Lezen

van die gure, ongeschoren verhalen

Er zijn van die gure, ongeschoren verhalen, verhalen die beweren de waarheid te vertellen, verhalen die het beter weten dan U en ik. Ze nemen al te vaak geen blad voor de mond. Sommige verhalen zijn eerder verteld. Ze worden gehekeld door gure, ongeschoren dichters die van hun ergernis hun beroep hebben gemaakt. Ik zou uren naar hetzelfde woord kunnen luisteren. Voorspelbaarheid is een gift, geen gebrek. Dat het me niet kon verbazen, was mijn enige verwondering. Ik verveelde mezelf met drogredenen om niet gelukkig te zijn. Mensen trokken zich terug als badwater dat al veel te lang was blijven staan. Ik moest zelf maar achter de stop vissen. Er was iemand die me vertelde dat er ook goeie momenten waren, kleine dingen waar men zich aan kon vasthouden. Ik werd al snel doodjaloers. Ze raadde me aan naar de snoepwinkel te gaan. Thuis had ik nooit veel gehad. Ik weet nog hoe fier ik was toen de kapster mijn eerste haarlok certificeerde. Tegenwoordig hing het maar wat over mijn ogen in puur zelfbeklag. Gelukkig waren er fotoboeken om mijzelf te vertellen wat voor een braaf kind ik was.In de snoepwinkel keek ik eerst mijn ogen uit, inventariseerde het aanbod waar de kassierster bij stond. Toen heb ik toch maar betaald. Ik verbeeldde me graag hoe de juffrouw vroeg hoe het was. Ik had zelfs al een antwoord klaar. Dergelijke gesprekken met mezelf waren eerder regel dan uitzondering geworden. Dat was rond de tijd van mijn eerste gedicht. Ik wist eigenlijk niet of de kassierster het nu over het snoepgoed of mijn welzijnstoestand had. Terug thuis sloeg de band aan. Er weerklonk een ouderwets levenslied vanuit mijn nieuwerwetse radiospeler. Ik had het altijd al voor andermans jeugd gehad. De lessen wogen zwaar. Mijn boekentas hing bijna tot op mijn enkels. Ik had gehoopt dat wiskunde mij iets meer zekerheid geboden had. Toen al tekende ik mijn cirkels met een meetlat. Toen mij gevraagd werd naar het waarom, moest ik mij in alle bochten wringen. “De perfecte cirkel bestaat niet” was mijn halfslachtige antwoord. De kring rond mij was echter al verdwenen. Toen keerde ik mij af. Rond mijn lippen tekenden zich de eerste stoppels van de puberteit. Ik verheugde mij dat ik mij nog niet moest scheren om een man te zijn. Er groeide borsthaar over mijn hart, maar ook dit kon niet verbergen dat ik eenzaam was. Ik had de droom nog niet opgegeven omdat ik dacht dat het zo moest. Mijn ouders namen me mee op reis en ik dacht dat dit het enige was. Er zijn er die beweren dat iedereen naakt wordt geboren, dat geen vondeling ooit verloren was. Ze geven het kind een naam en kleden het in met wollige metaforen. Dat ieder verhaal het waard is verteld te worden, ook al verschil ik in niet meer dan een pennentrek van jou.Sommige dichters verlangen zo hard naar hun eigen jeugd dat het een perversie wordt. Ze spreken over baarmoeders en navelstrengen dat het een lieve lust is. Geen mens die nog weet hoe het voelt om nooit geboren te zijn. Ik ben te lang toeschouwer geweest. Toen ik het woord nam, was het laat. De meeste vaste klanten hadden hun stamkroeg al verlaten. Ook ik was al een brok ergernis geworden, iemand die zich graag in zijn zelfbeeld bevestigd zag. Dat gebeurt nu eenmaal als je zelf voortdurend op je uurwerk kijkt terwijl iemand je haar verhaal vertelt. Soms zou ik liever zingen, mijn stroeve gedachten verzacht door een striemende gitaar. Ik ging al te lang a capella door het leven. Terwijl ik er zelf maar wat bij stond, vroeg ik me voortdurend af: “Kijk ik graag in de spiegel of kijkt de spiegel graag naar mij?” “Wordt eigenliefde gebouwd uit de brokstukken van onzekerheid?” Ik verbeeldde me graag dat het café mijn badkamer was. Een spiegel bood geen antwoorden, zijn enige gift was voorspelbaarheid. Ik zou uren naar hetzelfde woord kunnen luisteren. Toch zag ik iedere morgen een andere zelf. Ik vroeg me af of die persoon aan de overkant van de gootsteen wel onder de noemer ‘Ruben’ viel. Ieder uur dag waren we samen. Soms poetsten we samen onze tanden, soms keken we per toeval in hetzelfde autoraam. Ik mistte mezelf als ik hem niet zag. Een beeldhouwer sprak mij aan. “Ik heb de perfecte metafoor voor jou gemaakt.” Ik zei dat ik de gietvorm wou. Zo is ieder verhaal het waard verteld te worden, ook al verschil ik in niet meer dan een pennentrek van jou.  

Robijn Bodijn
13 0

Visie en geen tunnelvisie meer voor Brussel.

Na de Mayeur/Peraita schandalen blijft de core business van de PS onveranderd : een ééntalige Franstalige Schepen voor Nederlandstalig Onderwijs in de persoon van Faouzia Hariche . Eigen volk eerst. Het klinkt als spierballentaal van het Vlaams Belang mais en français. Uiteindelijk draait het allemaal rond macht. In Brussel is het tijd voor verschuiving en herverdeling.   Ik werk als leerkracht NT2 voor de Franse Gemeenschap. Eerst heb ik moeten bewijzen dat ik de Franse taal machtig was : de Franse Gemeenschap stelde een examen Frans voor. Mijn directeur heeft dat toen tegen kunnen houden omdat ik mijn universitaire diploma’s in Parijs heb behaald. Iemand die rechten heeft gestudeerd in Parijs kan toch wel Frans, neen? Door de laatste hervormingen die de Franse Gemeenschap gehouden heeft, heb ik dan weer moeten bewijzen dat ik het Nederlands machtig was; met een Frans diploma op zak ben je Franstalig, toch? Politiek van andere tijden maar toch nog actueel.   Ik ben nu de trotse eigenaar van het hoogste NT2 certificaat. Als Nederlandstalig geboren zijnde kan dat tellen. Wat van mij als Brusselaar wordt verwacht, moet ook voor Brusselse ambtenaren, schepenen en burgemeesters gelden. Geen ééntaligheid. Geen “geen commentaar”. Geen “Je moet begrijpen dat…”. Brussel heeft nood aan ambtenaren die verbinden, die positieve signalen naar onze jongeren, jong volwassenen en volwassenen sturen, Brussel heeft nood aan gedreven en begeesterde mensen aan het stuur.   Taal is niet de eigendom van de NV-A of het Vlaams Belang. Taal is wat iedereen verbindt, cultiveert en ongelofelijke versies van onszelf maakt. Nederlandstalige Brusselaars doen dat, meer en meer Franstalige Brusselaars ook. Dat is wat Brussel van vandaag naar morgen maakt. En waar we morgen verbinden, kijken we vandaag met verbazing naar gisteren. Om te groeien, om van Brussel en het Gewest een volwaardig Gewest te maken met ambitieuze mensen. Maar evenzeer door de Disneyficatie van onze stad tegen te gaan en ook in te zetten op de rijkdom van het hele Gewest.   Faouzia Hariche heeft allicht andere competenties die de PS elders kan gebruiken. De heisa van de afgelopen dagen kan dat alleen maar beamen : the right woman/man on the right place. Laat ons ook geen heksenjacht openen op deze vrouw.   Laten we van de verkiezingen in oktober in Brussel geen communautaire taalkwestie van maken, laten we de schepen van Nederlandstalige Aangelegenheden op de vingers tikken en haar nalatigheid omtrent communicatie naar de Nederlandstalige Brusselaar of Vlaming die al eens in Brussel komt, proberen te herstellen. Laat haar 100 regels “Ik zal geen taalfouten meer in mijn communicatie naar de burger toelaten” schrijven. 500 regels desnoods. Laten we vooral graaicultuur, eigen-volk-eerst-cultuur, communitarisme en ééntaligheid voor Brussel voorgoed begraven. Laten we niet toegeven aan plat populisme en polarisatie. Maak als politieke partij duidelijk aan de Brusselaars welke voorakkoorden je sluit en met wie.   En tenslotte, een kiezersstrijd kan je ook voeren door niet met modder naar elkaar te gooien. Op 14 oktober komt de afrekening, de dag erna hebben de Brusselaars nood aan mensen met visie, mensen die gedurende hun hele mandaat Brussel leefbaar maken voor iedere burger; iets wat de afgelopen legislatuur toch wat op het appèl ontbrak. Visie en actie. En tweetaligheid. En euh… een nieuw logo misschien ook?

Erwin Abbeloos
1 0

Sucadelapjes in de hemel

Elke keer verrast het me hoe helder kinderen kunnen denken. Op de grote vraagstukken van het leven geven ze met flair antwoord. Zoals een slager zijn plakje vlees vanonder de toonbank pakt, het op de weegschaal legt en als hij het zwaar genoeg vindt, zegt: ‘Een heerlijk stukje mals vlees. Maar een paar minuutjes bakken in de pan, hoor. Met een klontje boter. Dat is het lekkerst.’ Zoals dat stukje vlees ligt het antwoord klaar op de tong van een kind.   Op een dag bracht ik mijn kleindochter naar school. Ze reed voor me uit op haar fiets met zijwieltjes. Ik was met de benenwagen. Mijn wandelstok die mij behoedt voor het vallen, was thuis gebleven, als een jaloerse vriendin. Als ik op stap was met mijn ‘grote’ vriendin zoals ik mijn kleindochter noemde, voelde ik me tien jaar jonger. Dan liep mijn stokoude vriendin ons alleen maar voor de voeten.     Bij het kruispunt zei ik streng: Oppassen voor de auto’s! Mijn kleindochter volgde mijn aanwijzingen op als een soldaat de bevelen van zijn kolonel. Ze bleef stokstijf staan voor het rode licht. ‘Ja, oppassen voor de auto’s, anders ben ik dood,’ zei ze gelaten. ‘Aska weg, mama weg, papa weg, oom Michel weg, tante Veerle weg, opa weg, oma weg.’ Het was alsof ze allemaal langs marcheerden. De doden.     Toen sprong het licht op groen. We staken over en bereikten veilig de andere kant van de weg. Alsof we succesvol de styx waren overgevaren. Op school leverde ik haar keurig af in de klas. Als een pakketje. Zonder het kleinste deukje. De juf bedankte drie keer. Ik glom van trots.   In diep gepeins liep ik naar huis. Ik dacht na over wat mijn kleindochter had gezegd. Over hoe ze dood zou gaan. Wat bedoelde ze precies als ze zei dat iedereen weg was als ze dood was? Alsof ze kon toveren. Toen het rood op licht sprong, schoot ik wakker uit mijn gepeins. Ik wachtte geduldig tot het rode mannetje zou worden afgelost door het groene mannetje. Zijn dienst zat er bijna op. De hele dag wisselden de mannetjes elkaar af. Altijd op hetzelfde moment. Zonder klagen. Dankzij hun was de wereld een stukje veiliger.    Net als de op het eerste gezicht knullige mannetjes, begreep mijn dochter dat het leven geen spel was. Net zo min als de dood. Ze lieten niet met zich sollen. Voor haar leeftijd was mijn kleindochter heel volwassen. Het groene mannetje sprong op groen. Ineens begreep ik wat ze bedoelde.   Als je niet oplet in het verkeer en je gaat dood,  dan gaan de mensen die belangrijk voor je zijn ook dood. Want als je dood bent, kan je ze niet meer zien. Dus zijn ze ook dood. Eigenlijk was het heel simpel. Zelf had ik het niet bedacht.   Ik had niet meer lang te leven. Ook al paste ik heel goed op in het verkeer. ‘Opa is stokoud,’ zei mijn kleindochter zonder blikken of blozen. Alsof ik een stokbrood was die je na een dag in de oven doet. Zodat hij weer knapperig wordt. Straks, als ik in de oven ga, neem ik wel lekker iedereen met me mee, grinnikte ik tegen mezelf. Om in de woorden van mijn kleindochter te praten. Doodgaan leek me ineens een stuk gezelliger. Ik zag ons allemaal samen zitten, niet bij, maar in het haardvuur. Zelfs mijn grootste vijanden zouden met mij branden.   Ik naderde het winkelcentrum. De geur van de bakker kwam me tegemoet. Alsof de vrouw van de bakker me persoonlijk een warme hand gaf. ‘Oh ja, ik moet nog langs de slager,’ bedacht ik me ineens. Ik was het bijna vergeten! ‘Oma vroeg of ik twee sucadelapjes voor vanavond wilde halen,’ mompelde ik. Mijn geheugen werkte steeds slechter. Opa was niet alleen een stokbrood. Opa had ook de hersenen van een gatenkaas. Straks dronken ze opa’s wijn nog! Du pain, du vin, Boursin!   Ik liep snel naar de slager voordat ik het weer was vergeten. In de hele wereld bestond er niets lekkerder dan de sucadelapjes van oma. Hoe kon ik ze vergeten? Met aardappeltjes en rozemarijn in de oven. Ik watertandde. ‘Zouden ze in de hemel ook sucadelapjes in de oven hebben?’ Vast wel.                           

Margaretha Juta
0 0

Djoembier

    Nagels wijzen naar de lucht. Aan een tros ballonnen, kijk, het kind drijft weg en boven wacht een hemelmeer, dobbert er een luchtmatras. Het punthoofd is van de fakir.   Ricky wil ook naar de top en bij het winkeltje, bij de belegde broodjes, honing, ooretter in potjes, daar begint het pad. Je moet eerst door het bos van de gewurgde tijd, pluk er bessen, zwammen worden best venijnig, als je zomaar stippen op de hoedjes tekent.   Ricky is een doorzetter. Nochtans. Zijn koffertje het bulkt van onheil en verlossing. Alles is geregeld. Blijf kalm! Ginds beneden achter bergkammen wacht een knalblauw busje. Op de laadvloer kan je alle knopen vinden, het tapijt is lekker hard.   Ach Ricky, de spits van de Djoembier, je bent er zo. Zotten hebben alles geplaveid, de brokken ziek geschikt en in de hut verblijven alle daders, eten ze goulash met knedla. Een haardvuur knettert, kiekjes schiet je, vang het uitzicht, lach of kwetter, tongen proeven sap van zoet gelul.   Genoeg, het zal, geloof me, vriend, je hebt gedroomd van beterschap toekomst, papegaaien met te grote tieten, een drol smeulde in de microgolfoven, echt waar, ik zweer het, niets is van mij, geen ene streek, het schilderij is zonder vorm, de worm wilde geen vel, appelsienen zonder schil worden gesneden voor een peuter. Zwaai niet. Ga nu. Bergaf.   Er is een kabelbaan die niet eens rammelt, Milan heeft een hendelhand, stap in, maant hij en in de gondel zit hij stil, naast die fakir met zijn een blik vol gaten. Kijk toch naar beneden!   Zonder lier en zonder kabel zouden zij nu vliegen. Over liefdeshuizen, klinieken voor abortus van de kleinigheden en in zijn tuin heeft een man de tomaten vrolijk ingekleurd. Wat gebeuren moet vindt plaats, onder het zitje zit het spul, een paardenmiddel. Dood lust leed en wonder!   Sluit ze, Ricly, je ogen, de beelden van de smurrie, van de smeerlapperij. Zeg geen vaarwel aan uitgezongen krekels, groet de sheriff van de stoere zielen niet want alles is te moe, de lucht in de ballonnen, zelfs de melkkoe braakt oranje en de mussen mijden kruimels van het kind.   Zwijg. Het is zoals een boom. Laat los alle ballonnen. De bladeren, die snel hun groen verloren, heb je volgeschreven. Volg de takken stam en wortels, nagels bijten doet geen haan, geen kraai. Ontspan. Loop leeg. Slaapwel. De bodem wordt van jou.         uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 0

Verlossing

De man met de rode jas staat al een halfuur aan het loket aan te schuiven voor hij aan de beurt is. Gelukkig gaat het goed vooruit. Onderaan het bordje ‘ Dienst Bevolking’ is inderhaast een papier met plakband vastgekleefd waarop te lezen staat: ‘Elegancy Plan 70+’. ‘Volgende.’ ‘Morgen. Een dubbele aanvraag graag.’ ‘Moeder én vader?’ ‘Inderdaad.’ ‘Vanaf wanneer hebben zij hun wens te kennen gegeven meneer?’ De man denkt even na. De ambtenaar achter het loket kijkt hem aan en duwt zijn bril op zijn neusrug omhoog. ‘Hoe lang is de vraag al actueel bedoel ik’ voegt hij er verduidelijkend aan toe, waarna hij zorgvuldig de datum noteert. Tussen haakjes vult hij in hoe lang de vraag al tussen hemel en aarde hangt: 7 maanden. Ook dat valt binnen de redelijke termijn. ‘En beiden hebben u  herhaaldelijk te kennen gegeven dat zij hun leven wel degelijk als voltooid beschouwen?’ ‘Jazeker, ik heb hier een schriftelijke…’ ‘Niet nodig hoor meneer, we geloven de mensen wel. Het wordt ze al lastig genoeg gemaakt met al die procedures. De laatste wetswijziging is een echte verbetering gebleken, de kinderen worden nu erkend in hun poging om redelijkheid in die oude hoofdjes binnen te brengen wanneer die maar al te vaak vast blijven houden aan voorbijgestreefde ideeën. Vanaf een bepaalde leeftijd ben je gewoonweg hulpbehoevend, ook in het maken van sommige keuzes.’ ‘Ja, die vereenvoudiging heeft het gelukkig voor iedereen wat toegankelijker gemaakt’  zegt de man. ‘Uiteraard. Het is veel laagdrempeliger geworden meneer, voor alle lagen van de bevolking,  zoals de wet hoort te zijn : duidelijk en transparant voor elke burger’ zegt hij opgetogen. ‘Ik heb een attest bij van de huisarts, men raadde ons…’ ‘Geeft u maar.’ Zonder het document te bekijken schuift hij het tussen het doorzichtige mapje naast hem. Hij vinkt het begin van een paragraaf af. ‘We gaan ervan uit dat na jaren huisbezoek de huisarts zich loyaal opstelt ten overstaan van zijn patiënten. De eerstelijnszorg bestaat bij gratie uit deze attitude meneer, ze is er de basis van.’ De man in rode vest knikt. ‘Hoe oud zijn uw ouders meneer?’ ‘Mijn moeder vierenzeventig, vader is drie jaar ouder.’ Samen uit, samen thuis hé?’  grinnikt de ambtenaar. ‘Hoe romantisch vind ik dat altijd toch.’ Zijn gezicht verandert plots en valt uitdrukkingsloos even stil, maar herstelt zich vrijwel onmiddellijk. ‘Vanaf vijfentachtig  is er de basispremie, die elk aflopend jaar al snel de hoogte in gaat. Uw moeder valt in een lagere categorie.’ ‘Mijn vader bedoelt u?’ ‘Nee meneer, het is verbazend hoe veel mensen dat denken, maar hoe jonger de kandidaat, hoe hoger de premie. Iemand die niets meer in te brengen heeft, economisch op de rug van de samenleving renteniert, en waar de staat nog pakweg twintig jaar moet voor zorgen in plaats van tien, dat  valt heel wat duurder uit. Die zienswijze klinkt logisch uiteraard, de federale overheid heeft dat knap gezien.’ Instemmend geknik aan de andere zijde van de balie. ‘Ik ben ook verheugd  u te mee te kunnen delen dat samenverlaters een extra premie bovenop de voor ieder apart geldende regeling krijgen, enfin, de nabestaanden bedoel ik dan. Als alles samen door kan gaan, de drukker, de dienst, de koffietafel, wettelijke afhandeling en notariskosten, noem maar op, dat drukt de prijs enorm, dat begrijpt u vast wel.’ ‘Dat wist ik niet, maar nu u het zo zegt…’ ‘Uiteraard. De nieuw aangenomen wet stipuleert dat...euh..waar staat het hier…ja, hierzo, en de man wijst de paragraaf met zijn balpen onderaan het document aan: “ het Koninklijk Besluit van 12 januari kent een premie toe aan nabestaanden die kandidaat-voltooiden ervan kunnen overtuigen hun verantwoordelijkheid ten aanzien van maatschappij en significante naasten op te nemen.” ‘Bovendien, ziet u’ zegt de ambtenaar, ‘en dat wou ik toch nog maar eens herhalen, is er die bijkomende premie voor diegene die samen wensen te gaan. Hoe schoon is dat toch, na al die jaren? Geen verdriet voor de partner die anders achterblijft. In goede en kwade dagen! Goede zorg noem ik dat.’ ‘Gemakkelijk is het toch allemaal niet’ werpt de man in rode jas tegen. ‘Natuurlijk niet meneer, dat beseffen we maar al te goed, we zijn ook geen onmensen, u heeft het beste met hen voor. Uiteraard is dat zo.’ Hij kijkt bijzonder begripvol naar de man die voor hem staat. ‘Maar eigenlijk, als je er goed over nadenkt’ gaat hij verder, ‘moeten zij u dankbaar zijn dat u dit in alle wijsheid bespreekbaar maakt. U behoedt ze immers voor verdere aftakeling, voor onnodige ontluistering. Alle ongewenste zaken snijdt u gewoon de pas af, ziet u, en onze welvaartsmaatschappij kan op die manier terug op adem komen, de sociale zekerheid staat niet langer onder ondraaglijke druk. En, ook niet onbelangrijk, er is terug plaats in de rusthuizen, weliswaar voor diegene die willen volharden in koppigheid. ‘Zij die nog even willen blijven bedoelt u?’ ‘Ja, zij die zeggen dat ze er nog niet klaar voor zijn, en, stel je voor, die zeggen dat ze nog van alles te doen hebben! Terwijl ze daar al die jaren de tijd hebben voor gehad! Maar geen nood, verwacht wordt dat er binnen een maand of drie een wetsontwerp wordt goedgekeurd dat onverstandigen voor alle kosten zal responsabiliseren. Zoals het al lang -en terecht ook - is ingeburgerd dat de vervuiler betaald, zo zal in deze particuliere gevallen de halsstarrige langlever ook dieper in de beugel moeten tasten. Maar ook voor dit zal een grenswaarde  worden gehanteerd. Tussen haakjes, het is knap om zien hoe uitgekiend de integraalberekeningen voor de leeftijdsvariabelen en inputparameters in elkaar steekt, het zit echt goed ineen, dat moet ik ze nageven. Zo zal bijvoorbeeld boven een bepaalde leeftijd een pacemaker gewoonweg niet meer verkrijgbaar zijn, of draait men de peperdure nierdialyse terug van drie naar eenmaal per week. Allemaal te verdedigen uitdoofscenario’s uiteraard, vindt u ook niet?’ De man in rode jas knikt opnieuw en durft niet te zeggen wat hij denkt: een vervaldatum. Dat zou te scherp zijn. Na een korte stilte stelt de ambtenaar, geheel tegen het werktuiglijke van het gesprek in, een persoonlijke vraag. ‘En hoe kijken uw ouders er zelf tegenaan meneer, hoe gaat het nu met hen?’ klinkt het onverwacht bezorgd. ‘Ja, goed hoor, dank u, gezien de omstandigheden toch. Een beginnende suikerziekte en een kleine beroerte hebben het gesprek wat in goede plooien doen vallen. Dankzij zou ik bijna zeggen. Er was wel wat overredingswerk voor nodig maar uiteindelijk zijn ze tot inzicht gekomen en willen zij het beste voor hun kinderen. En natuurlijk willen ze niet lijden, dat speelt ook wel mee, dat haalt een zinnig mens altijd wel over de streep denk ik altijd. We zijn hen heel dankbaar. We houden allemaal heel erg van onze ouders, weet u.’ ‘Daar twijfel ik niet aan meneer’ zegt de ambtenaar begrijpend. ‘Uiteraard.’ Hij schuift zijn bril hoger zijn neus op en lijkt het gesprek te gaan afsluiten. Hij steekt een paar documenten in het mapje en murmelt in zichzelf. ‘Hmm…heb ik hier alles? Dit is in orde…dit ook…heb ik gezegd…’ De punt van zijn balpen gaat langzaam van boven naar beneden over het blad. ‘O ja. Dit moest ik u nog vertellen.’ Hij graait in een stapeltje folders en overhandigt de man een fraaie kleurenbrochure met vooraan een melige foto van een gefotoshopte zonsondergang. ‘De overheid is een samenwerkingsverband aangegaan met de voornaamste uitvaartcentra waarvoor uw ouders – excuseer, u zelf– als nabestaande een tegemoetkoming kunt ontvangen, tenminste als u aan drie van de vijf criteria voldoet. U moet het maar eens lezen.’ De man in rode jas bekijkt de voorzijde waar in aantrekkelijke sierlijke letters staat  geschreven: ‘ExitPlus+’, met als ondertitel ‘Kies Zelf Uw Horizon.’ ‘Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat er ook andere  crematoria en begrafenisondernemers zijn die een gelijkaardige  variant van deze regeling aanbieden, niet alleen in Vlaanderen maar ook in Nederland. In Zeeland bijvoorbeeld, toch kortbij, heb je ‘Klaar is Kees’ waar je kan op intekenen, ook geen onaardige polis. Maar ik wil benadrukken dat geen enkele andere zo’n gesubsidieerd en substantieel belastingvoordeel heeft en om die reden dus de voordeligste is. Maar u maakt uiteraard in alle vrijheid een keuze meneer, wij bieden het u enkel maar aan.’ ‘Mooi. Ik bekijk het eens rustig.’ zegt de man. ‘Zo, ik denk dat we alles hebben gehad meneer. Binnen tien werkdagen ontvangt u alle documenten, ik mag hopen dat ik uw gegevens toch heb genoteerd...ja, hier heb ik ze. Zoals ik al zei, binnen tien werkdagen dus. Prettige dag verder, en innige deelneming voor de dag zelf.’ ‘Dank u. Heel vriendelijk van u.’ ‘Tot uw dienst.’ De rij achter hem is ondertussen even lang geworden als die bij zijn aankomst was geweest. Hij draait zich om en knikt eens beleefd naar de vrouw die achter hem in de rij staat. Hij is op weg naar de uitgang wanneer een jonge medewerker hem een tevredenheidsenquête onder de neus duwt. ‘Het duurt maar even meneer. Het is belangrijk te weten of we het goed doen. Zijn altijd bereid te leren uit onze fouten.’ Verveeld vult hij vlug op alle plaatsen een vier op vijf in, en ziet woorden voorbijdrijven als ‘voldoende ingelicht’ en ‘wat vond u van..’  Hij geeft het document met een flauwe glimlach terug. ‘De dienst bevolking en binnenlandse zaken bedankt u voor uw medewerking.’ klinkt het vanbuiten gestudeerd. Hij loopt door de draaideur naar buiten, de nog frisse en heldere morgen tegemoet. Hij is blij in de open lucht te zijn, ademt opgelucht diep in en uit en overziet de bedrijvigheid op het marktplein voor hem. Alles is geregeld. Geen zorgen meer, het valt van de schouders. Hij is ervan overtuigd dat hij samen met zijn ouders de goede beslissingen heeft genomen. Uiteraard.

Lode Van Wabeke
0 0

Kermisdinsdag

Voor de mensen die niet van ons stadje zijn, is het misschien een raar gegeven, maar op kermisdinsdag trekken onze stadsgenoten ’s morgens al naar de kermis. Sommigen kan je dan vroeg op de dag in één of andere drankgelegenheid treffen. De kermisjaarmarkt is niet meer dan een excuus. Ze duiken er fris in, maar ze komen er later op de dag iets minder fris uit. Want op kermisdinsdag mag het.   Zelf doe ik aan die kermisvoormiddagvreugde iets minder mee. Maar ik kuierde die dag al wel vroeg naar de krantenwinkel. Op de terugweg hoorde ik twee jongedames op leeftijd een gesprek voeren voor de deur van een taverne. Ze stonden op het punt het etablissement binnen te stappen met hun rollator. De ene mevrouw wees naar het stuur van haar looprekje. “Mijn handvatten zijn precies toch meer versleten dan die van u”, zei ze tegen haar vriendin. “Ik heb er waarschijnlijk meer mee gereden”. Ik overwoog nog even om halt te houden, mijn krant open te vouwen en te horen wat de andere mevrouw zei, maar dat leek me ongepast. Grappig was het alleszins. Het leken wel twee jonge patsers die bluften over de maximum snelheid van hun pas aangeschafte tweedehands brommer. Het was niet de enige vermakelijke conversatie waar ik op kermisdinsdag getuige van was.   Later op de middag stond ik onze gezamenlijke gang te poetsen. Een huishoudelijke taak die ik wel eens voor mijn rekening neem. Ik was het laatste stukje aan het opdweilen toen er twee kermisgangers passeerden. Of beter: kermisgangsters. Opnieuw jongedames op leeftijd, maar niet dezelfde als die van de voormiddag. “Kijk Maria, zie je dat, dat is nu de moderne man. Die moet ook kunnen poetsen”, hoorde ik één van de dames zeggen. Waarop de andere zei: “Ja, Louisa, maar misschien staat hij er alleen voor. Dan moet hij wel.”   Het deed me ’s avonds nog een paar keer gniffelen. Toen deze moderne man languit in de zetel lag met zijn krant.  

Rudi Lavreysen
0 0

Een zomerse afwijking

"Noem het een afwijking", zei ik tegen mijn vriend op het terras van het café. Het was één van die eerste warme dagen. Overdag was het zo warm geweest dat ik 's avonds mijn korte broek nog aan had. Het leek wel alsof het volop zomer was. Ik vertelde verder over mijn zogenaamde afwijking op basis van het artikel dat ik die dag in de Nederlandse krant had gelezen. "Lees je nu ook al Hollandse gazetten?" onderbrak hij me. "Ja, maar laat me eerst over die afwijking vertellen", zei ik beslist. "Het is bijna zomer en in die krant stond een artikel over Zwarte Piet. Over dat voorval met die protestbeweging. Noem ze maar de pro-pieten. Die hielden op de autostrade een andere beweging tegen. Dat waren eigenlijk de anti-pieten en die wilden in de stad tegen Zwarte Piet betogen. Volgens de rechtbank mocht de ene groep de andere niet tegenhouden en nu moeten de pro-pieten voor het gerecht komen." "Ik ben benieuwd waar dit naartoe gaat", zei mijn kameraad, terwijl hij een flinke slok van zijn pilsbier nam.   "Kijk", ging ik verder, "ik kan er gewoon niet tegen dat ze het nu, toch bijna zomer, in de krant over winterse toestanden hebben. Dat rijmt niet. Ik wil nu niets over Sinterklaas lezen. Dat is voor na de zomer. Wacht, nog een voorbeeld. Ik verdraag in de zomer ook niet dat ze op tv een winterse serie uitzenden. Ze moeten een beetje respect voor de seizoenen hebben. Nu wil ik op tv mensen met een t-shirt zien, of personen die zoals ons buiten op een terras zitten." Mijn vriend had ondertussen een nieuw rondje besteld. Voor hem was het een koffie. "Of wintergroenten", ging ik verder. "Die eet je toch ook niet in de zomer." "Tja, ik ben daar eigenlijk niet zo mee bezig", antwoordde hij, terwijl hij zijn handen aan zijn tas koffie opwarmde. "Ik eet gewoon waar ik zin in heb. Maar wat ik wel weet", zei hij op zijn beurt beslist, "is dat ik het aardig fris begin te krijgen. Volgens mij komt dat van jouw winterse verhalen. Je kan misschien beginnen met minder Hollandse gazetten te lezen. Daar word je precies niet vrolijk van." Ik zag nu ook dat de zon al achter de huizen was gezakt. Op mijn blote benen begon ik kippenvel te krijgen. En mijn glas bier voelde ijskoud aan. Gelukkig was er binnen nog plaats. Naast de verwarming.

Rudi Lavreysen
0 0

geloof

  “Ik vraag me af of ik je nog wel alleen kan laten met de kinderen”, zei ze, en trok de deur achter zich dicht. De afdruk van haar gezicht bleef enkele tellen hangen.Gespeelde verbijstering. Onmiskenbare voldoening.Juf Marleen. Of ik je nog wel alleen kan laten met de kinderen. De woorden echoden in mijn hoofd. “De kinderen”, dat waren een dertigtal acht jarigen waarvan er ik die middag twaalf onder mijn hoede had.Ik, de tweeëntwintigjarige leerkracht in opleiding. Sedert een week was ik begonnen aan mijn eindstage in de dorpsschool waar ik zelf tot mijn tiende school had gelopen. Het was in de maand mei. De maand waarin het merendeel van de achtjarigen hun Communie doen. Althans, in een katholieke school als deze. En dit jaarlijks evenement dat qua belang zowat gelijkstond aan het schoolfeest, vroeg voorbereiding. Een tweewekelijkse wandeling naar de dorpskerk en dan het toneeltje repeteren, onder het toeziend oog van klasjuf Marleen, in dit geval ook de godsdienstjuf. Een berisping nooit veraf. Drie verwittigingen en straf schrijven. Maar wel allemaal mooi en blij lachen op de heuglijke dag en vooral op de gezamenlijke foto.Twaalf ongedoopten deden niet mee aan het feestje en bleven samen met mij op school. “Laat ze maar binnen blijven in de klas. Geen communie? Dan moeten ze maar werken als wij gaan repeteren.” En zo vertrok de twintigkoppige processie, hun leider voorop, onder een stralende lentezon, terwijl ik de bundeltjes met taken uitdeelde aan de ongelovigen. Na een halfuurtje waagde er één het te vragen: “Juf, mogen we muziek opzetten?”Ik ben een ramp in namen onthouden maar je hebt van die kinderen waarvan je de naam meteen kent, omdat hun juf die voortdurend, vaak kwaad of geërgerd, herhaalt. Dit was er zo eentje. Sammy. “Waarom ook niet”, dacht en zei ik spontaan. Gejubel in de klas. Sammy zette de CD speler aan. Er klonk een rapnummer.“Juf, mag ik tonen hoe ik dans?”Ik dacht aan al die keren dat de naam Sammy op kwade toon door het klaslokaal galmde en aan die stoet kinderen buiten in de zon en zei: “Dat is goed.” Een glunderende Sammy smeet zich letterlijk en gaf een breakdance demonstratie, aangemoedigd door de rest. Plots een hoofd in het deurgat. De poetsvrouw. Die lawaai had gehoord en kwam kijken wat er was.En toen kondigde de bel de speeltijd aan. Nadien waren de anderen weer terug in de klas. Juf Marleen nam me op het eind van die middag nog even apart. De poetsvrouw had “het” haar verteld. En dat ze zich afvroeg of ze me nog alleen kon laten met de kinderen.De kinderen.En ik die me vijftien jaar later afvraag of ze nog steeds dansen.  

Vanessa Daniëls
51 0