Lezen

Manuscript in een studentenkamer gevonden

Ik ga het alfabet herschrijven:A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A Hoeveel keer zou je het woordje pijn lezen als ik het duizend maal voor je uitschreef? Vast geen duizend keer. Zelfs niet als ik het duizend maal duizend maal schreef.   Wacht, ik pak het anders aan. Ik probeer het eens met getallen. Priemgetallen, meer bepaald. Of nee, priemjaren:   2. Als ik terugdenk aan mijn eerste herinnering, weet ik nooit helemaal zeker of ik me die herinner omdat ik ze onthouden heb, of gewoon omdat ze me zo vaak verteld is. Ik weet niet eens precies hoe oud ik was; ik schat twee jaar. Ik speelde veel ‘buiten’. Dat wil zeggen: op ons koertje van een paar vierkante meter groot. In de hoek van dat koertje stond een grote regenton. Vaak sleurde ik een stoel naar buiten waar ik op balanceerde om het watervlak te kunnen zien. Ik liet er plastic vissen in zwemmen en zelfgemaakte bootjes op drijven. Meer dan eens zonken de voorwerpen waar ik mee speelde naar de bodem van de ton. Vader liet het gevaarte om de zoveel weken leeglopen en dan had ik meteen heel wat verloren speelgoed terug. Op een dag glipte een speelgoedmannetje uit mijn handen. Ik greep ernaar, maar ik kon er niet meer bij. Mijn rode piraat ging onverbiddelijk naar de haaien. Ik greep nog eens en nog eens en toen verloor ik mijn evenwicht. Het koude water trok me naar zich toe en ik bood geen weerstand. Ik probeerde niet eens me om te draaien of naar boven te stuwen. Ik ging gewoon de diepte in, mijn piraat achterna. Waarom? Ik weet het niet. Evenmin hoe lang het duurde. Achteraf vertelde moeder dat ze nog net op tijd was om mij te komen redden. “Je zag al helemaal blauw. Je was bijna dood geweest.” Nog dezelfde dag maakte vader een deksel om de regenton af te dekken. Wilde ik met de bootjes spelen, dan moest ik me voortaan behelpen met een teil.   Soms, als het verteld wordt op familiebijeenkomsten of onder kennissen, luister ik ernaar alsof het een verhaal is over iemand anders. Denkend aan die ton, voel ik nog altijd de kou langs mijn ruggengraat lopen. Dan herinner ik me ook die keer dat moeder de deur naar het koertje op slot gedaan had. Het door vader gefabriceerde deksel was van de ton en door het raam kon ik moeder nergens zien. Rond de ton was overal water, maar ik zag verder geen beweging, geen gespartel. Toen vader thuiskwam, moest hij de achterdeur forceren. Een paar tellen later haalde hij vloekend zijn vrouw uit het water. Ziedaar een echte herinnering. Het beeld is nog altijd op mijn netvlies gebrand. Moeder was doorweekt en ze rilde. Ook zij zag blauw. Was ze bijna dood geweest? Ze keek me aan alsof ze medelijden met me had, of om medelijden vroeg. Het was een blik die ik niet begreep. Na het voorval bleef moeder dagenlang in bed. Vader zei dat ze zich een beetje ziek voelde in haar hoofd. Zo vertelde hij het ook aan de familie. Op familiebijeenkomsten werd er angstvallig over gezwegen, alsof alleen het verhaal van mijn redding het onthouden waard was.   Alsof niet wat gebeurd is telt, maar wat men zich ervan herinnert.   3. Kijk! Ik heb een litteken op mijn rechterpols. Het trekt een rechte, witte lijn, beginnend ergens halverwege mijn pols, evenwijdig met mijn slagader, tot aan de stam van mijn hand. Maar wie denkt dat dit litteken het gevolg is van een tot mislukken gedoemde zelfmoordpoging, zit goed fout. Ik ben mijn moeder niet! Ik kan niet tegen bloed. Dat is niet de manier waarop ik sterven zal.   School was een concept waarmee ik van bij de aanvang moeite had. Elke dag werd ik om acht uur ’s morgens aan de schoolpoort afgeleverd en om vier uur ’s middags weer afgehaald. Ik was geen huilbaby. Evenmin een gelukkig kind. Had mijn moeder me van acht tot vier in een kast opgesloten, dan was ik vermoedelijk even gelukkig geweest. Op school ging ik van de speelplaats naar de klas en omgekeerd. Idem wat betreft de refter. Maar voor de rest deed ik er niets. Ab-so-luut niets. Ik lachte niet, ik speelde niet, ik zong niet en ik danste niet. Zelfs eten was een groot probleem. Ik overleefde op de koeken die ik meekreeg van thuis. Soms zat zo’n koek in een onmogelijke verpakking. Niets speciaals eigenlijk, gewoon een verpakking die ik niet open kreeg. Dan kwam ik ’s avonds terug thuis met in mijn boekentas een volledig verkruimelde koek, de verpakking nog intact. Natuurlijk deden de juffen hun best; natuurlijk zeiden vader en moeder dat ik om hulp moest vragen als ik een probleem had. Maar ik herhaal: school was een concept waarmee ik van bij de aanvang moeite had. Wanneer ik klasgenootjes vroeg me te helpen met mijn koek, werd ik uitgelachen. Gaf ik mijn koek uit handen, dan was ik hem kwijt. Hij werd opgegeten, of, als de pestkop met dienst er geen zin in had, weggesmeten. Mijn koek uit het toilet vissen, ging me te ver, maar het gebeurde dikwijls dat ik mijn koek uit een vuilbak moest grissen. Tot die keer dat iemand de scherven van een gebroken fles in de vuilbak op de speelplaats had gedeponeerd. Ik lette alleen op mijn koek die erlangs was gevallen. Ik stak mijn arm tot diep in de vuilbak en toen ik de koek beethad en mijn arm terugtrok, viel ik van schrik bijna flauw. Ik herinner me geen pijn, wel het zicht van al het bloed dat uit mijn pols gutste.   5. Woensdagnamiddag: thuis Als moeder het huis stofzuigt, volg ik haar, kamer na kamer. Ik zie hoe grondig ze haar dagelijkse routine afwerkt. Ik kijk toe of ze geen hoekje of kantje vergeet. Ik probeer me in te beelden waar ze aan denkt. Soms kijkt ze met een glimlach terug en probeert te raden wat ik denk. Misschien denken we op zo’n moment allebei aan niets. Ik heb geen eigen gedachten, ik denk aan wat zij denkt en zij denkt aan wat ik denk. Het is een kringetje. Het is goed.   Weekend: thuis Als vader met mij praat, heb ik geen grote woordenschat nodig. “Ja vader” en “nee vader” volstaan. Vader praat graag en vaak met zijn handen: één enkele keer zijn ze gevuld met snoep, maar meestal trakteert hij met klappen. Zijn slagen, ze zijn van het soort waar je ogen van knipperen als hij met onschuldige hand een lok van je voorhoofd streelt. Het is om mijn bestwil, dat weet ik, en moeder weet het ook, verborgen in haar hoekje of kantje. Zo zijn vaders. Het is goed.   7. Na de kleuterklas kwam de lagere school. We hadden in die tijd nog geen telefoon, dus wie ons nodig had, belde naar de buren. Dat gebeurde uiterst zelden; zoals die keer dat de school naar de buren telefoneerde met de vraag of moeder mij kon komen afhalen. Bezorgd spoedde moeder zich naar het lokaal van de verpleegster en toen ze me zag, begon ze te huilen. Mijn rechteroog zat helemaal dicht, twee los zittende melktanden waren gesneuveld en wanneer ik ademde, leek er een piepend geluid uit mijn longen te komen. Vader was woedend en klampte na zijn werk direct de directeur aan. Die wist enkel te vertellen dat er een vechtpartij geweest was.   De ware toedracht? ’s Middags speelden alle leerjaren samen op de grote speelplaats. Ik zat nog maar in de eerste klas. Ik was een gemakkelijk slachtoffer voor ‘die van de zesde’. Die dag had ik op de speelplaats een steentje gevonden en het opgeraapt voor de neus van één van hen. Hij had me zien bukken, maar hij had niet kunnen zien waarom. “Wat heb je daar gevonden?” vroeg de stoere twaalfjarige. Ik klemde het steentje in mijn vuist en zei: “Niets!” Het was per slot van rekening maar een steentje en daar had die jongen niets mee te maken. Dat was niet naar zijn zin. “Hé,” riep hij tot zijn makkers, “die kleine hier heeft iets gevonden en hij wil niet zeggen wat het is!” “Misschien is het geld,” riep een ander terug. Plots stonden ze met z’n vijven om me heen. Nog wou ik het steentje niet tonen. Toen begonnen ze me te schoppen en te slaan. De juf riep de meester erbij om ons uit elkaar te halen. Het steentje heb ik geen moment gelost. Ik had het nog steeds stevig in mijn vuist toen moeder me kwam halen.   11. Moeder, je had een reeks aandoenlijk dramatische pogingen tot zelfmoord achter de rug. Telkens wanneer er een ziekenwagen voor de deur stond, vroegen de buren zich voor de grap onder elkaar af: “Heeft ze weer zelfmoord gepleegd?” Hoe schuldig moeten ze zich gevoeld hebben na je laatste poging! Qua denkwerk was je daad heel eenvoudig. De hoogte van het plafond, naar beneden afgerond. Je lichaamslengte, ruim bemeten. Het verschil van beide getallen, vermeerderd met een lus. Zo lang was je touw. Een elementair rekensommetje. Toch zei iedereen dat je het zo niet gewild had. Dat je pogingen een schreeuw om aandacht waren. Ik heb daar veel over nagedacht. Ik denk dat iedereen zichzelf maar iets wijsmaakte om er zich van af te maken. De bemoederende woorden van een non. Het vaderlijke verbod van een priester. “Probeer het niet nog eens; het leven kan zo mooi zijn!” Dat was de enige hulp die je in die tijd kon krijgen. Daar moest je het mee doen. Basta!   13. Het was wel duidelijk dat ik niet was zoals de andere kinderen. Vooraleer ik naar de middelbare school mocht, schotelde men mij en mijn klasgenootjes een hele reeks testjes voor om te zien wat er van ons kon worden. Verstandelijk was er niks mis met me, ik behoorde tot de slimsten van mijn klas. Toch was ik een twijfelgeval. “Hij denkt niet zoals de andere kinderen denken,” zo legde de meester uit aan vader, maar vader wist dat al. Hij begon tegen de man te vertellen over moeder en haar zelfmoord. Daar had de meester niet van terug. Niemand op school durfde vader tegen te spreken zodra hij over zijn vrouw begon. Zo mocht ik overgaan naar het middelbaar. Natuurlijk werd ik daar nóg meer gepest; al was het maar omdat vader al mijn kleren 2 + 1 gratis kocht in de supermarkt, zodat het leek of ik nooit andere kleren aandeed. Wat bovendien soms weken na elkaar het geval was, als vader geen zin had om te wassen. Maar ik bleef een redelijk goede leerling. Ik behaalde goede punten, beging zelden een flater en in zo’n geval merkt geen enkele leraar het pesten op. Als er al iets gebeurde, keek de speelplaatsopzichter de andere kant uit. ‘Kwajongensstreken’ noemden ze het.   Eén enkele keer haalde ik uit. Een bende klasgenoten had mijn muts afgepakt en wierp ze van de ene naar de andere. Hoe ik mijn muts ook naliep, ik kwam altijd te laat om ze aan de pestkoppen te ontfutselen. Tot ik een paar meter verder het jongere broertje van één van hen op de speelplaats opmerkte. De jongen was net iets kleiner dan ikzelf. Ik liep op hem af en greep hem stevig beet. Ik trok een pluk haar van zijn hoofd, hield die omhoog en dreigde ermee de luid krijsende jongen volledig kaal te plukken als ik niet gauw mijn muts terugkreeg. Iedereen was verbijsterd, verontwaardigd omdat ik een onschuldig kind aanviel dat niks met de pesterijen te maken had, maar ik kreeg de muts bijna binnen de seconde terug. Ik duwde het huilende kind minachtend op de grond en zette mijn muts op. Ik stond er verder niet bij stil. Het was voor mij gewoon een kwestie van overleven. Elke dag opnieuw. (Hoelang nog?)   17. Liefste dagboek, [maandag] Gisteren was er een man op tv. Hij zei doodserieus: “Zelfmoord, dat is toch wel het laatste wat je doet!” Waarop een hele zaal in lachen uitbarstte. En ik? Ik zat er onbewogen bij. Niet goed wetend wat ik op dat moment het liefste wilde: huilen of lachen. [dinsdag] Ik ken van alles de definitie, maar van niets wat het betekent. Als ze me vragen waarom ik de dingen doe zoals ik ze doe (nooit zoals het hoort), verdedig ik me altijd met hetzelfde antwoord.“Ik ben nu eenmaal mezelf.” Eénmaal mezelf, als een priemgetal, ondeelbaar. Alsof het iets is om trots op te zijn. [woensdag] Ik ben een autodidact die de verkeerde les heeft geleerd. Telkens ik denk origineel te zijn, blijk ik net een open deur ingetrapt te hebben. Het is niet eerlijk. Het is niet fair. De hond blaft, maar de karavaan is al lang voorbij… [donderdag] Ik ga zelfmoord plegen. Nee, niet nu direct. Binnen drie dagen pas. Ik heb een plan. Goed overdacht; geen impulsieve daad! Zondag gebeurt het, of helemaal niet. Dat geeft me ruim voldoende bedenktijd om uit te maken wat het meest de moeite is. De lange pijn, of de korte… [vrijdag] Wat is er misgelopen? Was het mijn afkomst? Was het mijn opvoeding? Of was het gewoon mijn eigen schuld? Waar ben ik ziek? Ik leid een leven zonder grootse verwachtingen. Mijn pad loopt als een diepe voor, uitgesneden in de schier eindeloze vlakte. Ervan afwijken gaat niet zomaar… [zaterdag]Als deze dag mijn laatste was    zou ik dan kunnen sterven?Wat is er van mijn stof en as    de moeite waard te erven? Vanavond kreeg ik onverwachts de kans om met een paar klasgenoten mee te rijden naar een fuif. Een laatste keer de nacht in dansen en dan voor altijd slapen. Het idee trok me wel aan, maar ernaar handelen, kon ik niet; het hoorde niet bij mijn plan. Ik bleef thuis in het gezelschap van mijn doemgedachten. Wachten, wachten, wachten… [zondag] Ik werd vanmorgen opgebeld; mijn klasgenoten zijn niet teruggekeerd van hun fuif. Op de terugweg is hun auto tegen een boom geknald. De chauffeur en de passagier op de achterbank vechten nog voor hun leven. De passagier naast de chauffeur was op slag dood. Dat was mijn plaats. Ik had die passagier moeten zijn. Morgen drie lege banken in de klas. Niet de mijne. Opnieuw weet ik niet wat ik het liefst zou kunnen: huilen of lachen. Het was nu of nooit, maar het zou van slechte smaak getuigen er nu van te maken. Het wordt dus nooit. Ik blijf leven.   19. Het eerste meisje waar ik mee naar bed ging, was heel mooi. Ze had blond golvend haar en blauwe ogen. Op een woensdagnamiddag nodigde ze me uit op haar kamer. Haar vader was uit werken en haar moeder begeleidde haar jongere broers naar de voetbalclub. We hadden tijd, zo lokte ze me naar binnen, en niemand zou ons storen. De deur was nog maar dicht of ze ging uit de kleren. Tegen beter weten in, aapte ik haar na en algauw rolden we borst tegen borst over haar bed. Tijdens de daad kreunde ze oorverdovend hard en dat stoorde me een beetje. Ik was nog nooit op haar kamer geweest en terwijl ze mijn stijve pik bereed, telde ik het aantal boeken op haar plank (34), het aantal foto’s op haar bureau (5), het aantal cd’s in haar rek (49),… Pas toen ze haar klauwen in mijn vel dreef, besefte ik waar ik mee bezig was en kwam ik schokkend klaar. Het meisje belde direct haar beste vriendin op om te zeggen hoe fantastisch het geweest was. Haar vorige vriendjes kwamen nooit verder dan wat stuntelig gefriemel en een ‘sorry dat het zo vlug voorbij is’, maar ik was totaal anders, zo vertelde ze. Als gevolg van al die lof begon die vriendin van haar me een week later te verleiden. We deden het bij haar thuis op de sofa. Haar ouders werkten allebei en haar oudere zus zat op kamers als studente. Er lagen 3 tijdschriften en 2 kranten op het salontafeltje. Op de schoorsteen stonden 3 beeldjes en 8 foto’s. Ik deed alsof ik klaarkwam toen de grote wijzer van de wandklok op 12 sprong. Dat ik met elk van de twee beste vriendinnen gesekst had, kon niet lang geheim blijven. Eerst vlogen ze elkaar in het haar, daarna richtte hun woede zich op mij. Ik begreep er niks van.   Ik heb me na die eerste ervaringen een hele tijd ver van meisjes en vrouwen afgehouden. Gelukkig was de middelbare school op dat moment bijna achter de rug. Pas op mijn negentiende verzeilde ik weer met een meisje in bed. Het gebeurde op mijn eigen studentenkamer. Ik had alles wat er stond al geteld. Het meisje had een minuscuul schoonheidsvlekje bij haar rechterwenkbrauw. Zo ééntje dat je amper ziet als je er niet op let, maar waar je je ogen niet van kunt afhouden als je het eenmaal gezien hebt. En zo bedreven we, elkaar strak in de ogen kijkend, samen de liefde. Toen we lagen na te hijgen, zei ze dat ze van me hield. Ik zei haar het zelfde terug.   Het was het mooiste misverstand dat ik ooit mocht beleven.   23. Ik ben 23 geworden. Ik heb mijn diploma.Ik ga trouwen. Ik word vader.Het is alles wat ik ooit gewild heb. Het is méér dan ik ooit verwachtte.Het is prachtig. Het is angstaanjagend.   Ik ben nog altijd niets wijzer geworden omtrent wie ik ben, maar ik weet ondertussen wel wat ik heb.Het is geen ziekte, maar het heeft wel een naam.Ik kan er niet van genezen, maar ik ga er ook niet aan dood.Denk ik. Hoop ik.   Ik wilde het alfabet herschrijven, maar ik raakte niet verder dan de A.De A van autisme.Dan maar verder met getallen. Dat lukt me beter.Denk ik. Hoop ik.   Ik noteer alvast mijn volgende priemjaar.Dan zien we wel wat volgt:   29.

Bruno Lowagie
0 0

Snowflake Blues

Geef me een woord en ik schep een wereld. Geef me de leegte en ik creëer de hel.  Dertig jaar lang heb ik in het Kempense platteland getimmerd aan een onderwereld, waarvan ik de chagrijnige hoeder was.  De Kempen is een regio die zijn welvaart dankt aan snelwegen en betonvelden. Een wereld die bezongen wordt om zijn purperen heide en zijn melodisch mengpaneel van streekdialecten.  Een streek die ik enkele jaren geleden ben ontvlucht omdat haar horizon niet verder reikt dan de wanden van een mollengang.  Want de Kempen is in de eerste plaats een plattelandsgetto, waar buitenstaanders en vrijdenkers even welkom zijn als een rijkeluiszoon in een Parijse banlieu. Voor creatieve, ambitieuze sneeuwvlokjes is het een ronduit gevaarlijke plek. Velen sterven er van verveling. Anderen vallen ten prooi aan de moordlust van de grote sociale grasmaaier die elk sprietje kortwiekt wiens hoofdje uitsteekt boven het vlakke, gele gazon.  Het Kempense platteland bewijst dat je om een controlestaat te creëren geen nood hebt aan een dictator, bemoeizuchtige flikken en een uitgewerkte infrastructuur van gezichtsherkenning, databases met vingerafdrukken en grenscontroles. Roddels, bemoeizucht, opgedrongen modetrends en nieuwsgierige blikken zijn voldoende om mensen in het gelid te doen lopen. De kerken lopen leeg, maar de moraal van schuld en boetedoening woekert nog steeds in de hoofden en huiskamers. Ook zonder het ware geloof kan je de katholieke terreur handhaven. In Kempense woonwijken heb je geen blauw op straat. Zij worden permanent bewaakt door verveelde huisvrouwen, agenten in burger die notie nemen van iedere normoverschrijding. In hun hoofd torsen ze een gigantisch wetboek dat tot in de puntjes beschrijft hoe vaak de Kempenaar zijn auto mag wassen, hoe lang hij zijn haar mag laten groeien, wanneer hij zijn dakgoot moet kuisen, welke schoenen bij welk brilmontuur passen, en hoe groot het aandeel Nederlandstalige schlagers en Roy Orbison-platen in een Kempense muziekcollectie moet zijn. Zondaars worden hardhandig aangepakt. Met uitgekiende roddelcampagnes worden ze tot persona non grata verklaard.  Wie weigert mee te surfen op de hoofdstroom vindt een tijdelijk onderkomen in de steeds dunnere naaldbossen en heidevelden. Behalve op zon- en feestdagen, wanneer vogels, reeën en hoogsensitieve sneeuwvlokjes worden opgeschrikt door motorcrossers, wielerterroristen en gezinnen met kinderen. Enkel in de vier muren van jouw kamer kan je echt jezelf zijn: eenzaam, verveeld en uitgeput. Enkele jaren geleden sloeg ik op de vlucht voor deze tirannie van de middelmaat. Als culturele vluchteling vond ik een onderkomen in de grootstad. Toch keer ik soms terug. Mijn meningen houd ik nog steeds voor mezelf. Tijdens die maandelijkse trips trakteer ik familie en vrienden op Turks brood, Marokkaanse thee, Libanese desserts, Boliviaanse coke en ander exotisch snoepgoed. Tijdens die daguitstapjes geniet ik van de bossen en de heide, de rust en de kalmte, de nestwarmte die ik ergens daartussen achterliet, en de zekerheid dat ik de trein huiswaarts kan nemen als die warmte omslaat in een verstikkende heidebrand. Pieter Van der Schoot  

Pieter Van der Schoot
34 0

Kast

  Ik zat lang en donker.                                    Opgesloten in een kast.                Vol liefde en kleuren.                                    Met opgevouwen kleren.              Rood, geel en blauw.                                    Een jurk, een broek en een trui.   En kleuren daartussen.                                    En enkele andere spullen.           Die schitteren in de zon.                                    Klaar om gebruikt te worden.      Ik was onzeker en bang.                                    Maanden-, weken-, dagenlang.  Maar nu ben ik zelfverzekerder.                                    Gaan de deuren open.                Ik duw de kastdeur open.                                    Een stap in die nieuwe wereld.  Vol leven en magie.                                    Een deel van me bloeit open.   Ik kan laten zien om wie ik geef.                                     Zonder schaamte of spijt.          Om dan nieuwe ervaringen op te doen.                                    De meeste mensen zullen me accepteren.  Ik en de mensen om me heen.                                    De kastdeuren staan wagenwijd open .  Plezier. Hoop. Lach. Geluk. Geliefd.                                    Door de liefde van mijn leven, mag ik hopen. 

Bordeauxx
0 0

Kraaienvrouw

Diep in het bos, waar de vogels niet fluiten en de muizen niet piepen, staat een eenzaam huis op een open plek. Een klein huisje met raampjes en een deur, zonder bel, zonder deurkruk. In het midden van het bos.   Hoog zijn de bomen en dicht is de begroeiing, met mistflarden om de toppen. Eeuwige duisternis ligt op de loer. Niemand durft zo diep het bos in te lopen, bang voor de duisternis, voor het verdwalen. Voor de verhalen over deze plek.   Als hij zo diep het bos in loopt, dat hij de mistdruppels op zijn huid voelt, op zijn tong proeft en de duisternis aan zich voelt likken, dan is de weg terug al uit zijn hoofd vervlogen. Is hij gedoemd om eeuwig rond te dwalen. Om de boomtoppen te horen ruisen, in de stilte van de nacht. Om de struiken te voelen kriebelen, angstaanjagend om hem heen.   Die open plek zal hem vinden, gretig inspelend op zijn angst, zijn snel kloppende hart, als een levend wezen. Hij zal ooit oog in oog staan met dat huisje zonder deurkruk en het licht achter die ramen zal hem doen trillen op zijn benen. Maar zijn hart verlangt naar zekerheid, gewoonte en geborgenheid. Zijn hand strekt uit, om te kloppen op de houten deur, verzekerd van een warm onthaal. Een route terug naar de bewoonde wereld.   ‘Kraaaaa! Kraaaaa! Kraaaaa!’ klinkt het vanuit het huisje en voor de laatste roep voorbij is, is hij niet meer te zien. Terug gevlucht in de duisternis, zonder aandacht voor het licht dat schijnt; een oude vrouw en haar kop thee, een kraai op haar schouder, in de  deuropening.   Hoofdschuddend kijkt de vrouw hem na, geamuseerd, gekwetst en bezorgd zijn geluiden volgend in het bos. Ze sluit haar ogen en ziet de boomtoppen, hoort de duisternis, ruikt de mistflarden en proeft de rennende voetstappen op haar natuur.   De struiken kriebelen om hem heen, de boomtoppen ruisen. Met open ogen rent hij door de mist, de duisternis benauwend in de achtervolging. Hij rent en rent, geplaagd door de kraaien die hem roepen, cirkelend om hem heen. In cirkels blijft hij verdwalen, nooit meer is hij alleen.

schaapschrijft
0 0

Kauwgombalherinneringen

Ze bekijkt de inhoud van een ouderwetse kauwgomballenautomaat. Eentje waar ook speelgoed in zit. Van een afstandje sta ik af te wegen of ze daar niet een beetje te oud voor is.   Normaal zou ik al zijn doorgelopen, maar ik kan mijn ogen niet van haar af houden. Vlak voor ze wegloopt raakt ze de grote doorzichtige plastic bol aan met haar vingertop. Een golf verdriet overspoelt me bij het zien van de blik in haar ogen. Als ze wegloopt lijkt ze zichzelf toe te spreken. Daarna schudt ze haar hoofd en lacht een beetje sullig.   Haar blik laat me niet los en even later sta ik voor de automaat. Haar vingerafdruk is nog zichtbaar en mijn hart smelt als ik zie wat ze aan wilde raken. Al het kleingeld dat ik bij mij heb, haal ik tevoorschijn.   Ik stop kauwgomballen in mijn mond en zenuwachtig kauwend haal ik de ene na andere bal eruit. De verkeerden stop ik in mijn tas, die steeds voller raakt. Ik heb het eigenlijk al opgegeven als de juiste bal eruit rolt. Gretig sluit ik mijn vingers eromheen en kijk naar links, maar de jonge vrouw is nergens meer te zien. Trots, maar ook teleurgesteld stop ik de bal in mijn broekzak, pak mijn en tas en loop al kauwend naar huis.   De volgende dag sta ik om dezelfde tijd op dezelfde plek. Ik kon haar niet uit mijn hoofd zetten, het was alsof ik naar deze plek toe werd getrokken. Zou ze hier weer komen?   De schemer begint in te zetten als ze eindelijk naar de kauwgomballenautomaat loopt. Vlug gaat ze door de knieën en zoekt de bal die ze gister zo bewonderde. Ik loop op haar af met mijn hand in mijn broekzak. Sta al een paar seconden naast haar voor ze naar mij opkijkt. Ze kijkt beschaamd.   Langzaam trek ik mijn vuist uit mijn broekzak en steek mijn hand naar haar uit. Voorzichtig vouw ik hem open. Met grote ogen kijkt ze naar haar bal. De plastic ring met vlinder en roze steentjes glinstert in de ondergaande zon.

schaapschrijft
17 0

Bouwaanvraag met zicht op eeuwigheid

  Toen ik acht jaar was ging ik in de zomer regelmatig met mijn grote zussen naar zee, meestal was dat Cadzand. We propten onze oude Fiat vol met handdoeken en zonnecrème en andere dingen waar we ’s avonds het zand niet meer uit zouden krijgen, en tuften naar het buitenland. Terwijl mijn zussen recto verso aan het zonnen gingen maakte ik altijd – hoe voorspelbaar kan het zijn- een zandkasteel. Water, zand en schelpen zijn tot nader order meer dan genoeg voor een kleine jongen om zijn ongebreidelde fantasie op los te laten. Op een dag wou ik er eens écht mijn werk van maken, een prestigeproject zou je kunnen zeggen, want de keer daarvoor had ik mij misrekend en te dicht bij de waterlijn gebouwd, waardoor ik door het opkomende water voortijdig in bouwverlof moest gaan. Deze keer dacht ik: nu gaan ze mij niet liggen hebben, ik ga ver genoeg naar achter bouwen, ver landinwaarts tot aan de duinengrens, waar mijn vesting veilig staat en soeverein het hinterland kan overschouwen. Het was natuurlijk een hele afstand als het eb was, ik zeulde voortdurend met twee emmertjes af en aan en bouwde het kasteel volgens een strak plan dat al dagen in mijn hoofd zat. Het had vier slottorens met als vlag een stukje zilverpapier van de verpakking waar onze boterhammen hadden ingezeten, een binnenplein met wenteltrap, steunberen langs de dikke muren die ik versterkte met een cordon schelpen, en een slotgracht rondom rond. Op elke hoek van de slotgracht legde ik ter afschrikking het karkas van een dode krab, en onder de ophaalbrug een kwal - met scheermesjes mijn emmertje ingelepeld - die een soort plaatselijke Loch Ness moest belichamen. Ik bouwde er de ganse dag met hart en ziel aan. En toen het af was deed ik om het kwartier wat kleine onderhoudswerken (in het zwart). Ik was fier op mijn onneembare vesting met moderne snufjes als domotica (mijn totaal onzichtbare hand liet de ophaalbrug bijvoorbeeld omlaag gaan, steevast enkele minuten voor de ridder van zijn werk thuis zou komen. Zo moest hij niet staan wachten. Nadat hij roffelend de houten brug was overgereden ging ze onmiddellijk terug omhoog – volledig automatisch.) Maar dan– ik was juist in de stoeterij de paarden aan het vaccineren - gebeurde er iets dat op geen enkele manier in mijn planning was voorzien. Rond een uur of vijf stond mijn zus op, schudde haar handdoek uit en zei : ‘Gaat ge opruimen jongen, we gaan naar huis hé. ‘ En ik weet nog precies wat ik aangeslagen en in paniek zei: ‘Moeten we nu al naar huis?’ Er werd een emotionele freesboor in mijn maag gedraaid. Mijn stem sloeg over. ‘Ik heb hier zo lang aan gebouwd, dat is hier mijn bouwgrond, dat kan toch niet dat we dat nu gewoon zomaar onbewaakt gaan achterlaten?’ Van het ene op het andere moment was ik geen ridder meer maar een lijfeigene. Er was niets aan te doen, we moesten op tijd thuis zijn, had ons moeder gezegd. Echte mannen huilen niet, maar maken dan wel op een andere manier je het leven zuur. Ik schopte de koelbox omver. Stak zand tussen de Princekoeken. Duwde een kwak zonnecrème in een schoen. Ik voelde geen erkenning, noch voor mijn schepping, noch voor mijn verdriet. Er kwamen beloftes: ‘We komen nog eens terug’ zei een zus paaiend. ‘Jamaar neen, het gaat over nu, over dit kasteel!’ zei ik. Een andere zus , die leep was en dat ook is gebleven, kocht mij om door te zeggen dat we nog eens gingen omrijden om snoep te gaan halen, en dat verzachtte enigszins de pijn. ‘We gaan nog eens langs bij Platte Simonne, in Zelzate.’ (Platte Simonne had wel een snoepwinkeltje maar geen borsten – zo plat - vandaar haar naam.) Snoep. Het vlees is zwak, ik weet het. Ik heb in de auto nog wat zitten bokken, maar besefte op de duur de onredelijkheid van mijn streven. Emotie is één, niet onbelangrijk, maar natuurlijk wist ik ook dat we daar niet eeuwig aan het strand konden blijven. Niets blijft zoals het is, maar bouwen aan iets, vol vreugde en overtuiging, is al een bewaren op zich. Al doende gebeurt er iets dat blijft. Een spoor, ergens.  

Lode Van Wabeke
0 0

Wat zal ik vandaag weer aantrekken?

Van zolang ik me dat kan herinneren, heb ik daar elke dag moeite mee. Als je gaat werken, dan moet je iedere dag iets anders aan doen of je wordt scheef bekeken door je collega's. Vandaar dat ik uniformen een fantastisch idee vind. Je hoeft je niet af te vragen: wat zal ik nu weer dragen? Je pakt gewoon je uniform uit de kleerkast en hup, weg ben je. Niet vergeten te wassen en te strijken anders word je ook scheef bekeken, natuurlijk.    Vooral als je een kilo of 5 teveel hebt, dan wil je dat verstoppen zodat niemand je overtollige vet kan zien. Dat lukt jammer genoeg niet altijd (heb ik net gemerkt als ik in de spiegel keek) dus je hebt je hoofd gebroken over wat te dragen maar dat is allemaal voor niks geweest omdat je nog steeds dat overtollig vet ziet. Zoals alles heeft het goede leven zowel voor- als nadelen. In feite zou ik gewoon moeten vermageren maar daar heb ik nu geen zin in.    Maar zelfs toen ik een stuk magerder was, had ik problemen met niet weten wat aan te doen. Ik zou het liefst van al een shopping coach willen die me iedere ochtend zegt hoe ik me aankleed. Daarvoor is geld nodig (zowel voor die shopping coach als voor de nieuwe kleren die ik dan allemaal zou kopen). Dus, ik hoop te winnen met de lotto vandaag - ik heb gespeeld voor 2,50 euro - ik zou dat geld zo goed kunnen gebruiken. Ik zou bv. niet meer gaan werken voor een werkgever, da's nummer 1, en een shopping coach tewerkstellen, da's nummer 2 en mij alleen maar bezig houden met de dingen die ik wil doen, niet met de dingen die andere mensen me zeggen te doen.    Het zou zo fantastisch zijn: just me myself and I. Mezelf ontwikkelen op mijn manier, bijleren en wat ik bijleer schriftelijk delen met de mensheid. Cursussen volgen, ideeën uitwisselen, researchen op internet over van alles en nog wat, lezen lezen en lezen en daarbij schrijven schrijven en nog eens schrijven. Hmm, en dit alles misschien ergens in Zuid-Europa waar de zon bijna altijd schijnt en waar de (meeste) mensen zoveel vriendelijker zijn (ik kan het weten, ik heb er gewoond).    Dan zou ik me zeker geen zorgen meer maken. Mij niet meer afvragen wat ik vandaag weer zal aandoen. Nooit meer, never again, plus jamais!    Dan is er nog iets anders. Vorige week was het super warm en vandaag is het zeker 20 graden minder. Het is koud, het regent, geen zonnestraaltje te voelen of te zien. Ik vertrok deze morgen zonder aandacht te schenken aan het weer. Ik kwam buiten en het was aan het regenen. Ik was veel te licht gekleed - het is tenslotte zomer, niet waar? Ik was natuurlijk mijn paraplu vergeten en mijn bril zat snel vol met waterdruppels. Brillenwissers (zoals ruitenwissers maar dan voor brillen) heeft men nog niet uitgevonden, zou wel gemakkelijk zijn.    We kunnen hier niet wennen aan het weer. Te heet, te koud, regen, zon, onweer en bliksem. Ik vraag me af of dit steeds het geval is geweest in dit landje en hoe dat dan mogelijk is dat het weer zo wisselvallig is. Neem daar nog eens bij dat de meeste Belgen een goed stukste kunnen zagen, vooral als ze het hebben over het weer. In feite ben ik er nu ook over aan het zagen, zal u denken, maar dat is niet zo. Ik zaag niet, ik zeg gewoon hoe het is. Het weer is slecht vandaag en vorige week was het ondraaglijk, en daarmee uit! ...    Wanneer zal het nu eens terug simpelweg goed weer zijn? Jammer genoeg heeft niemand daar een antwoord op en daarmee is de kous af. Laten we hopen dat het morgen beter is dan vandaag en overmorgen beter dan morgen. En dat betreft niet alleen het weer hé. 

Inge Lanneau
28 0

Herfstwind 3

Mijn herfstwind, Dagen gaan voorbij,                               Geluk Ik voel                  geluk Ik leef                  geluk Ik draag               geluk Ik praat                geluk Ik antwoord       geluk                                             Jij bent nu maar een vage herinnering Aan liefde, geluk, boosheid,                                             Woede                                                            Drift                                                                           Lust                      Telkens weer                               En opnieuw                                                            En opnieuw                                                                                          En opnieuw Aantrekken                        afstoten aantrekken       afstoten                             aantrekken               afstoten Vage werkelijkheid van                                             Aaien                                                            Liefkozen                                                                           Muziek                                                                                          Twinkelende ogen                                                                                                                       Gloeiende lichamen Prille ochtendgloren en warme avonden Aan koffie                               Aan drank                                                            Aan gezellig                                                                                          Aan bed                                                                                                                       Aan afscheid                                                                                                                                      Aan kans op regen Aan jou ………………………………………………………………………………………………………………….denk ik ==========================-------------------=============zuchtje===----------- Jouw lentebriesje

Daphne
0 0

Het Groot Dictee Heruitgevonden 2018 – Gesprek met een filosoof

‘Schrijven wil zeggen dat er stapje voor stapje een ik buiten jezelf ontstaat, die je vertelt wat je bedoelt.’ Vik kijkt Mona door zijn johnlennonbrilletje aan. ‘Rutger Kopland’ zegt hij en snuift lawaaiig. Mona knikt en glimlacht. Ze vraagt zich af waarom ze zich door Imke heeft laten overhalen tot een ontmoeting met deze man. ‘Vik is eindredacteur van een literair magazine,’ had Imke geopperd. ‘Een heel boeiende man. Jullie hebben vast tig gemeenschappelijke interesses. Hij heeft oosterse filosofie gestudeerd en hij is nog hups ook. Mocht het toch niet klikken, dan heb je tenminste een namiddag naar een seduisante man gekeken.’Mona had ten slotte toegegeven. Baat het niet dan schaadt het niet. En zo was ze met deze wijsgeer in de koffiebar van de bibliotheek beland. Toen ze aankwam, sloeg Vik een roman dicht, die hij net scheen te hebben uitgelezen. ‘De Idioot’ van Dostojevski, een voorbode van wat de rest van de namiddag zou brengen. Na het citaat van Kopland, blijft Vik Mona met grote ogen aanstaren. Zij doet een poging om iets ad rems te verzinnen, maar slaat daarbij helaas volledig tilt. ‘Lekker chocoladecakeje,’ merkt ze dus maar op. Intussen wijst ze als een imbeciel naar het gebak dat voor haar op tafel staat.‘Een moelleux,’ zegt Vik. Hij roert in zijn muntthee en kucht licht geïrriteerd.‘O ja, zo heet dat,’ mompelt Mona. Ze neemt een hap en kijkt snel even rond in het etablissement.‘Schrijf je al lang?’ Vik legt zijn hand op zijn lijvige boek dat nog steeds op de tafel ligt. Zijn duim aait bijna liefkozend de kaft.‘Best wel eigenlijk, ik kan me niet herinneren dat ik het niet deed,’ antwoordt Mona.‘Al veel gepubliceerd?’ ‘Ik heb een blog en ik neem hier en daar weleens deel aan een wedstrijd waar ik occasioneel iets win. Ik heb ook een boek uitgegeven.’ Mona’s stem klinkt een beetje weifelend.‘Mooi, een boek,’ zegt Vik. ‘Heb je veel verkocht?’‘Niet echt, ik had er meer van verwacht. Ik was eigenlijk best teleurgesteld toen ik de verkoopcijfers te zien kreeg.’Vik gnuift: ‘Het is zoals Nietzsche zei: het schrijven als een vast beroep beschouwen, moet gezien worden als een vorm van waanzin.’Mona weet niet meer goed waar ze het heeft. ‘Best jammer eigenlijk. Het blijft toch ergens de droom van elke auteur om met schrijven de kost te verdienen,’ stamelt ze.Vik slaat zijn ogen naar het plafond en zucht: ‘Ah, de poging om de hemel op aarde te verwezenlijken, brengt steeds de hel voort.’‘Dostojevski?’ probeert Mona en wijst met haar kin in de richting van het boek dat nog steeds door Viks hand wordt gestreeld. Hij schudt zijn hoofd: ‘Mis, dat was Popper.’ Mona knikt schlemielig. Dit wordt met de minuut gênanter. Vik haalt zijn hand van zijn boek en duwt het in de richting van Mona. ‘Heb je het gelezen?’Mona neemt nerveus nog een hap van haar gebak. ‘Neen, met mijn sociaal leven vind ik nooit de tijd om mij in zulke dikke boeken te verdiepen en na een lange werkdag kijk ik ook graag eens gewoon televisie.’ Vik gniffelt pedant. ‘Televisie? Ik lees liever een fascinerend boek. Gandhi zei ooit: ‘Wie smaak vindt in het lezen van goede boeken, is bij machte om de eenzaamheid te dragen, waar dan ook en met groot gemak.’Nu heeft Mona er genoeg van. ‘Luister eens hier wijsneus: talent ontwikkelt zich in eenzaamheid, karakter in de stroom van het leven, Johann Wolfgang von Goethe.’ Vik kijkt haar onthutst aan, maar Mona is onvermurwbaar. ‘En nu ga ik naar huis, lekker triviaal televisiekijken. Om gelukkig te zijn moet je doen waar je gelukkig van wordt.’ ‘Aurelius?’ poogt Vik nog.‘Neen,’ zegt Mona gedecideerd: ‘Johan Cruijff.’ Ze neemt haar handtas en loopt de zaak uit. Deze tekst werd vrijdagavond 7 december gelijktijdig voorgelezen in Het Groot Dictee Heruitgevonden in 60 Vlaamse en Brusselse bibliotheken.Met veel dank aan de bib van Mechelen voor de kans die zij mij gaven en de super fijne avond die het op 7 december werd.

Ans DB
16 0