vervolg Er Zijn (Jan Loogman)
Tussen de C en A-tjes van Verlaan en Van Tuyll glanst het Van Gilspak van de oude provo. Hij heeft er daar meer dan één van, en zelfs Johan vraagt zich af waar het allemaal van betaalt.
Legwaard is de eerste die zich weer naar de tafel draait. “Nou, dan kan je beginnen,” zegt hij tegen Brakel. “Johan is er.” “Nee, Arno,” roept Johan vanuit de deuropening, “eerst koffie.” Weg is hij weer, hij hoort hoe de anderen hun stoel achteruitschuiven. Ze komen achter hem aan naar de koffieautomaat, ganzen achter hun aanvoerder.
Een uur lang laat hij de bespreking zijn gang gaan. Van Tuyll en Van den Hoop hebben van de week verschillende uitvoeringskantoren bezocht om over de voorgenomen wetswijziging te praten. Volstrekt onuitvoerbaar is de conclusie en ze brengen hem met veel gesteun over tafel. Verlaan merkt op dat het ministerie daar geen oor voor zal hebben, maar verliest zich op zijn beurt in geneuzel over begripsomschrijvingen in het wetsvoorstel. Legwaard zegt om de paar minuten dat Brakel stelling moet nemen tegenover die bureaugeleerden. Daar bedoelt hij de medewerkers van het ministerie mee. Als het zo doorgaat, gaan ze zonder plan naar het overleg met het ministerie. Dat lijkt Brakel zich nu ook te realiseren. Hij slaat op de tafel, pure nervositeit natuurlijk. Het gekakel valt stil. Johan kijkt om zich heen, dit is zijn moment, hij schraapt zijn keel, Brakel en de anderen kijken hem verwachtingsvol aan. “If you can’t beat them, join them,”zegt Johan, hij leunt achterover, alsof daarmee alles gezegd is. Nee, hij neemt toch de moeite door te praten.
“Ik heb gisteravond zitten klaverjassen,” zegt hij. “Oude vrienden, vroeger speelden we elke week. Alle drie hebben ze op het Museumplein gestaan, prima vind ik dat. Maar wij in dit pieplandje kunnen de bewapeningswedloop natuurlijk niet stoppen. Het spel wordt gespeeld tussen de grote landen, wij zijn geen deelnemer, dus waarom zou een van hen naar ons luisteren? We kunnen de Amerikanen niet dwingen, we moeten met hen meebuigen. Misschien luisteren ze dan een keer naar ons. Dat is wat ik bedoel.” Hij stopt met praten, alsof hij een reactie verwacht, begrip, iemand die de lijn oppakt, die hij heeft ingezet, maar het blijft stil. Brakel knikt, misschien teleurgesteld. Is dit Johan, de man van de klare lijn?
Maar Johan is niet uit het veld geslagen. “Die begripsomschrijvingen, dat is een goed punt,” zegt hij. Hij voelt hoe Verlaan hem stomverbaasd aankijkt, maar hij gaat door. “Dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is, zoals Van Tuyll beweert, klopt ook. En toch, daar kunnen we allemaal niet mee aankomen bij het ministerie. We moeten het anders aanpakken. Het ministerie moet de wet wijzigen, dat wil de politiek, niemand wil van ons bezwaren horen. Tegen de wind in pissen, dat lukt nooit. Daarom: If you can’t beat them, join them. Zij willen zo snel mogelijk de wet wijzigen, wij gaan laten zien hoe het sneller en effectiever kan.“ Hij kijkt naar Brakel. “Nou, zullen we maar vertrekken?”
Het is lang geleden, de bebouwing op het VVA-terrein is zijn nieuwe glans al jaren kwijt. In de verte staat het aquarium er onttakeld bij. Even hoort hij de stem van Dorien: “Denk eens aan de talenten die je hebt verspild.” Na zijn carrièreswitch, want zo noemt hij het tegenwoordig, in 1994, heeft hij mensen op posities zien komen, die voor hem bestemd waren geweest. Vaak genoeg waren dat mensen die hij niet erg hoog inschatte. Ze kunnen tenminste één ding beter dan jij, houdt hij zichzelf telkens weer voor, ze slapen ’s nachts. Ze hebben een talent dat jij mist, een dikke huid. Als lyceist kon hij de hoge stem van Jacques van der Made al niet verdragen, de woede van zijn vader drong rechtstreeks tot hem door. Toch, als hij indertijd zijn huid niet zelf had opengekrabd, zou hij dan een doorgaande route naar de top hebben gehad, zou hij dan zijn talenten beter hebben benut dan hij nu heeft gedaan? Hij denkt aan zijn vroegere collega Abdoel, een Hindoestaan die op zijn dertigste in pole-position klaarstond. Ergens tijdens de race heeft Abdoel zichzelf overvraagd en nu, twintig jaar na zijn burn-out, beklaagt hij zich nog altijd over de tegenslag die hij heeft gehad. Een keuze voor het ongeluk, vindt hij Abdoels leven. Zelf heeft hij een andere route gekozen. Een stap terug toen de last hem teveel werd, ook al begreep hij niet wat er met hem aan de hand was. Een intuïtieve keuze, lang voordat hij Jo leerde kennen die zijn intuïtie zo krachtig noemt.
Hij zou naar huis willen, haar zien, maar hij stapt uit de metro, loopt naar zijn tijdelijke collega’s. Ze tonen zich benieuwd. Heeft hij hun standpunt verdedigd? Natuurlijk, zegt hij. “Jullie dossiers zijn mijn uitdaging!” Ze lachen. “Is het gelukt?” vragen ze. “O, ja,” zegt hij, “Appeltje-eitje.”
5. 1974
Hij fietst tegen de hoge brug bij Carré op. Niet alleen de helling werkt hem tegen, ook de wind lijkt hem terug naar huis te willen waaien. Bijna valt hij met fiets en al om. Bovenaan houdt hij de pedalen stil, even in volmaakt evenwicht voordat zijn vaart door de afdaling vanzelf zou toenemen. In dat ogenblik kijkt hij vooruit. Vanaf de Sarphatistraat komt zij aangelopen, het meisje dat hem in de studiezaal telkens weer opvalt. Ze draagt haar beige houtje-touwtje jas. Zijn fiets versnelt, hij vliegt naar haar toe. Ze kijkt op en lacht als hij voorbijsnelt.
Een week later treffen ze elkaar in de rij voor de koffie in de pauze van het college. De ontmoeting bij de brug is een gemakkelijk onderwerp. Hij heeft intussen aan de open plek in het zangkoortje gedacht. “Kun je zingen,” vraagt hij. Er verschijnen kuiltjes in haar wangen, ze lacht. “Hoog en laag,” zegt ze en ze zet meteen in. “Wacht even,” zegt hij en ze lopen naar buiten. Tussen de boekenstalletjes van de Oudemanhuispoort zingt ze zuiver als een lijster.
Een paar weken later zijn ze een stel. Na een van de koorrepetities gaat hij met haar mee naar haar kamer. De puinhoop daar treft hem onverwacht. Haar melodieuze stem, de goed verzorgde medeklinkers, de open klinkers, de degelijke jas en ook het rokje dat zij droeg, hij heeft een netjes opgeruimde kamer verwacht, niet deze ruimte waar een mens niet zomaar kan binnenstappen. “Een blind paard zou hier zeker schade kunnen aanrichten,” zegt zij als zij hem ziet aarzelen. Plantjes op kweek in kleine potten, tubes verf liggen zonder dop uit te drogen, overal kleren, een ezel in het midden van de kamer. “Schuif maar wat opzij,” zegt ze. Na die avond blijft hij vaker slapen, zij schuift wat spullen opzij, hij schroeft dopjes op verftubes. “Maak je geen zorgen,” zegt zij als hij wakker ligt omdat hij de volgende dag als student-assistent gaat solliciteren. Ze zingt een Beatle-liedje voor hem: “Blackbird singing in the dead of night / Take these broken wings and learn to fly / All your life / You were only waiting for this moment to arise.”
Een paar weken later neemt ze hem mee naar haar ouders. Op het treinperron in Ede staat een lange, magere man hen op te wachten. Hij draagt ook al een houtje-touwtje jas, een donkerblauwe. Vader en dochter kussen elkaar, en daarna schudden de twee mannen elkaar de hand. In de auto zit Johan alleen achterin, maar de vader betrekt hem in het gesprek. Gewoon, over de reis, geen moeilijke onderwerpen. Haar broers zijn gelukkig niet thuis, dat had hij zo’n eerste keer misschien wat veel gevonden. Nu trekt haar moeder de deur voor hen open, een kleine vrouw met een brilletje met van die halve glazen op haar neus. Ze draagt een broek en gymschoenen. “Ik zit al aan de borrel,“ zegt ze. “Wat drink jij?”
*
Sindsdien komt hij er regelmatig. In de herfst zijn er gepofte kastanjes en brandt de open haard. De moeder drinkt sherry, de fles heeft ze naast zich op de grond staan. De vader beheert de jeneverfles, hij schenkt Johan en Sacha regelmatig bij. Dit stel, zo overduidelijk behorend tot de betere standen, pakt de kastanjes gewoon met hun hand, halen hem even door de boter, en smikkelen maar. Natuurlijk, er ligt altijd een servet in je buurt, zodat je even je handen kunt afvegen. Of je mond. Op een keer zitten ze aan het avondeten, zuurkool met klapstuk en worst. Ze schenken er witte wijn bij, in mooie, lichtgroene glazen. Ineens zegt Sacha’s moeder: “O, Johan, heb ik jou geen servet gegeven?” Verbaasd kijkt hij haar aan, want naast zijn bord ligt het wit servet, dat ziet zij toch ook wel? Hij houdt het even omhoog, ze knikt, een beetje beschaamd lijkt het. Als hij weer een slok uit zijn glas wil nemen, ziet hij de vetvlekken op de rand en dan valt bij hem het kwartje. Even is hij toch de jongen uit de mindere standen geweest. Maar zij, Sacha’s moeder? Ja, eigenlijk was zij even haar goede manieren kwijt geweest, uit verwarring waarschijnlijk, denkt hij. Ze heeft zich niet kunnen voorstellen dat hij niet wist dat je je mond even afveegt voordat je drinkt.
Maar toch, hij is bij hen op zijn gemak. Wat hij eerder niet kende, dat is een gesprek in de huiskamer dat niet over de plaatselijke voetbalclub gaat. Een gesprek waarin andere mensen genoemd kunnen worden zonder te spotten over hun afkomst, hun uiterlijk, hun accent. Over zijn studie en zijn werk als student-assistent stellen Sacha’s ouders vragen zonder angst of het hem wel zal lukken, of hij wel zal slagen. Van de week hebben Sacha en hij hen verteld dat ze een kind verwachten. Vier zoenen krijgt hij, twee van haar moeder en twee van haar vader. Er glinsteren tranen achter de brillenglazen, maar wat ze zeggen, is: “Daar drinken we een borrel op!” Alle vertrouwen hebben ze in hem, en ook Sacha gaat ervan uit dat hij slaagt in wat hij aanpakt. Als hij aan zichzelf twijfelt, is ze boos: “Houd toch op!”
6. Overhead Value Analysis, 1991
“Mijn vader was een schillenboer,” hoe graag zou hij zijn presentatie met deze zin beginnen. Zouden de blazers en de mantelpakjes opkijken? Zouden ze hem serieus nemen? Nemen ze hem nu serieus? Hij wijst naar het projectiescherm waarop de eerste dia oplicht. “Twintig gesprekken met keuringsartsen” staat er. “Overhead Value Analysis,” zegt hij, “de methode om bijdragen van staf – en adviesdiensten in organisaties te meten. Goed toepasbaar op uw werk, u bent immers geen keuringsartsen, u doet niet zelf het werk waarmee ons bedrijf zijn geld verdient.“
“Jij toch ook niet,” hoort hij roepen. Hij kijkt rond. Een snor in een uitgezakte jasje. “Heel juist opgemerkt,” zegt hij, “en als goed opgeleide academici weet u dat spelen op de man in de argumentatieleer niet telt.” Het is nu zaak helder te blijven, hij moet het beter doen dan gisteravond. Sacha zei letterlijk hetzelfde als die uitgezakte snor. “Jij toch ook niet,” wierp ze hem voor de voeten toen hij haar verweet zich niet volledig in te zetten voor hun huwelijk. “Wat zoek jij bij al die vriendinnen?” Met zijn stomme kop vertelde hij haar dat dat precies de vraag was die een van zijn vriendinnen hem ook gesteld had. “Ik wil het niet horen,” riep ze. Jammer, hij zou het antwoord wel willen weten.
“Ik ben geen arts,” zegt hij, “maar ik heb met keuringsartsen gesproken, twintig gesprekken in de laatste twee maanden.” Hij wijst naar de tweede dia: “En daarnaast gesprekken met twaalf van u. Ik heb bovendien de cijfers erbij gehaald. Van mij mag u denken wat u wilt, al is het geen nieuws dat ik geen arts ben en u wel. Ik schrijf nergens dat u overbodig bent. Ik neem geen besluiten over uw functie. “ Even hoort hij de man naast zich schuiven op zijn stoel, maar hij wijst niet naar hem, hij praat gewoon door. “Ik schrijf dat u als adviserend chirurgen in vijf procent van de keuringszaken wordt ingeschakeld, dat het gemiddeld zes weken duurt voor uw advies er is, en dat dit advies in vier/vijfde van die zaken gelijk is aan de voorlopige conclusie van de keuringsarts. Verder heb ik de kosten van uw werk in beeld gebracht. Wat daarna de vraag is, of de organisatie deze tamelijk hoge kosten over heeft voor uw bijdrage. Dat is Overhead Value Analysis en om die uit te voeren hoef je geen arts te zijn.”
Het zweet loopt over zijn rug. Hoe komt het dat hij voor een zaal van vijftig boze artsen een strak betoog weet te houden en dat dit hem gisterenavond tegenover Sacha niet lukte? “Waarom ben ik niet genoeg voor jou?” vroeg ze, en hij was dom genoeg om met veel omhaal van woorden naar een antwoord te gaan zoeken. Terwijl haar vraag al een antwoord is. Dat had hij moeten zeggen, natuurlijk, het antwoord op de vraag of ons huwelijk toekomst heeft. “Het gaat niet over mij,” had hij moeten zeggen, “het gaat over ons.” Nu heeft hij dat wel helder, hij kijkt nog eens naar de blazers en de mantelpakjes. “Ik begrijp heel goed dat het een hard verhaal is voor u,” zegt hij, “en het lijkt me verstandig als u er voluit op reageert. Maar het is niet handig als u het alleen maar over mij heeft. Het gaat niet om mij, het gaat om u.” Hij heeft zijn werk gedaan, het is nu aan de man naast hem om besluiten te gaan nemen. Hij doet maar, denkt Johan, ik wil naar huis. Samen met Sacha de meisjes gaan zeggen dat we apart gaan wonen. Misschien zullen ze naar de reden vragen. Sacha kan beginnen over zijn vriendinnen, maar hij – wat kan hij zeggen? Het is de wraak van de zoon van de schillenboer op de dochter van de professor. Het is de wens alleen mijn leven te leiden – “samen met jullie natuurlijk,” zal hij er haastig aan toevoegen, “maar zonder een andere volwassene.” Ze zullen het niet begrijpen. Waar komt die wens vandaan?
7. Een kom voor in de keuken
Wie een handgranaat naar zijn hoofd krijgt, stelt beter geen vragen. Anders volgt er misschien nog een. Toch, hij moet zich bedwingen om stil te blijven. Hoe kan het? Maar hij stelt de vraag niet, hij beseft het vrijwel meteen, het moment dat ze zei dat het veilig was. Ze telde haar dagen altijd. Hij is in de val getrapt. Vrijen op het ritme van de natuur. Schijnheilige sodemieter. Hij staat op, ongetwijfeld kijkt ze nu naar hem, speurend naar zijn reactie. Nou, vooruit dan. Hij schopt de buitendeur open en vertrekt.
De eerste keer dat hij op bezoek kwam, heeft hij verdomd lang moeten zoeken voordat hij het toegangshekje zag. “Het gaat op in de natuur,” zei zij even later, nadat hij het toch gevonden had en het houten huis tussen de duintjes had bereikt. Zo moeizaam als hij de weg vond, zo gemakkelijk bleek het om te blijven. Je kunt hier de zee horen ruisen, de wind door de duintoppen horen waaien. Als hij hier is, voelt hij zich deel van de natuur. Hij is bevrijd van de moeizame gedachten over ouderschap, co-ouderschap, verdeling van boeken, platen, planten. Is het verstandig dat Sacha en hij dezelfde advocaat nemen, moeten zij nu juist niet de loopgraven betrekken, elkaar zwart gaan maken, elkaar het leven zuur maken? Hier is de verwarring ver van hem, hier is een vrijplaats. Hij kent intussen de weg en fietst tegenwoordig rechtstreeks op het toegangshekje af, soepel slaat hij zijn been achter zich over de lastdrager en begint te steppen, van het pad af, een duw met het voorwiel tegen het hekje dat meegeeft, opengaat. In het zand smoort zijn vaart. Hij zet zijn fiets tegen de berk.
Voordat hij de deur kan openen, is zij er al. De haren, halflang tot op haar schouders, hij haalt zijn handen erdoor; licht- verglijdt in donkerblond. Ze drukt zich tegen hem aan en hij is stil. Zo staan, niet bewegen, niet naar voren, evenmin achteruit. Alleen dit moment waarin hij alle sores kan vergeten. Geen gedachten aan de kinderen, geen gedachten aan Sacha. Alleen dit moment.
Maar vandaag stapt zij naar achteren en gaat het huis in, de krappe hal die ook als keuken dienst doet. Hij volgt haar. Valt hij voorover, dan ligt hij op bed. Het is de beste keuze, het is waar hij voor komt, en ook, verbeeldt hij zich, waarom zij wil dat hij hier komt. Maar zij gaat die kant niet op, en ook hij beweegt naar links, achter haar aan, de kamer in. Wat is er aan de hand? Waarom koerst zij naar de woonkamer? Pas als ze gaat zitten op het tweezitsbankje, draait ze zich naar hem om. Ze slaat met haar hand op de plek naast zich. “Kom zitten.”
Hij is niet gek, hij kent de theorie rond slecht – en goed nieuwsgesprekken, hij herkent de signalen. Slecht nieuws vertel je het best meteen, en dat is wat ze nu gaat doen. Nou ja, einde van een leuke relatie, een fijne afleiding, hij heeft ervan genoten. Misschien verwachtte zij er meer van dan hij, hij heeft het wel gehoord, dat ze de vier woorden zei: “Ik hou van jou.” Vorige week nog, toen ze bij hem in bed lagen. Zelf heeft hij ze zorgvuldig vermeden. Hij zal haar teleurgesteld hebben. Hoe kon hij anders, een vrijplaats is een illusie. Maar hij zal de gepaste tegenwerpingen maken, het is niet nodig haar te kwetsen door te laten merken dat het hem niet veel uitmaakt, al is het natuurlijk jammer van de omgeving, dat zei ze goed die eerste keer. Het gaat hier op in de natuur, heerlijk is dat. Maar voor haar een ander, of niemand. Misschien is dat het beste, vrouwen verwachten altijd weer iets van je. Mooi is ze wel, wat dat betreft is het jammer. Maar schoonheid, hoe zei Lucebert het ook alweer: “In deze tijd heeft schoonheid haar gezicht verbrand.” Inderdaad, ze heeft haar neus gestoten. Goed dat ze op tijd inziet dat er geen echte relatie inzit, tussen hen. Ze wacht trouwens wel erg lang, mist hij iets? Och ja, het spel moet gespeeld worden, hij moet haar aankijken, dan zal ze het zeggen.
Maar als hij haar in het gezicht kijkt, zegt ze: “Ik ben zwanger.”
Hij antwoordt niet. Wat heeft het voor zin? Hij weet dat ze kijkt, schopt de buitendeur open en is vertrokken. Een begrijpelijke reactie zal ze denken. Ze zal denken dat het nieuws hem overvalt. Wat natuurlijk ook zo is. Zei ze dat zojuist al niet? “Neem je tijd om je ervoor open te stellen,” hij weet zeker dat hij haar dat heeft horen zeggen. Dat is waarom de trap tegen de deur hem geen moeite kostte. Maar “zich openstellen”? Ammehoela.
Wanneer hij thuiskomt, een uur later, op de agenebbisj verdieping die hij nog twee maanden lang zijn huis moet noemen, loopt hij naar de vensterbank en pakt de aardewerken kom op. Wist zij het al, toen zij hem de kom gaf? Hij had haar van de trein gehaald, een eeuwigheid geleden, ver voor de handgranaat. Vorige week woensdag. Ze was naar haar vader geweest, een bezoek dat hem verbaasd had en dat hij nu in een ander licht ziet. Wilde zij de man blij maken? Toen ze terugkwam, had hij op het station geïnformeerd hoe het bezoek verlopen was. “Ach, het blijft een vreemde man,” had ze gezegd. Hij had niet verder gevraagd, voorlopig hoefde hij niets van mogelijke schoonfamilie te weten. Sterker nog, hij had geen behoefte aan schoonfamilie. Als die er was, dan was er een relatie en daar tekende hij voorlopig niet voor. “Waarom wil je scheiden,” had Sacha gevraagd en hij had niets anders kunnen bedenken dan dat hij alleen wilde leven. “Wel met de kinderen, natuurlijk,” had hij snel toegevoegd. Maar zonder vrouw die hij verdriet kon bezorgen en die hem verdriet kon geven. Zijn schoonvader en schoonmoeder had hij wel willen behouden, maar zij waren haar ouders, zij moesten haar kant kiezen.
Toen ze van het station bij hem thuis waren gekomen, had ze opgemerkt dat hij het vet in de keuken weg had geschrobd. “Nu de slaapkamer nog,” had zij gezegd, maar hij had gelachen en haar op bed getrokken. Schoonmaken deed hij wel als hij alleen was. En trouwens, zo lang ging hij hier niet blijven. Hij heeft een mooie etage aan de Oosterlaan gekocht. Samen met Sacha is hij er gaan kijken. Het is dichtbij de Beukenlaan waar zij blijft wonen. Ideaal, vond Sacha de etage. Hier kunnen de kinderen zich thuis voelen, zei ze. Hij ziet ernaar uit om daar te gaan wonen, weg van deze klerezooi. Alleen de keuken heeft hij hier schoongepoetst, hij wil een beetje behoorlijk kunnen eten.
Daar zijn ze vorige week gaan zitten, in de schone keuken. Vlak nadat zij in bed haar liefdesverklaring in zijn oor had gefluisterd. Stiekeme huichelaar. Ze heeft hem een cadeau gegeven. Een handgebakken aardewerken schaaltje, zag hij toen hij het uit het papier had gepakt. Hij luisterde niet naar het verhaal dat ze erbij vertelde. Hij had geen behoefte aan schoonfamilie en evenmin aan gedeelde huiselijkheid. Hij had het kommetje in de vensterbank gezet en voorgesteld naar haar huis te gaan.
Nu heeft hij de kom in handen en kijkt om zich heen. De vaste vloerbedekking met de aangekoekte vlekken in de kamer, het gladde zeil in de keuken, hij keurt ze af en opent de deur naar de hal. De betonnen vloer zonder enige bedekking bevalt hem. Hij stapt de hal in, heft de kom hoog boven zich. De afstand tot de betonnen vloer is maximaal. Hier zal hij in duizend stukken vallen, een kwetsbaar maaksel dat stukslaat op de betonnen werkelijkheid. Hij laat zijn armen weer zakken, hij heeft de kom nog steeds in zijn beide handen. Hij opent de deur naar de meterkast en plaatst de kom op de plank, naast het stoffer en blik. Het heeft geen zin scherven te veroorzaken die je zelf op moet ruimen.
De volgende ochtend is het zaterdag. Meteen na zijn ontbijt trekt hij zijn jas aan, sluit de deur achter zich en fietst naar het huis in de Beukenlaan, waar hij tot voor kort woonde. Coby wacht al op hem, een plastic tas in haar hand. “Mijn judospullen heb ik al ingepakt,” zegt ze. “Kun je de houdgreep nog?” vraagt hij. Op de fiets voelt hij haar handen in zijn zij. Op de Oosterlaan wijst hij naar links. “Daar ga ik over een paar weken wonen, “zegt hij. “Dan krijgen Mickey en jij daar ook een kamer. Er is een grote woonkamer en dan kun je de houdgreep op me oefenen.” “Ik houd je gemakkelijk,” zegt ze.
Tijdens de judoles wandelt hij naar de Hema en koopt een kaart van Jip en Janneke. Hij gaat zitten bij het Gulden Vlies, bestelt een koffie verkeerd en vraagt om een pen. “Volgende maand ben ik officieel gescheiden,” schrijft hij. “Ik ga goed voor mijn kinderen zorgen. Samen met mijn ex-vrouw. Wie weet, ben ik ooit toe aan een nieuwe relatie, een nieuw kind. Nu niet. Waar ik zeker niet van houd, is erin geluisd te worden. Wat jij doet, is jouw verantwoordelijkheid. Niet de mijne.” Hij stopt de kaart in zijn binnenzak. Vanmiddag zal hij de kom inpakken en met de kaart aan haar versturen. Nu gaat hij Coby ophalen. First things first.
8. 1995
Na vier maten inzetten, timing is altijd lastig, maar hij voelt de tegendraadse stuwing, het ska-ritme van de muziek en zet in. Geen aarzeling, heeft Iris gezegd, de band volgt jou, de zaal gelooft jou. “Voor de tover in je ogen, voor de klik van dit moment, voor de noodzaak van het dansen, voor het voelen wie je bent,” ja, hij is in het ritme, in de maat, hij voelt het vertrouwen van de band en het nummer verdient zijn hoogste inzet. “Voor het water op je lippen, voor het broeien van het laag, voor het schreeuwen uit de kelen, voor de hunker naar het graag.”
“Geen bandleider, een Sologitarist, een zanger,” zo lang geleden is het nog niet dat iemand dat over hem heeft gezegd. Goed gezien, denkt hij, zelfs mijn vader zag het indertijd misschien wel goed. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen.” Het was misschien niets dan een uiting van machteloosheid van een man die zijn zoon zijn talenten gunde. In de zaal ziet hij bekende gezichten, natuurlijk is Helga er, zijn dochters zijn er. Achterin staan een paar van zijn collega’s, een glas in de hand. Dat hij zich met mensen van zijn werk zo vertrouwd voelt dat hij hen durft uitnodigen. Dat ze dan ook nog op komen dagen. Blijkbaar hebben ze zelfs plezier in zijn optreden. Hij ziet Robert meezingen in het refrein: “ben ik hier gekomen / en ga ik hier niet weg / voor het me gelukt is / jou te zingen wat ik zeg.”
Terwijl het applaus nog klinkt, kijkt hij naar Stef, de pianist. Hij heeft de mensen geraakt, ze zijn rijp voor het nummer over de radelozen. Stef begrijpt hem en begint te spelen. Hij laat een paar maten lopen, het applaus sterft weg. Dan zet hij in, zo zacht mogelijk. “Heb je het zelf geschreven?” vraagt het meisje achter de bar na afloop. Moet hij haar vertellen dat hij het Verdronkenoord voor zich ziet, als hij het nummer ziet? Het gedeelte bij de Platte Steenenbrug waar het water aantrekkelijk kan glinsteren? De kleine stap die nodig is, van de brug af? Maar dat hij zich op tijd in veiligheid heeft gebracht? Hij is de edele die zijn verantwoordelijkheid neemt, maar zich niet hoeft te schamen dat hij niet alle verantwoordelijkheid aan kan. Mickey en Coby trekken aan zijn mouw, ze gaan naar huis, naar Sacha. Over een paar dagen ziet hij ze weer. Hij geeft ze een kus en blijft aan de bar staan. Om hem heen praten de mensen, hij drinkt zijn bier. Helga komt naar hem toe en vraagt of hij straks naar haar toe komt. Dit is de aantrekkingskracht van succes, denkt hij. Of is het de openheid die hij getoond heeft, de emoties die hij vertolkt heeft? Hij slaat haar uitnodiging af.
’s Avonds ligt hij languit op het dikke vloerkleed dat hij ooit vanuit de Bijenkorf dwars door Amsterdam op de fiets heeft vervoerd, naar de flat die Sacha en hij pas betrokken hadden. Mickey heeft erop gelegen als baby, later Coby. Dat was al in Alkmaar. Bij de scheiding heeft hij het meegenomen, een stuk huisraad dat hem en de kinderen vertrouwd is. Het stevig donkerbruin komt hier mooi uit tegen de witgeverfde vloer. De enige die er tegenwoordig nog op ligt, is hij zelf. Op zijn rug, starend naar het plafond met de gestucte tierelantijnen die niets verbeelden en toch zijn aandacht bezig kunnen houden: gaat die buiging nu naar links of eindigt hij daar? Het antwoord doet er niet toe, hij mijmert over van alles en nog wat. Vanavond zijn het zijn collega’s, zijn werk. Wat een mazzel heeft hij gehad met zijn stap naar het juridische werk bij Piet Baars, hij is er terecht gekomen in een jong team. Mensen die nog niet lang en breed gesetteld zijn, voor het eerst samenwonen, in hun eerste serieuze baan zitten. Eerst vonden ze hem een vreemde eend, zijn aureool van hooggeplaatste manager was blijkbaar van Amsterdam naar Alkmaar doorgeseind. Maar hij is mee gaan doen aan de voetbaltoto’s, de vrijdagborrel, het gezamenlijk lunchen en vanzelf werd het contact gemakkelijk. Dat hij goed bleek in het werk en niet te beroerd is anderen te helpen, heeft zeker meegeholpen. Ze nodigen hem uit op hun feestjes, ze zien hem graag, en al heeft hij nog geen van hen thuis uitgenodigd, hij durfde het aan hen voor zijn optreden van vanmiddag uit te nodigen. Ze wisten al dat hij af en toe optreedt met een pianist, en nu hij eens met een band optrad, leek hem dit de gelegenheid hen te vragen.
“Voor de tover in je ogen…” zingt Robert de volgende dag op de gang. Johan lacht. “Geen tijd,” zegt hij, “ik ga naar de rechtbank.” Goed dat hij gisteren niet te lang is blijven napraten, tijdens het mijmeren op het vloerkleed is de adrenaline uit zijn lijf verdwenen, hij heeft zelfs goed kunnen slapen en is nu fris voor de ingewikkelde zitting van vanmiddag. De rechtbank heeft vorige week laten weten dat hij vragen kan verwachten over de toepasselijkheid van de Faillisementswet. Twee dagen heeft hij zich opgesloten in de bibliotheek, alleen voor de lunch kwam hij naar buiten. Hij heeft zijn betoog klaar.
Een paar uur later heeft hij alweer een adrenalinekick te pakken. Collega’s verzamelen zich rond zijn bureau. “Hoe ging het? Wat vroeg Stevens? En Vermaat, had hij wat terug te zeggen?” Even opgewonden als zij geeft hij antwoord. “Een gefundeerd betoog! Zo noemde Stevens mijn pleidooi. “Wat is uw reactie,” vroeg hij Vermaat. “Uw tegenpartij houdt een gefundeerd betoog en daar moet u toch op reageren.” Niets! Niets had hij ertegenin te brengen. Kat in het bakkie, gewonnen zaak, streep aan de balk.” Ineens hoort hij zichzelf praten. “Nou ja,” zegt hij, “we zullen zien. Ik ga vroeg naar huis. Doodop.”
Het verkeerde woord weet hij, als hij even later op weg naar huis is. Hij gaat via de binnenstad, een beetje breeduit loopt hij. Een man die een gefundeerd betoog heeft gehouden en nu moei is, voldaan. Niet doodop, dat is iets van een paar jaar geleden. Bij Slijterij Pels stapt hij naar binnen. Een Oude Vlek, het merk dat zijn vader vroeger al dronk. Met de fles onder zijn arm wandelt hij naar huis.
9. Theatercafé, 1997
“Ga je mee iets drinken?” heeft zij gevraagd. “Het is de laatste keer tenslotte.” Vooruit maar. Sinds hij van werk veranderd is, kan hij door de week gaan stappen, hij is toch de volgende ochtend binnen vijf minuten op kantoor. En tegenwoordig slaapt hij weer goed, ook als hij een biertje of twee op heeft. Bovendien, het is de laatste keer, na vanavond ziet hij haar niet meer. Ze hebben elkaar tijdens de cursusavonden herhaaldelijk opgezocht als er in koppels een opdracht moest worden gedaan. Al op de eerste avond, toen ze een sprookje schreven, herkende hij haar als een goede schrijver. “Er was eens een prinses die altijd haast had,” hij vond het een sterk begin. Ja, met haar werkte hij graag samen. Maar zodra de sessie voorbij was, groette hij haar en verdween. Uit haar verhalen had hij begrepen dat ze zo oud was als ze eruitzag, een jonge vrouw, niets voor hem, hoe jong hij ook oogt. Maar vooruit, het is de laatste keer, welk risico loopt hij nu nog?
Even later zit hij in het theatercafé, hij kent het goed, vooral de plaatsen aan de bar of aan de stamtafel, maar zij heeft een tafeltje aan de zijkant gekozen, waar de muziek het gesprek niet kan overstemmen. Hij kijkt hoe ze aan de bar bestelt, ze komt er maar net bovenuit. In deze ruimte met het hoge plafond, de deuren waar een verhuiswagen onderdoor zou passen, valt hem voor het eerst op dat ze klein is. Ze heeft bruine ogen, ziet hij als ze proosten. Ze passen bij haar zwarte haar dat ze nu uit haar gezicht strijkt, misschien om hem goed te kunnen zien. Hij zou haar naam willen zeggen, horen hoe die uit zijn mond klinkt. Jo. Maar ze is hem voor, begint te praten. “We hebben nooit hoeven vertellen waarom we de cursus zijn gaan doen,” zegt ze. “Wat was jouw reden?” Hij stamelt, iets over taal en woorden, de beweging van een pen op wit papier, ontdekken van je eigen gedachten. Ze wil details horen, waar zit hij als hij schrijft? Hij vertelt over zijn tafel in de huiskamer, waarom noemt hij de kinderen die daar soms zitten? “Je hebt wel jong kinderen gekregen,” merkt ze op. Zal hij haar in de waan laten? Ach, eigenlijk kan hij haar gerust vertellen dat hij 45 is. Maar hij is er te laat mee, ze informeert naar zijn werk, lijkt geïmponeerd door zijn antwoord. Moeilijk werk, vindt ze. Hij moet lachen, denkt aan Dorien, zijn vroegere directeur. “Daar ben je toch veel te goed voor,” zei die toen hij voor dit werk wilde kiezen. “Het is wat ik goed kan,” zegt hij nu, “en wat ik bovendien goed kan verdragen.”
Als ze buiten naar haar auto lopen, zijn fiets onhandig tussen hen in, informeert ze of hij een relatie heeft. “En kinderen,” zegt ze na zijn antwoord, “zou je nog een keer aan kinderen willen beginnen?” Haar doortastendheid werkt aanstekelijk, hij aarzelt niet over zijn antwoord, al noemt hij eerst zijn leeftijd. Bij haar auto zet hij zijn fiets tegen een boom, hij voelt haar naast zich. Dan kijken ze elkaar aan.
10. 2000
“Dat moet je publiceren.” Johan hoort het de dichteres zeggen. Hij zit tussen de andere cursisten in de kring. Om de beurt lezen ze een gedicht voor dat ze sinds de vorige cursusdag thuis hebben geschreven. De attractie van de cursus is onder andere dat op de tweede dag de dichteres komt, een grote naam, juist vorige maand is de P.C. Hooftprijs aan haar toegekend. Misschien dat hij daarom extra zijn best heeft gedaan, altijd nog de jongen die wil laten zien dat hij tegenwoordig wel een goede spreekbeurt kan houden. Hij is ervoor op de zolderkamer gaan zitten, ’s avonds laat terwijl Jo slaapt en Leon in zijn bedje ligt te pruttelen. Hij houdt de deur open zodat hij de jongen kan horen, maar die heeft hem voldoende tijd gegund om aan de korte overzichtelijke regels te knutselen.
Ze arriveert in de middag, leest voor, beantwoordt vragen. Mensen vragen naar de inhoud van haar werk, de betekenis van passages, maar het glijdt langs Johan heen totdat ze vertelt over haar werkwijze. Ineens ziet hij haar bezig. “Het gedicht moet op een systeemkaart passen. Dat komt omdat ik jarenlang bij de bibliotheek heb gewerkt, ik catalogiseerde boeken en daar gebruikten we systeemkaarten voor. Een rode lijn bovenaan en daaronder tien regels. Ik begon onder de rode lijn, eerst een witregel, dan vier regels, weer een witregel, en nog eens vier regels. Soms zette ik daarna een titel boven de rode lijn.” De beperking die het formaat van het kaartje oplegt, spreekt hem aan. Hij kan zich voorstellen dat hij naast Leons bed zit, met de ene hand houdt hij de fles in zijn mond, met de andere krabbelt hij een woord op een stevig kaartje.
Bij het om de beurt voorlezen blijkt de dichteres een goede luisteraar te zijn, die prima feedback kan geven. “Die leren kap van de auto, heb je daar een bedoeling mee gehad,” vraagt ze en ineens zit de schrijver van het autogedicht met een wezenlijke vraag. “Leer is dode dierenhuid,” voegt ze toe, “je hoeft het er niet bij te denken, maar kijk eens wat je met die associatie kan.”
Als Johan zijn gedicht heeft voorgelezen, zwijgt ze. Hij voelt al de teleurstelling: natuurlijk, de klankverbindingen zijn te opvallend, te gemakkelijk, het spelletje met de werkwoorden te voor de hand liggend. In de kring ziet hij de blikken, heeft de dichteres niets op te merken? Maar dan doet ze haar mond open: “Dat moet je publiceren.” Meteen betrapt hij zich op zijn gedachten: prijs niet de een de hemel in, dat maakt allicht de ander onzeker. Bouw je feedback op, houd het bij de taal en laat een oordeel zo lang mogelijk achterwege. Maar dan corrigeert hij zichzelf, dit gaat over zijn gedicht. Laat hij eens genieten van de lof, hij mag geprezen worden, wees toch verdomme niet zo verlegen! Maar wat hij vraagt is of zij kan uitleggen wat ze er goed aan vindt.
Thuis zoekt hij de volgende dag het adres van het literair tijdschrift, stopt het gedicht in een enveloppe en voegt er nog een paar andere bij.
11. 2012
“Liefje,” staat er boven het briefje. “Ik ben met Leon en Micha naar het strand. Pastasalade mee. Er staan biertjes in de koelkast. Als je zin hebt, neem je ze dan mee? Onze vaste plek. Heb je geen zin, is het ook goed. Kus. “ Haar naam heeft Jo er niet onder geschreven. Hij trekt de koelkast open. Naast het bier nog een briefje. “In de schaal hierboven ook pastasalade. Vrije keuze.” Hij pakt een blikje, trekt het open en drinkt het in een paar teugen leeg. “Kunt u dit toelichten?” mompelt hij voor zich uit. Kom aan, er is een tijd voor woorden en er is een tijd voor daden. Tien minuten later zit hij in korte broek en met sandalen aan op zijn fiets. Oostenwind, het is alsof hij vanzelf vooruitgaat. Achter hem, op de bagagedrager, rammelen de bierblikjes. Hun vaste plek, hij hoopt dat ze er Bergen aan Zee mee bedoelt. Vroeger gingen ze voorbij Egmond naar het strand. Toen kenden ze elkaar nog niet lang. Ze praatten over hun werk. “Je bent scherp,” zei ze, “ analytisch. En je vindt altijd woorden.” Dat was zo, maar hij was blij dat ze hem tegen zich aantrok als hij eraan twijfelde. Dat doet ze nog altijd. Tegenwoordig vinden ze het Egmondse strand voor een avondbezoek met de kinderen te ver fietsen. Ze zal bij Bergen zitten. Bij de strandopgang Noord stalt hij zijn fiets. Hij klimt tegen de duin op, richting strand. Een stroom verbrande strandgangers komt hem tegemoet, er zal ruimte zijn op het strand. Op de top van de duin blijft hij staan en kijkt naar beneden. Helmgras kriebelt tussen zijn tenen. Ja, daar rechts, daar spelen Leon en Micha met een bal in het water. En kijk, daar zwemt Jo. Hij begint te rennen.
12. Beloning voor goed gedrag, 2017
Zaterdag, de groene velden met de witte kalklijnen, bij voorkeur een zonnetje, een graad of achttien, een hooguit lichte bries. Hij ontbijt, haalt het dunne, zwarte jasje van de kapstok en voelt of de chronometer in het borstzakje zit. Hij staat even voor de spiegel, juist als zijn dochter roept dat ze vertrekt. In de spiegel ziet hij een man die nog wel een sprintje kan trekken. “Heb je je scheenbeschermers,” roept hij, maar hij hoort de deur al in het slot vallen. Het zal wel.
Wat later fietst hij op zijn gemak langs de brede vaart. Kleine rimpelingen in het water, het lijkt alsof het zonlicht opspringt en weer neerkomt. Achter de molens de polder vol ganzen. Een enkele kievit stuift op, een drieste vlucht recht omhoog, hoger, hoger, alle aandacht wil hij hebben, een salto, een duikvlucht. Opeens is hij verdwenen. Het is een dag waarop mensen gelukkig kunnen zijn. Toch voelt hij het knagen in zijn borst. Het is altijd zo geweest. Vroeger was het de zekerheid te kort te schieten. Nu herkent hij de kwetsbaarheid, de zelfverachting. Als het gevoel in zijn borst hem bevangt, heeft hij een mindere dag. Hij denkt en handelt, hij is actief, doet zijn plicht of wat hij graag doet, maar als hij stil is, voelt hij het knagen, zijn misprijzen. Het is niet slecht wat hij doet, maar het lijkt niet te tellen.
Misschien is hij niet zo geboren. Zijn moeder vertelde hem dat zij na vier geboorten kort na elkaar geen vijfde wilde. Toen kwam jij, voegde ze eraan toe. Hij was het vijfde kind. Een jongen na vier meisjes bovendien, zoveel ongedurigheid was er in hem, ze sloot hem dikwijls op in de kast. Hij herinnert zich hoe donker het was en hoe het naar grondwater rook. Zijn vader wilde hem juist in het licht zetten en kon het niet verkroppen als hij ervoor terugschrok. Klappen leverde het op, scheldwoorden of zwijgen. Misschien hebben zij hem de zekerheid gegeven tekort te schieten.
Toch is er nu de lentedag. Bij molen C sjort de molenaar de kop met de wieken naar de zachte westenwind. Hard zullen ze niet draaien vandaag, maar alle beetjes zijn meegenomen. In de vaart slaan de riemen van de wedstrijdroeiers in het water. Het is het geluid dat zijn eigen peddel maakte, in het water van de ringvaart voor hun huis. Maandenlang hadden zijn zus en hij gespaard. Toen ze honderd gulden hadden, gingen ze kijken naar kano’s die te koop werden aangeboden. Steeds was hun bod te laag. Op een dag kwam papa thuis, het was in de tijd dat hij nog schillenman was. “Ik heb een kano voor jullie gekocht,” zei hij. “Geef mij jullie spaargeld, ik heb er honderd piek bovenop gedaan. Volgens mij is het een prachtding.” ’s Avonds had papa hen naar Halfweg gereden waar de kano lag. Hij was precies zoals ze hem wilden hebben, doorzichtige bruine glanslak, twee plaatsen achter elkaar. Dat je zo wiebelde als je erin stapte, daar hadden ze niet op gerekend. Misschien voelden ze zich ook ongemakkelijk omdat papa en de verkoper naar hen stonden te kijken. Toen ze eenmaal weg peddelden, voelde Johan zich prima. Zijn zus had al gauw genoeg gekregen van de kano en meestal voer hij alleen de ringvaart af, elke slag bracht hem verder van huis. Hij voer helemaal tot aan het Nieuwe Meer. Daar was het water wilder. Hij stak de neus van de kano recht in de golven en liet zich drijven. Een sleepboot voer snel over het meer, de golfslag werd woest, nu moest hij de neus zeker goed op de golven houden. Of zou hij dwars gaan liggen, zich laten omslaan? Het water spatte over zijn lijf. Laat in de middag kwam hij doorweekt thuis, zijn moeder gaf hem op zijn kop, maar hij had niet het gevoel dat ze echt boos was. Zij hield ook van water. Ze had eens zijn plastic bootje uit het kanaal gered, toen hij als kleuter ermee op de steiger zat te spelen en het te ver van hem was weggedreven. Verdrietig om het verlies van het bootje was hij binnengekomen. Zij had zich snel omgekleed en was in het water gesprongen. Opgewekt stapte ze even later druipnat het huis weer binnen, zijn bootje in haar hand.
Hij zet aan en voegt zich in de stroom van jongens en meisjes met de zwarte sporttassen in hun fietsbak. Hij kan blijven zoeken naar woorden voor het gevoel van tekort, nooit zal hij eraan ontkomen. Het kan altijd in hem zijn geweest. Heel goed mogelijk dat zijn ouders het niet in hem hebben opgewekt. Wat maakt het uit? Je kunt jezelf niet veranderen, hoorde hij zeggen, maar wel je gedrag. Dus, wat maakt het uit waar de zekerheid tekort te schieten vandaan komt, zolang hij er niet naar handelt? Gisterenavond riep zijn zoon zijn hulp in bij een werkstuk over de arbeidsmogelijkheden voor vluchtelingen. Wat weet hij ervan? Maar hij heeft gezwegen over zijn gebrek aan kennis, hij bleek de jongen te kunnen helpen. Louter zichzelf zijn, is misschien al genoeg. Being there.
Hij fietst onder de poort met het zwart-witte bord door, hij is aangekomen bij de groene velden, stalt zijn fiets en kijkt naar de vlaggetjes aan de cornerpalen, de netten die in de doelen schommelen. Echt weinig wind, altijd prettig voor de wedstrijd. In het wedstrijdsecretariaat zitten de mannen rond de koffietafel. Slechts een enkeling van hen vervult een taak, de anderen zitten er omdat hier een voetbalveld is, waar zij met andere mannen het eeuwige gesprek kunnen voeren. Ook zijn vader voerde vroeger dit gesprek, met mannen die de kleine Johan over zijn bol aaiden. “Kom op, naar buiten,” zei zijn vader dan. Hij had belangrijke kwesties te bespreken. Dat de scheids er vorige zondag weer helemaal niets van kon, dat hij in zijn tijd wel raad had geweten met die voorzet van de linksbuiten. Het zijn de kwesties waar het ook op deze lentedag nog over gaat. Johan luistert ernaar, maar praat nog steeds niet mee. Hij schudt Piet de hand en pakt een bal, twee vlaggetjes voor de grensrechters, een fluitje, een bloknootje en een pen. “Veld C,” roept Piet hem na.
Bal aan de voet, het schrijfgerei in een van de steekzakken van zijn jasje, het fluitje in de ene hand, de vlaggetjes in de andere loopt hij Veld C op. Voor het rechterdoel is het thuisteam aan het afwerken. De speelsters staan in een rij achter elkaar, ter hoogte van de middencirkel. Hij zwaait naar zijn dochter die gelukkig haar scheenbeschermers draagt. Aan de overzijde is de tegenstander nog bezig sprintjes te trekken. Hij blaast op zijn fluitje, schudt de handen van de coaches. Er melden zich twee grensrechters, hij geeft hen een vlaggetje. “Uitbal, achterbal, corner, buitenspel,” zegt hij, “voor een overtreding hoef je niet te vlaggen. Die beoordeel ik zelf.” Dan draait hij zich naar de beide aanvoerders die zich intussen in de middencirkel hebben gemeld. “Hebben jullie er zin in?”
Na zijn beginsignaal volgt hij het spel op korte afstand. Hij vindt zich te oud om zelf nog te voetballen. Maar nu, met het gras onder zijn sportschoenen, is hij blij als een lange pass wordt gegeven, rennen moet hij dan, rennen om ter plekke te zijn als een duel volgt. Alert ook als de bal ineens in zijn richting wordt geschoten. Hij spreidt zijn benen, laat de bal passeren, het is alsof hij er niet stond, het spel gaat zonder onderbreking door. Eenmaal negeert hij een vlagsignaal van de grensrechter van de gasten. “Scheids,” hoort hij roepen. Hij laat het spel doorgaan, hij is benieuwd wat er gaat gebeuren als de aanval tot een doelpunt leidt. Maar de keeper vangt de zacht ingeschoten bal. Als ze in de rust het veld aflopen, komt de grensrechter naar hem toe. “Ik vlagde, scheids,” zegt hij. “Dat heb ik gezien,” zegt Johan, “maar op het moment van spelen stond de aanvaller nog niet achter jullie achterste speelster. Geen buitenspel.” Hij ziet de man ademhalen, maar is hem voor. “Nou ja, wie weet, zag ik het verkeerd,” zegt hij, “of jij. Het werd in elk geval geen doelpunt.”
Na de wedstrijd brengt hij de spullen terug naar het wedstrijdsecretariaat. Dat is nu bijna leeg, op veld A speelt nu het selectieteam van jongens tot 19 jaar, daar staan de mannen ongetwijfeld langs de lijn. Alleen Piet zit nog aan tafel. Hij neemt de vlaggetjes van Johan aan, bergt de pen en het bloknootje op. De bal gaat in het ballennet. Samen vullen ze het wedstrijdformulier in: “1 – 1, geen bijzonderheden.” Piet geeft hem een consumptiebon. “Beloning voor goed gedrag,” zegt hij. “Daar doe ik het voor,” antwoordt Johan.
In de kantine wisselt hij de consumptiebon in voor een broodje bal. Eén hand aan het stuur fietst hij naar huis, het broodje in de andere hand, een snelle hap, de mosterd loopt langs zijn kin. In de vaart hebben de roeiers plaatsgemaakt voor kanovaarders. Geen vier in een boot, maar twee. Geen roeiers, maar peddelaars. Een andere aanpak maar ook deze boot scheert over het water. Misschien raken de peddelaars vermoeid, misschien raakt een van hen de slag kwijt, maar ze doen wat ze kunnen. Dat is genoeg.