Lezen

Als dan zonder vergelijking ...

    Als dan zonder vergelijking hersenkronkels, geen verhaal, pen en rustpunt zweet, arbeid en handen zonder daadkracht zijn   mijn belofte zonder haar bereidwilligheid teer maar zonder breekbaarheid drang, geen onderdrukking onderdrukking zonder overheersing een vinger zonder raakpunt blijft een raakpunt zonder grip en bovenal aanraking zonder tederheid, herkenbaar maar niet langer vertrouwd   wordt ruimte zonder invulling dit gesprek zonder weerga haar uitdrukking zonder enige uitdrukkelijkheid de bevraging van beantwoordbaarheid een probleem maar geen bevraagbaarheid een probleem zonder breder kader   dan is er ruzie zonder tegenstrijd voorwerp, geen onderwerp bewering, geen onduidelijkheid of betrouwbaarheid zonder bewering zelfs verzwijgen zonder leugen meer waarheid zonder daadwerkelijkheid dus afval zonder verbruik en een voorwerp zonder bruikbaarheid en wederom noodzakelijkheid   er treedt vervlakking zonder eentonigheid voldoening zonder bevrediging en verwijzing zonder beduidendheid als een bron zonder vermelding een voorteken zonder leesvermogen blijkt taal zonder spelling leren zonder herinneringsvermogen   dan is er eenzaamheid zonder afzondering vrijheid zonder wil gevangene maar geen onvrijwilligheid aanvaarding, echter geen berusting en teleurstelling zonder verwachting   vervolgens komt vooruitgang zonder vooruitstrevendheid inspanning zonder bedrijvigheid overgave en doelloosheid stuurkracht zonder leiderschap doel, geen aansturing ondergaan maar evenmin tegenstrijd en wederom daadkracht zonder bereidwilligheid nimmer bewerkstelliging zonder moeizaamheid gevaar in moedigheid   er treedt vervreemding zonder vertrouwdheid vermoeiing en slapeloosheid evenwicht zonder veerkracht ware overgave zonder strijd verscheurdheid maar geen razernij onvermijdelijk worden mogelijkheden zonder betrekking   in achteruitgang zonder terugval met schouders zonder draagkracht ijver, geen doorzettingsvermogen blijft streven zonder oogmerk maar ook vooruitzicht zonder achtergrond voorstelling, geen bevestiging dromen zonder verbeeldingskracht worden een leugen zonder bedrog de oorzaak wiens oorsprong achterwege blijft er was een zwaarte, geen aantrekkingskracht en zwaartekracht zonder aantrekking wortels steken boven de ondergrond   in een vlucht zonder vleugels een herstart zonder vertrekpunt als een afdruk zonder toets door een misdaad zonder toedracht wordt straffeloos zonder schuldbewustzijn een schaar zonder snee schaamteloos maar nog zonder vertoning   in een kromme zonder buigzaamheid een rechte zonder lijn snelweg zonder afrit trein zonder vertraging trek ik als een eigenaar zonder eigendom naar een braakland zonder erfgenaam een voorgevoel maar geen vooruitdenkendheid rijkdom zonder hebberigheid, erfenis zonder verdeeldheid en bovenal gierigheid zonder wrok vraatlust zonder overdaad armoezaaier zonder begeerte   zon zonder schittering, maan zonder weerkaatsing mijn koers wordt zonder vaart het roofdier zonder eetlust in een uitgestrektheid zonder landschap is er plaats maar geen beschikbaarheid wordt een vrucht zonder opbrengst een voorgevoel zonder vooruitdenkendheid is een waarzegger zonder helderziendheid ik krijg krampen, braakneigingen van een honger zonder maaltijd de inhoud ontbrak echter de diepgang en mijn taal het spraakvermogen   met een handboek zonder standaard, een maatstaf maar geen ijk word ik bijzonder zonder bijnaam genialiteit, geen inspiratie aspiratie maar geen genialiteit als een diplomaat zonder overleg maar ook een woordvoerder zonder inspraak een werkwoord zonder uitvoerbaarheid en bovenal waardering zonder verdienste wordt een overwinning zonder wedstrijd een oorlog zonder hart een koor dat zonder enige overeenstemming probeert te zingen   het lijkt meer op een schilderwerk zonder indruk maar dan een onweersschicht zonder weerslag maar de duisternis wordt achterdochtig en het wateroppervlak zonder weerspiegeling als een poolreiziger die zich vergrijpt aan het noorderlicht   een doelloze terugkeer naar een deur zonder slot naar een ingang zonder ontvankelijkheid, een afzonderingskamer   ik heb mijn verkreukeld papier en een steen zonder inkerving een schrift zonder gebondenheid vervolgens synoniem zonder synoniem, een vers zonder regel, een gedicht zonder schrijver, een optreden zonder toeschouwers en eer zonder erkenning maar een dichter zonder zelfbewustzijn blijft een strateeg zonder overzicht   goedgelovigheid zonder kinderlijkheid blijft een zoon zonder vader, een speelkoer zonder schoolbel   vergelijk het met een meerman zonder stemkracht die zonder zijn grote liefde, een schip zonder ankerpunt aan een strand met vergeten kinderen, in een rivier zonder oever valt verdriet zonder tranen  

Robijn Bodijn
20 0

Lente.

De lente heeft heeft haar wiel opnieuw uitgevonden en de wijk bloost er groen van. Bij degenen die een caravan hebben staat het vakantienest al dagen voor de deur om zomerklaar te worden gemaakt. Er wordt aan tuinen gewerkt, auto’s gestofzuigd en ook aan schilderbedrijven ontbreekt het niet aan arbeid.   In een van de vier vijvers op de singel is ook een hoentjespaar druk bezig geweest aan wat inmiddels een prachtig nest is geworden. Het is groter en ook hoger dan gewoonlijk omdat ze het op een betonnen buis hebben gebouwd die de vijvers met elkaar verbind.  Het vrouwtje broedt er al dagenlang op, terwijl het mannetje druk in de weer is met zijn voorbereidingen op het vaderschap. Wat dat precies is, is net zo onduidelijk als wat vele andere mannetjes dan doen. Hij komt aanzwemmen met nog meer takjes en riet om ze dan, aangekomen bij het nest, weer uit zijn bek te laten vallen. Want dat is al klaar immers. Gaat weer heen en doet zijn ding. Druk druk druk. Een ander mannetje staat met een verlengde gasbrander in zijn ene hand het onkruid tussen de tegels van zijn oprit weg te branden, de andere in zijn broekzak gestoken. Het verspreid een heerlijke geur die uitstekend zou mengen met de geur van de barbecues die zeker zullen volgen in de namiddag.    Het opvallende hoentjesnest heeft de afgelopen dagen nogal wat bekijks en fans gekregen. Gedurende het kwartier dat ik het tijdens mijn bezorging op de singel kan zien, staan er regelmatig mensen even naar te kijken. Wandelaars, fietsers, grootouders met hun kleinkind. En ook een ander soort fans. Een kat, twee eksters en een kraai. Alsof het de opening betreft van een nieuwe delicatessenwinkel, hebben ze hun bewegingswijze richting het nest gevonden. Ze krijsen, sissen en blazen naar elkaar  totdat er een volgorde lijkt afgesproken van wie er het eerste aan de beurt zal zijn. De kat zit op zijn vaste plek, geduldig met dichtgeknepen ogen, de eksters huppelen wat heen en weer en de kraai heeft ook zijn eigen nummertje getrokken. Het mannetjeshoen vermoedt ondertussen het een en ander en blijft dicht bij het nest onrustige zwembewegingen maken als de rovers op hun loerplek zitten. Van zijn duidelijk gearticuleerde sneergesniep  zijn ze niet onder de indruk. Maar zover is het nog niet.   Wat doet zo’n mannetjeshoen eigenlijk als de barbecues zijn gedoofd en alle kinderen al zijn gaan slapen.? Als hun ouders ook al hun laatste glas hebben geleegd en de tuindeur sluiten, de voordeur vergrendelen. De ramen blinderen met gordijn en luxaflexen. Rustig tegen het nest aandrijven of bezoekt hij de schijnwerper in het midden van de spiegel die zijn woonplaats is, om te mediteren misschien, als de maan erboven staat?   Droomt hij zich in de nacht door het gitzwarte verenpak van zijn vrouwtjeshoen heen naar onderen waar, in een nog donkerder bed, hun zeven steentjes der wijzen liggen? Voorbij de dunne kalklaag met dooier en vlies. Voorbij het vel met de eerste donsaanwas, voorbij het vlees van zijn vlees. Daar kloppen zeven pompjes. Zeven proteïne klokjes door elkaar. Een polyritmisch fluisteren dat vertelt van wat ooit was en weer zal zijn.  Tot een dag die vandaag zal worden genoemd. Zoals we allemaal in de spiegel leven die dat is.   Een warme dag weer vandaag. De ochtendkoelte is al ruimschoots verdreven nog voor het middag is. Ik heb meteen een pakje bezorgd op nr x aan de singel omdat ik weet dat men dan nog net thuis is. Je wilt je ei toch graag kwijt. En kijk, op het nest zit nog steeds het vrouwtjeshoen.  Maar dit is geen broeden meer. Ze wordt steeds met duwtjes op en neer bewogen. Als je goed kijkt, zie je af en toe bolletjes met een vurig bruin dons onder haar schoot tevoorschijn komen.    Als ik mij uiteindelijk naar de buitenste ring van de wijk begeef, zie ik net om de bocht twee meisjes aan komen fietsen. Ik schat ze in als  zesde klas eindexamen kandidaten en ze fietsen hand in hand. Als ik stop om mijn fiets tegen een muurtje neer te zetten net voordat ze mij gepasseerd zijn, verbreekt een van hen plots hun amicale verbinding. Met een korte, venijnige duw openbaart ze de leegte tussen hun fietsen en de straat. Het was er niet. Je zag het niet. Er viel iets kapot in de lucht. Haar argwanende blik treft me als een ei in het gezicht.   Klaar met de buitenste ring. Nu mag ik beginnen aan de singel. Nu kan ik weer even naar het hoendernest gaan kijken. Aan de overkant van de vlietvijver staan de meisjes op de hoek van een huis, in de schaduw. Nog op hun fietsen tegenover elkaar. Stuur aan stuur. Een hand rust op een schouder en een ander is vanuit het lange haar naar een wang afgegleden. Ik doe alsof mijn neus bloed. Heel hard. Een dubbele bloedneus. Ik heb een blauwe brief van de belastingdienst, een bekeuring en een rouwkaart nodig om het bloeden te stelpen, minstens. Met de brieven in mijn neus en een Libelle nog, eronder gehouden voor alles wat ernaast gaat, loop ik verder.  Ze staan precies op een rechte lijn met het hoendernest.  Verdorie.  Nu kijken naar het leven op het nest staat gelijk aan loeren naar wat de oude Grieken een eidyllion noemden. En hoezeer ik ook hou van de natuur, ik wil niet weer degene zijn die verantwoordelijk wordt gehouden, met eieren bekogeld, voor het schaamteloos blootleggen van een genoom zoals dit. Er is een licht ruisen en zacht kraken van verdroogd riet gevolgd door gesniep en geplons.  Orpheus keek ook om eens. Stom, maar moedig. Ik kijk ook om. Het vrouwtje is van het nest gekomen en roept de kuikens op haar in het water te volgen. Het mannetje zwemt er op een afstandje in kringen rond.   Er is een startschot afgegaan.  Het eerste kuiken buitelt met een koprol het water in. Het is meteen duidelijk dat zijn lichaampje het  koddige ei-geheugen kwijt is, want het zwemt direct naar moeders toe. Verkwikt en gedoopt. Plots wordt alles natuur.   Anderen hebben het startschot ook gehoord blijkbaar. Vanuit het niets, wat er natuurlijk altijd is, landen twee eksters op het nest en beginnen op de vurig bruine donsbolletjes in te pikken. Een ekster vliegt met buit van het nest op de wal om zich er geconcentreerd aan te fêteren. De plotselinge kat vanachter een boom troeft de nog piepende speelbal af. Neemt het in zijn bek en gaat heen naar zijn eigen toko. Een kat met een krijsende nepsnor.  Het mannetjeshoen fladdert en sneert zich een ongeluk in het water. Maar niets maakt dat de gegadigden zich daar iets van aantrekken. Het vrouwtje is met haar enig jong verderop in het riet vertrokken en is bezig aan iets wat later een noodnest blijkt te zijn. De ekster voegt zich weer bij zijn kompaan op het nest en samen hervatten ze hun duet van pik en piep.   Ook de meisjes zijn elkaar aangevlogen. Hun monden hebben zich gevonden en smaken een eigen nest, met gladde zachte snavels, in het donker op zoek naar een eindeloos samenzijn. Om het zoeken steeds weer. Het pikken van de eksters op de krijsende sappige kuikens dient als  audiospoor onder hun lieve lust. Omdat handen van gesloten ogen in een kus het licht zoeken over het lichaam van elkaar worden stuur en zadel losgelaten. Een van de fietsen klettert om rukt de de meisjes van elkaar. Maar onmiddellijk hebben ze zich weer gevonden. Terwijl de eksters blijven inpikken op de donsbolletjes die nu niet meer elke pik met een piep beantwoorden, is een grootouderpaar met kleinkind komen aanwandelen. ‘Doe wat Harold, doe wat!’ De vrouw heeft het hand in hand lopen met haar man losgelaten en loopt naar de vijver met de lunchende eksters toe. Het smaakt ze. Hun witte boorden zien er rood van. ‘Ha-rold... kijk nou!!’. Ze maakt zwaaibewegingen met haar armen richting nest om de rovers te verjagen.  Harold komt niet. Harold staat er als een zoutpilaar bij, met zijn kleinkind aan de hand. Te kijken. Te kijken naar dit alles. En daarboven de zon. De zon van alles en iedereen.                    

Stanley
22 0

opdracht 8 sabine steels

1980-1982   Cogli la prima mela/Angelo Branduardi - Mama draagt lange, donkerblauwe laarzen van glanzend leer, met een ritssluiting achteraan en een donkere houten hak. Een lange rok. Een grote handtas. Van Delvaux, zegt ze. Daarin steekt Saridon voor wanneer ze hoofdpijn heeft en een dikke agenda die niet meer dicht gaat van bruin slangenvel vol gekribbeld met afspraken en ideeën. Of ze draagt een lange broek en een sjaaltje om haar hoofd. Een dikke collier, ééntje van de honderden die in een dikke, onbedoelde knoop aan een haak naast haar bed hangen. En de ketting met de beweegbare, gouden vis. Zij maakt het gezellig voor wanneer mama uit haar praktijk komt. Kaarsjes aan, de tafel gedekt, de gordijnen dicht. De groene plaat van Angelo Branduardi met het ijsje erop. Ze doet kopstand in de zetel, benen tegen de muur, tot mama komt.   I won’t let you go/Agnetha Fältskog- Mama heeft een mooie auto. Klein en laag. Het is een sportauto, zegt mama. Hij is wit met een zwart dak in stof. Je kan het dak oprollen. Achteraan is niet veel plaats, maar genoeg voor haar om te liggen. Af en toe prutst ze met haar nagel op de lichtbruine, leren zetels. Ze maakt krasjes. Dan komen er kleine velletjes los. Ze is een beetje ziek en mama heeft een wollen, prikkerig deken met zwart en grijze strepen over haar gelegd. Dan vraagt mama of ze op schoot wil. Dat wil ze best. Ze neemt het dekentje mee en kruipt over de armsteun tussen de twee zetels naar mama’s schoot. Ze schakelen samen, mama’s hand ligt op haar hand. Ze rijden op een smal, zwierig weggetje. Aan weerskanten wuiven bomen boven de weg naar de lucht. Hier komt nooit iemand. De weg ligt er alleen voor hun. Mama draait het stuur van de ene naar de andere kant en ze slalommen over de weg. Daarna zet mama muziek op en draait ze aan het stuur op het ritme van de muziek. Het meisje lacht en ze blijven maar gaan.     1982-1991   With the kids in America/Kim Wilde - Ida zegt dat ze eens mee moet naar de hummeltjes. Zij vindt ‘hummeltjes’ een stom woord. Voor kleine, zoete kinderen. Mama zegt dat Ida bij de Hummeltjes werkt en dat je niet zo slim moet zijn om dag in dag uit baby poepjes te verversen. Papa was eerst met Ida, maar nu is papa met Annick en is Ida met Jos Drossin. Ze vindt het beter dat papa met Annick is dan met Ida. Ida wordt ook wel Brebis genoemd. Dat vindt ze een stomme naam. Ze begrijpt niet dat Ida die naam zelf mooi vindt. Ze zit met haar rug naar de spiegel tussen twee lavabo’s in de badkamer van Ida en Jos Put. Ida smeert haar gezicht in met een dikke laag Nivea. Ida en Jos Put wonen in een laag huis met veel bakstenen aan de binnenkant en een witte ronde kraan met aan het uiteinde een groen ringetje. Ida gaat haar verkleden. Ze heeft drie zonen, maar eigenlijk wil ze een dochter. Ze praat tegen haar alsof ze een klein, lief, schattig hummeltje is. Straks moeten alle kinderen naar het feest van hun papa’s werk. De man van Ida en haar papa werken op dezelfde plek. De kinderen mogen verkleed naar het feest. Ida wil van haar Pierrot maken. ‘O Claire de la lune, mon ami Pierrot, prête-moi ta plume pour t’écrire un mot.’ Wit gezichtje, zwart traantje, blinkende, wit kostuumpje met zwarte knoppen en een zwarte muts. Ze wil geen Pierrot zijn, ze is geen lief, klein dochtertje dat het fijn vindt om als een pop behandeld te worden. Ze is heel boos vanbinnen. Waarom verkleedt mama haar niet? Zoals vorige keer, toen was ze Pinokkio. Nu wil ze een tijger zijn. Jos Drossin en Ida zijn er vaak niet bij wanneer ze met z’n allen weggaan. Jos Drossin heeft een soort van ziekte waardoor hij niet meer goed ziet. Mama zegt dat het komt van te veel alcohol drinken. Hij heeft een bril met gele glazen. Haar grote zus Anso noemt dat gefumeerdeglazen en dat ze met die blinkende, goudkleurige rand net van de ziekenkas zijn. Dat klinkt niet goed. Jos Drossin heeft een snor en een kromme neus, gebogen in de tegenovergestelde richting van de neus van Ciske de Rat-krijg-toch-allemaal-de-klere. Ciske heeft een mooie wipneus. Jos Drossin rookt Bastos, zoals Nieke. Ze is een beetje bang voor hem. Hij heeft altijd een kostuumbroek aan met een plooi op de voorkant. De stof blinkt. En hij draagt gladde, donkere schoenen tot aan zijn enkels met een tiretteaan de zijkant. Ida moet altijd voor Jos Drossin zorgen, zegt ze. Waarschijnlijk is hij een soort van sukkel. Anso vertelde dat ze Ida en Jos Drossin voor de open haard heeft gezien. Ida zat op een stoel met een kort, wit wollen kleedje aan, zonder kousen. Anso kon alleen haar rug zien. Jos zat op zijn knieën. Ida maakte een raar geluid.. Anso is heel goed in fantaseren en in nadoen. Dat heeft ze toen gedaan en ze zei: ‘het was walgelijk’. Daarom vindt zij het nu ook heel vies. Ze denkt dat Jos Drossin toch niet zo’n sukkel is als hij zoiets toch nog kan. Elke keer als ze Ida nu ziet, moet ze denken aan dat rare geluid dat Anso nadeed.   Signalen/Herman Van Veen- Ze staat in de beek naast het kasteel. Het water gutst bijna haar laarzen in. Ze doet voorzichtig, wandelt langzaam met een dikke steen en twee takken van de oever naar het midden. Ze bouwen een dam. Bik’s idee. Het is Ardennen-weekend. Morgen is haar verjaardag. Deze keer heeft mama een groot kasteel gehuurd, midden in een bos. Elk jaar heeft ze het heerlijke gevoel dat mama dat hele weekend speciaal voor haar organiseert. Dit jaar zijn ze zelfs met twintig! De Putten en de Valkenborghs zijn ook mee. Haar handen zijn rood en bevroren, maar dat geeft niet, want ze houdt van het geluid van het stromende water. Het voelt aan alsof ze iets groots aan het doen zijn, iets belangrijk. Ze is vastberaden zo lang te bouwen tot het perfect is. Haar grote zus Ka en Tom en Erik helpen mee. Niemand speelt baas. Bik legt wel uit hoe een dam werkt, maar dat is niet hetzelfde. Erik, dat is een baasspeler. Normaal zegt hij heel de tijd wat haar grote zus moet doen. Alsof hij de baas over haar is. Erik is een stomme, egoïstische prut-etter, net als zijn vader, Jos Put. Ze weet niet wat Ka fijn of mooi vindt aan Erik. Met zijn bleke jeans en zijn lelijke loopschoenen altijd. En hij stinkt.   De anderen druppelen het kasteel uit, met laarzen en jas aan. “Bineke.” papa roept van aan de deur, “Kom, we gaan vertrekken.” Hij wacht tot ze bij hem is. De anderen zijn groter en sneller, en zijn al met de rest mee vertrokken. Samen met papa zet ze de pas erin. Ze zoekt een stok om te schrapen. Hij moet groot genoeg zijn om op te leunen, stevig, maar niet te dik want dan krijgt ze hem nooit geschraapt. Papa geeft haar zijn zakmes. Bovenaan maakt ze een scherpe punt. Om als wandelstok te dienen én om vissen te kunnen vangen in de dam straks. Ze hebben de rest ingehaald. Ze loopt samen met de twee andere kleinsten op de hoge zijkant van de weg, in het bos, parallel met de groten. Het bos ruikt nat. Ze trapt op de bladeren. Een beetje vochtig. Ze blijven aan haar laarzen plakken. Ze mikt met haar stap op takken die onder de bladeren liggen. Ze hoopt dat ze daardoor knappen. De wandeling duurt lang. Haar benen worden moe. “Is het nog ver? Nu hebben we toch al heel ver gestapt, papa?” “Toch nog een eindje.” Ze trekt een vies gezicht. “Papa, ik kan echt niet meer.” “Allez komaan, Bine” zegt papa half lachend, half kordaat. Ze weet wat ze nu moet doen. Ze blijft staan. Papa loopt verder. Ze zet zich op haar hurken en kijkt naar haar laarzen. Mokkend. Ze probeert zonder haar hoofd op te richten, te kijken of papa nog doorloopt of al gestopt is. Hij is gestopt en kijkt naar haar. “Kom nu, Binneke” Hij lacht, de lach van een medestander. Nu nog even volhouden. Wanneer ze er zeker van is dat hij haar op zijn schouders zal tillen, loopt ze naar hem. Nu geraakt ze thuis zonder te stappen, ze zal van schouder op schouder worden overgeheveld tot ze er zijn.   Na het avondeten wandelen ze naar het dorp. Het is al donker. Iemand maakt een wolvengeluid. Ze mag met de groten mee. Zonder volwassenen. Ze zit op de schouders van Bik en ze zingen. De natte straat helt naar beneden, de verlichting doet het asfalt oplichten. Ze hebben één zaklamp mee. Ze voelt zich groot. In de verte fluisteren de bomen.   Ze ligt moe in de zetel en staart naar het vuur. Mama, Jos Put, en twee Valkies kaarten. Ze spelen kleurenwies. Ze kruipt op mama’s schoot. Ze zegt haar wat troef is. Ze probeert te onthouden welke kaarten er in de stapeltjes van de anderen liggen. Papa en Annick lezen in de zetel. De anderen spelen boven op de overloop. Er knalt een kastanje kapot. De vuurspetters vliegen de living in, maar niemand kijkt op. Ze mag ze uit het vuur halen, heel voorzichtig. Haar gezicht wordt gloeiendheet. De geur van gepofte kastanjes is bijna zo goed als die van nat bos. Mama en Tom winnen. Mama wint altijd, ze is de slimste van iedereen. Ze loopt de gang in. Het is er koud. Haar zussen zijn boven, samen met de andere kinderen. Ze maken een kamp met de matrassen. “Ik verhuis mijn matras naar jullie” hoort ze Anso zeggen. “Ik slaap niet meer in de kamer van mama. Ze maakt de hele tijd walgelijke geluiden met Jos. Ik doe alsof ik slaap maar ik hoor het toch”. Ze begrijpt niet wat haar zus bedoelt, maar er is nog plaats op de overloop als ze straks alle matrassen een beetje opschuiven.   Ze springen op het bed van de grote mensen. Ze voelt haar haren in de lucht gaan en kriebels in haar buik. In de lucht spreidt ze haar benen en raakt haar tenen aan. Flokke Fiennoemt papa haar. Ze kan in één trek springen, op haar poep landen, terug omhoog veren en op haar knieën landen en zo altijd maar na elkaar, na elkaar, na elkaar. En dan kopke rol. Vanaf de kast achter het bed. Ze tuimelt in de lucht en landt op haar poep. En dan staat het bed opeens scheef. Net ervoor was er een doffe knal. Ze liggen met hun buik op de grond en zien dat een van de pootjes van het bed is verdwenen. Ze lopen de trap af. Beneden steekt er boven de eettafel een poot door het plafond. Er hangt wat hooi uit en op de tafel liggen stukjes witte verf. Dat is vervelend. Ze verwacht een rammeling of een straf maar er gebeurt niets. Alleen mogen ze niet meer springen.   Iedereen komt naar boven nu, om te slapen. Zelfs de volwassenen. Ze zijn lang mogen opblijven. Ze gaat naar de kamer van mama en papa voor een kus. Papa ligt al in bed. Naast hem ligt Annick. Ze haat dit. Zal ze doen alsof er niets aan de hand is, of durft ze iets te zeggen? “Waarom lig jij niet bij mama?” “Mama ligt in de andere kamer” lacht hij. “Heb jij zo niet koud? Waar is je pyjama?” Papa mompelt iets. Ze gaat naar de gang en kruipt op de matras, met haar gezicht naar de muur. Het ruikt muf in het kasteel. De muur is klam en er brokkelt wit stof af. Morgen vieren ze haar verjaardag.   Wild Boys/Duran Duran- Ze liggen boven op de overloop naar tv te kijken. Piet zit in de badkamer en Tom wil er ook in. Hij bonkt op de deur: “Laat me er nu in! Godverdomme Piet! Of ik klop uw bakkes verrot”. Op de achtergrond galmt de lievelingsgroep van Piet. Hij trekt de badkamerdeur open, er komt een walm van stoom naar buiten en er staat een schim in de deuropening. Tom duwt hem opzij maar Piet laat hem niet door. De walm is weg en Piet heeft een klein handdoekje om zijn middel. Er wordt geduwd, getrokken en gestampt. Roel stormt de overloop over. Hij wil ook onder de douche. Ze vechten en roepen. Tom wint en slaat de badkamerdeur hard dicht. Ze hoort nog het beste stuk van het lied - “Wild boys always – rakketakketaa rakketakketa -  sh – i – i – i – ne”- en dan slaat Piet zijn deur met een smak dicht. Ze kijken verder naar Return to Eden. Jochen zegt dat het op Dallas trekt. Van mama mogen zij niet naar Dallas kijken. Dat is rommel. Voor dommeriken.   Crockett’s Theme/Jan Hammer- Sinterklaas heeft bij haar thuis een podium gemaakt, op één nacht tijd. Een echt groot podium met spots en trekgordijnen en zwarte piet heeft er een voetstap op achtergelaten. Het is een goede verstopplek. Ze spelen nu verstoppertje. Iedereen is er. De Putten en de Valkies. Tom moet zoeken. Ze loopt naar het podium en bukt zich snel. Het is niet makkelijk met de houten poten eronder, het zijn niet echt poten maar houten kaders en dat doet zeer aan de schenen. Erik komt er ook bij. Ze moeten zich stilhouden want er loopt iemand op het podium. Misschien is het Tom. Erik steekt een hand in haar broek. Hij draait met zijn vinger. Ze beweegt niet. Hij stopt abrupt en kruipt onder het podium vandaan. Als ze niemand meer hoort, komt ze onder het podium vandaan en gaat ze naar de grote mensen. Ze zitten beneden te kaarten.   Agadoo/Black Lace- Met z’n zessen staan ze aan de startlijn, een streep op het gras die er niet is. Het plan is om de hele lengte van de tuin te doen, en wie het eerst bij de stallen is, wint. Ze staat te huppelen, springt links, rechts, links, rechts en kijkt naar de stallen. Naast haar staat Roel de driftkikker, die altijd wil winnen, en stampt en roept wanneer hij verliest. Ze is al jaren verliefd op Roel en Roel is al jaren verliefd op haar grote zus. Papa staat aan de zijkant om het startsein te geven. ‘Drie, twee, een, START’. Met haar dunne, gespierde benen schiet ze als een pijl uit een boog naar voren. Het is een mechaniekje dat in gang springt. Het gras flitst - woesj-  onder haar voeten voorbij, haar benen zijn een molentje dat onderaan het werk doet. Almaar sneller. Ze wil winnen. Ze zal winnen. Zelfs van Roel, bij zijn thuis! Ze voelt de overwinning al in haar borstkast. Hij is ouder en toch loopt zij sneller. Maar Roel denkt er anders over. Hij kookt vanbinnen. Geen vernedering, hij zal het niet laten gebeuren. Veel heeft hij niet nodig.  Een kleine tik, precies op het moment dat ze haar voet weer afzet. Ze voelt de stok in het molentje. Haar benen haperen maar haar bovenlichaam gaat nog volle vaart vooruit. Ze gooit haar armen voor zich en maakt een gigantische buiteling. Ze is een uitstekende turnster. Het doet geen pijn. Roel komt als eerst bij de stallen. Papa heeft alles gezien. Deze keer is papa echt haar papa. Hij geeft Roel ervanlangs. Dat hij niet tegen zijn verlies kan. Zo boos heeft ze Papa nog niet dikwijls gezien. Ze voelt zich trots.   Barbara Ann/The Beach Boys- Ze zitten allemaal op hun appartement. Mama en Jos Put koken. Ze hebben de hele dag op het strand gespeeld. Bik is er ook. Hij bouwde zandtunnels. Ze sprongen in de putten en kropen op hun knieën onder de tunnels. Mama maakte picknick met watermeloen. Nu spelen ze in de slaapkamer. Er zijn twee stapelbedden met tussenin een lange koord en twee kleine ronde nachttafeltjes die aan de muur zijn vast gemaakt. Je kan vanuit elk bed aan het koord trekken. Dan gaat het licht aan en uit. Elke avond is het gevecht over wie het laatst het licht mag uitdoen. Dat gaat zo maar door tot een volwassene komt zeggen dat het genoeg is. Ze slaapt liever in de bovenste bedden, en af en toe in het onderste bed aan de rechterkant. Dat heeft een klein in de muur ingebouwd nachtkastje. Om de beurten zingen ze een lied. “Ba-Ba-Ba ---- Ba-Ba-Be-rain!” Het is haar beurt en ze staat op de crèmekleurige trapladder en op het hoogtepunt van haar lied – “OOOO BABERAI-AI-AIN!” lost ze één hand, en zwiert haar hoofd erachteraan, om het lied kracht bij te zetten. Daarna turnen ze. De bovenste bedden zijn de gelijke leggers van een brug. Ze steunt met haar onderarmen op de rand van de bedden en laat haar benen gestrekt tegen elkaar naar voor en naar achteren zwieren. Wanneer ze genoeg snelheid heeft, gooit ze elk been over een rand van het bed, dan lost ze haar handen, valt naar achter en hangt ondersteboven, met enkel haar benen die zich om het bed klemmen. Ze ziet de foto’s aan de muur nu ondersteboven. Twee meisjes met lange haren in een lang paars kleedje plukken bloemen in een weide. De foto’s zijn wazig. Iemand doet de gordijnen dicht en ze spreken af om een alsof-dutje te doen. Ze ligt in het bovenste bed onder de dekens. Tom ligt naast haar. Ze voelt een hand in haar rode zwembroekje en een vinger die in haar lijf verdwijnt. Ze beweegt niet. Ze heeft het warm. De vinger beweegt. Mama roept dat ze de tafel moeten dekken. Tom trekt snel zijn hand weg en lacht sloom. Ze springt het bed uit. Wanneer de tafel is gedekt, spelen ze het spel met het balletje op het hellend vlak. Papa reikt 500 frank uit aan diegene die eerst tot bij de zestig geraakt. Ieder om beurt proberen ze. Dan komt Tom. Het lukt hem. Hij raakt tot zestig zonder te vallen. Papa zegt dat hij chirurgenhanden heeft.   Wij zijn twee vrienden/Dennie Christian- Ze zit in kousenbroek aan de bar lichtjes heen en weer te draaien. De bar is een op maat gemaakt meubel dat de benedenverdieping bij elkaar houdt. Het is wit en glad en loopt van aan de tuindeur in de kleine keuken over twee meter richting living, waar het een sierlijke bocht maakt en de muur van de living liefdevol omarmt.  Recht tegenover het lange gedeelte van de bar zit een deur in datzelfde witte, strakke materiaal. Door de enorme dimensie toont die deur het belang van de ruimte erachter: de praktijk van mama. Ze mogen altijd, bij het kleinste gemis, door die deur lopen en aan Lily zeggen dat ze mama willen zien. Dat heeft ze net gedaan. Nu zit ze aan de bar met een zwaar gevoel in haar buik. Ze wil dat het eindelijk stopt. Ze kan er niet meer tegen hoe Jos Put, wanneer ze met heel de troep bij zijn thuis zijn, speciaal voor mama liedjes opzet. Vooral dat “Ben ik te min” kan ze niet meer verdragen. Dat is een lied voor ‘socialisten’ had ze iemand horen zeggen. Nieke was ook voor de ‘socialisten’, dat weet ze van mama, van toen er ruzie was tussen mama en Nieke. Het was nooit ruzie bij haar thuis, en Nieke zorgt heel goed voor haar terwijl mama werkt. Ze zingen elke dag samen “wij zijn twee vriendjes tot de laatste snik rikketikketikketik”. Maar toen was er toch eens ruzie over dat Nieke meer geld wilde en mama vond van niet. En toen riep mama iets over socialisten. “Ben ik te min” was misschien voor socialisten, maar zeker ook voor verliefde sukkels die aandacht vragen. Jos Put heeft alleen oog voor ‘Sneeuw’, een naam die hij voor mama heeft uitgevonden en die wel mooi bij haar haar klinkt maar toch onnozel is vanwege Jos Put. Mama spreekt over hem altijd met ‘Tupje’. Dat kan ze helemaal niet uitstaan. Haar buik voelt als een diepe, donkere kamer die haar pijnlijk naar beneden zuigt. Maar mama komt seffens en zal dan eindelijk voelen wat zij voelt. En dan zal het gedaan zijn met Jos Put. Ze zal die dobberende bubbel in de buik van haar dochter begrijpen en eindelijk inzien hoe erg ze zich vergist heeft, het onderschat heeft en ze zal spijt hebben, haar dochter in de armen sluiten, en vergiffenis vragen. Wanneer ze haar binnenste zal zien. Maar de bubbel komt niet ter sprake. Mama komt een tas koffie drinken tussen twee patiënten door. Ze komt met haar witte schort, lange laarzen, mooie pony en haar vertrouwde geur van zoete zonnebrandolie, UVA lampen en medische latexhandschoenen gewoon een kusje halen bij haar ‘konijn’. “Natuurlijk gaan we met z’n allen its leuks doen dit weekend”. En de zaak is afgedaan. Ze blijft verweesd achter. Tegelijkertijd voelt ze een verbetenheid en vechtlust om in haar kousenbroek en met al haar lenigheid het gevecht met Jos Put aan te gaan en hem in één klap uit te schakelen, naar een andere wereld te katapulteren, waar niemand nog ooit komt en zij er nooit nog last van zulle hebben. Ze draait lichtjes heen en weer op de stoel en mama is vertrokken. Door de grote deur, naar de volgende patiënt. In haar knappe witte schort.   Respectable/Mel & Kim- De Putten huren voor het eerst een appartement boven Liliane. Onmiddellijk wordt Liliane‘het lekkerste ijs’ van Knokke. Maar het lekkerste ijs van Knokke is de Post, dat weet iedereen die Knokke een beetje van binnenuit kent. De Putten zijn er voor het eerst, dus weten zij veel. Dat probeert ze Erik Put duidelijk te maken, die lelijke, betweterige, egoïstische etter. Hij staat in de donkere gang van het huurappartement en hij weet het weer beter. Over Liliane en De Post. Hij weet het altijd beter, ook bij haar zus, die hij altijd belt om te vragen wat ze aanheeft. Wat denkt hij wel? Ze wordt opeens heel boos op Erik. Ze zoekt naar woorden om deze vijf jaar oudere debiel de mond te snoeren. Maar in plaats daarvan voelt ze haar been naar achteren trekken om dan met een geweldige zwaai een stamp in zijn ballen te mikken. Ze weet dat dat echt niet mag. Het voelt week en zacht aan, dus waarschijnlijk is het precies de goede plek geweest. Erik klapt dubbel. Ze heeft hem nog nooit zo horen janken. Hij zegt niets meer en ziet rood van woede, wat geen zicht is onder dat stroblonde haar.   When the Rain begins to fall/ Pia Zadore & Jermaine Jackson- Bijna helemaal aan het einde van de dijk, waar de appartementsgebouwen abrupt stoppen en de duinen beginnen, ligt een winkel die een bijzondere aantrekkingskracht op haar uitoefent. Hij ligt op een plein vlak achter de dijk. Het plein is niet echt een plein maar een inham van een ooit majestueus hotel dat niet op de dijklijn maar er vijftien meter achter is gebouwd. Het werpt twee armen naar de zee onder de vorm van zijvleugels. In de linkerarm ligt de winkel met de fascinerende naam Wishbone. Daarin weerklinkt voor haar het zeemansbestaan. Langgerekte mijmeringen en heldhaftige dromen over het beenharde leven van een zeiler-avonturier. Ze verkopen er zeil- en surfmateriaal maar haar interesse gaat uitsluitend naar de kast waarop in rijen boven elkaar, op kleine katrollen het mooiste touw ter wereld is opgerold in kleuren waartussen ze niet kan kiezen: felblauw met kleine roze streepjes, rood met gele streepjes, zwart met fluo groen. Dunne koorden en dikke touwen, allemaal glad, nog niet aangetast door het zout van de zee, of het geschuur tegen de katrollen waarin ze gedurig heen en weer zullen worden gesleurd om over stag te gaan of te gijpen. Daar niet zo ver vandaan hangen de messen. Werkmessen voor op de boot, niet vlijmscherp maar robuuste dingen, in een fluo gekleurd synthetisch jasje. Zij wil die met het fluo groene heft. Ze staart naar het oog aan het uiteinde van het heft, want daarin hoort zo’n touwtje, om het zakmes via het touw aan haar broek of ergens aan haar zeiljas vast te maken. Zodat het mes, tijdens een levensgevaarlijk maar koelbloedig uitgevoerd manoeuver op zee, waarbij het terug in de broekzak steken de fatale seconde zou betekenen die alles om zeep zou helpen - gewoon blijft bengelen aan dat kleine, maar levensreddende touwtje; Ze zou het op het einde, wanneer de rust was weergekeerd als een trouwe compagnon in haar hand sluiten zoals een goede vriend. Zelf heeft ze één keer gezeild. Op blote knieën zat ze in een wiebelende bak op een meer, en de combinatie van het water en het korrelige polyester was pijnlijk. Ze bleef voorovergebogen zitten om haar hoofd te beschermen tegen het klapperende zeil en de stang waarop het was vastgemaakt en waar ze geen controle over kreeg. De monitor, een oudere, blonde man, riep haar vanop de kant toe en maakte daarbij grote, en steeds wildere bewegingen met de armen, maar ze verstond hem niet en dook maar net op tijd opnieuw weg voor het onvoorspelbare zeil. Ze probeerde zich de windroos die hij even tevoren op het bord had getekend te herinneren, en hoe zich dat verhield tot dit bootje en wat er nu moest gebeuren. Maar in de Wishbone weet ze dat ze geroepen is om te zeilen, om een woeste, wilde zeilversie van Pipi Langkous en Kalle Blomkwist te worden. Ze koopt een rood touwtje met blauwe streepjes, een elleboog lang. Ze voelt er gedurig aan in haar broekzak. Ze voelt wat er nog niet hangt. Het mes, en dan een boot en dan de wilde zee.   You’re my heart, You’re my Soul/Modern Talking- Mama heeft een mooie, oude villa gehuurd in een van de kleine straatjes van het Zoute, zodat ze met z’n allen samen zitten. Niet meer tussen twee appartementen heen en weer hoeven te gaan. Het heeft een uitsprong met kleine, gele tegelraampjes waar ze met haar vriendinnetje Tina zit te kaarten. Ze spelen Vluggeren er is niemand die dit spel sneller kan spelen dan zij twee. Elke speler heeft een rij van vijf kaarten voor zich liggen, eronder ligt omgedraaid, onzichtbaar de rest. Om ter snelst moeten de kaarten op volgorde afgelegd worden, met één hand. Ze spelen een tijdje. Mama beslist dat ze met z’n allen naar de openluchtmis in het Dominicanenkerkje om de hoek gaan. Maar zij moeten niet mee. Ze mogen blijven en verder kaarten. Ze zijn elkaar in snelheid waard. Tina wint en dan zij weer. Voor ze het weten zijn de anderen terug. Mama komt als eerste binnen, gevolgd door Jos Put. Ze ziet meteen dat mama ontgoocheld is. Mama kijkt haar met een lege blik aan en laat haar schouders hangen. Ze weet niet wat ze verkeerd heeft gedaan. Dan hoort ze Jos: “Zie je wel, ze hebben helemaal niet opgeruimd.” Mama kijkt naar de tafel en dan naar ons: “Ik had tegen Tupje gezegd dat jullie zeker de ontbijttafel zouden hebben opgeruimd. Om ons te verrassen. Maar jullie hebben niets gedaan.” Het kind voelt een bal in haar buik. Waarom heeft die onnozele Jos nu gelijk gekregen, alsof hij haar beter kent dan haar eigen mama.  Ze wilt de tijd terugdraaien. Ze haat het dat ze haar mama heeft teleurgesteld ten aanzien van die onnozelaar. Ze helpen opruimen en turnen nadien in het driehoekige stuk tuin voor de villa. Handenstand en radslag.   Annabel/Hans De Booij -De kleinste Put loopt non-stop van de ene naar de andere kant door zijn huis. Op en af, op en af. Zijn armen in de lucht terwijl hij een ‘znnnznnnn’ geluid maakt. Het lijkt alsof hij naar het einde van de wereld wil vliegen. Ze hoort een jankend geluid van boven komen. Dan een brullende stem: ‘Het moet ermee gedaan zijn!’ Ze durft niet goed te gaan kijken. Het zijn maar zeven treden tot boven. De geluiden komen van aan het einde van de gang. Snel schiet ze de trap op en kijkt links de gang in. De strook haar die normaal over zijn kale hoofd heen geplakt ligt, hangt aan de zijkant te bengelen. Zijn bril staat scheef op zijn gezicht. Een wildeman. Het heeft iets onnatuurlijks. Jos Put gooit zijn zoon de lucht in alsof het een bal is. Erik schuurt af en toe tegen de witte bakstenen muur terwijl hij kermt. Jos rammelt zijn zoon af. Er is iets geknapt en nu is hij zijn kind aan het toetakelen. Ze vindt het een wonderlijke vertoning. Zoveel woede en zoveel elegantie tegelijkertijd, alsof het om een strandbal gaat. Erik tuimelt in de lucht, houdt zijn hoofd vast en roept, jankt, met overslaande stem: “nee, nee.”   That’s Amore/Dean Martin -Ze ligt aan de rechterkant van het bed, aan papa’s kant. Het buigt lekker diep door. Aan mama’s kant brandt het lampje nog. Af en toe wordt ze wakker omdat mama haar stem verheft. Mama ligt naast haar. Het is al donker buiten. Papa is weg voor zijn werk. Naar Afrika.  Mama maakt ruzie met Jos Put. Soms gooit ze de hoorn neer. Dan belt hij onmiddellijk terug. Mama roept normaal nooit. Ze is met papa getrouwd omdat hij niet roept. Opa riep vroeger dikwijls en dan was mama bang. Mama houdt niet van roepen en nu doet ze het zelf. Ze roept tegen Jos Put. Ook al is het tegen Jos Put, ze vindt het niet fijn dat mama zo tekeer gaat.   Ze zitten in Kreta, een Grieks restaurant op haar straat. Ze zijn er met z’n vijven naartoe gestapt. Niet met z’n allen, z’n veertienen. Het gebeurt niet vaak dat ze alleen op restaurant gaan. Als gezin. Hier krijgen de grote mensen Ouzo na het eten. ‘Van het huis’. Dat weet ze nog. Iedereen aan tafel heeft een begrafenisgezicht. Papa heeft gezegd dat hij bij Annick wil gaan wonen. Haar zussen wenen. Zij niet. Ze voelt niets. Ze kent die man niet. Hij is er nooit. Of hij zit te werken. Hij verpest het nooit voor haar. Of toch niet actief. Maar hij is ook nooit met haar bezig. Dus of hij nu blijft of niet, ze ziet daar niet zoveel verschil in. Wanneer de Ouzo op is, beslist hij om toch bij hen te blijven. Ze weet niet of het is omdat de anderen huilden, of omdat zij niet huilde.     1992 - 1999   Gnossiennes/Erik Satie- De vogels fluiten vroeg. Ze is het niet gewoon door de natuur gewekt te worden. Voorbijrijdende auto’s, dat wel, maar die snorren mee op het ritme van haar droom. Deze vogels zijn zo invasief, prikken haar slaap kapot, dwingend. Mama heeft haar droomhuis gevonden. Eindelijk. Weg van de praktijk, zodat ze ’s avonds de deur achter zich dicht kan trekken en er een fysieke afstand is tussen haar en het werk. Misschien ook een mentale afstand. Weg van de herinneringen aan die intense geschiedenis. Open ruimte. Vrijheid. Anonimiteit. Ze is kwaad. Ze mist het prachtige rijhuis. Nu ligt ze in een spuuglelijk, vrijstaand huis met een Oostenrijks soortig dak en een afbeelding van een eend boven de voordeur. Wel met een grote tuin, maar afgelegen. Ze geraakt nergens meer. Niet op café, en niet op fuiven. Voor de school hoeft het niet meer. Ze zit op internaat sinds vorig jaar. Zelf gekozen. Om Frans te leren. En omdat ze toch altijd alleen thuis was tijdens de week. Haar zussen op kot, mama en papa tot laat aan het werk. Voor de weekends is dit huis echt niet praktisch. Op tien kilometer van alles. Nu moet ze met de bus of met Herman. Gelukkig heeft ze Herman. Mama liet haar eerste keuze voor de kamer. Ze slaapt als enige beneden. Een kamer met blauwe natuursteen. Kil, lelijk maar mét open haard. Heel het huis is lelijk. Deze keer heeft ze niet begrepen wat mama erin ziet. Het is koud en klam in haar kamer. Die is als een legoblokje op het huis geplakt – een uitstulping. Wel met terras. ‘Dat is het Oosterterras, daar staat de zon zo mooi op ’s ochtends!’ Vandaag staat haar taak Frans op het programma. Ze moeten tussen een hele reeks poëziebundels van Franse surrealisten eentje kiezen en daar iets ‘vernieuwends’ mee doen. Ze wil een dansvoorstelling maken, met de gedichten van Paul Eluard. Ze verstaat zijn teksten niet altijd. Verstaat bijna niets eigenlijk. Maar twee gedichten wel en die vindt ze top. Vandaag gaat ze door heel de bundel, om alles te ontcijferen en er de lijn die ze in haar hoofd heeft, uit te halen. Straks komt ‘Antwerpen’ op bezoek. Mama heeft Tony en Thierry genodigd. Tony kan haar helpen met het Frans, hij is tweetalig opgevoed en koketteert genoeg met zijn talenkennis. Dan kan hij iets teruggeven in ruil voor de eindeloze stroom onnozele moppen die ze moeten aanhoren. Ze wil tekst, muziek, dans en decor gebruiken. Ziet het zo voor zich. Sowieso de Gnossiennes van Satie. En dan twee dansers en drie actes: liefde, twijfel, verval. Ze is opgetogen over haar idee. En vanavond, wanneer het af is, komt haar lief.   Ze ziet Charlie de oprit opwandelen. Hij heeft zijn gitaar in de hand. Zijn stijve, lange haren in een paardenstaart, zodat zijn brede nek zichtbaar is. Dat liften van hem vindt ze geweldig cool. Op slag verliefd was ze, toen ze hem voor het eerst zag. Een rebel, een eigenwijze superstar. Leek zich van niemand iets aan te trekken. Hij was van een andere stad, en ze wist niets over hem. Behalve dat hij er echt goed uitzag. Haar vrienden zegden dat hij een nietsnut was. School skipte. Niets voor haar dus. Ze wist het niet, had nog nooit met hem gepraat. Toch had ze hem uitgenodigd voor een fuif, via een briefje dat Herman hem had bezorgd. En hij was wonderwel gekomen. In het laat. Ze had al te veel gedronken. Zonder een woord te wisselen waren ze beginnen kussen. En kort daarop moest ze overgeven. Haar vrienden vonden het een schande. Dat ze met een vreemde kuste. En in zo’n staat. “Wat doe je nu!”,half verontwaardigd, half bezorgd. Het was wat bizar begonnen maar nu waren ze smoorverliefd. Charlie kon fantastisch zingen. Hij deed wat hij wilde, was brutaal en onbezorgd – maar voor zijn ouders een zorgenkind dat niet wilde studeren. Zij vond hem geweldig, wild, origineel. En naar haar luisterde hij wel. Zij zou hem wel op het rechte pad brengen. En daarmee het benepen en kortzichtig idee over zijn ‘andere achtergrond’ van mama en papa voor eens en altijd tenietdoen. Gelukkig waren ze van het principe van het ‘open huis’: “Laat die lieven maar binnen komen, dan weten we wie ze zijn, geen geniepig gedoe, dan is het ook des te rapper gedaan.”   Ze loopt naar buiten en ze kussen lang. Ze voelt dat hij haar een briefje in de hand stopt. Leuk. Ze geven elkaar vaak kleine briefjes of spulletjes, lieve cadeautjes.   “Ik heb iets laten zetten wat je niet leuk zal vinden. Maar het is onomkeerbaar en ik heb er goed over nagedacht. Het staat op mijn schouder zodat ik het niet de hele tijd hoef te zien, wanneer ik het dan beu ben, is dat precies de goede plek. Het is klein en met een mooie vorm. Hopelijk ben je niet boos. Ik hou van je Charlie.”   Ze kijkt hem aan, vol ongeloof. “Mag ik het zien?” Hij opent zijn hemd en toont zijn schouder. Ze ziet een klein mannetje, zwart, asymmetrisch, grafisch, ze herkent het meteen. Het ventje van Einstürzende Neubauten. Ze kan er niet omheen, het is een goede keuze. Stoer én kwetsbaar. Maar ze voelt ook boosheid. Onmacht. Een tattoo gaat nooit meer weg, het is dom. Ze hoort de echo van mama en papa in zich gonzen. Ze vervloekt zichzelf.   Au suivant/Jacques Brel- Heel nauwkeurig heeft ze de meubels uitgezocht die op haar kot zullen staan, maar het is natuurlijk ook een familieproject geworden waarbij mama haar halve hebben en houden aan haar wegschenkt en haar zus wordt ingeschakeld om gordijnen op maat te stikken, mét verduisteringsstof waarvan ze hopen dat ze ook geur en geluid zullen tegenhouden. Het kot ligt net boven de ‘Touareg’, de oudste pitazaak in de stad en op tien meter van de oude markt. Ondanks het servies dat mama haar zo royaal schonk, wil ze vooral de Mexicaanse borden en tassen gebruiken die zij en Herman voor dit eerste kot hebben uitgezocht. De bank en houten eettafel zijn assorti en een relict uit haar kindertijd waarvan ze geen afscheid kan nemen. Het bureau, met lederen bekleding, plaatst ze in de slaapkamer, zodat de living gevrijwaard blijft van serieuze zaken en volledig kan ingezet worden voor vrienden en vrije tijd; Ze ziet kaas- en wijnavonden voor zich, quizmomenten, geschaterlach tussen laaghangende rookwolken. Eindelijk kan ze ongegeneerd roken, zoveel ze zelf wil.   Via con me/Paolo Conte -Ze eten stokbrook. Ze gebruikt haar eigen mes, een prachtig gevormde Gwalarn die met het klein rood-blauwe touwtje van altijd vasthangt aan haar vareuse. Eerst een stevige klot zouten boter en dan een laagje abrikozenconfituur. Er bestaat geen beter ontbijt. Het wakke brood, de frisheid van de scherpe botersmaak en het zoete, zachte van de confituur. Ze spoelt na met oploskoffie en sluit de ogen. De zon is al warm op haar hals en rechterkaak. De boten naast haar ontwaken. Ze luistert naar de stalen koorden die tegen de masten klapperen. Ze geniet nog even van haar blote benen en voeten in de zon en maakt zich dan klaar voor vertrek. Het wordt stilaan laagtij, het water stroomt de engte uit richting zee en ze profiteren daarvan om zonder veel moeite weg te komen. De vaargeul is al redelijk ondiep, de rotsen steken hier en daar boven het water uit. Herman navigeert. Hij ziet eruit als een jonge, joodse intellectueel met bruin krullend haar en een uitgesproken grote neus. Hij heeft iets onoverwinnelijks, staat relax in het leven. Zij neemt het roer. Vooral als de zee wild is en de golven haar in een groot alfabet van v’s omtoveren, wil je dat zij aan het roer staat. Dan danst ze met de boot en geeft ze hem de ruimte die hij opeist om de golf af te glijden. Maar omgekeerd trekt ze stevig bij wanneer de voorsteven de golf inklieft en erover moet. Op het eind komen ze precies uit waar het moet. Maar nu is het rustig varen. De zee is kalm. Het water klotst tegen de boeg. Ze varen een hele dag en tegen vijf uur liggen ze voor anker ter hoogte van Ploumanac. Je kan er met deze stroming onmogelijk binnenvaren. De ketting van het anker staat strak gespannen. Het zal niet makkelijk zijn om straks foutloos te vertrekken. Ze wachten op het juiste tijdstip, wanneer laag- en hoogtij elkaar afwisselen en er minder weerstand is van het water. Anders smakken ze tegen de rotsen. Het is een riskant manoeuver. Herman neemt deze keer het roer. Lien doet de fok. Zij zal het anker lichten, zo trekken dat de boot er net boven ligt en dan, wanneer het loskomt van de bodem, brullen naar Lien dat ze de fok moet hijsen want anders zijn ze de speelbal van de stroming. De ketting is glibberig, koud en pijnlijk in haar handen. Hij schuurt en bovendien zit ze in een ongemakkelijke houding. Haar reddingsvest maakt bewegen lastig. Het anker komt los en ze brult. Lien hijst de fok en ze merkt dat ze op Liens touw staat. Het zeil flappert en snokt dan en ze tilt zich kapot aan die onhandige ijzeren reus. De adrenaline raast door haar heen. Ze sukkelt met haar laarzen, probeert grip te krijgen tegen de lage rand van de boot, zodat ze zich kan afduwen om naar achter te leunen en dat anker binnen kan trekken. Het moet vooraan in de boeg door het valluik. Ze maakt zich klein zodat de wind haar werk kan doen in die fok. Dat gaat moeilijk met die laarzen en zwemvest, maar Lien en Herman doen uitstekend werk. Het anker ligt op zijn plaats. De ketting gooit ze er achter aan, haar pink zit er even tussengedraaid en er gaat wat vel af. Pijn. Schudden met de hand. Ze doet het luik dicht en kruipt gehurkt naar achteren. Ze varen Ploumanac binnen. Ploumanac, Perros-Guirec, Trébeurden, Loquivy. De woorden smaken als stoere zeebonken in haar mond. Het is een wereld die ze vooral kent vanuit de boot, een kustlijn met merkpunten, watertorens, rotsen die in lijn moeten liggen met de kerktoren zodat ze koers kunnen houden, en ‘s avonds een haventje, het weerbericht aangeplakt aan de cabine van de havenmeester en – niet onbelangrijk - een douche. Ze monstert de omgeving. Ploumanac heeft een vuurtoren met ‘quatre éclats tous les dix secondes’. De omgeving is ruw en schraal. De elementen hebben hier een filter op de kleuren gezet, zoals fel licht alles verbleekt: het groen van het helmgras is vooral zilver, het blauw van de loopbrug is vaal en er lijkt een laagje korrelig zand over te hangen. Ze krabt in haar haar. Het plakt op haar voorhoofd door de spetters zee, de brandende zon en de resten zonnecrème. De zon heeft haar haardos uitgedroogd en ze kan het breken. Wanneer ze haar ogen groot open doet en de wenkbrauwen naar boven gooit, trekt haar hele voorhoofd. Het gloeit en allicht heeft het de kleur van een babykreeft. God weet hoe ze eruit ziet. Ze voelt dat haar haar alle kanten op staat. Door de wind en de vochtige lucht is het beginnen te kroezelen en heeft ze net een heiligenkroontje van friezelhaar. Haar hoofdhuid jeukt en ze voelt korstjes. Ze kan er niet afblijven en krabt ze van haar hoofd los. Het is zaak ze uit haar haar te trekken zonder ze te verliezen. Daarvoor moet ze het korstje heel stevig met haar nagels beethouden en het als een klein kind dat van een glijbaan roetsjt goed begeleiden tot aan een haarpunt. Het verlangen naar die douche is onhoudbaar. En nadien een broek aantrekken die nog niet vuil is, misschien de donkerblauwe met onderaan elastieken en grote zakken op de heupen. Een frisse T-shirt en daarover haar dierbare Glazik, rozig en afgekleurd door de zon. Herman komt naar boven met drie frisse pinten. Lien volgt met nootjes en verse worst.   Space Lord/ Monster Magnet- “Piet?” roept ze uit, verraste ongeloof in haar stem. Zij heeft hen al van ver in de gaten. Eerst het meisje, halflang asblond haar, een bruin, ontspannen gezicht, zelfverzekerde blik, en een donkerblauw kleedje, duur in al zijn eenvoud. Dan pas hem, in een witte T-shirt, jeans en dikke, bruine mefisto’s - veel te warm voor de tijd van het jaar - die hem ondanks hun plompheid toch allure geven. Zij zijn druk pratend vanuit Pieter De Somerhet binnenplein van het Pausover gewandeld.  Pausis zijn plek geweest, vijf jaar lang. TEW. Niet zo’n moeilijke studie. Een verlengde van de middelbare school volgens papa. Zijn thesis had hij over de kunstsector geschreven - schilderijen - op aangeven van zijn moeder Annick want zijn hart lag bij auto’s en voetbal. Ze stond met Lien aan de overzijde, op de drempel van het Hogeschoolplein met het Pauscollege. Het binnenplein lag er verlaten bij. De dag was nog jong en ondanks het seizoen – het was begin juli - hing er een aangename koelte in de lucht. De meeste studenten hadden Leuven al verlaten. Zij niet. Ze lummelden wat aan in de gelukzalige tussentijd die enkel het studentenleven kenmerkt. Het vacuüm van enkele dagen waarin de tijd geen tijd is en er, na de heroïsche examenprestatie, een gevoel van volledig zorgenloosheid hangt. Het plezierige niemandsland waarin alles kan en alles mag omdat het verdict nog niet is gevallen en er bij gebrek aan vonnis, niemand al voorwaarden kan opleggen. Nu was dat laatste voor hen een mindere zorg: ze haalden zonder al te grote inspanning jaar in jaar uit eerste zit en naarmate de jaren vorderden voegden zij daar telkens nog een graad aan toe. Het enige waar zij op dit moment mee bezig waren, was het zich overgeven aan de totale ontspanning, op een plek waar ze graag rondhingen. Het Paus was weliswaar mannelijk terrein, maar er hing ook een zware nostalgie in de lucht die een merkwaardige aantrekkingskracht op hen beide uitoefende, alsof het de geschiedenis zelf was die hen uitnodigde in haar vertrekken te vertoeven. Het Pausals de statige verpersoonlijking van waar de respectabele universiteitsinstelling al jarenlang voor stond: grandeur, eruditie, betrouwbaarheid, degelijkheid. Het college was al generaties lang ingenomen door veelbelovende zonen van de hogere sociale klasse en de vrije beroepers die goed verdienen en waar het metier van vader op zoon werd doorgegeven. Speelvogels die hun studies met schijnbaar gemak door walsten in het onwankelbaar geloof dat het succes van hun ouders mutatis mutandis op hen zou overvloeien. Piet bleef staan, keek op, en onderzocht haar gezicht. Het duurde lang vooraleer hij aarzelend ‘Bine?’ wist uit te brengen. Die naam had ze – behalve bij haar thuis – al in geen jaren meer door iemand horen uitspreken. Ze droeg sinds haar studententijd een geheel nieuwe bijnaam waarvan zij vond dat die robuuster was en daarom beter bij haar paste. Ze lachte. Hij ook, eerst een grote, enthousiaste lach en glinsters in de ogen, daarna dat stel ruwe handen voor zijn verbaasde mond: “Ik zou je nooit herkend hebben!”Bijna tien jaar was het geleden dat zij elkaar niet meer hadden gezien. Piet was veruit de sympathiekste geweest. Haar herinnering aan hem was zuiver – ongetroubleerd.   2015 – 2018   Old Pine/Ben Howard- Ze staan voor het appartement, klaar om naar het strand te vertrekken. Ze zoekt haar zonnebril, tast in haar buikzakje, zoekt dan in de rieten mand. ‘Mama, mijn soldaantje is uit’. ‘Wacht even, lieveling, mama is even bezig’. Hij staat op haar hoofd. Ze heeft de plooibare kar zo geladen dat ze Kappi er bovenop kan zetten. Limme moet zelf stappen en de schoppen dragen. Ze gaat terug naar binnen om het tentzeil te halen. Het is een estafette: lift open, kinderen eruit, tussen de liftdeur staan om spullen eruit te halen, af en toe op de ‘blijf open’ knop duwen, de kinderen zeggen dat ze in de gang moeten blijven, de voordeur van de trappenhal opendoen en er iets tegen zetten, de kar naar buiten rijden en de rest van de spullen er beter in zetten, de kinderen roepen dat ze mogen komen, de ene een schop geven en de andere op de plooikar zetten, het tentzeil gaan halen. Ze opent de voorste gesp van het sandaaltje en steekt zijn voetje er terug goed in. Dan vertrekken ze. De kar afgeladen vol. Een rieten zak met zwemgerief en in die zak een zak apart met ‘belangrijke spullen’, sleutels, gsm, bril, portefeuille, tutjes, dingen die ‘zandloos’ moeten blijven. Een lege plastic zak voor het afval dat nog komt. Een zak met lectuur, een zak met reservekledij en kaka-doekjes, emmers en soldaatjes, de houten hamer voor het tentzeil, twee plooistoeltjes, en dan nog een grote mand op wielen met het zeil, de parasol, en een winddraaiding zodat de kinderen de plek op het strand van ver herkennen. Als ze echt in vorm is neemt ze de boot ook mee. Maar vandaag is er te veel wind. Misschien komt Patrick vandaag. Hij was nog niet zeker. Hij vindt deze volksverhuis totaal belachelijk en zou nu al vies gezind zijn. Hij heeft het razend druk met transfers. Ze onderhandelen over een Turk, en een Griek, en een club uit Firenze wil hun Serviër – of ging dat over Milencovic (heet hij zo?) – of was dat die Serviër? Ze weet het niet meer precies. Nochtans boeit het haar wel wanneer hij erover vertelt. Maar ze kan op die jongens geen gezicht plakken en dan haspelt ze alle verhalen door elkaar, alsof het haar maar matig interesseert. Ze vindt het beter dat hij niet komt als hij toch continu moet bellen. Want anders heeft ze verwachtingen: dat hij met de kinderen speelt, enthousiast is, voorstellen doet voor activiteiten, de gewone dingen die zij altijd doet. Het zou betekenen dat de peer in twee is gehakt en ze allebei ook wat kunnen lezen en een ‘teamgevoel’ hebben. They are in this together. Meestal leest hij heel de dag die verdomde strontkranten. Of zit hij op de i-phone. Ze irriteert zich vanaf seconde drie. Ze probeert dan te doen of hij er niet is, want als hij er niet is gaat het prima. Dan is ze ingesteld op alles zelf doen en hoeft ze met niemand rekening te houden. Het is een prima dag.   De golven maken een diep basgeluid; Ze volgen elkaar in een flux tempo op. Het kleine, gespierde lichaam springt over de kleinste golfjes, keert zich om en begint opnieuw. Sinds Kappi gerustgesteld is dat er geen wolvende zee uitrollen, gaan alle remmen los. Hij roept over zijn schouder: ‘is er een boord aan de zee?’ ‘Hoe bedoel je?’ vraagt ze hem. ‘of een trap, mama, zoals een zwembad?’ Ze lacht. Hij neemt nu een aanloop en rent de zee in. Hij duikt, hoofd onderwater, onder de voor hem reusachtige golf. Even is hij onzichtbaar, een halve seconde voelt ze zich ongemakkelijk, tot hij terug boven komt. Hij spettert wat op de branding. Limme’s gezicht straalt in de zon. Wanneer een echt grote golf bijna breekt, springt hij en draait een halve slag in de lucht. De golf kletst tegen zijn rug en hij krijgt enkel een gulp water over zijn haren. Het is een trucje dat ze hem leerde. Want als ze de golven uit het oog verliezen, het gevaar niet in het gezicht kijken, worden ze verrast langs achter en dan is het water slikken. ‘Mag ik nu tot aan jouw tepeltjes in de zee?’ Hij bedoelt dat hij heel diep wil gaan. Hij kijkt haar vragend aan en dan merkt ze dat er iets verandert in zijn blik. Hij kijkt nu pas voor het eerst goed naar haar.  ‘Jij hebt je pyjama nog aan’ lacht hij verbaasd. ‘Mama, heb jij je pyjama nog aan? Ja, hè. Juist hè?’ Ze draagt een Italiaans, linnen kleedje tot net boven de knie, met, nu beseft ze het, hetzelfde fijne blauwwitte streepje als de pyjama die ze vanochtend droeg. Hij heeft helemaal gelijk. Ze schateren het uit. Ze dacht dat ze mooi en verzorgd was, zoals een echte mama die alles onder controle heeft, hoort te zijn, en tegelijkertijd een tikkeltje excentriek, met haar hoge hoed, haar ongecompliceerde, donkerbruin lederen geknoopte sandalen en haar Italiaanse jurk maar hij vraagt doodleuk: ‘ben je nog in pyjama, mama?’ Ze hebben er genoeg van. Voor ze naar de handdoeken spurten, planten ze hun voet daar waar de golf een laatste likje aan het strand gaf. Ze duwen hard, de plek rond hun voet wordt wit, alsof het zand in allerijl opdroogt, zoals met een vinger op een verbrande arm. Ze eten een ijsje en spelen Gooipakmet de bal. Bij pipi graven ze een kuil op het strand en kaka doen ze in de emmer. Ze zien kakbruin. Op weg naar het appartement neemt ze Kappi op haar schouders.   Supercalifragilisticexpialidocious/Dick Van Dyke & Julie Andrews- Ze doen een ritje op de rollercoaster. Ze zitten in het achterste karretje en na de eerste klim daveren ze naar beneden. Ze voelt een gekke wrong in haar buik. Limme roept dat dit het leukste is wat er bestaat. Hij voelt het in zijn piemeltje. Meteen erna schuiven ze opnieuw aan. Er is plaats helemaal voorin en helemaal achterin. Hij kiest helemaal voorin. De slak trekt zich vooruit en klimt. Maar nu blijft hij ook traag gaan in de afdaling, totdat de staart ook helemaal aan de top is. Dan pas versnellen ze. Er is geen effect in de buik of in het piemeltje. Ze stappen uit. Patrick loopt vlak voor haar. ‘Het is veel leuker achteraan want dan gaat het sneller. Dat voel je veel meer in je buik.’ Hij corrigeert haar: ‘Dat klopt niet. Het gaat niet sneller. Natuurlijk gaat het niet sneller achteraan dan vooraan, want anders zou vanachter van voor voorsteken.’ Ze haat dit. Hij behandelt haar als een klein kind, als een stomme trut die zelfs te dom is om iets evident te snappen. ‘Maar dat is niet wat ik bedoel, ik bedoel dat je in het voorste karretje traag afdaalt omdat het ding dan nog remt en achteraan ga je met snelheid de helling af en dat is een goed gevoel.’ Maar hij blijft herhalen dat het niet juist is.  Ze voelt zich in een razend tempo duizend kilometers wegvliegen. Hij is nog een stip in de woestijn. De vakkundige verpester van hun kinderlijk plezier. De volgende twee uur bestaat hij niet meer voor haar.    Als je van beren leren kan/The Jungle Book- Ze had nooit kunnen denken dat een mens zo moe kan zijn. Ze slaapt uren aan een stuk in de speelkamer naast de keuken. Mama kookt er, de kinderen knutselen aan de keukentafel, ze lopen binnen en buiten, roepen, lachen, maar zij hoort niets. Ze is doodop. Mama heeft de plek zo ingericht voor deze zomer dat ze dicht bij ‘het gebeuren’ kan zijn en toch kan rusten. ‘s Namiddag gaat het beter. Dan ligt ze aan het zwembad en leest of tekent, met haar benen opgetrokken, altijd geplooid. Haar buik trekt te veel om gewoon plat te liggen. Ze probeert opa te tekenen. Een tekening in eenvoudige zwarte lijnen. Het moet nog veel beter. Ze vind de vorm van zijn voorhoofd niet, terwijl dat net sprekend is. Mama zegt er niet veel over wanneer ze de tekeningen ziet, behalve ‘wie is dat?’. Ze weet dat mama vindt dat ze haar tijd daarmee verdoet, dat ze vele talenten heeft waarvan tekenen er geen is. Mama is onvermoeibaar, host van de ene activiteit in de andere. Ze maakt milkshake en speelt gezelschapsspellen met de kinderen. Ze draagt handdoeken aan om een kamp te maken in de tuin. Ze zwemt met de jongens. Dan ziet ze dat het jongste kind moe is. Hij wrijft in z’n ogen. Mama zegt dat hij een rustje moet gaan doen. “Ik ben niet moe” probeert hij, maar zijn stem draagt de capitulatie in zich. Hij weet dat hij moet gaan rusten. Hierover is bij zijn mimi geen onderhandelingsmarge. Hij is afgedroogd, heeft geplast en komt de speelkamer in. Hij zoekt iets om naast zijn bedje te leggen. Een verbindingselement, zodat hij nog een deel van de wakkere wereld heel dichtbij heeft. Maar mimi is kordaat. Hij moet de tijd nu niet proberen te rekken. Dit is uitstelgedrag. Grote mensen zijn de baas. Jij bent klein. Er moet nu en onmiddellijk geluisterd worden.Dat hoort ze allemaal in de manier waarop ze plots, luid en streng zijn naam roept. Hij verschiet en springt op van dit onverwacht salvo, alsof hij betrapt is. Zij weet wat haar kind nu voelt. Hoe zijn hart een klop maakt in zijn keel, geschrokken, onbegrepen, bang. Hij neemt mimi’s hand, buigt zijn hoofd en begint onhoorbaar te wenen. Zijn gezicht verkrampt, zijn mond groot open zodat hij genoeg lucht kan happen om die dikke, pijnlijke bal onrecht in zijn buik weg te krijgen. Even is het onnatuurlijk stil, de korte seconden waarin zijn machteloosheid doorklinkt. Zijn hoofd wordt rood en dan volgt een luide, diepe, hartverscheurende ween. Haar hart scheurt, maar ze zegt niets. Mama is nu de baas. Mama is hier de baas.   Zeester met Koffie/Bart Peeters- ‘La première nuit, Il a dormi avec Claire. Après avec Roxane et la troisième nuit avec Georgette.’ Ze zit op de betonnen muur van het kwistax-pleintje en luistert met een half oor naar de bizarre conversatie. De kinderen denderen door elkaar heen. Alsof auto’s, fietsers, vrachtwagens en voetgangers allemaal op een hoop zijn gegooid en door elkaar sjezen dat het een lieve lust is. Maar hier botst er wonderwel niemand. De kinderen weten elkaar telkens op een haar na te ontwijken. Nooit kijken er twee tegelijkertijd naar beneden. Het toeval beslist dat telkens één kind het gevaar op tijd ziet en uitwijkt. Ze kijkt nu naar de vrouw van het telefoongesprek. Ze heeft varkensvoeten die in goudkleurige sandaaltjes zijn geplet. Haar stevige nagels zijn bedekt met een dikke laag roze nagellak. Haar voeten hebben, net als haar kuiten, een worteloranje kleur. Het zijn stevige, dikke kuiten die ze duidelijk graag toont. Het kleedje van dik stof sluit nauw over haar voluptueuze lichaam aan en kruipt in deze zittende houding iets te hoog op. Het is voetbalveldgroen. ‘Zijn uw kinderen hier ook?’ vraagt de vrouw wanneer haar telefoongesprek is beëindigd. Ze is wat dichterbij komen zitten. Zij wijst Limme en Kappie aan. De vrouw kijkt verwonderd. ‘Ze lijken helemaal niet op elkaar.’ ‘Neen?’ ‘Neen.’ Ze kijkt ze even na en draait zich dan naar haar toe. ‘En maar goed ook. Stelt u zich voor, zoals de Chinezen. Daar geraak je niet uit wijs.’ Ze glimlacht en groet de vrouw tot afscheid. Ze heeft een vrij tafeltje gespot op een terras en holt er naartoe. Ze wil graag in de zon zitten en even niet met de kinderen of met iemand anders bezig zijn. Rust in haar hoofd. Rust aan tafel seffens. Niet zoals gewoonlijk. Altijd dat babbelen. Ratelen eigenlijk. Ze kan er niet mee om. Tenen krullend irritant vindt ze het. Ze wil met haar kinderen praten, van gedachten wisselen. Geen circusapen kweken die iets kunnen nabrullen en kunstjes vertonen. Maar het is bijna altijd een opbod: feiten afvuren, rekenvragen stellen, moppen aanleren. ‘Hier liggen nog drie pistolets en vier sandwiches in de mand, allé Kappi, hoeveel is dat? Limme, jij moet zwijgen. Denk eens na, Kappi, tel maar.’ Om dan zelf alles stap voor stap voor te doen en uit te leggen. ‘En herhaal het nu eens, Kappi? Wat heeft papa je geleerd? En nu een mop over Jantje, maar ik kan die mop nog beter maken, en drink uw chocolademelk nu eens verder uit en stop met te wriemelen aan uw piemel en let op dat de confituur niet valt, zet ze verder op tafel, en steek niet zoveel in uw mond. En wat wil je vandaag doen? Een kasteel bouwen, een winkel met bloemen, …?’ ‘MAAR STOP DAAR NU TOCH EENS MEE!’, brult ze in haar hoofd. ‘We worden allemaal gek zo!’ Alsof een geslaagde vaderrol gelijk staat aan de ‘flauwe plezante’ uithangen. Dat of roepen. Boos worden voor niets. ‘Opgelet, pas op, ik zeg het nu niet meer, het is de laatste keer hè!’ en dat woordgebruik ook: ‘tuffen, meppen, fikken…’ en dan achteraf verwonderd zijn dat de kinderen dat zelf ook gebruiken. En voetbal natuurlijk. ‘Waar speelt Lukaku? Welke ploeg speelt in zwart wit? Rood, daar zijn we tegen, hè jongens!’Die voetbalgekte tussen vaders en zonen kan toch alleen maar een soort van leegte verhullen? Papa weet niet goed hoe hij met de kleine moet omgaan. Voetbal dan maar. Dat is veilig. En vanuit de andere kant: als ik papa’s aandacht wil, moet ik iets over voetbal zeggen, dan ziet hij me graag.Zoiets? Ze wordt er doodmoe van. Haar kinderen gaan het zo gewoon worden en continu zo’n aandacht willen, terwijl hij haar net dat verwijt. Dat zij ze te veel aandacht geeft. En waarom moeten die kinderen op hun vijfde en zevende in godsnaam zoveel weten? Het worden irritante etters op die manier, dat kan toch niet anders? Jongens die om de haverklap een mop willen vertellen die ze al zes keer eerder hebben verteld. Daar is niets schattigs aan. De mensen glimlachen uiteindelijk nog uit beleefdheid, en nog voor ze hun hoofd gedraaid hebben, zijn ze blij dat ze ervan af zijn, van die slopende etters. Ze mag er niets over zeggen want dat is ze een bekrompen elitaire trut. Of wijf. Of geit. Maar HET GAAT NIET OM HAAR!! Het gaat om hoe hij die kinderen in het leven zet en de verwachtingen die hij creëert! Er staan twee benen en een mooie lederen handtas voor haar tafeltje. Ze blijven ongewoon lang staan. Ze kijkt op en ziet het lachende gezicht van Katrien. ‘He Moppie, ik wist niet dat jullie ook aan zee zijn!?’ ‘Zo fijn om je te zien! Zet je bij! Ben je alleen?’ Maar dan ziet ze kleine Lili en Eduard aankomen. ‘Fijn dat jullie er zijn! Zullen we samen iets drinken?’ Eduard heeft een lange baard. Hij ziet er wat verwilderd uit. De jongens komen aan gestept en kijken enthousiast naar Lili. Ze cirkelen om haar heen. ‘Fijn, een meisje’ roept Kappi. Lili helpt hem meteen in zijn rolschaatsen. En ze zijn weg, naar het pleintje. De zon is heerlijk warm op het terras en hoewel het pas halftwaalf is, bestellen ze een wijntje. Ze weet van Katrien dat het sinds kort terug wat beter gaat met Eduard en daardoor ook met hen. Dat hij actiever in het leven staat en meubels maakt. Voor ze het weten is er een uur voorbij. Ze bestellen iets om te eten, en blijven tot diep in de namiddag op het terras hangen. Die uitputtende maalstroom van negatieve gedachten helemaal weg.   Komaan met dat lijf, beweeg met dat lijf/Raymond van het Groenewoud- Het is 13.23u wanneer ze vertrekt. Lekker koel onder de bomen. Ze voelt haar billen op en af gaan. En haar lies doet pijn. Frank had gelijk, vanaf je veertigste is het gedaan. Mama was ook veertig – ongeveer haar leeftijd nu. Zij tenniste, dubbel gemengd. Met papa en Jos en Annick. Het moet een bevrijding geweest zijn. Gewoon een lief nemen. In plaats van te klagen. Katrien over Edouard. Lien over Koen. Zij over Patrick en al zijn negativisme. Hij had verdomd gelijk over aanwervingen. ‘Onderzoek wat je stoort bij de beste kandidaat want de ergernis wordt sowieso groter na de aanwerving.’ Bij hen is het net zo. De dingen die haar in het begin al stoorden, irriteren haar nu mateloos. Wie doet dat nu? Je geparkeerde auto vijftig meter verder gaan halen omdat er een plaats voor de deur vrijkomt? Of elke dag uit het niets ineens stukken uit de krant luidop en heel snel voorlezen, zonder je ook maar één seconde af te vragen of dat de ander interesseert? Mama had het gewoon goed voor elkaar. Niemand wil dat gezinsleven opgeven, voor de kinderen niet en omdat het gras op een ander toch niet groener is. Maar alle vrouwen leiden een dubbelleven in hun hoofd. Ze snapt mama helemaal. Het beste van twee werelden. Gewoon openlijk aanhouden met een andere man, en hetzelfde gunnen aan je eigen man, en tegelijkertijd samen dat gezinsleven. Niets opgeven. Heerlijk moet het zijn geweest. Geen gevangenis, geen sleur, niet hoeven uitbreken. Hoedje af. Jammer voor de kinderen wel. Hoeveel heeft ze nu gelopen? Vijfendertig minuten. Mooi. Meer dan ze dacht.   Diamonds on the Soles of het Shoes/Paul Simon- Sheaboter trekt bijtjes aan, merkt ze. Ze zoomen gedurig rond haar benen en scheren af en toe zacht langs haar nek. Telkens schrikt ze op en slaat het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op haar gezicht en eigenlijk is het kleed dat ze draagt te warm. Ze hoort alleen maar natuur, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch is ze ongemakkelijk. Omdat ze iets zou moeten maar het niet aan het doen is. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ze wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel ze van alle genodigden het korst bij wonen, komen ze toch laat aan. Ze parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ze spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ze niet meteen kan plaatsen. Ze feliciteert eerst Tony, en werkt dan de ronde af waarin hij staat. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ze is trots op haar kinderen, het zijn toffe, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter haar rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het doet goed deze mensen terug te zien. Altijd. Patrick kent bijna iedereen. Ze merkt dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ze weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ze krijgt een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mama. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ze ziet aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ze vraagt zich telkens opnieuw af of het aan haar ligt dat ze de kakafonie van geluiden niet goed verdraagt of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles tegoed te willen doen. Ze spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij hen te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze hen uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules-  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeftze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer o

Sabine Steels
0 0

Achteraf weet je alles op voorhand

Achteraf is het makkelijk om te beweren dat mijn 10 maanden alleen in een bus wonen een ponykamp waren. Met de intrigerende ontmoetingen, de adembenemende landschappen en zeeën van tijd vooraan in mijn herinneringen, zou ik nog wel eens de schaduwkanten durven vergeten.  De momenten van angst, van het verdrinken in mogelijkheden en het niet kunnen beslissen. De ochtenden waarbij ik verschrikt wakker werd door geklop op mijn raam. De avonden waarbij mijn rustige slaapplekje veranderde in het lokale drugspleintje. De nachten dat ik zo hevig verlangde naar gezelschap, anders dan het mijne.Achteraf is het makkelijk om te zeggen dat het een goed plan was.  Behalve dan dat er weinig sprake was van een plan.  Zelfs het idee dat er was bij gebrek aan het hebben van een plan, viel in het water toen de boyfriend zichzelf uit het script schreef.  Het oorspronkelijke scenario:  tijdens een sabatjaar samen de kust afreizen  van het Franse Les Landes tot de Portugese Vicentine Coast.  Hij zou surfen. Ik zou schrijven.  Samen zouden we van het simpele leven smullen.  Smullend levend in een oude Mercedesbus.  Met een ritme zo traag dat we niet anders konden dan beseffen hoe verslaafd we zijn aan de speed of life.  Boyfriend en surfplank bleven thuis. Lang leve light travel.Achteraf is het makkelijk om te zeggen dat je veel minder nodig hebt dan je denkt.  Toen was het vooral gigantisch moeilijk selecteren.  Wat moet, mag en kàn er mee in mijn nieuwe thuis, slechts 8 vierkante meter groot.  Welke boeken neem ik mee, hoeveel potten en tassen, handdoeken en bedovertrekken heb ik nodig om comfortabel te leven? Less is more. Terwijl mijn duizenden spullen zich redelijk gewillig lieten reduceren tot enkele honderden, kreeg ik iets gigantisch in de plaats. Tijd en vrijheid. Zoveel, dat ik er soms niet mee om kon. Teveel is nooit goed. Achteraf is het makkelijk om te zeggen dat ik veel geleerd heb.  Het voelde verwarrend en overweldigend. Midden in elk van de vele lessen die zich bleven herhalen. Zoveel keer totdat ik er toch een tikkeltje wijzer uitkwam.  Nu weet ik dat volledige vrijheid, niet per se gelukkiger maakt.  Dat je zelden geluk vindt in extremen.  Dat ‘flexibele structuur’ en ‘afgebakende vrijheid’  begrippen zijn die je mag koesteren.  Tijdens mijn reis, zo open als de lavendellandschappen in de Provence, bleken net structuur en stabiliteit een onvoorspelbaar belangrijke factor.Wie had dat gedacht?Ik niet.En zeker niet op voorhand.   

angelique
0 0

Opdracht 8 - Dingen die niet overgaan - Veerle Schaltin (deel 2)

h Haar eigen paar   Zodra ze de kamer binnenstapt, voelt ze dat Rebecca en zijzelf hier niet alleen zijn. De lucht is dens alsof een onzichtbare nevel de ruimte vult. ‘Ik heb je voorouders al uitgenodigd’, zegt Rebecca terwijl ze een kop thee inschenkt. Farahilde tuit haar lippen. Ze wil iets zeggen, maar de woorden stokken in haar keel. Haar hele leven al morrelt ze maar wat aan. Ze heeft het gevoel dat ze met een rem op leeft. Dat wil ze niet langer. Ze heeft al zoveel geprobeerd… Ze heeft al zoveel geleerd…, maar slaagt er niet in er echt iets mee te doen. Rebecca had haar aangeraden haar voorouders om hulp te vragen door erover te schrijven. Elke ochtend heeft ze trouw haar schrift genomen en drie pagina’s vol gepend. ‘Lieve voorouders, weten jullie waarom ik zo vastzit?...’ Ze begreep geen snars van de antwoorden die haar voorouders haar stuurden. Hopelijk kan Rebecca helpen om het duidelijk te maken. Ze neemt een slok van haar thee. ‘Je wil dus weten waarom je voortdurend remt,’ begint Rebecca. Farahilde wipt van haar ene been op haar andere. ‘Neem dan maar een kussen dat jezelf voorstelt uit de bak daar.’ Ze kiest een klein roze en legt het midden in de kamer. ‘Neem er ook een voor je rem.’ Nu pakt ze het grootste. Dat laat ze pal op het roze kussen vallen. Rebecca legt er nog een kussen bij. ‘Dit is je grootvader. Ik voel dat hij hiermee te maken heeft.’ ‘Kan best,’ knikt Farahilde, ‘Hij kwam ook in mijn schrijfsels voor.’ Terwijl Rebecca zich concentreert op de boodschappen die ze via de kussens doorkrijgt, zet Farahilde zich op een stoel aan de kant. Het is niet dat ze zich niet op haar gemak voelt bij de gestorven mensen in deze kamer, maar dat die zo meteen iets gaan onthullen, waarvan ze niet weet hoe groot het is, en welke invloed het op haar leven zal hebben, zorgt voor een spanning die kolkt in haar ingewanden. Ze neemt de thee van de tafel en klemt hem stevig in haar handen. Hij kan haar niet verwarmen. Eerst vertelt Rebecca wat ze bij elk kussen waarneemt. Ze blaast en zucht als ze de rem probeert op te tillen. ‘Ik voel veel weerstand, maar ik weet dat het niet jouw rem is. Hij is van je grootvader.’  Uiteindelijk lukt het haar toch hem van het roze kussen af te schuiven. Ze haalt er nog twee kussens bij. ‘Ik weet niet wie dit zijn, maar ze horen hier.’ ‘Misschien mijn nonkel en mijn vader.’ Rebecca schudt haar hoofd.  Na lange tijd fluistert ze: ‘Dit zijn soldaten. Het is oorlog.’ Ze vouwt haar handen op haar hart. ‘Er is iemand gedood.’ Farahilde weet dat haar grootvader in de eerste wereldoorlog heeft gevochten. Ze heeft zijn ‘Oorlogsgedenkenis’ gelezen. Daarin rept hij met geen woord over wat er zich tijdens de veldslagen heeft afgespeeld, maar het lijkt haar niet zo vreemd dat hij iemand zou hebben doodgeschoten. Dat gebeurt nu eenmaal tijdens een oorlog. Een stilte die als een obus ontploft, maakt duidelijk dat het niet zo eenvoudig is. Rebecca schuifelt van het ene kussen naar het andere en terug. Traag, tergend traag. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes. Op het puntje van haar stoel volgt Farahilde al haar bewegingen. Zeg iets, denkt ze, zeg toch iets. Rebecca’s lippen bewegen even, maar er komt geen klank uit. Ze piert in het ijle. Plots heft ze haar arm op en houdt hem als een pistool tegen haar hoofd. Met grote ogen kijkt ze Farahilde aan.  ‘Het was niet op het slagveld. Ook geen moord. Het was een afrekening. Wie niet eerst schoot ging eraan. Hij heeft de trekker overgehaald.’ Farahilde schuift nog meer naar voor op haar stoel. De kamer wordt een vrieskist.   Het is druk op de baan als Farahilde naar huis rijdt. Slechts flarden van het radionieuws dringen tot haar door. Een agent is bij een aanslag op de Champs-Elysees omgekomen… Wat betekent zijn leven bij het leven dat haar eigen grootvader zomaar heeft afgeknald? Op een ander moment zou ze helemaal niet bij deze agent blijven stilstaan. De media kapt bijna dagelijks berichten over aanslagen met liefst zoveel mogelijk doden en gewonden als hete pek over de wereld uit. Het maakt haar immuun voor de brandwonden. De pek die zij deze middag over zich heeft gekregen, brandt wel, tot diep in haar ziel. Rebecca heeft verteld dat het tijdens een spel was gebeurd, een weddenschap. Een gezaghebber had haar grootvader en een kameraad allebei een pistool in de handen gedrukt. Hij dwong hen de revolver tegen elkaars slaap te houden. ‘Wie heeft hier lef?’ had hij gelachen, ‘Vooruit! Toon het!’ Haar grootvader had over zijn hele lijf getrild en geschoten. Hij smeet het pistool weg en stormde de abri uit recht naar de vuurlinie. Kogels floten er een nacht lang om zijn oren, maar geen enkele wilde hem raken. Toen hij de volgende morgen naar hun schuilplaats was teruggekeerd, was het lijk opgeruimd en had iedereen luidop gezwegen. Hij was opnieuw het slagveld opgelopen. Een vrachtwagenchauffeur toetert omdat Farahilde hem niet laat invoegen. Ze maakt zich zo klein mogelijk en remt. Zoals ze dat al haar hele leven heeft gedaan. Net zoals haar grootvader na die afrekening. Hij had zich onzichtbaar gemaakt en gezwegen. Zij heeft al die tijd in zijn schoenen gestaan. Nu is het moment gekomen om haar eigen paar aan te trekken. Ze drukt het gaspedaal stevig in.  

veerle schaltin
10 1

Hoe gaat het nu met je?

Dag Kristien,   Wat fijn dat je ervan uitgaat dat ik lief ben. Jij gaat de mensheid met liefde en vertrouwen tegemoet, dat is duidelijk. Ik probeer me jou voor te stellen, in jouw gezellige nest. Yoga en versierde, handgeschreven brieven, mooie spullen die het leven kleuren. De abondance van je interieur reflecteert in je zonnige, levenslustige extraversie. Maar het is natuurlijk omgekeerd. Speel je nog steeds scrabble met piloot Kristof? Of is hij met de noorderzon verdwenen, want je schrijft: “Alleen voel ik dat het vanavond een beetje pikt. Na 17 jaar roken en 1 jaar gestopt te zijn, heb ik plots zin in een sigaret. Dan weet ik dat de leegte vanbinnen knaagt.” Daarmee kreeg jouw brief een heel andere wending. Je benoemt de leegte maar analyseert ze niet verder. Onder dat blije karakter schuilt er dus toch heel wat verdriet... Kan je daar bij iemand mee terecht? Jij bent een vrouw die graag en goed voor anderen zorgt. “Ik, rondhuppelend als een kip zonder kop om het legertje aan helpers gelukkig te houden.” Dergelijke persoonlijkheden hebben het soms moeilijk warme aandacht van anderen toe te laten. Net als ik heb jij geen kinderen. “Een moederklok heb ik nooit horen tikken, maar mijn tantekes-klok draait overuren!” Jij leeft je wel uit in de rol van super-tante. Wat een weelde voor jouw neefjes en nichtjes! Knap dat je dat kan.   Lieve Kristien, ik wens je toe dat het geluk zich naar jou keert en je overgiet met tonnen warmte en liefdevolle aandacht. Jij verdient dat, meer dan wie ook! Tot morgen?   Hartelijke groet, Geert

Geert Moons
0 0

vervolg Er Zijn (Jan Loogman)

Tussen de C en A-tjes van Verlaan en Van Tuyll glanst het Van Gilspak van de oude provo. Hij heeft er daar meer dan één van, en zelfs Johan vraagt zich af waar het allemaal van betaalt.   Legwaard is de eerste die zich weer naar de tafel draait. “Nou, dan kan je beginnen,” zegt hij tegen Brakel. “Johan is er.” “Nee, Arno,” roept Johan vanuit de deuropening, “eerst koffie.” Weg is hij weer, hij hoort hoe de anderen hun stoel achteruitschuiven. Ze komen achter hem aan naar de koffieautomaat, ganzen achter hun aanvoerder.   Een uur lang laat hij de bespreking zijn gang gaan. Van Tuyll en Van den Hoop hebben van de week verschillende uitvoeringskantoren bezocht om over de voorgenomen wetswijziging te praten. Volstrekt onuitvoerbaar is de conclusie en ze brengen hem met veel gesteun over tafel. Verlaan merkt op dat het ministerie daar geen oor voor zal hebben, maar verliest zich op zijn beurt in geneuzel over begripsomschrijvingen in het wetsvoorstel. Legwaard zegt om de paar minuten dat Brakel stelling moet nemen tegenover die bureaugeleerden. Daar bedoelt hij de medewerkers van het ministerie mee. Als het zo doorgaat, gaan ze zonder plan naar het overleg met het ministerie. Dat lijkt Brakel zich nu ook te realiseren. Hij slaat op de tafel, pure nervositeit natuurlijk. Het gekakel valt stil. Johan kijkt om zich heen, dit is zijn moment, hij schraapt zijn keel, Brakel en de anderen kijken hem verwachtingsvol aan. “If you can’t beat them, join them,”zegt Johan, hij leunt achterover, alsof daarmee alles gezegd is. Nee, hij neemt toch de moeite door te praten.   “Ik heb gisteravond zitten klaverjassen,” zegt hij. “Oude vrienden, vroeger speelden we elke week. Alle drie hebben ze op het Museumplein gestaan, prima vind ik dat. Maar wij in dit pieplandje kunnen de bewapeningswedloop natuurlijk niet stoppen. Het spel wordt gespeeld tussen de grote landen, wij zijn geen deelnemer, dus waarom zou een van hen naar ons luisteren? We kunnen de Amerikanen niet dwingen, we moeten met hen meebuigen. Misschien luisteren ze dan een keer naar ons. Dat is wat ik bedoel.” Hij stopt met praten, alsof hij een reactie verwacht, begrip, iemand die de lijn oppakt, die hij heeft ingezet, maar het blijft stil. Brakel knikt, misschien teleurgesteld. Is dit Johan, de man van de klare lijn?   Maar Johan is niet uit het veld geslagen. “Die begripsomschrijvingen, dat is een goed punt,” zegt hij. Hij voelt hoe Verlaan hem stomverbaasd aankijkt, maar hij gaat door. “Dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is, zoals Van Tuyll beweert, klopt ook. En toch, daar kunnen we allemaal niet mee aankomen bij het ministerie. We moeten het anders aanpakken. Het ministerie moet de wet wijzigen, dat wil de politiek, niemand wil van ons bezwaren horen. Tegen de wind in pissen, dat lukt nooit. Daarom: If you can’t beat them, join them. Zij willen zo snel mogelijk de wet wijzigen, wij gaan laten zien hoe het sneller en effectiever kan.“ Hij kijkt naar Brakel. “Nou, zullen we maar vertrekken?”   Het is lang geleden, de bebouwing op het VVA-terrein is zijn nieuwe glans al jaren kwijt. In de verte staat het aquarium er onttakeld bij. Even hoort hij de stem van Dorien: “Denk eens aan de talenten die je hebt verspild.” Na zijn carrièreswitch, want zo noemt hij het tegenwoordig, in 1994, heeft hij mensen op posities zien komen, die voor hem bestemd waren geweest. Vaak genoeg waren dat mensen die hij niet erg hoog inschatte. Ze kunnen tenminste één ding beter dan jij, houdt hij zichzelf telkens weer voor, ze slapen ’s nachts. Ze hebben een talent dat jij mist, een dikke huid. Als lyceist kon hij de hoge stem van Jacques van der Made al niet verdragen, de woede van zijn vader drong rechtstreeks tot hem door. Toch, als hij indertijd zijn huid niet zelf had opengekrabd, zou hij dan een doorgaande route naar de top hebben gehad, zou hij dan zijn talenten beter hebben benut dan hij nu heeft gedaan? Hij denkt aan zijn vroegere collega Abdoel, een Hindoestaan die op zijn dertigste in pole-position klaarstond. Ergens tijdens de race heeft Abdoel zichzelf overvraagd en nu, twintig jaar na zijn burn-out, beklaagt hij zich nog altijd over de tegenslag die hij heeft gehad. Een keuze voor het ongeluk, vindt hij Abdoels leven. Zelf heeft hij een andere route gekozen. Een stap terug toen de last hem teveel werd, ook al begreep hij niet wat er met hem aan de hand was. Een intuïtieve keuze, lang voordat hij Jo leerde kennen die zijn intuïtie zo krachtig noemt.   Hij zou naar huis willen, haar zien, maar hij stapt uit de metro, loopt naar zijn tijdelijke collega’s.  Ze tonen zich benieuwd. Heeft hij hun standpunt verdedigd? Natuurlijk, zegt hij. “Jullie dossiers zijn mijn uitdaging!” Ze lachen. “Is het gelukt?” vragen ze. “O, ja,” zegt hij, “Appeltje-eitje.”   5. 1974 Hij fietst tegen de hoge brug bij Carré op. Niet alleen de helling werkt hem tegen, ook de wind lijkt hem terug naar huis te willen waaien. Bijna valt hij met fiets en al om. Bovenaan houdt hij de pedalen stil, even in volmaakt evenwicht voordat zijn vaart door de afdaling vanzelf zou toenemen. In dat ogenblik kijkt hij vooruit. Vanaf de Sarphatistraat komt zij aangelopen, het meisje dat hem in de studiezaal telkens weer opvalt. Ze draagt haar beige houtje-touwtje jas. Zijn fiets versnelt, hij vliegt naar haar toe. Ze kijkt op en lacht als hij voorbijsnelt.   Een week later treffen ze elkaar in de rij voor de koffie in de pauze van het college. De ontmoeting bij de brug is een gemakkelijk onderwerp. Hij heeft intussen aan de open plek in het zangkoortje gedacht. “Kun je zingen,” vraagt hij. Er verschijnen kuiltjes in haar wangen, ze lacht. “Hoog en laag,” zegt ze en ze zet meteen in. “Wacht even,” zegt hij en ze lopen naar buiten. Tussen de boekenstalletjes van de Oudemanhuispoort zingt ze zuiver als een lijster.   Een paar weken later zijn ze een stel. Na een van de koorrepetities gaat hij met haar mee naar haar kamer. De puinhoop daar treft hem onverwacht. Haar melodieuze stem, de goed verzorgde medeklinkers, de open klinkers, de degelijke jas en ook het rokje dat zij droeg, hij heeft een netjes opgeruimde kamer verwacht, niet deze ruimte waar een mens niet zomaar kan binnenstappen. “Een blind paard zou hier zeker schade kunnen aanrichten,” zegt zij als zij hem ziet aarzelen. Plantjes op kweek in kleine potten, tubes verf liggen zonder dop uit te drogen, overal kleren, een ezel in het midden van de kamer. “Schuif maar wat opzij,” zegt ze. Na die avond blijft hij vaker slapen, zij schuift wat spullen opzij, hij schroeft dopjes op verftubes. “Maak je geen zorgen,” zegt zij als hij wakker ligt omdat hij de volgende dag als student-assistent gaat solliciteren. Ze zingt een Beatle-liedje voor hem: “Blackbird singing in the dead of night / Take these broken wings and learn to fly / All your life / You were only waiting for this moment to arise.”   Een paar weken later neemt ze hem mee naar haar ouders. Op het treinperron in Ede staat een lange, magere man hen op te wachten. Hij draagt ook al een houtje-touwtje jas, een donkerblauwe. Vader en dochter kussen elkaar, en daarna schudden de twee mannen elkaar de hand. In de auto zit Johan alleen achterin, maar de vader betrekt hem in het gesprek. Gewoon, over de reis, geen moeilijke onderwerpen. Haar broers zijn gelukkig niet thuis, dat had hij zo’n eerste keer misschien wat veel gevonden. Nu trekt haar moeder de deur voor hen open, een kleine vrouw met een brilletje met van die halve glazen op haar neus. Ze draagt een broek en gymschoenen. “Ik zit al aan de borrel,“ zegt ze. “Wat drink jij?”                                                                        * Sindsdien komt hij er regelmatig. In de herfst zijn er gepofte kastanjes en brandt de open haard. De moeder drinkt sherry, de fles heeft ze naast zich op de grond staan. De vader beheert de jeneverfles, hij schenkt Johan en Sacha regelmatig bij. Dit stel, zo overduidelijk behorend tot de betere standen, pakt de kastanjes gewoon met hun hand, halen hem even door de boter, en smikkelen maar. Natuurlijk, er ligt altijd een servet in je buurt, zodat je even je handen kunt afvegen. Of je mond. Op een keer zitten ze aan het avondeten, zuurkool met klapstuk en worst. Ze schenken er witte wijn bij, in mooie, lichtgroene glazen. Ineens zegt Sacha’s moeder: “O, Johan, heb ik jou geen servet gegeven?” Verbaasd kijkt hij haar aan, want naast zijn bord ligt het wit servet, dat ziet zij toch ook wel? Hij houdt het even omhoog, ze knikt, een beetje beschaamd lijkt het. Als hij weer een slok uit zijn glas wil nemen, ziet hij de vetvlekken op de rand en dan valt bij hem het kwartje. Even is hij toch de jongen uit de mindere standen geweest. Maar zij, Sacha’s moeder? Ja, eigenlijk was zij even haar goede manieren kwijt geweest, uit verwarring waarschijnlijk, denkt hij. Ze heeft zich niet kunnen voorstellen dat hij niet wist dat je je mond even afveegt voordat je drinkt.   Maar toch, hij is bij hen op zijn gemak. Wat hij eerder niet kende, dat is een gesprek in de huiskamer dat niet over de plaatselijke voetbalclub gaat. Een gesprek waarin andere mensen genoemd kunnen worden zonder te spotten over hun afkomst, hun uiterlijk, hun accent. Over zijn studie en zijn werk als student-assistent stellen Sacha’s ouders vragen zonder angst of het hem wel zal lukken, of hij wel zal slagen. Van de week hebben Sacha en hij hen verteld dat ze een kind verwachten. Vier zoenen krijgt hij, twee van haar moeder en twee van haar vader. Er glinsteren tranen achter de brillenglazen, maar wat ze zeggen, is: “Daar drinken we een borrel op!” Alle vertrouwen hebben ze in hem, en ook Sacha gaat ervan uit dat hij slaagt in wat hij aanpakt. Als hij aan zichzelf twijfelt, is ze boos: “Houd toch op!”   6. Overhead Value Analysis, 1991 “Mijn vader was een schillenboer,” hoe graag zou hij zijn presentatie met deze zin beginnen. Zouden de blazers en de mantelpakjes opkijken? Zouden ze hem serieus nemen? Nemen ze hem nu serieus? Hij wijst naar het projectiescherm waarop de eerste dia oplicht. “Twintig gesprekken met keuringsartsen” staat er. “Overhead Value Analysis,” zegt hij, “de methode om bijdragen van staf – en adviesdiensten in organisaties te meten. Goed toepasbaar op uw werk, u bent immers geen keuringsartsen, u doet niet zelf het werk waarmee ons bedrijf zijn geld verdient.“   “Jij toch ook niet,” hoort hij roepen. Hij kijkt rond. Een snor in een uitgezakte jasje. “Heel juist opgemerkt,” zegt hij, “en als goed opgeleide academici weet u dat spelen op de man in de argumentatieleer niet telt.” Het is nu zaak helder te blijven, hij moet het beter doen dan gisteravond. Sacha zei letterlijk hetzelfde als die uitgezakte snor. “Jij toch ook niet,” wierp ze hem voor de voeten toen hij haar verweet zich niet volledig in te zetten voor hun huwelijk. “Wat zoek jij bij al die vriendinnen?” Met zijn stomme kop vertelde hij haar dat dat precies de vraag was die een van zijn vriendinnen hem ook gesteld had. “Ik wil het niet horen,” riep ze. Jammer, hij zou het antwoord wel willen weten.   “Ik ben geen arts,” zegt hij, “maar ik heb met keuringsartsen gesproken, twintig gesprekken in de laatste twee maanden.” Hij wijst naar de tweede dia: “En daarnaast gesprekken met  twaalf van u. Ik heb bovendien de cijfers erbij gehaald. Van mij mag u denken wat u wilt, al is het geen nieuws dat ik geen arts ben en u wel. Ik schrijf nergens dat u overbodig bent. Ik neem geen besluiten over uw functie. “ Even hoort hij de man naast zich schuiven op zijn stoel, maar hij wijst niet naar hem, hij praat gewoon door. “Ik schrijf dat u als adviserend chirurgen in vijf procent van de keuringszaken wordt ingeschakeld, dat het gemiddeld zes weken duurt voor uw advies er is, en dat dit advies in vier/vijfde van die zaken gelijk is aan de voorlopige conclusie van de keuringsarts. Verder heb ik de kosten van uw werk in beeld gebracht. Wat daarna de vraag is, of de organisatie deze tamelijk hoge kosten over heeft voor uw bijdrage. Dat is Overhead Value Analysis en om die uit te voeren hoef je geen arts te zijn.”   Het zweet loopt over zijn rug. Hoe komt het dat hij voor een zaal van vijftig boze artsen een strak betoog weet te houden en dat dit hem gisterenavond tegenover Sacha niet lukte? “Waarom ben ik niet genoeg voor jou?” vroeg ze, en hij was dom genoeg om met veel omhaal van woorden naar een antwoord te gaan zoeken. Terwijl haar vraag al een antwoord is. Dat had hij moeten zeggen, natuurlijk, het antwoord op de vraag of ons huwelijk toekomst heeft. “Het gaat niet over mij,” had hij moeten zeggen, “het gaat over ons.” Nu heeft hij dat wel helder, hij kijkt nog eens naar de blazers en de mantelpakjes. “Ik begrijp heel goed dat het een hard verhaal is voor u,” zegt hij, “en het lijkt me verstandig als u er voluit op reageert. Maar het is niet handig als u het alleen maar over mij heeft. Het gaat niet om mij, het gaat om u.” Hij heeft zijn werk gedaan, het is nu aan de man naast hem om besluiten te gaan nemen. Hij doet maar, denkt Johan, ik wil naar huis. Samen met Sacha de meisjes gaan zeggen dat we apart gaan wonen. Misschien zullen ze naar de reden vragen. Sacha kan beginnen over zijn vriendinnen, maar hij – wat kan hij zeggen? Het is de wraak van de zoon van de schillenboer op de dochter van de professor. Het is de wens alleen mijn leven te leiden – “samen met jullie natuurlijk,” zal hij er haastig aan toevoegen, “maar zonder een andere volwassene.” Ze zullen het niet begrijpen. Waar komt die wens vandaan?   7.      Een kom voor in de keuken Wie een handgranaat naar zijn hoofd krijgt, stelt beter geen vragen. Anders volgt er misschien nog een. Toch, hij moet zich bedwingen om stil te blijven. Hoe kan het? Maar hij stelt de vraag niet, hij beseft het vrijwel meteen, het moment dat ze zei dat het veilig was. Ze telde haar dagen altijd. Hij is in de val getrapt. Vrijen op het ritme van de natuur. Schijnheilige sodemieter. Hij staat op, ongetwijfeld kijkt ze nu naar hem, speurend naar zijn reactie. Nou, vooruit dan. Hij schopt de buitendeur open en vertrekt.   De eerste keer dat hij op bezoek kwam, heeft hij verdomd lang moeten zoeken voordat hij het toegangshekje zag. “Het gaat op in de natuur,” zei zij even later, nadat hij het toch gevonden had en het houten huis tussen de duintjes had bereikt. Zo moeizaam als hij de weg vond, zo gemakkelijk bleek het om te blijven. Je kunt hier de zee horen ruisen, de wind door de duintoppen horen waaien. Als hij hier is, voelt hij zich deel van de natuur. Hij is bevrijd van de moeizame gedachten over ouderschap, co-ouderschap, verdeling van boeken, platen, planten. Is het verstandig dat Sacha en hij dezelfde advocaat nemen, moeten zij nu juist niet de loopgraven betrekken, elkaar zwart gaan maken, elkaar het leven zuur maken? Hier is de verwarring ver van hem, hier is een vrijplaats. Hij kent intussen de weg en fietst tegenwoordig rechtstreeks op het toegangshekje af, soepel slaat hij zijn been achter zich over de lastdrager en begint te steppen, van het pad af, een duw met het voorwiel tegen het hekje dat meegeeft, opengaat. In het zand smoort zijn vaart. Hij zet zijn fiets tegen de berk.   Voordat hij de deur kan openen, is zij er al. De haren, halflang tot op haar schouders, hij haalt zijn handen erdoor; licht- verglijdt in donkerblond. Ze drukt zich tegen hem aan en hij is stil. Zo staan, niet bewegen, niet naar voren, evenmin achteruit. Alleen dit moment waarin hij alle sores kan vergeten. Geen gedachten aan de kinderen, geen gedachten aan Sacha. Alleen dit moment.   Maar vandaag stapt zij naar achteren en gaat het huis in, de krappe hal die ook als keuken dienst doet. Hij volgt haar. Valt hij voorover, dan ligt hij op bed. Het is de beste keuze, het is waar hij voor komt, en ook, verbeeldt hij zich, waarom zij wil dat hij hier komt. Maar zij gaat die kant niet op, en ook hij beweegt naar links, achter haar aan, de kamer in. Wat is er aan de hand? Waarom koerst zij naar de woonkamer? Pas als ze gaat zitten op het tweezitsbankje, draait ze zich naar hem om. Ze slaat met haar hand op de plek naast zich. “Kom zitten.” Hij is niet gek, hij kent de theorie rond slecht – en goed nieuwsgesprekken, hij herkent de signalen. Slecht nieuws vertel je het best meteen, en dat is wat ze nu gaat doen. Nou ja, einde van een leuke relatie, een fijne afleiding, hij heeft ervan genoten. Misschien verwachtte zij er meer van dan hij, hij heeft het wel gehoord, dat ze de vier woorden zei: “Ik hou van jou.” Vorige week nog, toen ze bij hem in bed lagen. Zelf heeft hij ze zorgvuldig vermeden. Hij zal haar teleurgesteld hebben. Hoe kon hij anders, een vrijplaats is een illusie. Maar hij zal de gepaste tegenwerpingen maken, het is niet nodig haar te kwetsen door te laten merken dat het hem niet veel uitmaakt, al is het natuurlijk jammer van de omgeving, dat zei ze goed die eerste keer. Het gaat hier op in de natuur, heerlijk is dat. Maar voor haar een ander, of niemand. Misschien is dat het beste, vrouwen verwachten altijd weer iets van je. Mooi is ze wel, wat dat betreft is het jammer. Maar schoonheid, hoe zei Lucebert het ook alweer: “In deze tijd heeft schoonheid haar gezicht verbrand.” Inderdaad, ze heeft haar neus gestoten. Goed dat ze op tijd inziet dat er geen echte relatie inzit, tussen hen. Ze wacht trouwens wel erg lang, mist hij iets? Och ja, het spel moet gespeeld worden, hij moet haar aankijken, dan zal ze het zeggen.   Maar als hij haar in het gezicht kijkt, zegt ze: “Ik ben zwanger.”   Hij antwoordt niet. Wat heeft het voor zin? Hij weet dat ze kijkt, schopt de buitendeur open en is vertrokken. Een begrijpelijke reactie zal ze denken. Ze zal denken dat het nieuws hem overvalt. Wat natuurlijk ook zo is. Zei ze dat zojuist al niet? “Neem je tijd om je ervoor open te stellen,” hij weet zeker dat hij haar dat heeft horen zeggen. Dat is waarom de trap tegen de deur hem geen moeite kostte. Maar “zich openstellen”? Ammehoela.   Wanneer hij thuiskomt, een uur later, op de agenebbisj verdieping die hij nog twee maanden lang zijn huis moet noemen, loopt hij naar de vensterbank en pakt de aardewerken kom op. Wist zij het al, toen zij hem de kom gaf? Hij had haar van de trein gehaald, een eeuwigheid geleden, ver voor de handgranaat. Vorige week woensdag. Ze was naar haar vader geweest, een bezoek dat hem verbaasd had en dat hij nu in een ander licht ziet. Wilde zij de man blij maken? Toen ze terugkwam, had hij op het station geïnformeerd hoe het bezoek verlopen was. “Ach, het blijft een vreemde man,” had ze gezegd. Hij had niet verder gevraagd, voorlopig hoefde hij niets van mogelijke schoonfamilie te weten. Sterker nog, hij had geen behoefte aan schoonfamilie. Als die er was, dan was er een relatie en daar tekende hij voorlopig niet voor. “Waarom wil je scheiden,” had Sacha gevraagd en hij had niets anders kunnen bedenken dan dat hij alleen wilde leven. “Wel met de kinderen, natuurlijk,” had hij snel toegevoegd. Maar zonder vrouw die hij verdriet kon bezorgen en die hem verdriet kon geven. Zijn schoonvader en schoonmoeder had hij wel willen behouden, maar zij waren haar ouders, zij moesten haar kant kiezen.   Toen ze van het station bij hem thuis waren gekomen, had ze opgemerkt dat hij het vet in de keuken weg had geschrobd. “Nu de slaapkamer nog,” had zij gezegd, maar hij had gelachen en haar op bed getrokken. Schoonmaken deed hij wel als hij alleen was. En trouwens, zo lang ging hij hier niet blijven. Hij heeft een mooie etage aan de Oosterlaan gekocht. Samen met Sacha is hij er gaan kijken. Het is dichtbij de Beukenlaan waar zij blijft wonen. Ideaal, vond Sacha de etage. Hier kunnen de kinderen zich thuis voelen, zei ze. Hij ziet ernaar uit om daar te gaan wonen, weg van deze klerezooi. Alleen de keuken heeft hij hier schoongepoetst, hij wil een beetje behoorlijk kunnen eten.   Daar zijn ze vorige week gaan zitten, in de schone keuken. Vlak nadat zij in bed haar liefdesverklaring in zijn oor had gefluisterd. Stiekeme huichelaar. Ze heeft hem een cadeau gegeven. Een handgebakken aardewerken schaaltje, zag hij toen hij het uit het papier had gepakt. Hij luisterde niet naar het verhaal dat ze erbij vertelde. Hij had geen behoefte aan schoonfamilie en evenmin aan gedeelde huiselijkheid. Hij had het kommetje in de vensterbank gezet en voorgesteld naar haar huis te gaan.   Nu heeft hij de kom in handen en kijkt om zich heen. De vaste vloerbedekking met de aangekoekte vlekken in de kamer, het gladde zeil in de keuken, hij keurt ze af en opent de deur naar de hal. De betonnen vloer zonder enige bedekking bevalt hem. Hij stapt de hal in, heft de kom hoog boven zich. De afstand tot de betonnen vloer is maximaal. Hier zal hij in duizend stukken vallen, een kwetsbaar maaksel dat stukslaat op de betonnen werkelijkheid. Hij laat zijn armen weer zakken, hij heeft de kom nog steeds in zijn beide handen. Hij opent de deur naar de meterkast en plaatst de kom op de plank, naast het stoffer en blik. Het heeft geen zin scherven te veroorzaken die je zelf op moet ruimen.   De volgende ochtend is het zaterdag. Meteen na zijn ontbijt trekt hij zijn jas aan, sluit de deur achter zich en fietst naar het huis in de Beukenlaan, waar hij tot voor kort woonde. Coby wacht al op hem, een plastic tas in haar hand. “Mijn judospullen heb ik al ingepakt,” zegt ze. “Kun je de houdgreep nog?” vraagt hij. Op de fiets voelt hij haar handen in zijn zij. Op de Oosterlaan wijst hij naar links. “Daar ga ik over een paar weken wonen, “zegt hij. “Dan krijgen Mickey en jij daar ook een kamer. Er is een grote woonkamer en dan kun je de houdgreep op me oefenen.” “Ik houd je gemakkelijk,” zegt ze.   Tijdens de judoles wandelt hij naar de Hema en koopt een kaart van Jip en Janneke. Hij gaat zitten bij het Gulden Vlies, bestelt een koffie verkeerd en vraagt om een pen. “Volgende maand ben ik officieel gescheiden,” schrijft hij. “Ik ga goed voor mijn kinderen zorgen. Samen met mijn ex-vrouw. Wie weet, ben ik ooit toe aan een nieuwe relatie, een nieuw kind. Nu niet. Waar ik zeker niet van houd, is erin geluisd te worden. Wat jij doet, is jouw verantwoordelijkheid. Niet de mijne.” Hij stopt de kaart in zijn binnenzak. Vanmiddag zal hij de kom inpakken en met de kaart aan haar versturen. Nu gaat hij Coby ophalen. First things first.   8.  1995 Na vier maten inzetten, timing is altijd lastig, maar hij voelt de tegendraadse stuwing, het ska-ritme van de muziek en zet in. Geen aarzeling, heeft Iris gezegd, de band volgt jou, de zaal gelooft jou. “Voor de tover in je ogen, voor de klik van dit moment, voor de noodzaak van het dansen, voor het voelen wie je bent,” ja, hij is in het ritme, in de maat, hij voelt het vertrouwen van de band en het nummer verdient zijn hoogste inzet. “Voor het water op je lippen, voor het broeien van het laag, voor het schreeuwen uit de kelen, voor de hunker naar het graag.”   “Geen bandleider, een Sologitarist, een zanger,” zo lang geleden is het nog niet dat iemand dat over hem heeft gezegd. Goed gezien, denkt hij, zelfs mijn vader zag het indertijd misschien wel goed. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen.” Het was misschien niets dan een uiting van machteloosheid van een man die zijn zoon zijn talenten gunde. In de zaal ziet hij bekende gezichten, natuurlijk is Helga er, zijn dochters zijn er. Achterin staan een paar van zijn collega’s, een glas in de hand. Dat hij zich met mensen van zijn werk zo vertrouwd voelt dat hij hen durft uitnodigen. Dat ze dan ook nog op komen dagen. Blijkbaar hebben ze zelfs plezier in zijn optreden. Hij ziet Robert meezingen in het refrein: “ben ik hier gekomen / en ga ik hier niet weg / voor het me gelukt is / jou te zingen wat ik zeg.”   Terwijl het applaus nog klinkt, kijkt hij naar Stef, de pianist. Hij heeft de mensen geraakt, ze zijn rijp voor het nummer over de radelozen. Stef begrijpt hem en begint te spelen. Hij laat een paar maten lopen, het applaus sterft weg. Dan zet hij in, zo zacht mogelijk. “Heb je het zelf geschreven?” vraagt het meisje achter de bar na afloop. Moet hij haar vertellen dat hij het Verdronkenoord voor zich ziet, als hij het nummer ziet? Het gedeelte bij de Platte Steenenbrug waar het water aantrekkelijk kan glinsteren? De kleine stap die nodig is, van de brug af? Maar dat hij zich op tijd in veiligheid heeft gebracht? Hij is de edele die zijn verantwoordelijkheid neemt, maar zich niet hoeft te schamen dat hij niet alle verantwoordelijkheid  aan kan. Mickey en Coby trekken aan zijn mouw, ze gaan naar huis, naar Sacha. Over een paar dagen ziet hij ze weer. Hij geeft ze een kus en blijft aan de bar staan. Om hem heen praten de mensen, hij drinkt zijn bier. Helga komt naar hem toe en vraagt of hij straks naar haar toe komt. Dit is de aantrekkingskracht van succes, denkt hij. Of is het de openheid die hij getoond heeft, de emoties die hij vertolkt heeft? Hij slaat haar uitnodiging af.   ’s Avonds ligt hij languit op het dikke vloerkleed dat hij ooit vanuit de Bijenkorf dwars door Amsterdam op de fiets heeft vervoerd, naar de flat die Sacha en hij pas betrokken hadden. Mickey heeft erop gelegen als baby, later Coby. Dat was al in Alkmaar. Bij de scheiding heeft hij het meegenomen, een stuk huisraad dat hem en de kinderen vertrouwd is. Het stevig donkerbruin komt hier mooi uit tegen de witgeverfde vloer. De enige die er tegenwoordig nog op ligt, is hij zelf. Op zijn rug, starend naar het plafond met de gestucte tierelantijnen die niets verbeelden en toch zijn aandacht bezig kunnen houden: gaat die buiging nu naar links of eindigt hij daar? Het antwoord doet er niet toe, hij mijmert over van alles en nog wat. Vanavond zijn het zijn collega’s, zijn werk. Wat een mazzel heeft hij gehad met zijn stap naar het juridische werk bij Piet Baars, hij is er terecht gekomen in een jong team. Mensen die nog niet lang en breed gesetteld zijn, voor het eerst samenwonen, in hun eerste serieuze baan zitten. Eerst vonden ze hem een vreemde eend, zijn aureool van hooggeplaatste manager was blijkbaar van Amsterdam naar Alkmaar doorgeseind. Maar hij is mee gaan doen aan de voetbaltoto’s, de vrijdagborrel, het gezamenlijk lunchen en vanzelf werd het contact gemakkelijk. Dat hij goed bleek in het werk en niet te beroerd is anderen te helpen, heeft zeker meegeholpen. Ze nodigen hem uit op hun feestjes, ze zien hem graag, en al heeft hij nog geen van hen thuis uitgenodigd, hij durfde het aan hen voor zijn optreden van vanmiddag uit te nodigen. Ze wisten al dat hij af en toe optreedt met een pianist, en nu hij eens met een band optrad, leek hem dit de gelegenheid hen te vragen.   “Voor de tover in je ogen…” zingt Robert de volgende dag op de gang. Johan lacht. “Geen tijd,” zegt hij, “ik ga naar de rechtbank.” Goed dat hij gisteren niet te lang is blijven napraten, tijdens het mijmeren op het vloerkleed is de adrenaline uit zijn lijf verdwenen, hij heeft zelfs goed kunnen slapen en is nu fris voor de ingewikkelde zitting van vanmiddag. De rechtbank heeft vorige week laten weten dat hij vragen kan verwachten over de toepasselijkheid van de Faillisementswet. Twee dagen heeft hij zich opgesloten in de bibliotheek, alleen voor de lunch kwam hij naar buiten. Hij heeft zijn betoog klaar.   Een paar uur later heeft hij alweer een adrenalinekick te pakken. Collega’s verzamelen zich rond zijn bureau. “Hoe ging het? Wat vroeg Stevens? En Vermaat, had hij wat terug te zeggen?” Even opgewonden als zij geeft hij antwoord. “Een gefundeerd betoog! Zo noemde Stevens mijn pleidooi. “Wat is uw reactie,” vroeg hij Vermaat. “Uw tegenpartij houdt een gefundeerd betoog en daar moet u toch op reageren.” Niets! Niets had hij ertegenin te brengen. Kat in het bakkie, gewonnen zaak, streep aan de balk.” Ineens hoort hij zichzelf praten. “Nou ja,” zegt hij, “we zullen zien. Ik ga vroeg naar huis. Doodop.”   Het verkeerde woord weet hij, als hij even later op weg naar huis is. Hij gaat via de binnenstad, een beetje breeduit loopt hij. Een man die een gefundeerd betoog heeft gehouden en nu moei is, voldaan. Niet doodop, dat is iets van een paar jaar geleden. Bij Slijterij Pels stapt hij naar binnen. Een Oude Vlek, het merk dat zijn vader vroeger al dronk. Met de fles onder zijn arm wandelt hij naar huis.   9.      Theatercafé, 1997   “Ga je mee iets drinken?” heeft zij gevraagd. “Het is de laatste keer tenslotte.” Vooruit maar. Sinds hij van werk veranderd is, kan hij door de week gaan stappen, hij is toch de volgende ochtend binnen vijf minuten op kantoor. En tegenwoordig slaapt hij weer goed, ook als hij een biertje of twee op heeft. Bovendien, het is de laatste keer, na vanavond ziet hij haar niet meer. Ze hebben elkaar tijdens de cursusavonden herhaaldelijk opgezocht als er in koppels een opdracht moest worden gedaan. Al op de eerste avond, toen ze een sprookje schreven, herkende hij haar als een goede schrijver. “Er was eens een prinses die altijd haast had,” hij vond het een sterk begin. Ja, met haar werkte hij graag samen. Maar zodra de sessie voorbij was, groette hij haar en verdween. Uit haar verhalen had hij begrepen dat ze zo oud was als ze eruitzag, een jonge vrouw, niets voor hem, hoe jong hij ook oogt. Maar vooruit, het is de laatste keer, welk risico loopt hij nu nog?   Even later zit hij in het theatercafé, hij kent het goed, vooral de plaatsen aan de bar of aan de stamtafel, maar zij heeft een tafeltje aan de zijkant gekozen, waar de muziek het gesprek niet kan overstemmen. Hij kijkt hoe ze aan de bar bestelt, ze komt er maar net bovenuit. In deze ruimte met het hoge plafond, de deuren waar een verhuiswagen onderdoor zou passen, valt hem voor het eerst op dat ze klein is. Ze heeft bruine ogen, ziet hij als ze proosten. Ze passen bij haar zwarte haar dat ze nu uit haar gezicht strijkt, misschien om hem goed te kunnen zien. Hij zou haar naam willen zeggen, horen hoe die uit zijn mond klinkt. Jo. Maar ze is hem voor, begint te praten. “We hebben nooit hoeven vertellen waarom we de cursus zijn gaan doen,” zegt ze. “Wat was jouw reden?” Hij stamelt, iets over taal en woorden, de beweging van een pen op wit papier, ontdekken van je eigen gedachten. Ze wil details horen, waar zit hij als hij schrijft? Hij vertelt over zijn tafel in de huiskamer, waarom noemt hij de kinderen die daar soms zitten? “Je hebt wel jong kinderen gekregen,” merkt ze op. Zal hij haar in de waan laten? Ach, eigenlijk kan hij haar gerust vertellen dat hij 45 is. Maar hij is er te laat mee, ze informeert naar zijn werk, lijkt geïmponeerd door zijn antwoord. Moeilijk werk, vindt ze. Hij moet lachen, denkt aan Dorien, zijn vroegere directeur. “Daar ben je toch veel te goed voor,” zei die toen hij voor dit werk wilde kiezen. “Het is wat ik goed kan,” zegt hij nu, “en wat ik bovendien goed kan verdragen.”   Als ze buiten naar haar auto lopen, zijn fiets onhandig tussen hen in, informeert ze of hij een relatie heeft. “En kinderen,” zegt ze na zijn antwoord, “zou je nog een keer aan kinderen willen beginnen?” Haar doortastendheid werkt aanstekelijk, hij aarzelt niet over zijn antwoord, al noemt hij eerst zijn leeftijd. Bij haar auto zet hij zijn fiets tegen een boom, hij voelt haar naast zich. Dan kijken ze elkaar aan.   10.      2000 “Dat moet je publiceren.” Johan hoort het de dichteres zeggen. Hij zit tussen de andere cursisten in de kring. Om de beurt lezen ze een gedicht voor dat ze sinds de vorige cursusdag thuis hebben geschreven. De attractie van de cursus is onder andere dat op de tweede dag de dichteres komt, een grote naam, juist vorige maand is de P.C. Hooftprijs aan haar toegekend. Misschien dat hij daarom extra zijn best heeft gedaan, altijd nog de jongen die wil laten zien dat hij tegenwoordig wel een goede spreekbeurt kan houden. Hij is ervoor op de zolderkamer gaan zitten, ’s avonds laat terwijl Jo slaapt en Leon in zijn bedje ligt te pruttelen. Hij houdt de deur open zodat hij de jongen kan horen, maar die heeft hem voldoende tijd gegund om aan de korte overzichtelijke regels te knutselen. Ze arriveert in de middag, leest voor, beantwoordt vragen. Mensen vragen naar de inhoud van haar werk, de betekenis van passages, maar het glijdt langs Johan heen totdat ze vertelt over haar werkwijze. Ineens ziet hij haar bezig. “Het gedicht moet op een systeemkaart passen. Dat komt omdat ik jarenlang bij de bibliotheek heb gewerkt, ik catalogiseerde boeken en daar gebruikten we systeemkaarten voor. Een rode lijn bovenaan en daaronder tien regels. Ik begon onder de rode lijn, eerst een witregel, dan vier regels, weer een witregel, en nog eens vier regels. Soms zette ik daarna een titel boven de rode lijn.” De beperking die het formaat van het kaartje oplegt, spreekt hem aan. Hij kan zich voorstellen dat hij naast Leons bed zit, met de ene hand houdt hij de fles in zijn mond, met de andere krabbelt hij een woord op een stevig kaartje. Bij het om de beurt voorlezen blijkt de dichteres een goede luisteraar te zijn, die prima feedback kan geven. “Die leren kap van de auto, heb je daar een bedoeling mee gehad,” vraagt ze en ineens zit de schrijver van het autogedicht met een wezenlijke vraag. “Leer is dode dierenhuid,” voegt ze toe, “je hoeft het er niet bij te denken, maar kijk eens wat je met die associatie kan.” Als Johan zijn gedicht heeft voorgelezen, zwijgt ze. Hij voelt al de teleurstelling: natuurlijk, de klankverbindingen zijn te opvallend, te gemakkelijk, het spelletje met de werkwoorden te voor de hand liggend. In de kring ziet hij de blikken, heeft de dichteres niets op te merken? Maar dan doet ze haar mond open: “Dat moet je publiceren.” Meteen betrapt hij zich op zijn gedachten: prijs niet de een de hemel in, dat maakt allicht de ander onzeker. Bouw je feedback op, houd het bij de taal en laat een oordeel zo lang mogelijk achterwege. Maar dan corrigeert hij zichzelf, dit gaat over zijn gedicht. Laat hij eens genieten van de lof, hij mag geprezen worden, wees toch verdomme niet zo verlegen! Maar wat hij vraagt is of zij kan uitleggen wat ze er goed aan vindt. Thuis zoekt hij de volgende dag het adres van het literair tijdschrift, stopt het gedicht in een enveloppe en voegt er nog een paar andere bij.   11.      2012 “Liefje,” staat er boven het briefje. “Ik ben met Leon en Micha naar het strand. Pastasalade mee. Er staan biertjes in de koelkast. Als je zin hebt, neem je ze dan mee? Onze vaste plek. Heb je geen zin, is het ook goed. Kus. “ Haar naam heeft Jo er niet onder geschreven. Hij trekt de koelkast open. Naast het bier nog een briefje. “In de schaal hierboven ook pastasalade. Vrije keuze.” Hij pakt een blikje, trekt het open en drinkt het in een paar teugen leeg. “Kunt u dit toelichten?” mompelt hij voor zich uit. Kom aan, er is een tijd voor woorden en er is een tijd voor daden. Tien minuten later zit hij in korte broek en met sandalen aan op zijn fiets. Oostenwind, het is alsof hij vanzelf vooruitgaat. Achter hem, op de bagagedrager, rammelen de bierblikjes. Hun vaste plek, hij hoopt dat ze er Bergen aan Zee mee bedoelt. Vroeger gingen ze voorbij Egmond naar het strand. Toen kenden ze elkaar nog niet lang. Ze praatten over hun werk. “Je bent scherp,” zei ze, “ analytisch. En je vindt altijd woorden.” Dat was zo, maar hij was blij dat ze hem tegen zich aantrok als hij eraan twijfelde.  Dat doet ze nog altijd. Tegenwoordig vinden ze het Egmondse strand voor een avondbezoek met de kinderen te ver fietsen. Ze zal bij Bergen zitten.  Bij de strandopgang Noord stalt hij zijn fiets. Hij klimt tegen de duin op, richting strand. Een stroom verbrande strandgangers komt hem tegemoet, er zal ruimte zijn op het strand. Op de top van de duin blijft hij staan en kijkt naar beneden. Helmgras kriebelt tussen zijn tenen. Ja, daar rechts, daar spelen Leon en Micha met een bal in het water. En kijk, daar zwemt Jo. Hij begint te rennen.   12.      Beloning voor goed gedrag, 2017 Zaterdag, de groene velden met de witte kalklijnen, bij voorkeur een zonnetje, een graad of achttien, een hooguit lichte bries. Hij ontbijt, haalt het dunne, zwarte jasje van de kapstok en voelt of de chronometer in het borstzakje zit. Hij staat even voor de spiegel, juist als zijn dochter roept dat ze vertrekt. In de spiegel ziet hij een man die nog wel een sprintje kan trekken. “Heb je je scheenbeschermers,” roept hij, maar hij hoort de deur al in het slot vallen. Het zal wel.   Wat later fietst hij op zijn gemak langs de brede vaart. Kleine rimpelingen in het water, het lijkt alsof het zonlicht opspringt en weer neerkomt. Achter de molens de polder vol ganzen. Een enkele kievit stuift op, een drieste vlucht recht omhoog, hoger, hoger, alle aandacht wil hij hebben, een salto, een duikvlucht. Opeens is hij verdwenen. Het is een dag waarop mensen gelukkig kunnen zijn. Toch voelt hij het knagen in zijn borst. Het is altijd zo geweest. Vroeger was het de zekerheid te kort te schieten. Nu herkent hij de kwetsbaarheid, de zelfverachting. Als het gevoel in zijn borst hem bevangt, heeft hij een mindere dag. Hij denkt en handelt, hij is actief, doet zijn plicht of wat hij graag doet, maar als hij stil is, voelt hij het knagen, zijn misprijzen. Het is niet slecht wat hij doet, maar het lijkt niet te tellen. Misschien is hij niet zo geboren. Zijn moeder vertelde hem dat zij na vier geboorten kort na elkaar geen vijfde wilde. Toen kwam jij, voegde ze eraan toe. Hij was het vijfde kind. Een jongen na vier meisjes bovendien, zoveel ongedurigheid was er in hem, ze sloot hem dikwijls op in de kast. Hij herinnert zich hoe donker het was en hoe het naar grondwater rook. Zijn vader wilde hem juist in het licht zetten en kon het niet verkroppen als hij ervoor terugschrok. Klappen leverde het op, scheldwoorden of zwijgen. Misschien hebben zij hem de zekerheid gegeven tekort te schieten.   Toch is er nu de lentedag. Bij molen C sjort de molenaar de kop met de wieken naar de zachte westenwind. Hard zullen ze niet draaien vandaag, maar alle beetjes zijn meegenomen. In de vaart slaan de riemen van de wedstrijdroeiers in het water. Het is het geluid dat zijn eigen peddel maakte, in het water van de ringvaart voor hun huis. Maandenlang hadden zijn zus en hij gespaard. Toen ze honderd gulden hadden, gingen ze kijken naar kano’s die te koop werden aangeboden. Steeds was hun bod te laag. Op een dag kwam papa thuis, het was in de tijd dat hij nog schillenman was. “Ik heb een kano voor jullie gekocht,” zei hij. “Geef mij jullie spaargeld, ik heb er honderd piek bovenop gedaan. Volgens mij is het een prachtding.” ’s Avonds had papa hen naar Halfweg gereden waar de kano lag. Hij was precies zoals ze hem wilden hebben, doorzichtige bruine glanslak, twee plaatsen achter elkaar. Dat je zo wiebelde als je erin stapte, daar hadden ze niet op gerekend. Misschien voelden ze zich ook ongemakkelijk omdat papa en de verkoper naar hen stonden te kijken. Toen ze eenmaal weg peddelden, voelde Johan zich prima.  Zijn zus had al gauw genoeg gekregen van de kano en meestal voer hij alleen de ringvaart af, elke slag bracht hem verder van huis. Hij voer helemaal tot aan het Nieuwe Meer. Daar was het water wilder. Hij stak de neus van de kano recht in de golven en liet zich drijven. Een sleepboot voer snel over het meer, de golfslag werd woest, nu moest hij de neus zeker goed op de golven houden. Of zou hij dwars gaan liggen, zich laten omslaan? Het water spatte over zijn lijf. Laat in de middag kwam hij doorweekt thuis, zijn moeder gaf hem op zijn kop, maar hij had niet het gevoel dat ze echt boos was. Zij hield ook van water. Ze had eens zijn plastic bootje uit het kanaal gered, toen hij als kleuter ermee op de steiger zat te spelen en het te ver van hem was weggedreven. Verdrietig om het verlies van het bootje was hij binnengekomen. Zij had zich snel omgekleed en was in het water gesprongen. Opgewekt stapte ze even later druipnat het huis weer binnen, zijn bootje in haar hand.   Hij zet aan en voegt zich in de stroom van jongens en meisjes met de zwarte sporttassen in hun fietsbak. Hij kan blijven zoeken naar woorden voor het gevoel van tekort, nooit zal hij eraan ontkomen. Het kan altijd in hem zijn geweest. Heel goed mogelijk dat zijn ouders het niet in hem hebben opgewekt. Wat maakt het uit? Je kunt jezelf niet veranderen, hoorde hij zeggen, maar wel je gedrag. Dus, wat maakt het uit waar de zekerheid  tekort te schieten vandaan komt, zolang hij er niet naar handelt? Gisterenavond riep zijn zoon zijn hulp in bij een werkstuk over de arbeidsmogelijkheden voor vluchtelingen. Wat weet hij ervan? Maar hij heeft gezwegen over zijn gebrek aan kennis, hij bleek de jongen te kunnen helpen. Louter zichzelf zijn, is misschien al genoeg. Being there.   Hij fietst onder de poort met het zwart-witte bord door, hij is aangekomen bij de groene velden, stalt zijn fiets en kijkt naar de vlaggetjes aan de cornerpalen, de netten die in de doelen schommelen. Echt weinig wind, altijd prettig voor de wedstrijd. In het wedstrijdsecretariaat zitten de mannen rond de koffietafel. Slechts een enkeling van hen vervult een taak, de anderen zitten er omdat hier een voetbalveld is, waar zij met andere mannen het eeuwige gesprek kunnen voeren. Ook zijn vader voerde vroeger dit gesprek, met mannen die de kleine Johan over zijn bol aaiden. “Kom op, naar buiten,” zei zijn vader dan. Hij had belangrijke kwesties te bespreken. Dat de scheids er vorige zondag weer helemaal niets van kon, dat hij in zijn tijd wel raad had geweten met die voorzet van de linksbuiten. Het zijn de kwesties waar het ook op deze lentedag nog over gaat. Johan luistert ernaar, maar praat nog steeds niet mee. Hij schudt Piet de hand en pakt een bal, twee vlaggetjes voor de grensrechters, een fluitje, een bloknootje en een pen. “Veld C,” roept Piet hem na.   Bal aan de voet, het schrijfgerei in een van de steekzakken van zijn jasje, het fluitje in de ene hand, de vlaggetjes in de andere loopt hij Veld C op. Voor het rechterdoel is het thuisteam aan het afwerken. De speelsters staan in een rij achter elkaar, ter hoogte van de middencirkel. Hij zwaait naar zijn dochter die gelukkig haar scheenbeschermers draagt. Aan de overzijde is de tegenstander nog bezig sprintjes te trekken. Hij blaast op zijn fluitje, schudt de handen van de coaches. Er melden zich twee grensrechters, hij geeft hen een vlaggetje. “Uitbal, achterbal, corner, buitenspel,” zegt hij, “voor een overtreding hoef je niet te vlaggen. Die beoordeel ik zelf.” Dan draait hij zich naar de beide aanvoerders die zich intussen in de middencirkel hebben gemeld. “Hebben jullie er zin in?” Na zijn beginsignaal volgt hij het spel op korte afstand. Hij vindt zich te oud om zelf nog te voetballen. Maar nu, met het gras onder zijn sportschoenen, is hij blij als een lange pass wordt gegeven, rennen moet hij dan, rennen om ter plekke te zijn als een duel volgt. Alert ook als de bal ineens in zijn richting wordt geschoten. Hij spreidt zijn benen, laat de bal passeren, het is alsof hij er niet stond, het spel gaat zonder onderbreking door. Eenmaal negeert hij een vlagsignaal van de grensrechter van de gasten. “Scheids,” hoort hij roepen. Hij laat het spel doorgaan, hij is benieuwd wat er gaat gebeuren als de aanval tot een doelpunt leidt. Maar de keeper vangt de zacht ingeschoten bal. Als ze in de rust het veld aflopen, komt de grensrechter naar hem toe. “Ik vlagde, scheids,” zegt hij. “Dat heb ik gezien,” zegt Johan,  “maar op het moment van spelen stond de aanvaller nog niet achter jullie achterste speelster. Geen buitenspel.” Hij ziet de man ademhalen, maar is hem voor. “Nou ja, wie weet, zag ik het verkeerd,” zegt hij, “of jij. Het werd in elk geval geen doelpunt.”   Na de wedstrijd brengt hij de spullen terug naar het wedstrijdsecretariaat. Dat is nu bijna leeg, op veld A speelt nu het selectieteam van jongens tot 19 jaar, daar staan de mannen ongetwijfeld langs de lijn. Alleen Piet zit nog aan tafel. Hij neemt de vlaggetjes van Johan aan, bergt de pen en het bloknootje op. De bal gaat in het ballennet. Samen vullen ze het wedstrijdformulier in: “1 – 1, geen bijzonderheden.” Piet geeft hem een consumptiebon. “Beloning voor goed gedrag,” zegt hij. “Daar doe ik het voor,” antwoordt Johan.   In de kantine wisselt hij de consumptiebon in voor een broodje bal. Eén hand aan het stuur fietst hij naar huis, het broodje in de andere hand, een snelle hap, de mosterd loopt langs zijn kin. In de vaart hebben de roeiers plaatsgemaakt voor kanovaarders. Geen vier in een boot, maar twee. Geen roeiers, maar peddelaars. Een andere aanpak maar ook deze boot scheert over het water. Misschien raken de peddelaars vermoeid, misschien raakt een van hen de slag kwijt, maar ze doen wat ze kunnen. Dat is genoeg.

Jan Loogman
0 0

Terras

Witte plastic stoelen die dit jaar nog niet gebruikt zijn, al is het toch al enkele weken warm. Er hangt een soort van krijt op, kalk bijna, zoals op glazen die uit een afwasmachine met goedkoop afwasmiddel komen. We gaan zitten aan een tafel die je vader nog gemaakt heeft, het hout is kromgetrokken door de zon, want schaduw komt hier nooit. Uit het open raam boven klinken kinderstemmen, de onze, het is al veel te laat, ze zouden al moeten slapen, morgen gaat de jongste op schoolreis. Het is een haperend gesprek, we draaien om wat dingen heen, bespreken eerst wat veilig is - het kamp in de zomer, de sandalen van de oudste, de auto die niet verkocht geraakt. Je hebt je haar anders, korter, het verwart me, je ziet er strenger uit, ouder ook. Je draagt kleren die ik nooit eerder heb gezien, kobaltblauw t-shirt, losse grijze broek, blote voeten. Je drinkt spuitwater met citroen. Je zegt dat aan dit huis geen geschiedenis zit. Ik denk dat de geschiedenis, de onze, hier bijna letterlijk uit elke baksteen spat. Ik zwijg. Je verwijt me dat ik klassiek geworden ben, ik slik, je weet als geen ander wat onder mijn vel kruipt. De kinderen blijven roepen, het is te warm boven, ze willen dat ik blijf, jij gaat boos naar boven, je blijft lang weg, ik staar wat naar de tuin, de heg die moet gesnoeid, het gras gemaaid. Het gesprek sukkelt voort, we struikelen over woorden, ze vallen tussen ons in op de tafel, jij snauwt. Ik voel iets van huilen aankomen, maar bijt het weg. Ik denk, waar ben jij gebleven? Waarschijnlijk denk jij net hetzelfde. De kinderen zijn het woelen in hun bed moe, ze hollen de tuin in, met hun blote billen op het ruwe hout van de schommel. Ik vertrek of ze gaan nooit meer slapen.  

Annelies
3 0

Ontmoetingen

Beste Kristien,   Ontmoeten wil zeggen: ‘toevallig tegenkomen’. Ik dacht eerst dat ik het moest zoeken in de buurt van ‘niet verplicht zijn’. Zo zie je maar dat een mens (of moet ik hier enkel over mezelf spreken) voortdurend woorden gebruikt die hij eigenlijk niet begrijpt.   Ontmoetingen dus. Er zijn er wel honderd die mijn leven een andere wending hebben gegeven. Ons leven hangt van toevalligheden aan elkaar en zo komen we af en toe iemand tegen met een weerhaakje. Maar wel één van de vriendelijke soort. Dat grijpt ons bij de lurven zodat we even stilstaan en die persoon aankijken, en luisteren naar zijn geheime, kosmische boodschap, die we soms decennia later pas echt begrijpen. Ik noem ze mijn reddende engelen.   Zo was er de moeder van een 6-jarig leeftijdgenootje die aan mijn ouders kwam vragen of ik niet mee naar haar school wou gaan. Rekruteren om zoveel mogelijk Vlaamse kinderen in die Vlaamse school in hartje Brussel te krijgen. Maar voor mij was het de redding. Anders zou ik wellicht in een Franstalig instituut zijn terecht gekomen. Ik mag er niet aan denken…   En er was “Madame Chocolat”, die telkens als ze in onze winkel kwam en mij zag drentelen in het deurgat voor mij een reep chocola kocht, Côte d’Or, Double Lait. Deze vrouw was gaan winkelen in de Innovation in de Brusselse Nieuwstraat op het verkeerde moment. Dat was eraan te zien. Haar gezicht lag helemaal overhoop met glimmende partijen die veel te strak stonden en die verbonden waren door vreemde, lange littekens. Maar doorheen dat alles keek zij mij steeds met een liefdevolle blik aan met haar piepkleine oogjes. Warmte is dubbel: soms leven-gevend, soms leven-nemend.   René noemden wij “de man met de hond”. Hij kwam vaak wandelen in onze doodlopende straat met zijn hondje. Statige man met een camera en oog voor schoonheid. Op zekere dag spraken wij hem aan en zo werden we vrienden. Maar het hondje stierf en René werd ouder. Hij geraakte niet meer tot bij ons. Jaren later zag ik hem bij de bushalte. Maar hij herkende mij niet meer en gaf afwijkende antwoorden op mijn vragen. Hij deed alsof ik niet goed bij mijn hoofd was terwijl de dementie toch vooral hem getroffen had.   En dan is er nog de virtuele ontmoeting met jou, via deze briefschrijven-cursus. Misschien zien we elkaar morgen, maar dat is dan geen echte ontmoeting meer, want met voorbedachten rade, aangezien we ons al een tijdje voor deze “Schrijfdag” hebben ingeschreven. En toch. Als we dat geen ontmoeting kunnen noemen, wat is het dan wel? Maar zal je wel komen? Ik vind al een hele tijd geen brieven meer van jou. Hopelijk ben je niet ziek of ten prooi aan ander onheil. Van hieruit wens ik je alvast sterkte en kracht. Kan nooit kwaad.   Hartelijke groet, Geert

Geert Moons
0 0
Tip

Stalkster

Verlies de controle. Omarm hem met heel je zijn. Google zijn naam. Daar verschijnt zijn foto. Klik. Zijn oprechte lach, alleen voor jou. Zijn ruwe krullen, waarvan de aanraking nog nazindert op je wang, uit de tijd dat je nog keuze had. Alsof je die ooit had. Zijn wit linnen hemd onder zijn beige linnen kostuum, dat een gesofisticeerde authenticiteit uitstraalt zoals alleen hij die heeft. Het is een stijl waar niemand mee weg komt, behalve hij. Alsof het uitmaakt wat hij draagt.   Klik. Hij doceert in Antwerpen, Leuven, Brussel, Amsterdam, Parijs. Parijs, waar hij gedichten schreef in Boulevard Jourdan. Alsof je wist dat ik die las. Parijs, waar jij jezelf verloor in Musée d’Orsay. Toen er nog te ontdekken viel.   Zijn thuisbasis blijft Gent. Gent, waar alle opties nog open lagen. Waar je naar hem verlangde in je kamertje. Waar je jezelf overwon en naar hem toe stapte. Hem sprak, minutenlang. Op de trappen van Blandynberg. Op de harde houten stoelen in de Universiteitsstraat. In de met mozaïeken betegelde gangen van Ledeganck. Aan de schuifdeuren van de supermarkt in Overpoort.   Gent, waar hij zijn arm om je sloeg, een minuut lang. Waar zijn lippen een seconde bereikbaar leken. Waar hij naar je zwaaide vanaf de overkant van de straat. Waar je jezelf geen houding wist te geven. Je hoofd draaide. Waar hij je geruststelde. Zei dat je je niet hoefde te schamen.   Maar de schaamte bleef. Was sterker dan jezelf. Overheerste je. Overmande je. “Hier scheiden onze wegen,” zei je gekscherend. Maar ik interpreteerde het letterlijk. Zelfs nadat je me opbelde, met een smoes over de titel van je thesis. Zelfs nadat je mijn naam riep aan Dampoort station.   Klik. Verlies de controle. Omarm hem met heel je zijn. Google zijn naam. Daar verschijnt zijn foto. Klik. Zijn oprechte lach, alleen voor jou. Druk zijn beeltenis af, bewaar ze in je portemonnee. Alsof hij altijd bij je is. Alsof het ooit anders zou uitdraaien.

het stille meisje
57 4