Lezen

Brief voor bie.

Lieve bie   Over feiten en gevoelens.   Samen hebben we een lange weg afgereisd naar het onbekende. Maar wat wetend is voor ons, is voor jouw niet meer. Graag zou ik je wat vertellen voor ik je kan loslaten. Op die manier heb je ook mij verlaten. Want drie keer huilen en het was klaar. We konden niks meer doen voor jou.   Toen we het goede nieuws kregen dat je meekon op vakantie, lag jij onder narcose te slapen. Het was een kinderdroom die uitkwam. Maandenlang heb ik vol vertrouwen, spanning en moed uitgekeken naar ons moment. Jij had niks door. Eens vertrokken was ik ervan overtuigd dat alles goed zou komen. Hoe dan ook, je hebt het fantastisch gedaan. Wanneer het minder vlot ging of de nacht te donker werd hadden we troost aan elkaar. Je keek me aan met die ondeugende blik en ik hief je op het bed, dan had je rust. Sorry dat ik dit vergat, je was tenslotte ziek.   Wanneer ik iets laat vallen, zeg ik het nog steeds; “Sorry, bie.” Als ik in de zetel lig en mijn gedachten dwalen af, lijk je nog steeds met mijn voeten te willen spelen. Of ik een trui neem en er nog haartjes in blijken te prikken, dan wil ik hem niet meer wassen. Soms was ik moe, soms was jij moe. Sorry als ik daar geen rekening mee hield. Weet je nog, zo geschrokken toen je door het vliegenraam ging van de camper terwijl de pan viel. Je stond daar met je staart tussen je benen, bleef plichtsgetrouw staan en kwam terug naar mij. Toen hief ik je op het bed, zoals wij waren.   Jouw gedachten kon ik niet verwoorden, je stem kon ik niet vertellen. Ik dacht het gevoeld te hebben maar wie ben ik om te oordelen over het einde. Geen idee of ik een strijder zou zijn. Voor ons avontuur was ik soms verdwaald, soms heb jij de weg verloren. Maar samen zijn we door onwerkelijke en bewogen momenten gegaan. Wat ben je toch een sterke meid, heen en weer naar de dokters hopend op een positief bericht. Ook daar hief ik je op de tafel, weet je dat?   Er zijn nog veel vragen in dat stomend brein van mij, elk fragment uit welk scenario dan ook gaan voorbij. Maar toch, puur uit het hart denk ik dat je hebt gewacht, zodat wij terug samen thuis konden zijn. De leegte stond plots voor de deur, stilstaand draait de wereld door. De living heeft een lichtere tint, die salontafel zal niemand nog pijn doen en ik slaap nu niet meer alleen, hij had ook goed voor jouw gezorgd. Toch blijft het bed minder warm en is thuiskomen ook gewoon maar wat. Ze zeggen dat de huilbuien erbij horen, alleen weet ik niet of dat ooit nog over gaat.   Slaapzacht bie, mijn trouwste viervoeter.  

Lana
1 0

Het logboek van Joeri Primakov, kosmonaut aan boord van het ruimtestation MIR (deel 10)

Maandag, 12 maart 2012   Vandaag sprak ik voor de laatste keer met de basis. Ze hebben me ontslagen en wat hen betreft mag ik hier wegrotten. In tijden van nood kent men zijn vrienden! Gelukkig heb ik recht op een uitkering en moet ik daar (dankzij die communistische trut) geen stempeltje meer voor gaan halen!   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut     Dinsdag, 13 maart 2012   Niets noemenswaardigs te vermelden, buiten het feit dat ik (net voorbij de maan) geflitst ben.   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut     Woensdag, 14 maart 2012   Ik heb opnieuw een érg saaie dag achter de rug, laat staan dat ik nog weet welke dag het precies is. Vanmorgen zag ik een handdoek met het KGB-logo rondvliegen en ook mijn GSM moet hier ergens in de buurt zijn, want daarnet hoorde ik mijn ringtone (een huilende Chewbacca) doorheen het heelal weerklinken. Bij de aankoop van die Nokia werd me verteld dat je de maximale geluidsstand tot ver buiten de aardse sferen zou kunnen horen, wat ik nu enkel maar bevestigen kan.   Misschien was het Mariska, of mijn moeder ... Het valt te betwijfelen, want de eerste ligt in de armen van mijn baas en de tweede draait altijd het verkeerde nummer als ze me wil telefoneren. Ik heb tot op één cijfer hetzelfde nummer als Madame Blavatski, en als die wordt opgebeld, ben je gegaran-deerd enkele uren, dagen of zelfs weken kwijt!   Mij lijkt de tijd bijna rijp om het hier af te trappen, want de Doerak wordt constant door zware zonnewinden bestookt. Niet echt onoverkomelijk, ware het niet dat die heel erg kunnen stinken! Dit rudimentaire toestel naar aromatischere oorden loodsen, wordt (gezien mijn beperkte technische kennis) hoogstwaarschijnlijk een helse karwei. Mijn enige hoop ligt erin een inactief ruimtestation tegen te komen, dat deze capsule kan herbergen; niet zo onrealistisch, aangezien we hier de laatste jaren toch immens veel schroot gedumpt hebben!   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut  

Vince
0 0

Het logboek van Joeri Primakov, kosmonaut aan boord van het ruimtestation MIR (deel 9)

Zondag, 11 maart 2012   De laatste dagen ben ik door een heuse mentale hel gegaan, waardoor het voor mij onmogelijk was om verslagen te schrijven.   Ik bevind me nog altijd aan boord van de Doerak en ben op weg naar de asteroïden-gordel; een hachelijke onderneming, met een onvoorspelbaar resultaat! De basis heeft me de voorbije dagen enkele keren opgebeld, maar tot op heden is daar nog niets uit voortgekomen. Ik ben zelfs geschokt, vast te moeten stellen dat er nog geen enkele hulpactie opgezet is en het ziet er niet naar uit dat daar direct verandering in zal komen! Vooral omtrent de schuldvraag met betrekking tot het falen van deze missie, is een hartig woordje gesproken. De internationale pers heeft nu immers ook zijn tanden in deze zaak gezet, dus moet er een zondebok gevonden worden! Het lijkt er sterk op dat ik die twijfelachtige eer toebedeeld zal krijgen, aangezien gebleken is dat mijn perceptie van de feiten niet helemaal met de werkelijkheid overeenstemde ...   Die dreigende rode gaswolk boven Rusland, was eigenlijk niets meer dan een ongeluk-kig voorval tijdens de wedstrijd van Lokomotiv tegen Zoelte (die we trouwens zwaar verloren hebben). Het bagage-compartiment van de Belgische supportersbus (vooral met kranige oudjes gevuld) bevatte blijkbaar een immense hoeveelheid Bengaals vuur-werk en uiteindelijk is het hele boeltje de lucht in gevlogen! Naar het schijnt heeft het daarna nog dagen oude wijven geregend in Moskou!   De aanvaring met de satelliet is ook ter sprake gekomen en ik zal daar (binnen niet afzienbare tijd) schijnbaar drie dagvaardingen voor ontvangen; enerzijds van Proxirus, voor intentionele beschadiging van privé-eigendom (zijnde hun satelliet), anderzijds van de Russische staat, voor opzettelijke vernietiging van staatseigendom (zijnde de MIR) en tenslotte ook nog één van Poetin himself, voor het sluikstorten van een urinoir met zijn portret in de kosmos.   De pre-selecties van Eurosong zijn eveneens achter de rug, en uiteindelijk niet door Tattoe gewonnen. Bovendien bemannen die twee meiden nu mijn kamer in de militaire academie van Siberië, omdat ze het gewaagd hebben elkaar te tongzoenen op het po-dium (wat de jury kennelijk niet zinde).   De storing in de elektronische systemen van de MIR, waar alle ellende mee begon, werd eigenlijk veroorzaakt op de basis; een gegeven dat gegarandeerd in KGB-archieven zal verdwijnen! De nieuwe poetsvrouw (en tevens maîtresse van de baas) heeft per ongeluk enkel vitale kabels beschadigd met haar KGB-boenmachine. Het is echt betreurenswaardig dat ik door de stommiteit van een poetsvrouw zo goed als zeker ten dode ben opgeschreven, maar het werkelijke drama voltrok zich toen ik haar naam vernam: Mariska Poljakov.   Mijn Mariska!   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut  

Vince
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (5)

  Exit de Waymo. Ook andere vooruitstrevende plannen kenden geen succes. “De Opruimplicht van een Ganse Levensrotzooi” (vrij vertaald) en “Verplichte Euthanasie op 65 Jaar”, twee wetsvoorstellen ingediend door de Partij van de Jongeren, haalden het niet. De Seniorenpartij was er vanzelfsprekend niet voor te vinden en de immobiliënlobby had lange armen, waarmee ze tastten konden, in de pels van zilveren luizen, in de buidels van die lamme kangoeroes met gouden vacht. De middenstand regeerde het land, had zijn geld belegd in vastgoed, woonblokken voor een grijze generatie die zich vasthield aan wat herinneringen, zich vergaapte aan dagelijkse kots, de dyslexie van papegaaien in een kooi en de kookprogramma’s van een keukenrobot.   De man met de pingpongblik rochelde alsof hij wat kleverig slijm zocht voor zijn loszittende oogbollen. We reden frietkot De Bosbrand voorbij en wat verder lag Kinepolis. Daar zou hij de sporttas met daarin de vele brillen vastgrijpen en voorzichtig optillen. Hij ging de bus verlaten, langs zijn vaste weg in de richting van de ingang stappen, zijn gruwelpasje laten zien, uit de automaat een emmer popcorn met strooizout halen en doodalleen op de voorste rij plaatsnemen. De reclamespotjes voor vermeend genot en echte zoetigheden zouden niet tot hem doordringen. Hij was immers gekomen voor de horror, zijn ogen gingen straks snelle rondjes draaien rond hun as, als twee dolle planeten, elk op een breinaald gestoken door een zot. Het oppervlak was wit, met rode rivieren dooraderd, en de grote kraters, in elke bol één, waren overspannen met een levend vlies. Op het vlies groeiden grote kolonies fotocellen die gevoed werden met het bloed van gruwelbeelden.   In mijn achterhoofd hoorde ik eerst gegrinnik dat al snel overging in spottend gelach. Toen deze geluiden tot bedaren kwamen, sprak de man mij aan : “Dacht je echt dat daar horror vertoond wordt?” en zegde droogjes : “Als iemand uitstapt aan de halte Kinepolis op maandagochtend, dan is het een kuisvrouw en in het beste geval ook die kerel daar, hij die bij De Vrese de runderen elektrocuteert. Vandaag geen wreedaardigheden. Hij heeft die kuisvrouw leren kennen op deze bus en zal haar vandaag eens goed in haar kont neuken voor dat grote scherm.”   Ik zweeg, richtte mijn blik naar beneden, op de sporttas en vroeg mij af of zijn mond werkelijk bewogen had.       bladzijde vijf van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Stomdronken tromgeroffel en meer alledaagse strijkers

Strijkers in de poetshulpwinkel verheffen het dagelijks leven tot kunst. Er ritselt iets door de blaren van de overheidsambtenaar. Zal het vanavond gebeuren? “De vervolmaking van de wereld?” vraagt iemand nog. Maar het is al veel te laat. Er ritselt iets door de blaren van de overheidsambtenaar. In elke koffiefilter groeit nu een boompje. Een druivelaar scheert rakelings mijn kamervenster. In de stad hangt nog steeds die vervelende geur waarvan van niemand ooit de oorsprong heeft gekend. Vandaag staat het minder dan ooit in de sterren geschreven. Maar een houtwurm woekert in mijn dagelijkse krant. Enkelingen storten zich al ter aarde vanop zekere hoogte. Hun beenafstand meer bepaald. Maar goed, ik heb ze nooit anders gekend, de voortrekkers. Ze sleuren ons mee aan hun touw van eetbare zijde. Hoe meer volgers op het Facebookschip, hoe meer drenkelingen. In de klas durft een dapper maar overijverig jongetje een vraag te opperen. “Meester, wat gebeurt hier?” een schriel vingertje daadkrachtig het grote niets op zijn overgrote atlas aanwijzend. “Daar trekken we op excursie, mijn kind.” Hij kijkt nog even in het rond om meer vragen de wortel uit te knippen. Bartje zwaait trots met het schaartje in zijn handen. “Weet U meer, meester?” “Natuurlijk, daar zijn meesters voor, kinderen bij te leren.” “Kan ik dan mijn vrijheid terugwinnen?” vraagt kleine Bart. “Dan zal je door het venster moeten, vrees ik.” Bartje keek bevreesd naar de gekscherende druivelaar. Het leek alsof hij daadkrachtig een schriel vingertje naar hem uitstrekte. En Bartje trok de wereld in. Er was niets te groot voor kleine Bart. Alles leek wel op maat gemaakt door een goddelijke schepper. Aan zijn hand vond hij het dappere jongetje. “Mag ik mee naar de vervolmaking van de wereld?” “Laat mijn hand niet los tot ik het zeg.” antwoordde Bartje vastberaden zoals iedereen hem kende. Toen kwamen ze bij een enorm verkeerslicht. “Het …” Het dappere jongetje liet los. “Het is groen.” wou kleine Bart nog zeggen. Maar spreken kon hij niet meer. Overal waar hij kon zien was er bewustzijn.   Het dappere jongetje was verloren. Strijkers in de poetshulpwinkel verheffen het dagelijks leven tot kunst. Maar dat vond hij niet al te serieus. Hij keek op. “Mama, ik wil wijsgeer worden.”

Robijn Bodijn
26 0

Natascha en de pingpongspruiten (4)

  Rood, oranje, groen. Van Het Zand tot in Loppem zijn deze kleuren enkel nog ‘s zomers te bewonderen in perken en voortuintjes. Alle stoplichten op deze route zijn verdwenen, de kruispunten vervangen door ronde punten. De twee tunnels zijn gebleven, de verkeersrazernij evenzeer.   Heel even leek het een succes te worden, zelfsturende auto’s die volautomatisch reden en tegelijk, in lange slierten een veilige afstand hielden als gezinnen in een laan met Vlaams villa's.   Ikzelf heb mij nooit een dergelijke noch een degelijke auto aangeschaft. De nood aan eender welk summum van spitsvondigheid ontging mij zoals een aalput gespaard blijft van orkanen. Een rijbewijs had ik en heb ik nog altijd, maar ik huurde slechts sporadisch auto’s in landen met uitgestrekte toendra’s en steppes van verlatenheid of bij tijd en stond, telkens als het me weer eens te veel werd, kocht ik een wrak, vroeg een transit nummerplaat naar Mongolië aan en vertrok, met twee broden, vijf gedroogde vissen.   De zelfsturende automobielen (van het merk Waymo) staan nu in de musea der techniek, of zijn op schrootbedrijven samengeperst tot kubussen van onmacht. Vele ex-eigenaars van deze karretjes, de nerds van het eerste uur, zijn nog altijd in therapie. Deze vierwielers zaten vol met sensoren en camera’s, zelfs warmtegevoelige camera’s die het verschil zagen tussen een grote kei en een egel. Natuurlijk werden ze nooit geprogrammeerd om egels bewust plat te rijden en enkel grote keien te ontwijken, maar de overigen (have-nots, skinheads in kimono's, johnnies met getunede kia’s en andere spitsbroeders) kregen het al snel door, hoe de sensoren werkten en hoe ze die believers, de haves die niet meer op de weg hoefden te letten, voor de gek konden houden.   Je zag het regelmatig gebeuren. In zo’n Waymo zat dan zo iemand die ‘mee was met de technologie’. Hij zat er geconcentreerd op een schermpje te kijken, was al met zijn dagelijkse werk begonnen, dronk intussen wat koffie, at frieten met mayonaise of poetste zijn hagelwitte tanden. Een moderne vrijheidsstrijder,  stak hem wild voorbij en remde dan bruusk voor zo'n googlekarretje, waarna het abrupt stopte, gelijk een rolstoel die een stok in de achterwielen gestoken kreeg. De koffie of de mayonaise kwam op een toetsenbord terecht, de tandenborstel in een keel en de nerd kreeg door de overweldigende onmacht een psychotische aanval. Je zag zo'n Waymo dan vastgenageld staan aan het wegdek, terwijl de passagier (een bestuurder kon men het niet meer noemen) keelde achter een kunststofruit. De stemherkenning geraakte geen wijs uit het geroep en de passagier begon van woede op de ramen te bonken, terwijl de koffie, mayonaise, soms een goedkope champagne, langzaam overal binnendrong, via de randen van de toetsen f, u, c en k, tot diep in de circuits van al die elektronica.       pagina vier van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (3)

  Het is immer gissen en vergissen, maar mij verbergen voor de mensheid was me nooit gelukt. Overal waren er tekenen van de soort die zich over de ganse aardbol had verspreid.   Ook de kast waarin ik als kind kroop was door mensenhanden vervaardigd. Het was overal en altijd echt onmogelijk ze te ontlopen, die wezens met hun ‘beschaving’'. Nadat dat woord mij eenmaal aangeleerd was, zou ik er telkens kippenvel bij kregen als ik het hoorde, niet alleen omdat het zo breed was en ik het niet ingevuld kreeg, maar ook ook omdat het meer en meer een nare bijklank kreeg.   Een kleerkast was het geweest en ook een kleerkast van een man die de boom had omgelegd of misschien waren er meerdere nodig geweest. De timmerman, die was minder struis van postuur geweest en de chauffeur van de vrachtwagen een nog kleinere man omdat hij langs vele treden uit zijn cabine moest kruipen. Eerst trok hij zijn stofjas recht, het blauw van duiven glad en terwijl hij naar het achterberd van zijn Magirus liep, had hij een paar keer in zijn handen gewreven, alsof hij zo wat naarstigheid zou loskrijgen in armen en vingers. Hoe de kast op die zolder geraakt is weet ik niet, wel dat nu de lucht boven de bus volledig toetrok. Het werd grijs met grauwe vlekken.   Eenmaal het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw voorbij, was hij er blijven liggen, de hand van de monteur op de bil marsepein. De matte kleur van haar lippen was nog niet veranderd en toen we het donkere gat van de brug onder de spoorweg naderden, duwde ze de hand weg. Dat ze dan toch geen koppeltje waren, me dunkte, want hij trok een gezicht als dat van een zwerver die een ondankbare straathond had gestreeld.   Het was een donkere tunnel. De lichten die bij nacht van deze tunnel een gele koker maakten, sprongen niet aan bij duisternis na zonsopgang en ik had die ene kerel niet zien opstappen, die met zijn nerveuze blik. Toen we de tunnel weer uitreden, naderde hij, zette een sportzak neer.  Echt vreselijk dicht kwam hij niet, greep in de bocht de grijze buis vast waarop een blauwe drukknop met de letters ‘stop’ gemonteerd was. Hij stond daar als een kermisconducteur op een draaimolen en zijn ogen schoten van links naar rechts als bij een toeschouwer van een pingpongwedstrijd. Het leek hem blijkbaar niet te deren dat de balwisseling eeuwig zou blijven duren, terwijl er aan alle kanten niet veel meer te zien was dan geparkeerde auto’s, regendruppels op de ramen en binnenin de bus hoofden van wegkijkende wezens. In zijn sportzak staken meerdere brillen. Een duik-, een 3D-bril, één met positieve dioptrie en een vergrootglas voor het bekijken van fotonegatieven. Over de kleur van de pingpongballen moest ik nog nadenken.     derde bladzijde van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0