer je vel wilt dat ik streel met tong en lippen, vingertoppen. Prevelen, dat zal ik, codewoordjes, broodjes plankton wachten in een koelschrank langs een Autobahn, ik ben al onderweg. Ik kom uit Osnabrück. Ik kocht een caravan met Duitse nummerplaat en blote velgen voor het zachte asfalt in jouw warme lavaland.   Tralala, lalala. Er is geen radio aan boord, de motor neuriet onzin en een BMWmobiel vliegt me voorbij. Straks, daar in een bos bij Aken sneuvelen de biggen van de wildste everzwijnen want ze steken over, zoeken eikels aan de overkant.   Nog even, Poekie, en ik fluister. God de ganse weg zal ik gezwegen hebben want de witte Rijndolfijn hij had gesproken : Menschen, halten Sie die Klappe!   Dat was, toen ik de brug bij Duisburg overreed. De wereld vroemde, brulde, schat. Ze brult zo vaak, het is een aap met rotte kiezen, overal geboor. Een tandarts hoorde ik en wegenwerkers sloegen gaten, op een parking wilden de lantaarnpalen aarding en houvast.   Blablabla, blablabla en het zijn tweede moede ogen, zoetje, die van mij. Ze richten zich op streepjes en gebeuren doet het. Buiten mikt een klokhuis naar een vuilnisbak, meeuwen pikken in verloren brood. Oud, dat is het na één dag, doch gisteren zal altijd blijven weten, honnepon, hoeveel ik van je houd.   Waarom was deze morgen dan het licht zo raar en fel? Ik zag je even niet. Het beeld kwam weer, nog een geluk. Ik kreeg jouw blik terug en ook de plastiek jeep. Hij rijdt zo graag door al jouw heuvels en ik stopte even. Schat, je denkt allicht dat ik pipi moest doen.   Dat was het niet. Elf autobanden stonden op elkaar gestapeld als een toren die van nieuwe reizen droomt. Drei Liter Gefrierschutzmittel, vroeg ik toen in die garage. Zo verging mij daar. Ik koos een hemelsblauwe kleur voor ogen van een blindgeboren dag en verder reed ik, rijd ik nu. Nog steeds. Ik kijk niet meer opzij. Ik kom!   Het zal weer donker zijn, mijn wederhelft, als ik je oren vind. Wees lief en wees gerust, meine liebe Schmetterling, geheimen zullen het niet zijn, geen lege zinnen die ik je verklap en straks dan voel ik, zoek ik achter al jouw lelletjes naar prikkels voor een lange nacht. Ik vind ze wel, de korte pijn zal zijn, voor haar, de eenzaamheid.    

Dimitri Dendonder
0 0

Koffieklets zonder koffie met verjaardagstaart toe

Lieve vriendin,   Vandaag, 16 jaar! Voor je allereerste en laatste keer, 16. Dat is speciaal. Wordt specialer. Is het speciaalst. Ben jij ook voor mij. Voor eeuwig. Kostbaar. Breekbaar. Lachen. De zon staat aan jouw kant. Waarom denk ik dat? Steeds weer opnieuw geef je me een stralende lach. Hier, voor jou. Zeg je dan. Je plakt hem op mijn gezicht. En ik. Beetje overrompeld, beetje gekreukt. Antwoord. Dankje. Dat is lief. Alsof je een wilde roos plukt. En geeft. Gewoon. Zomaar. Voor het gebaar. Tof. Op jouw manier, dat wel. Zacht. Maar toch ook weer hard. Lief. Maar ook weer brutaal. Zo ben je. Ietwat overweldigend, maar ook wel sierlijk. Jezelf. Als een zwaan met een zwarte bril. Maanlicht.  Zwemmend in een meer. Sierlijk. Of als in een veld vol prachtige, wilde rozen toch een lief, klein madeliefje staat. Dat is overweldigend. Vanwege het verschil. Maar jij, mijn lieve vriendin. Niet zozeer verschillend qua uiterlijk. Van humor. Dat weet je. Zo niet. Nu. De reden waarom ik je speciaal vind. Speciaal vind. Vind. Niets. Gewoon, jij. Hoe je bent. Wie je bent. Voor mij. Jij. Onze praatjes. Koffieklets zonder koffie. Gewoon, zomaar. Twee kletskousen. Jij en ik. Aan het kousekletsen. Ik hoop dat je van deze dag zult genieten. Van je 5840e dag vol leven! Want de klok tikt verder. Non-stop. Continu. Tiktakt het verder. Accepteer je verleden en kijk uit naar je toekomst. Glimlachen. Lachen. Je geluk toelachen. Zeker doen! Speciaal. Jij. Voor mij. Dit is van mij. Geniet! -xxx-

Bordeauxx
13 0