Lezen

Alpengloed

Alpengloed Het is donker en stil om ons heen. Als ik nog minder kon horen en zien dan ik nu doe, zou ik denken dat ik dood was. Maar dat ben ik niet. Ondanks alles wat Mila en ik hebben meegemaakt, ben ik nog steeds springlevend.Zoals te verwachten viel, zitten de Yua ons op de hielen. Ik moet ons hier zo snel mogelijk vandaan zien te krijgen, met of zonder behulp van lucide krachten. Maar hoe?Het is ondertussen bijna een jaar geleden sinds Mathis en Mila elkaar voor het eerst ontmoetten. Zij aan zij gingen ze de strijd aan met de Yua, vreselijke wezens die de droomwereld in hun macht hebben. Toen de Yua hun 'Ultieme Nachtmerrie' tegen Mathis inzetten, stierf hij in een droom en werd droomdood.Sindsdien zitten Mila en hij vast in de Grijze Zone, ergens tussen dromen en waken in. Slagen de twee erin om de Yua te verslaan en te ontsnappen uit de droomwereld? Of wordt alles één grote nachtmerrie?'Alpengloed' is het spannende vervolg op 'Maanziek' (2016) waar de lezer nog dieper doordringt in de duistere krochten van de droomwereld. Lees hieronder het eerste hoofdstuk...   I. Opgesloten   Het is donker en stil om ons heen. Als ik nog minder kon horen en zien dan ik nu doe, zou ik denken dat ik dood was. Begraven in de duisternis, in een geluidsdichte kist. Niemand die me komt zeggen dat het allemaal wel goed zal komen. Niemand die me vraagt om vol te houden, al is het maar voor even.Maar ik ben niet dood, of toch niet in die betekenis van het woord. Ondanks alles wat Mila en ik de afgelopen weken hebben meegemaakt, ben ik nog steeds springlevend. Bovendien liggen we niet in een doodskist, maar zitten we in de auto. De duisternis wordt doorbroken door twee stralende lichtbundels, de koplampen van het voertuig. Helemaal stil is het ook niet, het gezoem van de motor vormt een monotoon achtergrondgeluid voor deze autorit. De stemmen op de radio die net nog vrolijk aan het kwetteren waren over files en weersvoorspellingen, zijn al een tijdje geleden overgegaan in een nietszeggend geruis. We zijn hier buiten het bereik van de zendmasten, wat me enigszins zorgen baart. In de hele wijde omgeving is geen kat te zien. Niemand die ons kan helpen. Wat als ons iets overkomt?Mila zit naast me op de bank en dommelt stilaan weg, haar hoofd leunt tegen de hoofdsteun van de passagiersstoel. Mila. Het Meisje van mijn Dromen. Degene die mij, Mathis Morris, heeft ingewijd in de wereld van lucide dromen. Die me liet zien hoe krachtig die kunnen zijn en tegelijkertijd zo angstaanjagend. Degene die me heeft gered van een gewelddadig einde. Die desondanks niet kon voorkomen dat ik me nu in een veel ergere nachtmerrie bevind. Zoals ik daarnet namelijk al aanhaalde, ben ik van top tot teen droomdood.Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe Mila’s oogleden voor de zevende keer dichtvallen en ik hoor hoe haar ademhaling dieper wordt. Ze is eindelijk in slaap aan het vallen, ik moet ervoor zorgen dat ze niet weer wakker schrikt. Ik focus me weer op het zwarte wegdek voor me en de gaten die in het asfalt zitten. Ik probeer ze te ontwijken en me niet te laten afleiden door de duisternis die ons omringt.De lariksbomen die in dit bos overheersen, zwiepen heen en weer dankzij de woeste wind. Ze werpen griezelige, lange schaduwen op het asfalt. Ik word een beetje misselijk door het zwaaien van de bomen en het hobbelige voortbewegen van de auto. Doordat ik constant moet bijsturen om de kuilen in de grond te ontwijken, lijkt het alsof ik voor de eerste keer met de auto rijd.Ik word niet snel wagenziek, maar deze situatie maakt me bang. Doodsbang. Ze doet me denken aan die nacht op het piratenschip, toen ik doodging in een droom. De boot deinde net zo hard op de metershoge golven van de zee als de bomen nu in de storm rondom mij doen. Maar gelukkig zijn er hier geen woeste piraten te bespeuren. Bijna moet ik lachen om die gedachte; ik beeld me in dat er een piraat over de ongelijke grond hobbelt, met zijn houten been in een gat blijft steken en met zijn gezicht in de modder belandt. Het lachen vergaat me al snel wanneer ik me hun zwaard tegen mijn keel herinner. Er zit nog steeds een snee. Nee, ze zijn geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Met moeite slik ik de krop in mijn keel door en concentreer me weer op de weg.Een harde windstoot beukt tegen de rechterkant van de auto. Ik grijp het stuur wat steviger beet om te voorkomen dat we van de weg af raken. Het geloei van de voortrazende storm vaagt alle andere geluiden weg. Er valt een lang, hard voorwerp op de motorkap. Een tak? Ik werp een blik in de achteruitkijkspiegel en zie twee ogen die me aanstaren vanop de achterbank. Geschrokken maak ik een sprongetje en draai mijn hoofd vliegensvlug om te kijken wie er in de auto zit. Door die onverwachte beweging begint de zeurende pijn in mijn pols en elleboog opnieuw. Op de achterbank is niemand te zien, het was een illusie. Mijn pols en elleboog branden. Een herinnering aan de tijd dat ik nog in de realiteit leefde. Voordat we hier terechtkwamen, viel ik namelijk van een reuzenrad naar beneden, een paar meter hoog. Die val had mijn dood kunnen worden, maar op de een of andere manier hield ik er alleen een beschadigde arm aan over. De pijn is ondertussen minder geworden, maar nog steeds voel ik het op sommige momenten. Hetzelfde geldt voor mijn verzwikte voet en kapotgeschuurde knieën, ook die doen bijna geen pijn meer. Desondanks blijven de verwondingen zichtbaar zolang ik hier in de Grijze Zone opgesloten zit.Door al mijn gemijmer en het geloei van de wind hoor ik nu pas dat er vreemde geluiden uit de auto komen. Voor zover ik kan zien, is de buitenkant nog intact. Maar de binnenkant sputtert tegen, de dashboardlampjes knipperen zelfs. De motor maakt een grommend geluid en blijft daarna luid ronken. Met mijn handen om het stuur gevouwen, doe ik een schietgebedje dat we niet zullen stilvallen. Ik hoop maar dat er niets kapot is gegaan.Mijn blik dwaalt af naar de volle maan die recht voor ons aan de hemel staat te glimmen. Alsof ze ons de weg wil wijzen. De weg waarnaartoe? Als je ‘t mij vraagt, leidt ze ons alleen maar naar de andere kant. Naar de donkere zijde van de maan. Rotding. Misschien klinkt het absurd, maar ik heb nog een appeltje te schillen met de maan. Dankzij haar zit ik hier opgesloten in deze grijze droomwereld, tussen de andere droomdoden. Hoewel ik tot nu toe weinig beweging heb gezien, weet ik dat ze hier zijn en dat ik ons hier zo snel mogelijk vandaan moet zien te krijgen. De enige manier om dat te doen, is door terug te keren naar het moment waarop ik doodging – toen die spuuglelijke piraat me de keel oversneed dus – en dat ogenblik te veranderen. Hoe we dat gaan doen, weet ik nog niet. Mijn lucide krachten staan nog niet helemaal op punt, om het netjes te zeggen. Met wat meer oefening zou ik een heel krachtige dromer kunnen zijn, maar op dit moment ontbreekt het me aan ervaring. Daardoor zijn mijn lucide krachten erg onstabiel. Mila zou zeggen dat ik even goed ben in luciditeit als een versgelegde drol van Ewan. En dat is zelfs nog beter dan het niveau van mijn fysieke vechtkunsten, die Mila me met de moed der wanhoop probeert aan te leren. Nee, op mijn lucide krachten kunnen we niet rekenen. Zelfs als dat wel zo was, zou ik geen flauw idee hebben hoe we terug moeten keren naar dat ogenblik. Door in de tijd te reizen misschien? Dat klinkt zelfs in mijn oren absurd.Ik slaak een kreun van frustratie en sla met mijn hand op het stuur. Net op dat moment maakt de motor een angstaanjagend geluid en valt daarna helemaal stil. De koplampen gaan uit en de auto glijdt nog een paar meter verder door de duisternis. Het verroeste voertuig stopt uiteindelijk midden op het wegdek, in de complete duisternis.Mijn ademhaling versnelt, het koude zweet breekt me uit. Misschien liggen zíj op de loer. Wat moeten we nu doen?Ik probeer de wagen opnieuw aan de praat te krijgen. Met mijn vlakke hand sla ik op het dashboard en draai verwoed aan het contactsleuteltje. Tevergeefs. Het ding geeft geen krimp. Ik wist dat we met de auto van mijn ouders hadden moeten gaan. Nu zijn we gestrand in the middle of nowhere, compleet afgesneden van de rest van de wereld. Er klinkt gerommel in de verte. Het gaat onweren. We moeten hier weg zien te raken. Gelukkig zijn mijn ogen ondertussen getraind om in het donker te zien.Voorzichtig schud ik aan Mila’s schouder en fluister haar naam. Als het niet zo donker en dreigend om ons ons heen was geweest, had ik haar nog wel even laten slapen. Ze heeft de afgelopen dagen amper een seconde haar ogen dichtgedaan. Ze moet uitgeput zijn, want ze reageert niet op mijn fluistering. Voor de tweede keer schud ik zachtjes aan haar bovenarm. Dwars door de stof van haar t-shirt en trui voel ik haar spieren en botten. Ze schrikt wakker uit haar hazenslaapje en kijkt schichtig om zich heen. Ik heb gemerkt dat ze dat altijd doet wanneer ze niet uit zichzelf wakker wordt. Een goede gewoonte hier in de droomwereld, eentje die ik mezelf misschien ook eigen zou moeten maken omdat ik dan wellicht minder vaak in de problemen zou komen.Wanneer ze zich ervan verzekerd heeft dat er geen direct gevaar dreigt, schraapt ze haar keel. ‘Waar zijn we?’Haar stem klinkt als belletjes in de wind, ondanks de angstige ondertoon die erin zit. Iemand anders zou die waarschijnlijk niet opmerken, maar ik ken haar beter dan wie dan ook.Met stijf op elkaar geknepen lippen schud ik mijn hoofd. Zie ik eruit alsof ik een ingebouwd GPS-systeem heb?‘We zijn ergens in een bos,’ mompel ik. Dat heeft ze zelf ook wel gezien. Haar echte vraag is wáárom we precies op deze plek zijn, wat we hier doen. ‘De auto is stilgevallen,’ vul ik aan.Hoofdschuddend maakt ze haar gordel los en knijpt in mijn vingers. Mila is niet het soort meisje dat domme vragen stelt of domme antwoorden geeft. Ze wil niet weten hoe het komt dat haar derdehands wagen plots niet meer rijdt, of waarom we ons midden in een donker bos bevinden. Of waarom ík degene ben die achter het stuur zit, amper zeventien jaar oud en niet eens in het bezit van een geldig rijbewijs. In tegenstelling tot mijn beste vriend Ewan, heb ik nooit de moeite gedaan om te leren autorijden.Nee, Mila is dit soort vreemde situaties gewend. Ze kunnen allemaal voorkomen in een droom. En sinds ik droomdood ben, zit ik constant in een droom. Dat maakt de situatie echter niet minder gevaarlijk of eng. De angst die door mijn lichaam giert, voelt meer dan echt.‘Laten we uitstappen en op zoek gaan naar iemand die ons kan helpen,’ stelt ze voor. Ze oordeelt niet over het feit dat ik moeite heb om mijn trillende handen onder controle te houden. Ze houdt van me, dat weet ik wel zeker.‘Zullen we?’ Ik knik en geef een kneepje in haar hand. Mila glimlacht en buigt zich naar me toe, over de handrem heen. Haar mooie volle lippen komen dichterbij, ze drukt haar mond op de mijne en zoekt met haar tong een weg naar binnen. Gretig kus ik haar terug. Ik weet dat we ons niet in de realiteit bevinden, maar in de Grijze Zone, en dat dit niet echt is, maar het voelt wél zo. Net zoals de druk van haar mond op de mijne en haar heerlijke geur die me zoals altijd volledig overdondert. Waarom zou iets dat zo echt aanvoelt, niet echt kunnen zijn? We blijven zoenen tot ze achteroverleunt en even knippert. ‘Zullen we?’ herhaalt ze. Nog een kneepje, en daar gaan we.Buiten de beschutting van de auto voelt de snijdende wind ijskoud aan, alsof er ijspriemen in mijn wangen worden geduwd. Ik wrijf over mijn gezicht in een poging om de ergste kou te verdrijven. Heel even kijk ik naar Mila's truitje en denk ik aan het dunne shirtje dat ze daaronder draagt. Zonder aarzelen trek ik mijn jas met capuchon uit en drapeer die over haar schouders. Zonder iets te zeggen trekt ze het kledingstuk steviger om zich heen.Rillend kijk ik om me heen. Aan beide kanten van de weg liggen bergen sneeuw, die door een sneeuwruimer of iets dergelijks van de weg zijn afgeduwd. Dankbaarheid welt in me op. Nu hoeven we niet met onze toch al doorweekte gympen door een halve meter sneeuw te ploeteren.Een windvlaag rukt mijn kleren bijna van mijn lijf. Uit angst dat Mila door de wind gegrepen en weggeblazen zou worden, pak ik haar schouders stevig vast. Ze weegt amper zoveel als een veertje. Net als ik trouwens, maar over mezelf maak ik me geen zorgen. Ze legt haar arm rond mijn middel, automatisch of net heel bewust? Ik voel haar lichaamswarmte door mijn trui heen.  Voetje voor voetje schuifelen we over het gladde wegdek. Hoewel het dan sneeuwvrij mag zijn, is het nog steeds ontzettend glibberig. Overal om ons heen heerst de inktzwarte nacht. Dankzij het licht van de volle maan kunnen we vormen onderscheiden, maar de donkere lariksbomen die ons omringen benemen ons het zicht. Gelukkig markeert het asfalt de weg die we moeten volgen. De weg waarnaartoe? vraag ik me voor de tweede keer deze avond af.Eigenlijk is deze situatie wel heel erg benard. Alsof het een complot is... 'Is dit weer een test?' mompel ik. In het verleden ben ik meerdere keren door de Yua 'getest', zodat ze konden zien of ik in staat was om dit soort problemen op te lossen. Maar hoe ik hieruit moet zien te komen, weet ik niet.'Natuurlijk is dit een test, liefje. Alles wat we hier doen is een test.' In het donker klinkt Mila's stem geruststellend. Ik voel me weer een beetje op mijn gemak. Minutenlang schuifelen we verder door de duisternis, tot ik er genoeg van heb. 'Waarom komen de Yua me niet gewoon halen?' barst ik los. 'Zijn ze soms bang van ons? Durven ze zich niet te vertonen na alles wat ze ons hebben aangedaan?' Mila wrijft kalmerend over mijn armen en maakt ssh-geluiden. Toch laat ik me niet door haar de mond snoeren.'Heb jij misschien een idee hoe we hieruit moeten komen, mevrouwtje ik-ben-een-geweldige-lucide-dromer? Nou?' Geschrokken door mijn woede-uitbarsting sla ik een hand voor mijn mond. Mila laat mijn arm los. Van het ene op het andere moment ben ik helemaal alleen in het donker. Mijn verdiende loon.Sinds ik vastzit in deze grijze wereld heb ik het gevoel alsof ik mezelf niet meer kan beheersen. Soms barst ik uit in een tirade, om het moment daarna bijna te huilen van spijt. Ik weet bijna zeker dat mijn droomdood daar iets mee te maken heeft. Ik moet mijn boosheid niet aanwenden om ruzie te maken met het enige meisje dat nog over is. De enige die zich vrijwillig in deze Grijze Zone heeft gestort. De enige die ik kan vertrouwen. Ik bied mijn verontschuldigingen aan Mila aan.'Hoor eens, het spijt me. De laatste tijd weet ik soms niet wat me bezielt.''Het geeft niet, Mathis. Jij kan er niets aan doen dat... Hé, luister je wel?'Ik reageer niet op haar vraag omdat ik een stukje verderop een grote, donkere vorm zie die afsteekt tegen het zwart van de hemel. Een huis of een flatgebouw misschien? Daar kunnen we beschutting zoeken! Of beter nog, wat als dat het bolwerk van de Yua is! Dan kan ik er gelijk een einde aan maken. Het dringt nog steeds niet tot me door dat dit allemaal wel heel erg toevallig is. Alsof mijn geest het allemaal ter plekke verzint...'Kijk,' fluister ik tegen het Meisje van mijn Dromen. Ik knik naar het gebouw. Daarna besef ik dat het donker is en dat Mila mijn beweging waarschijnlijk niet gezien heeft. 'Aan de linkerkant van de weg, een stukje verderop,' instrueer ik haar. 'Daar is een gebouw ofzo.''Ja,' antwoordt ze. 'Ik had het al gezien. Laten we daarnaartoe gaan. Misschien kunnen we er schuilen.'Ze haakt haar arm in de mijne en trekt me weer dicht tegen zich aan. De ruzie van daarnet is alweer vergeten. De belofte van warmte en beschutting stemt ons hoopvol. Arm in arm schuifelen we naar het gebouw toe. Van dichtbij zie ik dat het een groot huis is, dat vroeger misschien een hotel of een bed and breakfast was. Hopelijk laten de bewoners ons erin.Maar de voordeur en de ramen die aan de voorkant zitten, zijn dichtgetimmerd met houten planken. Ze zitten vol verroeste spijkers en hier en daar hangt nog een likje verf. Met al mijn kracht probeer ik een stuk hout los te wrikken, maar het ding zit muurvast. Langs deze kant kunnen we niet naar binnen, tenzij Mila zichzelf in een flubber kan veranderen om door een van de kieren naar binnen te glibberen. Met één oog dichtgeknepen probeer ik door een spleet naar binnen te gluren. Verdraaid, achter het hout zit nog meer hout.'Misschien moeten we het eens aan de achterkant proberen?' stelt Mila voor. Ik geef nog een harde ruk aan het houtwerk en geef het dan op. Gedwee volg ik haar naar de achterkant van het gebouw. Als we erlangs lopen, zie ik al dat de ramen aan de zijkant ook zijn dichtgetimmerd. Alsof de bewoners niet willen dat er iemand binnenkomt. Of nog erger: misschien zit er iets in wat niet naar buiten mag.Een koude rilling loopt over mijn ruggengraat. Ondertussen weet ik maar al te goed wat voor monsters er in de droomwereld rondlopen. En hoewel mijn domme geest niet beseft dat we daar op dit moment ook zijn, kruipt een angstig gevoel over mijn ruggengraat omhoog. Ineens vind ik het niet meer zo'n goed idee om daar naar binnen te gaan.Het licht van de maan zorgt ervoor dat ik voldoende zie. Mijn pupillen hebben zich aan de duisternis aangepast, en de maan schijnt feller dan voorheen. Ik zie dat de ramen aan de achterkant van het huis zijn dichtgemaakt. Zelfs voor het kleine kelderraampje zitten planken.Kom op Mathis, breek die deur open. Ik blijf duwen en trekken. Zuchtend laat ik het hout los, dat er vermolmd uitziet maar desondanks heel stevig is. Dat is echt onbegonnen werk.'Mathis, hoor jij dat ook?' Mila houdt haar hoofd schuin en luistert aandachtig. Ze lijkt wel een kat die iets heeft gezien of gehoord, maar niet precies weet waar het vandaan kwam. Ik spits mijn oren en hoor een zwakke stem.'Hallo? Is daar iemand?' Daar is je monster. Het roept je met zijn kinderstemmetje.Ik frons. Mijn fantasie gaat met me op de loop. Monsters in vervallen gebouwen, hoe verzin ik het?'Hallo!' schreeuw ik terug. Door een van de kieren probeer ik een glimp op te vangen van degene die naar ons roept. Het enige wat ik zie, is duisternis.Binnen klinkt gestommel, alsof er mensen aan het vechten zijn ofzo. Na een paar seconden reageert de stem op mijn geroep.'We zitten hier opgesloten!' De paniekerige toon die in die zin doorklinkt ontgaat me niet. Maar er is nog iets anders.We? Wie is daar nog meer? Is het een list van de Yua? Of zijn zij, net als wij, gevangenen van die vreselijke monsters? Ik moet ze een kans geven. Net wanneer ik wil terugroepen dat ze de deur moeten openmaken, dat het hele huis langs de buitenkant is dichtgemaakt, gilt degene die binnen opgesloten zit.'Er zitten planken voor alle ramen en deuren!' De stem breekt bij het woord 'alle'. Er gaat een schok door me heen. Ik herken die stem. Ze is van mijn zusje Tarina.'Tar! Wat doen jullie daarbinnen? Zijn mama en papa hier ook? Wie heeft dit gedaan?'Ik werp me weer tegen de planken en begin eraan te trekken en tegenaan te duwen. Ik moet ze daar uit zien te krijgen. Mila reageert niet en blijft doodleuk op haar plek staan.Ondertussen is de snijdende wind nóg heviger geworden en rukt de kleren van mijn lijf. Een felle bliksemflits verlicht de hemel en slaat een eindje verderop ergens in.'Mathis, we kunnen je niet helpen,' zegt Tarina. Ze klinkt vermoeid en moedeloos.  Ze moet al hebben ingezien dat ontsnappen een verloren zaak is.'We hangen vast met kettingen. Het is hier pikdonker, ik zie zelfs mijn eigen voeten niet...' Een rilling loopt over mijn rug wanneer ik in gedachten zie in wat voor een benarde situatie mijn zusje en ouders zich bevinden.Een zachte, gemene lach klinkt door de lucht. Daardoor weet ik meteen hoe laat het is. Zíj zitten hierachter. De Yua. Had ik het niet gedacht.Woede borrelt in me op. Nieuwe krachten stromen door me heen. De vermoeidheid vergeet ik op slag, de pijnlijke plekken doen er niet meer toe. En nog steeds komt het niet in me op dat dit misschien ook een droom is.Ik raap een tak van de besneeuwde bosgrond op en ga daarmee het houtwerk te lijf. Verwoed probeer ik de aikido-grepen die Mila me heeft aangeleerd toe te passen.Een tweede bliksemschicht slaat vlakbij in een manshoge lariks. Ondanks de sneeuwlaag op de takken vat de boom onmiddellijk vlam en valt krakend om. Met een klap komt het ding neer op de natte bosgrond. Door de luchtverschuiving laaien de vlammen hoog op en versperren het pad dat naar de hoofdweg leidt. Nu zitten we echt vast. Voor de Yua het perfecte moment om een monster op ons af te sturen.Ik kijk over mijn schouder. Mila staat nog steeds naast de achterdeur, haar oogleden stevig dichtgeknepen. Ze ziet er kalm en geconcentreerd uit. Heeft ze niet door wat er om ons heen gebeurt? Heeft ze een paniekaanval? Of is ze misschien in shock?'Mila, wat doe je?' vraag ik ongerust.Ze schudt haar hoofd en mompelt een paar woorden die ik niet versta. Met de afgebroken tak stevig in mijn hand geklemd, loop ik naar haar toe. Zachtjes leg ik mijn andere hand op haar schouder. Ik probeer te liplezen, zodat ik weet wat ze zegt.Dan begint het geschreeuw.Het gegil van mijn zusje rijt mijn trommelvliezen aan flarden. Ze schreeuwt wel vaker de longen uit haar lijf, bijvoorbeeld wanneer een van haar vriendinnen een leuk nieuw jurkje aanheeft. Maar dit gegil is anders. Het klinkt alsof ze onmenselijk veel pijn lijdt.Ik laat Mila los, ren naar de achterdeur en wrik de planken ervoor weg. Houtsplinters boren zich in mijn vingers en handpalmen, scherpe hoeken veroorzaken snijwonden. Nadat ik een stuk of vier planken verwijderd heb, kleven mijn beide handen van het bloed.‘Tar! Ma! Pa!’ Ik moet hen helpen, ik moet hen daaruit zien te halen. Een vreemd, knetterend geluid dringt mijn oren binnen. Ik ruik vuur.Een brandend stuk hout valt vlak naast me naar beneden en schroeit mijn arm. De geur van verbrande haren stijgt op. Met een scherpe blik volg ik het houtje tot het op de grond valt. De vlammetjes doven uit in de laag sneeuw die zich gevormd heeft. Waar komt dat vuur vandaan? Met een ruk kijk ik omhoog. Een geluidloze schreeuw komt over mijn lippen wanneer ik zie dat de hele bovenverdieping in lichterlaaie staat.Paniek vlamt omhoog in mijn borstkas, maar ik probeer er niet aan toe te geven. Ik moet helder blijven denken als ik mijn familie wil redden.‘Mila, help me!’ schreeuw ik vertwijfeld. Ik kijk over mijn schouder. Waarom doet ze niets? Waarom probeert ze niet net als ik om hier een einde aan te maken? ‘Doe iets, in plaats van daar zo te staan!’ Ik spring van het terras naar beneden en schud haar door elkaar, dwing haar om te kijken naar het huis dat op instorten staat. Ze opent haar ogen, maar keurt het brandende huis geen blik waardig. In plaats daarvan kijkt ze me aan met haar prachtige, lichtblauwe kijkers. Heel even vergeet ik alle zorgen en problemen.‘Mathis, luister. Er is maar één oplossing,’ zegt ze kordaat. Een derde bliksemschicht slaat in de schoorsteen van het gebouw en zorgt ervoor dat de bakstenen in elkaar beginnen te storten. De brandende balken hielden elkaar omhoog, maar zijn hun wankele evenwicht verloren. Tergend traag zakt alles naar beneden.‘Brute kracht kan ons niet helpen,’ vervolgt Mila rustig, alsof alles om ons heen niet echt gebeurt. Alsof mijn familie niet op het punt staat om onder puin bedolven te worden. ‘We moeten dit op een slimme manier aanpakken. Met een lucide droom.’Ik besef dat ze gelijk heeft en kan mezelf wel voor mijn kop slaan. Hoe is het mogelijk dat ik daar zelf niet op kwam? Soms ligt de oplossing zó voor de hand dat je haar over het hoofd ziet. Een droom in een droom in een droom, dat moet werken. Ik bal mijn vuisten en probeer wanhopig iets te bedenken wat ons kan helpen. Maar mijn hoofd is leeg. Misschien helpt het als het een peperkoeken huisje is? Of als Ewan hier is, met zijn brede lijf en sterke spieren? Ik heb het gevoel dat ik de meest voor de hand liggende oplossing over het hoofd zie. Natuurlijk, een stevige regenbui zou de vlammen moeten doven!Terwijl ik mijn oogleden stevig dichtknijp, wat het makkelijker maakt om lucide krachten te gebruiken,  besef ik dat het me niet zal lukken. Niet alleen omdat ik nog een groentje ben wat dit betreft, ook omdat we ons nu op het tweede level van de droomwereld bevinden. Hoe dieper we daarin wegzakken, hoe moeilijker het wordt om luciditeit te gebruiken. Het is hetzelfde principe als een sportwedstrijd: hoe hoger het niveau is waarop je speelt, hoe moeilijker het wordt om te winnen. De Yua denken vast dat ik hier weerloos ben, wat eigenlijk ook zo is als ik heel eerlijk ben.‘Mathis, help me,’ kreunt Mila. Ik open mijn oogleden een heel klein stukje en gluur naar haar. Ze staat een eindje verderop om een beter overzicht te hebben over de situatie en doet haar best om een reusachtige regenwolk op te roepen. Die zou de vlammen vast wel kunnen doven. Geniaal is ze, mijn meisje.Ik loop naar haar toe en ga naast haar staan. Opnieuw knijp ik mijn ogen dicht en ik probeer haar te helpen het vuur te blussen. Voordat we ook maar een druppel hebben laten vallen, is het al te laat. Het geschreeuw van mijn zusje wordt gesmoord wanneer het hele gebouw instort. Het geraas en gedonder van het instortende gebouw is oorverdovend. Stukken dakpannen en steen regenen op ons neer. Ik sla mijn armen over mijn hoofd om mezelf te beschermen.De wereld rondom mij begint hevig te schudden. Ik laat me op mijn knieën vallen, nog steeds met mijn armen boven mijn hoofd. Wat doet het er eigenlijk nog toe? Ik heb gefaald. Het beven neemt toe met de seconde, de hele aardbol dreigt uiteen te vallen.Dan is het stil. Of beter gezegd, mijn oren doen hun werk niet meer. ‘Tar! Mama! Papa!’ Wanhopig blijf ik schreeuwen, maar ik krijg geen reactie. Het enige wat ik hoor, is een soort gepiep. Verder hoor ik niets van de vallende brokstukken of het geknetter van het vuur. In mijn achterhoofd weet ik dat het nog steeds brandt, want ik voel de hitte op mijn huid. Maar iemand heeft het geluid uitgezet.Terwijl ik overeind krabbel, zie ik dat het gebouw in puin ligt. Er is niets van over, behalve de geblakerde restanten. Waar zijn ze? Ze zijn toch niet... Die gedachte is te erg om af te maken. Ik probeer naar het ingestorte gebouw te lopen, maar zak steeds door mijn knieën. Niet alleen door de pijn die door mijn lichaam giert, ook door het beven van de aarde dat onverminderd doorgaat. Een aardbeving? Mila en ik worden van links naar rechts geslingerd, het voelt alsof we door de lucht zweven. Alsof we in zo’n glazen bol zitten waarmee iemand schudt. De verse sneeuw stuift op en dwarrelt om ons heen. Mila en ik houden elkaar vast en proberen samen staande te blijven of toch op zijn minst niet op ons gezicht te belanden.‘Mathis!’ Haar stem klinkt alsof ze van heel ver komt, al staat ze vlak tegen me aan. Ik til mijn hoofd op en kijk haar aan. ‘Je moet hierheen komen!’ Ik hoor haar stem, maar haar mond beweegt niet mee. Het voelt alsof ze rechtstreeks in mijn gedachten spreekt.‘Kom naar me toe!’ herhaalt ze. Even weet ik niet wat ik moet doen. Ik ben toch vlak bij haar? Een verdwaald stuk dakpan raakt mijn slaap. Mijn hoofd klapt opzij en een pijnscheut trekt door mijn ruggengraat naar mijn tenen.Ik zak door mijn knieën en hoor hoe mijn meisje iets tegen me zegt. ‘Mathis, je zit midden in een nachtmerrie! Kom naar me toe!’Haar stem klinkt alsof ze zich in mijn hoofd heeft genesteld en me van daaruit instructies geeft. ‘Liefje, word wakker!’Mijn lichaam weigert mee te werken. Mijn ogen vallen dicht en de geuren van brandend hout en rook dringen mijn neus binnen.Het doet me een beetje denken aan twee jaar geleden in de winter, toen mijn vader de houtkachel in de woonkamer had aangemaakt. Heerlijk was het om daar zo te zitten, met een lekker kopje thee en marshmallows om te roosteren.Op dat moment had ik nog geen flauw idee over alles wat met dromen te maken heeft. Ik dacht dat het gewoon leuke beeldjes waren die we ‘s nachts zagen. Dat ze geen betekenis hadden. Er zijn natuurlijk mensen die geloven in horoscopen en droomvoorspellingen en al dat new age-gedoe. Maar ik hoorde niet bij die groep.Dat was allemaal vóórdat de lucide dromen – en Mila – in mijn leven kwamen. Zestien jaar van mijn leven heb ik in totale onwetendheid doorgebracht. Als een sukkel die geen idee had dat er nog iets méér is dan de realiteit. Dat er een hele parallelle wereld schuilgaat achter een droom. Of achter een nachtmerrie.Ondertussen weet ik hoe groot de invloed van zo’n nachtmerrie op de realiteit kan zijn. Ik droomde dat mijn hond Sam in een ravijn viel, een vreselijke droom was dat. Toen ik wakker werd bleek hij overreden te zijn door een auto. In een andere nachtmerrie werd mijn beste vriend Ewan de kop ingeslagen, zomaar in het openbaar. Nadat ik wakker werd, bleek hij een zwaar ongeval gehad te hebben. Toen besefte ik dat het geen toeval kon zijn, dat mijn dromen wel degelijk een effect hebben op de realiteit.Een woeste, dierlijk klinkende lach is het laatste wat ik hoor, voordat ik me door de duisternis laat omhelzen.   Meer lezen? Neem een kijkje op www.facebook.com/Maanziekhetboek en bestel jouw eigen exemplaar!

Eva Linden
0 0

Maanziek

  Maanziek Het houten piratenschip is prachtig nagemaakt, met een glimmend geschrobd dek en een realistisch uitziende kajuit. Op de voorsteven houdt een halfnaakte zeemeermin de wacht en boven op de mast wappert een rode vlag met een doodshoofd erop. 'Piraten,' mompel ik. Een ijskoude rilling kronkelt door mijn lichaam. 'Beste deelnemers,' zegt een krakende stem. 'In dit spel is er maar één regel, en dat is dat degene die het langst weet te overleven, de wedstrijd wint!' Op het schip valt een ijzige stilte. Het onheilspellende gevoel dat ik dit beter niet zou doen, wordt steeds sterker. Dan, vanuit het niets, komen er hoge golven opzetten.   De zeventienjarige Mathis heeft het niet makkelijk. Naast de problemen met zijn vrienden en zijn liefje, heeft hij last van vreselijke, levensechte nachtmerries. Net op het moment dat hij niet meer weet wat echt is en wat niet, ontmoet hij een mysterieus meisje met een duister verleden. Ze vertelt hem over de gevaren die er zijn in de wereld van 'lucide dromen'. Ondertussen raken de twee steeds meer verstrikt in een spel tussen goed en kwaad, en verliezen ze hun grip op de werkelijkheid. Slagen ze er in om zichzelf te redden? Of is het allemaal maar...een droom?   Maanziek is een spannend avonturenverhaal, met een gezonde dosis fantasy en een vleugje horror. Lees hieronder het eerste hoofdstuk...   I. De stemmetjes in mijn hoofd   ‘Kom op Mathis, dit kan je niet menen! Ben je echt zo’n watje? Je doet me denken aan mijn grootmoeder... Man, die was pas bang toen ik haar meenam in de waterglijbaan!’ Mijn beste vriend slaat de spijker op zijn kop. Ja, ik ben echt zo’n watje, antwoord ik in gedachten. Is daar iets mis mee? Het warme water van het bubbelbad prikt in mijn ogen, maar ik blijf Ewan aankijken zonder te knipperen. Vanaf de kunststof bodem dwarrelen duizenden luchtbelletjes omhoog. De manier waarop ze zachtjes langs de zijkant van mijn benen opwaarts bewegen doet me huiveren. Met een aangename rilling keer ik terug naar het hier en nu. Ik snuif diep en de heerlijke geur van lavendel kruipt in mijn neus. Mijn moment van genot wordt verstoord door Ewan’s gedram.‘Wil je alsjeblíéft nog één laatste keertje van de waterglijbaan gaan? Voor de allerlaatste keer vandaag? Als je wil, kan ik aan de redder vragen of je zwembandjes aan mag doen.’ Met een zielige blik die maar al te nep is, probeert hij me om te kopen. Dat trucje heeft al vaker gewerkt. Niet toegeven nu, Mathis, prent ik mezelf in.In tegenstelling tot mijn beste vriend, hou ik helemaal niet van alles wat snel, hoog of gevaarlijk is. Mij doe je geen plezier met een dagje naar het pretpark of een avonturenwandeling, en Ewan weet dat maar al te goed. Hoewel hij al meer dan twaalf jaar mijn beste vriend is en me dus door en door kent, wil hij me koste wat het kost overhalen om een tweede keer mijn leven te wagen in die gestoorde glijbaan.Aan de rand van het bubbelbad staat Ewan te stuiteren. Hij springt van het ene been op het andere uit puur enthousiasme. Zijn hoofd raakt telkens een van de palmbladeren die het tropische zwembad decoreren. Even verderop staat een stapel houten kratten, met daarnaast een plastic nepkanon. Het piratenthema is rijkelijk uitgestreken over het volledige zwembad. Warm water druppelt uit mijn zwarte haren en een rilling loopt over mijn rug. Ik hou niet van piraten.Ewan schopt speels met zijn voet in het water, en het opspattende water belandt in mijn gezicht. Met een snelle beweging grijp ik zijn been vast en trek hem onderuit. Schreeuwend belandt hij naast me in het bubbelbad. De mensen die in de andere jacuzzi zitten te genieten, kijken ons vuil aan en maken aanstalten om hun rust elders te gaan zoeken. Ondanks mijn slimme aanval, is Ewan nog niet verslagen.‘Binnen een uurtje sluit het zwembad en dan moeten we naar huis,’ gaat hij verder. Hij probeert me nog steeds te overreden. ‘En vanaf morgen zitten we weer een jaar lang opgesloten in die kloteschool om onze kostbare tijd te verdoen aan leerstof waar we niks aan hebben. Trouwens, een lekker warm bad heb je thuis ook, maar een supersnelle glijbaan zoals de Moonstruck vind je nergens anders!’ luidt zijn laatste argument. Ergens heeft hij gelijk, dat weet ik ook. Toch voel ik er weinig voor om het heerlijk warme water vaarwel te zeggen en met hem mee te gaan.Terwijl ik mijn opties overweeg, zie ik hoe Ewan met zijn hand door zijn haar gaat om de perfecte wet look te creëren. Hij kucht zachtjes en gluurt vanuit zijn ooghoek naar enkele meisjes in bikini die voorbijlopen.‘Hé Mathis, we moeten voortmaken. Ik wil zo meteen nog naar de sportschool om mijn buikspieren te trainen,’ zegt hij luid. Heel subtiel, Ewan. De meisjes, twee blondines en eentje met lichtbruin haar, doen alsof ze hem niet gehoord hebben en nemen plaats in de jacuzzi naast ons. Hoewel ik een vriendin heb die ik heel graag zie, kan ik het niet laten om de meisjes te bestuderen. Ze lijken een beetje ouder dan wij, ik schat ze een jaar of achttien.‘Mathis?’ zegt Ewan veel te luid. De meisjes lachen en ik keer terug naar het hier en nu, niet wetende wat Ewan me zonet heeft gevraagd. ‘De glijbaan?’ herhaalt hij lachend.Oh ja. Uiteindelijk besef ik dat ik het snelst van zijn aanhoudende gezeur af kom door gewoon mee te gaan naar die idiote glijbaan.Na nog een laatste keer kopje onder te zijn gegaan in het heerlijke lavendelwater, hijs ik mezelf naar boven. De koele lucht die onverbiddelijk langs mijn lichaam strijkt, doet mijn ontspannen spieren verstijven. Ik zucht geërgerd en zeg: ‘Goed, ik ga mee.’Juichend springt Ewan in het rond, terwijl ik sta te bibberen van de kou. Mopperend sla ik mijn armen om me heen om het een beetje warmer te krijgen. Dan valt mijn oog op de drie meisjes die in de aangrenzende jacuzzi zitten. Twee van hen zitten te praten en giechelen, en genieten met volle teugen van hun waarschijnlijk laatste vakantiedag. Het derde meisje zit een beetje afgezonderd van de rest. Ze doet niet mee aan de vrolijke gesprekken over hun favoriete muziekband, de acteurs die zij het knapst vinden en de leuke jongens die er dit schooljaar waarschijnlijk niet in hun klas gaan zitten. Omdat het derde meisje, de stille, met haar rug naar me toe zit, zie ik haar gezicht niet. Ze neemt haar lichtbruine haren vast en draait ze rond tot een schattig dotje. Daarna doet ze een gifgroen haarrekje rond de hele constructie, zodat het stevig op zijn plaats blijft zitten. Het lijkt een beetje op...‘Mathis, please?’ Abrupt word ik uit mijn mijmeringen gerukt door Ewan. Oh ja, we gingen iets doen: ons leven riskeren in een stomme glijbaan. Terwijl ik het prikkende chloorwater zo goed en zo kwaad mogelijk uit mijn gezicht veeg en mijn natte haren fatsoeneer, krijg ik een harde duw in mijn rug die me doet wankelen op mijn benen. Ewan kan me nog net op het nippertje bij een arm grijpen en voorkomen dat ik recht op mijn gezicht val.‘Hé, niet onderuitgaan,’ zegt hij. ‘Hoewel het zwembad er vast heel interessant uit ziet wanneer je op je rug op de tegelvloer ligt.’ Gniffelend kijkt hij achterom.Verdwaasd schud ik mijn hoofd en probeer te ontdekken wie me zo ruw omver stootte. Mijn blik glijdt over het zwembadcomplex. Een moeder zit met haar baby te spelen in het kinderbad, twee jongetjes glijden gillend van het lachen van een glijbaan naar beneden. Een kale man met een duikbril op trekt gestaag baantjes in het olympisch bad. Er is niemand te zien die me geduwd zou kunnen hebben. Vreemd.‘Ik val niet zomaar om, iemand duwde me,’ verbeter ik.Verbijsterd kijkt Ewan in het rond, op zoek naar de dader. ‘Ik zou je ook een duw geven als ik niet wist wat voor een omvangrijke tientonner je was.’ Met mijn zestig kilo ben ik bijna net zo mager als een regenworm op dieet en mijn beste vriend maakt daar constant grapjes over. ‘Wie doet nu zoiets?’Voorzichtig stap ik de paar treden af naar beneden. Mijn lichaam staat boordevol kippenvel van de kou, elke vierkante centimeter is er mee bedekt. Ik spring de laatste drie treden af en beland naast Ewan. ‘Kom op, het is tijd om ons te amuseren!’Hij port me in mijn zij en rent zonder om te kijken weg. Onwillig grijnzend volg ik hem, naar de Moonstruck toe. Een halve minuut later staan we allebei naar adem te snakken voor de ingang van de waterglijbaan. Mijn conditie is niet meer wat ze geweest is.Terwijl we op adem proberen te komen, bestudeer ik de obscure constructie die zich boven me verheft. Zowel de trap als de glijbaan zelf zijn geverfd in felblauw en bloedrood, twee kleuren die ik absoluut niet bij elkaar vind passen. Als vanzelf glijdt mijn blik naar boven, naar de top van de glijbaan. Een onwillekeurige huivering loopt over mijn rug. En het is niet van de kou deze keer, maar wel door de enorme hoogte van het bouwsel. Is dit wel veilig?Ewan’s stem doorbreekt de bezorgde gedachten die door mijn hoofd razen. ‘Dit wordt leuk!’ Ik zie nog net een stukje lichtblauwe stof op de ronde wenteltrap verdwijnen. Ewan is er vandoor zonder mij. Een laatste keer kijk ik omhoog, naar de tweehonderddrieënvijftig treden die we moeten beklimmen om de top van de Moonstruck te bereiken.‘Wacht op mij!’ schreeuw ik mijn vriend achterna. Ik leg mijn hand op de bloedrode trapleuning, die vochtig aan voelt. Een onheilspellend gevoel maakt zich van mij meester. Doe het niet, probeert het stemmetje in mijn hoofd nog. Ik lap mijn intuïtie aan mijn laars en begin aan de beklimming. Al snel heb ik Ewan ingehaald. Halverwege de trap botsen we op een muur van mensen. Ze staan te zuchten en te klagen, waarschijnlijk omdat ze zo lang moeten wachten en het niet vooruit gaat.‘Pff, zo veel volk,’ kreunt Ewan. Hij probeert omhoog te kijken, de mensenmassa voorbij, om te zien of we al bijna bij de ingang zijn. ‘Het is echt niet normaal hoe populair deze waterglijbaan is,’ stelt hij vast. ‘Ik las gisteren op internet dat er elke dag meer dan duizend mensen een ritje maken in de Moonstruck. Alsof het die ene actrice is, hoe heet ze ook weer? Die elke dag iemand anders mee naar huis neemt.’Ik negeer zijn flauwe grapje. Duizend lijkt me ietwat overdreven, maar dat het hier druk is, daarin heeft hij zeker en vast gelijk. In de rest van het zwembadcomplex is het redelijk rustig, wat waarschijnlijk komt doordat iedereen hier staat aan te schuiven. Terwijl ik nadenk over het vreemde groepsgedrag van de menselijke soort, geeft Ewan me alweer een duw in mijn zij. Breed lachend wijst hij naar boven.‘We zijn er bijna!’ joelt hij uitgelaten. Ik kan er niks aan doen, maar zijn enthousiasme heeft het omgekeerde effect op me.‘Dat is fijn, zeg,’ mompel ik op een nogal bitsige toon. ‘Zorg je er dan deze keer wél voor dat je niet meteen achter me aan komt, maar wacht tot het licht op groen staat? Zoals je ziet gebeuren er anders ongelukken!’ Toen we vanochtend een andere glijbaan uitprobeerden, kwam hij vlak achter me aan en botste hard tegen mijn arm. Nu duw ik hem mijn rechterelleboog, waarop een gigantische blauwe plek zit, in zijn gezicht. Hij kijkt me met een teleurgestelde blik aan. Laat hem toch. Vergeet niet dat hij één van de weinigen is die bij je bleef na... Ik blokkeer de gedachte en besef dat ik niet zo luid had moeten praten. Na een klopje op zijn brede schouders bied ik mijn oprechte verontschuldigingen aan. ‘Het geeft niet hoor, let deze keer gewoon een beetje beter op, oké?’Zijn treurige blik verdwijnt en maakt plaats voor een waterig glimlachje. ‘Ja, doe ik. Ik zal net zo goed opletten als toen ik mijn rij-examen voor de brommer deed... en tegen een boom knalde,’ belooft hij. ‘Het wordt vast heel erg leuk!’ Daar heb ik nog mijn twijfels over. Op dat moment weerklinkt er een galmende stem door het hele zwembadcomplex.‘Wij vragen graag uw aandacht voor de volgende mededeling. Binnen een kwartiertje starten we met onze spannende piratenzoektocht.’ Om me heen kijkend probeer ik te ontdekken waar de stem vandaan komt, maar ik zie geen enkele luidspreker. Het lijkt alsof de krakende stem rechtstreeks in mijn hoofd zit.‘Er zijn mooie prijzen te winnen,’ vervolgt de organisator. Iedereen om me heen begint opgewonden te fluisteren. ‘Maar natuurlijk enkel voor de overlevers!’ De stem lacht, een gemene lach die een siddering over mijn rug doet lopen. Alle anderen lachen met hem mee, maar een ijzige kilte in mijn buik probeert me te waarschuwen. Wat had die laatste opmerking te betekenen? Stokstijf blijf ik staan, tot Ewan me alweer een por geeft.‘Wees niet zo’n bangerik, het was toch maar een grapje van die man? Een grap, Mathis! Ken je dat?’ Met fanatieke pretlichtjes in zijn ogen kijkt hij me aan. Hij grijpt mijn schouders vast en schudt me helemaal door elkaar. Gewillig laat ik hem zijn gang gaan. ‘Denk jij wat ik denk?’ roept hij enthousiast. Ik slaak een gefrustreerde kreun. ‘Nee, maar ik heb wel zo’n vermoeden wat jij denkt.’ En ja hoor, daar gaan we weer.‘Kom op Mathis, wij gaan die schattenjacht winnen! We zijn een team!’ Smekend kijkt hij me aan. Hoe kan ik ooit aan die blik weerstaan? Rationeel als ik ben, weeg ik de voor- en nadelen van onze deelname af tegen elkaar. Natuurlijk enkel voor de overlevers. De beangstigende woordkeuze van de luidsprekerstem bevalt me helemaal niet, maar mijn oeverloze nieuwsgierigheid krijgt de bovenhand. We zien wel of het leuk is, anders kunnen we er nog altijd mee stoppen.‘Oké, we doen het,’ geef ik toe. Ewan steekt lachend zijn twee duimen naar me op. We willen niet te laat komen, dus proberen we haastig beneden te raken via de wenteltrap. Achter ons blokkeren andere mensen de weg, en wanneer we hen vriendelijk vragen om plaats te maken, kijken ze ons boos aan.‘Wij staan hier ook al even te wachten, jongeman,’ zegt een van hen bozig. Er zit niets anders op dan ongeduldig te blijven aanschuiven en via de glijbaan naar de begane grond te gaan.Eindelijk is het mijn beurt om de zogenaamd leuke en coole glijbaan te betreden. Als ik heel eerlijk ben, associeer ik eerder lugubere woorden als gevaarlijk en dodelijk met het gevoel dat het kolossale bouwsel bij me oproept. Bovenaan de ingang zit een metalen stang, die ik vastgrijp en gebruik om me af te duwen. Hoe sneller het voorbij is, hoe beter.Het licht springt op groen, en met een rotvaart schiet ik door het duister. De maniak die deze glijbaan heeft ontworpen, heeft ervoor gekozen om geen verlichting aan te brengen, zogezegd om het nóg spannender te maken. Tijdens de hele rit is het dus pikdonker, ik zie geen hand voor ogen. De huiverige stemming waarin ik ben, wordt hier enkel maar versterkt. Het duister is zo onvoorspelbaar en mysterieus als een roeibootje op een woeste oceaan. Er is geen lampje om me te beschermen deze keer. Het bloeddorstige monster dat tot nu toe onder mijn bed verstopt zat, ligt op de loer. Op zoek naar een lekker hapje. Er zijn geen lakens waar ik me onder kan verstoppen, er is alleen water en duisternis om me heen. Ik voel de hete adem van de monsters in mijn nek. De blinde paniek die ik als kind vaak voelde, overspoelt me weer. Met mijn ogen stijf dichtgeknepen, ook al heeft dat geen enkele zin, glijd ik verder. Doe niet zo stom, je zit in een glijbaan, wijs ik mezelf terecht. Maar ik glijd verder en de duisternis om me heen blijft.Het water stroomt alsmaar sneller langs mijn lichaam en wanhopig bid ik dat er een einde komt aan de glijbaan. Op een gegeven moment lijk ik omhoog te glijden in plaats van omlaag. Door mijn dunne zwemshort heen voel ik elke hobbel in het plastic van de baan. Het doet een beetje pijn, want ik heb tenslotte niet zo’n vetlaag als Ewan. Ik ga steeds sneller en terwijl ik afweeg of ik het zou aan durven om te kijken, voel ik opeens een enorme kriebel in mijn buik. Alles staat op zijn kop. Een waterglijbaan met een looping?! Net wanneer ik bedacht heb hoe idioot dat klinkt, is het voorbij.Met een plons kom ik terecht in het zwembad en ga kopje onder. Zo snel mogelijk peddel ik naar de rand van het zwembad en hijs mezelf omhoog. Even verderop is een trapje, maar daarop zitten twee meisjes te wachten op iemand. Dat trapje kan ik dus niet gebruiken. Zo erg was het toch niet? Het stemmetje in mijn hoofd lacht me uit. Die zwartkijker compleet negerend, hou ik mijn hoofd schuin en schud voorzichtig het water uit mijn oren.Even later komt Ewan uit de krochten van de diepblauwe buis gevlogen. Hij zwemt naar me toe en hijst zichzelf op de zwembadrand. ‘Een beetje bizar dat we nooit eerder van die piratenzoektocht gehoord hebben,’ bedenkt hij zich. ‘We kwamen vroeger toch regelmatig in het zwembad, samen met de andere jongens? Maar ach...’ Zijn gemompel sterft weg en ik weet waar hij nu aan denkt. Nee, niet over hen beginnen. Alsjeblieft. Snel krabbel ik overeind, een poging om de beklemde sfeer waarin we dreigen te belanden, te doen verdwijnen.‘Laten we maar eens gaan kijken of we nog mee kunnen doen met de wedstrijd,’ verzucht ik. Ewan kijkt naar me op en lacht zijn tanden bloot.   Meer lezen? Neem een kijkje op www.facebook.com/Maanziekhetboek en bestel jouw eigen exemplaar!  

Eva Linden
11 1
Tip

Een man

Ik heb een man leren kennen. Iedere ochtend brengt hij zijn dochter naar school. Een melkchocolade meisje met donkere ogen en dreadlocks met kleurige kralen doorheen geweven. Ze wandelen hand in hand met rustige tred richting schoolpoort. Daar knielt hij neer tot zijn lichtjes glimmende, kale hoofd laag genoeg is om het meisje een kus op haar voorhoofd te geven. Zij geeft hem een knuffel, hij aait over haar kralen en krullen en wandelt met dezelfde, rustige tred weer weg. Iedere ochtend, stipt om kwart over acht, hetzelfde tafereel. Soms ben ik er niet om kwart over acht. Dan heeft Ada weer een schriftje ergens verkeerd gelegd, duurt het ellendig lang voor ze weet wat ze op haar boterham wil om vervolgens toch weer te kiezen voor kruidenkaas en kippenwit, of heeft haar jasje niet de juiste kleur. “Zo kan ik toch niet naar buiten!” Hoe doen andere ouders dat, om iedere ochtend stipt om kwart over acht aan de schoolpoort te staan? Vaak moeten we rennen omdat we om de hoek al de schoolbel horen. Heel soms hebben we alle tijd, en kunnen we rustig pratend de wandeling naar school maken. Een lang afscheid voor de schoolpoort zit er niet meer in, daar voelt ze zich ondertussen ietsje te groot voor. Ik haast me uit de voeten, en als het nog geen kwart over acht is, ga ik op het bankje in het park schuin tegenover de school even wachten, om te kijken hoe de rijzige zwarte man rustig komt aangewandeld, zijn dochter kust en weer weg wandelt in de richting waar ze vandaan kwamen. Ik voel me een voyeur, maar niet schuldig. Ik word zelf ook rustig van het tafereel. Op een ochtend komt de man naast mij zitten op het bankje, op veilige afstand. Ik voel me betrapt. Maar hij laat niets merken. Hij draagt dezelfde hoodie als altijd, een zwarte met opschrift Amsterdam en daaronder het bekende wapenschild van de stad met de drie kruisjes en de slogan heldhaftig-vastberaden-barmhartig, het soort trui dat je kan vinden in de schreeuwerige souvenirwinkels op het Damrak. Daaronder een afgesleten blauwe spijkerbroek en sneakers die duidelijk een stukje van de wereld hebben gezien. De man slaat zijn benen over elkaar, leunt achterover en haalt een pakje sigaretten uit de kangoeroebuidel van zijn trui. Een of ander onbestemd merk, uit de Aldi of een andere goedkope supermarkt, gok ik. De man buigt lichtjes mijn richting uit en biedt me met een knikje een sigaret aan. Ik ben al enkele jaren gestopt met roken maar zonder na te denken knik ik terug en neem de sigaret aan. Ik lach het lachje waarvan vriendinnen zeggen dat het me er een beetje dom doet uitzien. Lief, dat wel, maar dom. Het lachje wordt nog eens herhaald als de man mij een vuurtje aanbiedt, en ik me voorover moet buigen om met mijn sigaret bij de vlam te komen. Met mijn hand bescherm ik het vuur tegen het zachte lentebriesje en raak ik even zijn hand aan. Die voelt als schuurpapier met een fijne korrel. Ik trek mijn hand snel terug, wil niet dat de man zich ongemakkelijk gaat voelen. Of dat ik als te vrijpostig word gezien, wie weet wat deze man al allemaal te horen heeft gekregen over Nederland en zijn feministes. Ik inhaleer voorzichtig en moet toch even kuchen. De man glimlacht. Kucht ook even. Ik zoek naar woorden maar zeg niks. De man rookt genietend, alsof zijn allerlaatste wens net in vervulling is gegaan. Als zijn sigaret is opgerookt, knikt hij even en wandelt weg. Ik knik terug, probeer niet te dom te lachen, doof mijn sigaret en beslis nog even van de vroege zon te genieten voor ik terug naar huis wandel.   Ik ben het gewoon om aangesproken te worden door vreemde mannen. Doorgaans begint hun zin met “ben jij niet… “ en dan weet ik al wat er volgt: dat grietje dat ooit meespeelde in een populaire soap en vervolgens trouwde met en snel weer scheidde van de grootste eikel van het land en nu halsstarrig haar best doet om serieus te worden genomen door het meer belezen deel van de natie, al zijn de meesten zo beleefd om dat laatste deel achterwege te laten. En dan knik ik en zet ik dat domme lachje op, want mensen zien hun vooroordelen niet graag weersproken. Ik lach om hun grapjes, ook als ze niet leuk zijn, probeer het aantal opmerkingen te beperken. In het begin probeer ik me te concentreren op mooi en stil te wezen, de rest kan later nog altijd. Indien. Als. Met deze man is het anders. Ik voel dat ik het initiatief moet nemen. Dat hij wacht tot ik iets zeg. Maar wat zeg je ook alweer tegen iemand die je niet kent? Waarom worden daar nooit eens zelfhulpboeken over geschreven? “Lekker weertje, hé”, zeg ik, enkele dagen later als de man weer op veilige afstand van mij op het bankje komt zitten. Ik heb er dagen over kunnen nadenken, en dan is dit waar ik mee op de proppen kom! Ik word bijna rood van verlegenheid om zoveel domheid. Maar anderzijds: het is zo vroeg op de ochtend ook al gewoon mooi weer, en hoeveel kinderen zouden er niet zijn voortgekomen uit stomende romances die zijn begonnen met een banale opmerking over de klimatologische omstandigheden? “Ja, lekker weer”, zegt de man, met rustige stem en een accent dat ik moeilijk kan thuisbrengen, al doet het vermoeden dat hij nog niet lang Nederlands spreekt. Ik zou willen dat hij doorgaat, dat hij vertelt dat waar hij vandaan komt het alle dagen zonnig is, dat de zon er de aarde en de huiden verschroeit, in het land dat hij moest ontvluchten wegens honger of oorlog of allebei, maar hij gaat tevreden achteroverleunen terwijl hij een sliert rook uitademt. Hij sluit zijn ogen en murmelt iets wat klinkt als “lekker weer” maar helemaal zeker ben ik niet. Ik weet niet of het beleefd is om vragen te stellen aan een man die net zijn ogen heeft gesloten. Of de man daar überhaupt zin in heeft. Maar dat kan misschien later nog. Indien. Als. Zo gaat het sinds een week of twee bijna iedere ochtend. Ik maak Ada vroeg genoeg wakker om zeker te zijn van de ontmoeting met de man. We spreken haast niet. We knikken, zitten en roken. Ik lach mijn verleidelijkste lach, ik schuif wat dichter bij, ik zeg wel eens dingen als “dat was een heftig onweer  gisteravond” of “leuk meisje, jouw dochter?”, en dan zegt de man “ja, heftig onweer” of “ja, dochter” en leunt weer achterover om van zijn sigaret te genieten. Ik heb geen idee waar hij vandaan komt of wat hij de rest van de dag doet. Ik heb geen idee of hij meer wil dan gewoon op een bankje zitten en roken. En ik heb geen idee wat ik wil, ik weet alleen dat ik op een rustige manier vrolijk word van deze man. Of op een vrolijke manier rustig. Als ik ‘s ochtends zeven minuten kan doorbrengen op mijn bankje, de tijd van een slechte sigaret, dan weet ik dat de rest van de dag ook goed zal verlopen. Ik heb mijn man niet verteld dat ik een man heb leren kennen. Hij vraagt ook niet waarom ik tegenwoordig langer wegblijf als ik Ada naar school breng. Soms denk ik, straks ruikt hij de geur van goedkope sigaretten en dan moet ik een smoes klaar hebben, maar zo attent is hij al lang niet meer, en de Wilhelmina pepermunt verdoezelt veel. Ik mag blij zijn als ik een hallo terugkrijg als ik ons huis binnenstap. De iPad is op dat moment interessanter, maar ik maal er al lang niet meer om. Zelf ben ik dezer dagen ook niet de meest attente vrouw die een man zich kan wensen. Ik vind de zeven minuten bank iedere ochtend soms spannender dan het echtelijke bed. “Ik heb vrouw nodig”, zegt de man op een ochtend na het eerste trekje. Ik schrik en lach mijn lachje. Ik stamel een “waarom?”. Ik krijg een vragende, haast smekende blik als antwoord. Ik kan me voorstellen wat een man alleen met een prepuberende dochter moet denken. Hoe moet dat straks, met de eerste maandstonden en het eerste behaatje en, godverdomme, een eerste vriendje. Ik schiet zelf al in de stress als ik denk dat een of andere puistenkop straks zijn zinnen heeft gezet op dat heerlijke warhoofdje van me. Ik weet wat foute vriendjes met naïeve meisjes kunnen doen, geloof me. Ik krijg geen duidelijk antwoord van de man. Ik hoor hem nog iets stamelen, maar de man spreekt toch vooral tegen zichzelf. Hij kijkt me nog eens vragend aan maar zegt niets. Ik kijk vragend terug en zeg niets. Ik probeer nog eens mijn liefste lachje en krijg een frons terug. De volgende ochtenden is hij er niet. Ik blijf eenzaam op mijn bankje achter, zonder man, zonder sigaret. Zonder zijn de ochtenden niet hetzelfde. Ik begin me zorgen te maken. Maar hoe vertel je aan je man dat je je zorgen maakt om een man waarmee je enkele ochtenden een sigaret hebt zitten roken en zitten zwijgen op een bankje tot hij plots zei “ik heb vrouw nodig” en verdween, zonder over te komen als een hysterisch wicht. Ook hier schieten de zelfhulpboeken weer grandioos tekort. Misschien weet Ada raad. Misschien weet zij wel wie het meisje met de dreadlocks en de kralen was, heeft zij iets opgevangen op het schoolplein. Ik moet het zo nonchalant mogen proberen te brengen, want met de leeftijd en de lengte is ook haar achterdocht toegenomen. Dat heeft ze uiteraard van haar vader, al die jaren in de journalistiek hebben zijn cynisme alleen maar aangewakkerd. Mijn God, ik hoop maar dat ze uiteindelijk niet al te veel op hem gaat lijken, al zijn de kansen natuurlijk fiftyfifty. Wat dacht ik toch, toen ik op die cocktailparty dertien jaar geleden zo nodig over het weer moest beginnen tegen de poenigste hoofdredacteur van het land. “Oh, Yejide”, zegt Ada, als ik haar tijdens de wandeling naar school zo terloops mogelijk vraag wat er is gebeurd met het Afrikaanse meisje dat we ooit wel eens aan de schoolpoort zagen. “Die is al een paar dagen niet meer gekomen”, zegt ze op een toon waaruit niet blijkt dat ze het erg of spannend vindt. Ik zeg niets en verlang naar een sigaret.  

Dirk Vandenberghe
9 1

Slechte koffie

Hij bleef stilstaan voor het raam van de chocoladebar, stak een sigaret op en inhaleerde diep. Camel, een lekker sigaretje. Ook al rookte hij vroeger Marlboro, hij vond smaak thans belangrijker dan imago. Op de Marlboro cowboy zou hij toch nooit lijken. Hij vertrappelde de peuk en wierp een vluchtige blik op zijn horloge zonder het uur te registreren, ritste zijn jas open en stapte de bar binnen. De prikkels van de geur van krachtig chocoladebitter, het beeld van de schaal versgebakken brownies op de toog, van de grote groene vintagehanglamp boven de zithoek met de bordeaux lederen noppensofa en de klap waarmee een vlaag februari-wind de deur achter zijn rug deed dichtslaan, bereikten allemaal tegelijk zijn zintuigen, waardoor hij vergat de vrouw te groeten die één van de tafels met een schotelvod schoon veegde. De plaats aan het glazen tafeltje bij het raam bood een uitstekend zicht op de straat en de straathoek. Hij stootte zijn knie aan het smeedijzeren onderstel van de tafel. Altijd verraderlijk art-deco. Hij bestelde koffie. Het espressoapparaat klikte aan met een kracht als van een hydraulische pomp, siste zichzelf stomend wakker alvorens het een miserabel straaltje donkerbruin vocht afscheidde in een kopje. De vrouw met de schotelvod, die hem de koffie bracht, wilde dat hij meteen afrekende. Hij vroeg zich af wat het was aan hem dat haar achterdocht had gewekt. “Leuke zaak,” zei hij nog om het goed te maken en bedankte haar voor de koffie, maar ze haastte zich in rechte lijn terug naar haar plekje achter de bar, waar een tijdschrift met felgekleurde foto’s en koppen typografische gruwel opengeslagen lag. Het kopje had een diameter gelijk aan de lengte van de helft van zijn pink. Hij keek door het raam naar het pand aan de overkant van de straat, naar het kleine portaal, naar de stenen van de stoep op de plek waar het experiment dat hij uitvoerde een aanvang had genomen. Hij nipte van zijn minuscule kopje, slikte de zurige smaak weg en probeerde de aandacht van de vrouw te trekken.“Kent u toevallig…” begon hij, een beetje met krakend stemgeluid vanwege het vroege uur. Hij schraapte zijn keel, de koffie was vreselijk.De jonge barvrouw keek op van haar lectuur. Hij zag dat ze kauwde op een stukje gom. “Weet u wie er in dat huis daar woont?” vroeg hij, iets luider en helderder nu, maar op een slecht gekozen moment want de telefoon rinkelde. De vrouw stak haar rechter wijsvinger omhoog en nam op.“Chocoladebar Moelleux” klonk het, een beetje zangerig, scherp en allerminst smakelijk.“Nee,” zei ze. “Mevrouw is er niet. Ik ben het hulpje… Haar nicht… Nee, vandaag en morgen uitzonderlijk niet… Jazeker… Nee, ze is aan zee bij haar broer… Nee, morgen ook… Oké. Ik geef het door. Sabine, zegt u? … In orde… Dag … Mevrouw.” De geblondeerde barvrouw was duidelijk te jong, haar kapsel verbazend hoog. Was Dolly Parton-haar weer in de mode? Hij had er geen idee van. In elk geval had ze teveel mascara op en teveel kohl rond de ogen om een witte onderbroek te dragen. En, wat was dat? Een piercing in haar oor? Nee. Hipsters droegen geen witte onderbroeken. Maar mevrouw? Mevrouw, haar tante? Mevrouw misschien. Het zou kunnen. Stond er vorige week op Valentijn een strakke wind? Hij wist het niet meer. Kon een witte onderbroek die boven Chocoladebar Moelleux uit het raam viel of werd geworpen tot aan de overkant van de straat zijn gewaaid? Dat kon. “U zegt?” vroeg de barvrouw meteen nadat ze opgehangen had.“Nog een espresso graag” zei hij. “Een dubbele deze keer.” Ze bracht hem koffie met een grotere diameter en verdween achter de deur die waarschijnlijk naar de keuken leidde want de zwaai van de deur deed de cacaogeur opleven. De bar was klein en opvallend smal. Het was weinig waarschijnlijk dat er boven de bar nog een woonruimte was. Mevrouw van de chocoladebar woonde vast elders. Misschien zelfs in het huis aan de overkant.Het bood perspectief. Het was iets langer dan een week geleden dat hij aan de overkant van de straat voorbij het huis was gewandeld dat hij nu in de gaten hield. Op 14 februari laatstleden ontdekte hij op die plek een witte onderbroek. Hagelwit. Robijnfris. Het model net iets te functioneel om sexy te zijn.Toch had hij het als een voorteken aanzien en thuis had hij de onderbroek ingepakt in gewoon wit printpapier. Op de wikkel had hij een gedicht geschreven. Nu droeg hij het pakje bij zich. Hij was van plan geweest om het in het portaaltje voor de deur neer te leggen. Maar dan had hij getwijfeld. Hij moest haar eerst zien. Hij had een sigaret gerookt, een beetje gedraald en nu zat hij hier, achter een dubbele espresso die zelfs dubbel zo vies smaakte als een gewone. Hij moest dringend stoppen met roken. Zowel van koffie als van sigaretten ging je adem vreselijk stinken. En dat wilde hij niet. Niet nu. Niet nu hij vastbesloten was om weer romantiek in zijn leven toe te laten. Tot nog toe was zijn leven daarvoor veel te druk geweest. Althans dat maakte hij zichzelf wijs.Het was romantiek waar hij op uit was. De mensheid maakte zich daar doorgaans vrolijk over. Maar nu leek dat hem net wat hij nodig had, op dit punt in zijn leven aangekomen, zelfs broodnodig. In tijden van online daten was een ouderwets postpakket rond Valentijn misschien wat vrouwen wilden. Of toch de vrouw die op hém wachtte, want aan online daten deed hij niet, wilde hij niet doen. Maar hij wilde haar zien. Hij wilde haar ogen zien, een kleine glimp van haar ziel opvangen, al was het maar door te kijken naar hoe ze straks van achter de hoek de straat in zou komen gewandeld. Haar manier van bewegen. Ze zou halt houden voor het huis, het kleine portaal binnen stappen en terwijl ze haar sleutel uit haar tas vist, zou hij toekijken. Misschien blaast de wind in haar nek, zet ze de kraag van haar jas rechtop. Hij zou naar haar handen kijken, naar hoe ze het mutsje op haar hoofd iets meer naar achteren schuift. Hoe ze met haar ogen knippert omdat er stof in het portaal opwaait. Hij zou haar lippen lezen als ze tegen de kat praat die tegen haar benen aan komt kopjes geven, ongeduldig als ze is om mee het huis binnen te gaan. Net als hij. Hij haalde het pakje uit de binnenzak van zijn jas en legde het voor zich neer op het glazen tafeltje, stootte zijn knie nog maar een keer aan het smeedijzer. Hij las zijn gedicht door, voelde de spanning buitelen in zijn borst. Hij zou de hele dag blijven waken, in de chocoladebar blijven zitten tot ze ofwel thuiskwam, ofwel het huis uit ging. Hij zou zich van de vragende en nieuwsgierige blik van Dolly Parton niets aantrekken. Desnoods een brownie eten, de chocolademelk ‘Moeilleux’ proberen. Want het was er slechte koffie.

Julia Carax
0 0