Lezen

De vermiste sok had een relatie.

  ‘Dit kan niet!’ riep de wanhopig verdwaalde sok tussen de wasmachine en droogkast. ‘Hé, ho!’ riep hij met een piepstemmetje naar Tom die de wasmachine leegde om vervolgens het gewassen goed in de droogtrommel te proppen. Het vuil goed werd achteloos in de wasmachine gedropt met een heleboel zeep. De verdwaalde sok was in de pijp van een broek blijven zitten tot Tom de broek uitschudde. Na een succesvolle vlucht belande de sok geruisloos achter de wasmachine. Een grote zakdoek en een poppen-sok zagen hem in hun nabijheid landen. Sokkemans rekte zich uit en trachtte zo hard mogelijk te brullen:  ‘Tom! Luiwammes! Kijk toch uit je doppen! Weet je wel dat ik een relatie heb? Ik ben een eerlijk getrouwd man! Mijn vrouw en ik passen perfect bij elkaar en jij… ja jij! Jij bent een spelbreker, een huwelijksbreker! Stuk onverantwoord verdriet. IK WIL HIER UIT!’ De zakdoek stak twee punten in zijn denkbeeldige oren.  ‘Hemeltje wat een herrie! TOM HOORT JE NIET, koppige ezel! De poppen-sok keek Sokkemans droevig aan.  ‘Jij bent je partner kwijt en ik mijn mama. Kan jij me naar mijn mama brengen? vroeg ze met een zielig stemmetje. Sokkemans blies zich op als een geschrokken pad.  ‘Welja, waarom niet? Dat kan er nog bij! Een zakdoek met zoveel gaatjes dat je door een Gruyère kaas snuit en een moederloos wicht dat heel de tijd loopt te dreinen. Zijn jullie nu helemaal?’  ‘We kunnen elkaar helpen,’ bromde de zakdoek.  ‘Ja, ja, jaaa, helpen. Poppemie mist me waarschijnlijk verschrikkelijk! Sokkemans trok een pruilmond – voor zover dat lukte –bij gebrek aan strekbare polypropyleen tussen het garen keek hij eerder zuur.  ‘Hoe denken jullie hieruit te komen?’  ‘Wel…we hadden al een plannetje…maar daarvoor hadden we een groter kledingstuk nodig, Poppemie is te kort. Met jou…mmm…ja met jou kan het lukken.’ De sok van Poppemie keek aandachtig naar Sokkemans, die deed alsof hij niets zag. Na een aantal minuten schoot hij toch uit zijn slof-loze pantoffels.  ‘Heb ik wat van je aan, Poppemie?’  ‘Oh nee! Het zou te groot zijn, maar…ik vraag me af…ben je wel soepel genoeg?’  ‘Soepel? Voor wat?’  ‘Poppemie, als je het niet erg vindt leg ik het verder wel uit aan onze vriend.’  ‘Veel succes,’ klonk het hoge stemmetje.  ‘Wel,’ begon de zakdoek, ‘elke week wordt er tweemaal gereinigd. Als we ons allemaal in het hoekje proppen kunnen we misschien de dweil te pakken krijgen. De vraag is: Ben jij soepel en sterk genoeg om de dweil te pakken te krijgen en ons mee te trekken?’  ‘Waarom zou ik jullie meesleuren?’ Poppemie draaide zich om en zat treurig op haar hiel te zuigen in een hoekje. Boos keek zakdoek naar Sokkemans.  ‘Ben je nu tevreden, harteloze sok?’ Sokkemans hoorde Poppemie snikken en keek beschaamd naar de vloer. Aarzelend kwam Sokkemans op zijn woorden terug.  ‘Het is geen slecht gedacht…ik ben misschien wat snel geweest…het klonk behoorlijk egoïstisch.  ‘Dat je dat maar weet!’ klonk het strijdvaardig hoge stemmetje. De zakdoek haalde zijn hoekpunten op.  ‘Ze is snel overstuur, jong hé…’  ‘Ach ja,’ zuchtte Sokkemans zo zijn we allemaal geweest. Sorry, voor mijn gedrag van daarnet… Hoe wil je het aanpakken?’ De zakdoek liet een glimlach vol gaten zien. Sokkemans proestte het uit.  ‘Sorry, sorry… ik wilde je niet…’  ‘Uitlachen?’ zei de zakdoek vermaakt. ‘Natuurlijk! Lachen ontspant en laat relativeren. Ze werden alle drie opgeschrikt door een gezoem en even later het gerammel van een emmer met daarin een schoonmaakmiddel, een dweil en aftrekker. Tom kwam slechtgehumeurd het washok binnen.  ‘Verdomme, teveel zeep! En Mies maar zeuren… Dat is nog het ergst!’ Plots kwam een tsunami van zeepsop in hun richting aangerold. Sokkemans wist nog snel een sprong te maken en belandde op de top van de golf die zich al terug trok. De zakdoek bleef met één van zijn gaten hangen in de aftrekker en zwaaide Poppemie in een grote boog naar Sokkemans toe. Sokkemans klemde Poppemie dicht tegen zich aan en liet zich meevoeren met het water.  ‘Ach, die waren we kwijt…en het sokje van Poppemie…wat zal die blij zijn. Tom viste ze beiden uit het water en legde hen bij de te wassen sokken. Sokkemans glimlachte tegen Poppemies sokje en zuchtte gelukkig tot hij een schelle stem hoorde:  ‘Daar heb je die natte sok van een vent! Nog wel met iemand anders kinderen…’ Sokmans keerde zich blij verrast naar zijn vriendin.  ‘Mijn liefste voetgenootje…’ Zijn stem stierf weg, naast zijn sok-genootje lag een nieuwe witte stoere sok met de tekening van een panter. De panter-sok draaide zich naar Sokkemans en vroeg dreigend:  ‘Ken jij mijn vriendinnetje?’ Het ‘vriendinnetje’ haastte zich om te antwoorden:  ‘Een oude sok uit een ver verleden en een vreselijke zeur, niet eens de moeite waard om je druk te maken.’ Tot in het diepst van zijn ziel geschokt merkte Sokkemans niet eens dat Tom de oude zakdoek naast hem legde.  ‘Wat ging er mis?’ vroeg de zakdoek buiten adem. Van zijn sokken geblazen antwoordde Sokkemans: ‘Voor ik vermist was had ik tenminste een relatie.’  

Fanny Vercammen
0 0

Opdracht 5: toepassen van meervoudig personaal perspectief op één scéne. Haddie

Opdracht 5: toepassen van meervoudig personaal perspectief op één scéne. Haddie   De tekst is herschreven vanuit het personaal perspectief van mijn oudste zus, in de derde persoon.  Kaatje is de oudste in een gezin van zeven kinderen. Ze is net zestien geworden. Ze is groot voor haar leeftijd. Ze steekt met kop en schouders uit boven haar broers en zussen. Kaatje haat haar naam, zeker zoals de mensen uit het dorp hem uitspreken. De aa wordt een lange au. Op school spreken de vriendinnen over de liedjes die ze gehoord hebben op radio Veronica. Bij Kaatje thuis staat de radio enkel op om naar het nieuws te luisteren en op zondagnamiddag naar het programma ‘opera en belconto’.   Kaatje houdt van Adamo en Cliff Richard. Terwijl  haar moeder boodschappen doet, zet ze stiekem radio Veronica op. ‘Oh Katy, Katy’, zingt Marc Aryan.  Ze is op slag verliefd.’ Katy’, zo wil ze voortaan heten. Het liedje blijft de hele dag in haar hoofd spelen.  Ze zeurt bij haar moeder om voortaan elke zaterdagnamiddag naar  de nieuwe hits op de radio te mogen luisteren. Ze heeft nog geen antwoord gekregen. Ze weet dat haar moeder vreest dat die moderne muziek een slechte invloed op haar zal hebben. Hoe kan ze uitleggen dat ze er juist vrolijk van wordt. Maar vrolijkheid is geen eigenschap die haar moeder hoog inschat.   Op een dag komt Kaatje thuis. Ze hoopt dat haar moeder nagedacht heeft over haar vraag en dat ze toestemming zal krijgen om op zaterdagnamiddag naar de radio te luisteren. ‘Kaat’, zegt haar moeder, ‘ik heb je ingeschreven in het Marialegioen, elke zaterdag van twee tot vier’. ‘Waar is dat Marialegioen?’, vraagt Kaatje argwanend. Ze denkt aan radio Veronica. ‘In de kapel’, antwoordt haar moeder, ’er zullen ook andere meisjes zijn’. ‘Meisjes die ik ken?, vraagt ze. Ze vertrouwt het nog steeds niet. ‘Dat zal je zaterdag wel zien’, zegt haar moeder.      

Haddie
0 0

Opdracht 4; herwerken openingsscène en uitbreiden met drie scènes. Haddie

Opdracht 4. Herwerken openingsscéne en uitbreiden met drie scénes. Haddie   Openingsscène herschreven. Haddie   ‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes mijn hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein. Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen. ‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud. Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens.  En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb. “Een glaasje water graag’, bestel ik.  Dat zal helpen tegen die droge mond. Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden en ervan kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien. Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik,  maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.  Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag . Straks moet ik nog overgeven. Ik weet ondertussen wel dat de rede soms niet opgewassen is  tegen het gevoel maar ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.   Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer iemand binnen die ik moet begroeten.  ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren.  Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren. Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk. Ik heb hen de fakkel niet doorgegeven. Soms kan ik niet geloven dat het me gelukt is.  ‘ Zal het lukken mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar. Het koffiehuisje raakt stilaan vol.  Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.   Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen. ‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.   De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen.  De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang. Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn nu op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen.  Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden. Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef. Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk:    Beste familie en vrienden,   Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed . Ik schoof een stoel bij.  Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof.  De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien. De glazen kast vol poppen in de woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken. Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten? Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie. Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis. We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen. Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer  Maarten,  tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte. Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en uitzonderlijk in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen. En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen. Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van  een bezinningsgroep. Deze ‘gezinsgroep’ zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten. In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor…   Daar is gelukkig verandering in gekomen’.   Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten. Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg dan:   ‘Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend over de beproeving die ze doorstond daar vooraan, met alle ogen op haar gericht. Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven.  Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.  Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten. Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek  waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen. Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.’   Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen. Ze kennen de strijd. Ze vreesden een onverbloemd portret. Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.  Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer.     Vervolg opdracht 4: uitbreiden met drie scénes. Mijn tijdlijn is een verzameling van data, feiten en personen. Ik heb gekozen om er drie personen uit te lichten: mijn moeder, mijn oudste zus en de onderwijzeres van het zesde leerjaar. Dit is nodig om de latere scénes te kunnen begrijpen.     Mijn moeder beleeft in haar laatste levensjaren de gelukkigste van haar leven. Niets moet meer. Ze is niet meer goed te been en ze heeft de ziekte van Ménière, die het risico op vallen verhoogt. Het biedt haar een uitstekend excuus om zich niet meer buiten de deur te begeven. Haar wereld is gekrompen tot dertig vierkante meter. Ik vraag haar of ze het niet mist, de wereld daarbuiten en of ze geen zin heeft om zich eens te laten rondrijden. ‘Oh nee, daar heb ik geen behoefte aan’, haast ze zich te zeggen, ‘Ik heb genoeg aan mijn boeken en aan mijn kruiswoordraadsels. Ik verveel mij nooit.’ Mijn moeder leest bij voorkeur thrillers en detectiveverhalen, al gaat het lezen steeds moeizamer. ‘De dokter heeft gezegd dat het heel goed is dat ik mijn geest zo blijf trainen en dat ik zo goed blijf bewegen’, zegt ze trots, terwijl ze enkel wat over en weer schuifelt op haar dertig vierkante meter. Ze wil graag de dokter ter wille zijn. Gezagsgetrouw blijft ze tot haar laatste snik. ‘Als ik iets nodig heb, haal ik het zelf uit de kast’, zegt ze. ‘Mij niet gezien dat ik me laat dienen!’ Mijn moeder houdt er stiekem van om zich te laten dienen. Elke dag staat er een team klaar om haar te helpen. Haar eten wordt  gebracht, haar kinderen doen de boodschappen en onderhouden de tuin, waar ze trouwens zelden in komt. De dames van familiehulp helpen haar met het dagelijkse toilet en met de schoonmaak. Ik gun haar deze luxe. Ze staat in schril contrast met de levensomstandigheden in haar jonge jaren waar ze moest zorgen voor een groot gezin in een huis zonder de gemakken die nu vanzelfsprekend zijn. Een huis zonder badkamer, zonder wasmachine en met enkel een buiten-wc. Ik zie nog het beeld van mijn moeder op haar knieën, gebogen voor de kachel in de woonkamer, de enige verwarming in het huis. Elke ochtend maakte ze eerst de kachel leeg en schoon om hem daarna met papier en hout terug aan te steken en vervolgens de hele dag met kolen brandend te houden. Later kwam de continu-kachel die ’s nachts heel licht bleef smeulen en ’s morgens enkel moest opgerakeld en opnieuw bijgevuld worden.  De koperen kolenkit, die regelmatig in de kelder bijgevuld werd,  stond altijd klaar naast de kachel. Mijn moeder geniet op haar oude dag van een voor haar luxueuze situatie, met als belangrijkste element dat ze gevrijwaard is van alle sociale verplichtingen. En voor mijn moeder zijn alle sociale contacten, verplichtingen.   Dat was altijd al zo. Als ik tien jaar ben en mijn moeder bevraag over haar vriendinnen vroeger, zegt ze heel beslist: ‘Ik had geen vriendinnen’. ‘Met wie speelde je dan?’ vraag ik verwonderd. ‘Ik speelde met mijn pop’, zegt mijn moeder. ‘En met je broers en zussen dan?’, probeer ik nog. ‘Nee’, zegt mijn moeder, ‘Die speelden te wild. Ik breide poppenkleertjes en soms ook een trui’. Ze vertelt opnieuw het verhaal van de mooie trui die ze gebreid had en die ze vervolgens aan haar zus gaf omdat die de trui zo mooi vond. ‘Maar jij had daar al dat werk aan gedaan!’, zeg ik. ‘En dan’, zegt mijn moeder.   Mijn moeder praat bij voorkeur niet over zichzelf. Ze heeft het liever over haar familie. Niet over haar kinderen en kleinkinderen maar over de mensen uit haar ouderlijk huis. Ze is trots dat ze deel uitmaakt van deze familie. Ook al voelt ze zich de minste, iets van de mythische glans, die ze hen toebedeelt,  straalt ook op haar af. Denkt ze. Als mijn moeder anekdotes vertelt over haar vader en moeder en over haar broers en zussen, zit er dezelfde ondertoon in haar stem als in de stem van juffrouw Thérèse, als ze de verhalen vertelt over de Heilige Familie: Maria, Jozef, en Jezus.   Als ik tien jaar ben kan ik mij niet voorstellen dat mijn neven en nichten gewoon naar school gaan en de dagelijkse dingen doen die wij doen.   (In de definitieve tekst zal hier opvolgend een verhaal komen over de familie van mijn moeder)   Het fotoalbum Mijn broer Olav verzamelt foto’s en documenten over de familie. Ik ben op bezoek om zijn jongste kleindochtertje Mona te bewonderen, een schattig meisje van nauwelijks 3 kg. ‘Neem het fotoalbum gerust mee’, zegt hij, wijzend op het dikke, in rood leer gebonden boek dat op de tafel ligt. ‘We komen het deze zomer wel ophalen’, zegt zijn vrouw, Ingrid, ‘ Dan geraken we eens in Leuven.’   Het rood lederen fotoalbum is in twee delen opgesplitst. Het eerste deel is gewijd aan de familie van mijn vader, het tweede deel aan die van mijn moeder. Daar start ik mee. Ik bekijk zorgvuldig de foto’s van mijn jonge moeder. Ik ben op zoek naar oude sporen van het extreme gedrag dat haar later zo kenmerkt.   De zwartwit foto, tweeëntwintig op zestien cm, is genomen in de tuin van haar ouderlijk huis in de Albert Liénartstraat in Aalst. Het huis dat niet lang daarna zal gebombardeerd worden. De tuin is een typische ommuurde stadstuin met gesnoeide boompjes die langs de muren opgroeien. Vooraan, op een tapijt in het gras, zitten vier jongere broers en zussen van mijn moeder. Centraal op de foto staat een tuinbank. Aan de rechterkant zit mijn grootmoeder met haar jongste kind op schoot. Ik zie een mooie, fijngebouwde jonge vrouw. Het is haar niet aan te zien dat ze al tien kinderen gebaard heeft. Ze staan allemaal op deze foto. Naast haar zit haar oudste dochter, glimlachend naar haar jongste zusje op haar moeders schoot. Op de uiterste linkerkant van de tuinbank zit mijn moeder. Ik schat haar twaalf jaar. Ze laat een grote ruimte op de bank tussen haar en haar oudste zus, alsof ze zich wat distantieert. Dit effect wordt nog versterkt door de licht gebogen schouders. Ze heeft een donker kleedje aan met geruite kraag en manchetten. Haar handen rusten in haar schoot. Het hoofd met het donkere kroeshaar, uit haar gezicht gehouden met twee speldjes, is licht gebogen. Vanuit deze schuwe positie kijkt ze voorzichtig glimlachend in de lens. Achter de tuinbank staat mijn grootvader met zijn gezicht in de richting van de twee rechtstaande oudste zonen. Hij kijkt naar zijn jongste zoontje dat op de leuning van de tuinbank staat, gesteund door de oudste broer.  Daardoor staat mijn grootvader in profiel. Op deze en ook op andere foto’s lijkt hij sprekend op Freud.     Mijn kleindochtertje is anderhalf. Ze zit in de kinderstoel en houdt haar handjes voor haar ogen. Ze ziet niemand meer en ze denkt dat niemand haar ziet. ‘Waar is Finneke nu toch’ vraagt mijn dochter Marieke gespeeld bezorgd. Dan haalt ze haar handjes voor haar oogjes weg en kraait van plezier. Daar is ze terug! Ze had haar oogjes toe en was er van overtuigd dat niemand haar zag. Finneke is twee en ze begint te beseffen dat alleen haar oogjes sluiten niet voldoende is om niet gezien te worden.   Mijn moeder was een expert  in haar ogen sluiten. ‘Wat niet weet, niet deert’. Ze vertaalde het naar ‘ik ben niet nieuwsgierig’. De meest elementaire vraag: ’Hoe gaat het?’ heb ik haar nooit weten stellen. Als ik op bezoek kom en ik op mijn beurt wèl vraag hoe het met haar gaat, is haar antwoord er gewoonlijk een in de pluralis majestatis en een variant op: ‘We mogen niet klagen. We laten het hoofd niet hangen. We houden er de moed in.’   Mijn moeder is in de voorbije dertig jaar welgeteld twee keer bij mij thuis geweest. Ze bracht haar kruiswoordpuzzels mee en zat wat ongemakkelijk in de zetel te wachten tot ze terug naar huis kon. Ik nam haar mee naar de winkelstraat waar ze in hoog tempo door beende. Af en toe bleef ik staan voor een winkel waar ik inschatte dat de uitgestalde waar haar zou kunnen interesseren. ‘Ik heb niks nodig’, zei ze en ze stapte verder. Ik gaf het op om haar uit te nodigen en te gaan ophalen. Het was voor ons beiden een beproeving. Ze belde me ook enkel als ze een praktische mededeling had. Praktische mededelingen, die ons beiden aangingen, waren schaars.   Op een dag krijg ik telefoon van mijn moeder. Het is een paar maanden geleden dat we elkaar nog hoorden. Het gaat niet goed met mij en dan is mijn moeder het slechts denkbare gezelschap. Mijn moeder valt meteen met de deur in huis. ‘Ik  heb een nieuw telefoonnummer’ zegt ze ‘schrijf je het even op’. ‘Ik werd de afgelopen maanden regelmatig opgebeld en dan hoorde ik niks aan de andere kant. Ik was er toch niet gerust in’ vervolgt ze, ‘Katrien heeft er voor gezorgd dat ik een nieuw nummer gekregen heb.’ Het blijft even stil. Door de krop in mijn keel kan ik enkel wat onsamenhangende woorden uitbrengen. Ze haakt in. Ik merk in de week daarna dat ze 500 BF (nu zo’n 20€) op mijn rekening gestort heeft. Daarmee is de kwestie afgesloten. Er wordt nooit meer op terug gekomen. Wat niet weet, niet deert.   Ik vraag me af hoe ze omging met de aandoening van mijn vader, maar dat is een absolute no go area. Ik begrijp mijn vader wel steeds beter maar dat kan ik niet met mijn moeder delen.   In een interview met Adriaan Van Dis * vertelt Stephen Fry over een documentaire die hij maakte over bipolaire stoornis, een aandoening waarop hij zelf al op zijn veertiende gediagnostiseerd werd. Hij vertelt:   ‘Ik sprak met een voormalige kapitein-luitenant ter zee. Hij deed een zelfmoordpoging door onder een grote vrachtwagen te lopen. Die verbrijzelden zijn benen. Hij heeft me de littekens laten zien. Het was gruwelijk. Tweeën een half jaar lang werden zijn benen voortdurend terug gebroken door de orthopedist om ze dan met pinnen terug vast te zetten. Deze kapitein-luitenant ter zee keek in de camera en zei: ik wil dat je lezers en kijkers goed beseffen dat de pijn in mijn benen die ik na mijn zelfmoordpoging drie jaar lang doorstond, niets was in vergelijking met de pijn die me ertoe gedreven had een eind aan mijn leven te maken’    * voetnoot:  DWDD NPO1 8 maart 2018 'Hier is Adriaan Van Dis'   ‘We leven in een maatschappij met meer taboes dan een tijd geleden, de jaren van de vrijheid zijn voorbij’, zegt Rik Torfs  in een interview in Humo.* *Voetnoot: Humo nr.4035/01 van 2/1/2018 Hij heeft mijn moeder niet gekend. Wij,  Beatrijs, de koningin der taboes. Op die vooravond, aan de rand van haar bed, deed de pijnstillende morfine zijn werk. De prefrontale kwab liet steken vallen. Ze antwoordde me verrassend gewillig op vragen die vroeger onbeantwoord bleven.   Het is onbegonnen werk om op te sommen waar niet over gepraat kon worden. Uiteindelijk bleef over: het weer, haar familie, de gezondheidsklachten - enkel de hare en zolang ze niet te intiem waren -  het ophemelen van haar huishoudhulp en afkeurende commentaar op het gedrag van anderen en in het bijzonder op het gedrag van mijn oudste zus.   Mijn oudste zus Behalve mijn broers Olav en Maarten hebben we allemaal plechtige namen. Mijn oudste zus heet Katharina. Ze wordt Kaatje genoemd, een naam die ze op haar zestien belachelijk vindt. Ze wil voortaan aangesproken worden met Katy, naar de hit van het moment van Marc Aryan. Na een tijdje vindt ze ook Katy te kinderachtig. Ze kiest uiteindelijk voor Katrien. Het duurt een tijd voor iedereen er aan gewend is. Maar als we haar met haar oude naam aanspreken antwoordt ze niet. Mijn oudste zus krijgt voor haar zestiende verjaardag een dichtbundel met de titel ‘Mijn moeder was een heilige vrouw’, naar een gedicht van René de Clercq.   MIJN MOEDER Mijn moeder was een heilige vrouw - o daar ligt blijdschap in dien rouw - mijn moeder was heilig, en rein, en zoet als de melk van haar borst... O mijn moeder was  goed! En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar  wang, haar oogen al ziel en haar woorden al zang! Gij hoordet, gij zaagt haar, en vroegt, mijn vriend: ach, jongen, waar hebt gij zo'n moeder verdiend? En toch, gij wist nog niet half wat ze deed uit verborgen zorgen; hoe hard zij streed in de nederigheid van haar weduwsmart, met een roos op 't gelaat en een doorn in het hart! Haar kinderen schonk zij het brood uit haar mond, tot het laatste bloed uit haar warme wond.... Mijn moeder!... Zoete gedachtenis, beheers wat er goeds in mijn leven is!   Ze is verontwaardigd over zo’n ouderwets en stom cadeau. Ze droomt van heel andere dingen maar ze moet naar het Marialegioen en valt daar theatraal flauw. Tegen ons, haar jongere broers en zussen wijdt ze omstandig uit over de pijn van het langdurig bidden op de knieën en over de misselijkmakende geur van wierook. Ze hoopt dat dit haar vrijstelling geeft voor toekomstige bijeenkomsten van het Marialegioen. Mijn zus heeft weinig op met de devotie van mijn moeder. Ze verzet zich tegen diens pogingen om haar te behoeden voor de verlokkingen van het leven. Mijn zus wil leven en lachen, en voordragen. ‘ Langzaam gaat de trage man door de straten waar de matte stralen van de maan vallen.’ Ze leert ons, haar jongere broers en zussen, hoe het moet. De korte a moeten we uitspreken als o. ‘Longzaam gaat de trage mon longs de straten …’. Wij oefenen graag mee. Mijn moeder vindt het maar niks dat voordragen en ook niet het babbelgrage van mijn zus, die iedereen in het dorp kent en hen aanspreekt in de Waaslandse tongval. Misprijzend noemt mijn moeder haar ‘de gazet van het dorp’. Het verschil tussen moeder en dochter kan niet groter zijn. Mijn zus belichaamt alles wat mijn moeder niet kan, durft en wil zijn. Ze gaat daarmee in tegen mijn moeders devies: ‘Hou je onopvallend op de achtergrond’ De plaats op de voorgrond is enkel voorbehouden aan de mensen van haar familie. Onze plek is, samen met haar, op de achtergrond, in de milde schaduw van haar ouders en andere, in haar ogen gezaghebbende familieleden.   Het gebeurt niet vaak dat er volk over de vloer komt in ons huis in Melsele. Pascal is bij iedereen een graag geziene gast.  Hij brengt kleur in ons vlakke bestaan. Hij is fotograaf. Hij legt ons leven vast in zwart en wit. Hij komt voor mijn oudste zus. Mijn moeder is er blij mee, ze ziet in hem de gedroomde partij voor haar oudste dochter. Ze hoopt dat hij de geest wel terug in de fles krijgt. Pascal heeft flaporen. Het was ons niet opgevallen, maar mijn zus wel. Ze gruwt ervan. Ze behandelt hem heel koel. Ze heeft een vrijer in het dorp.    ‘Naar het volgende kerstfeest zal ik niet alleen komen’ vertrouwt mijn oudste zus me, veel jaren later, wat geheimzinnig toe. Ze doet haar uiterste best om de woorden van mijn moeder niet waar te maken. ‘Die geraakt nooit van de straat’, zegt mijn moeder terugkerend als mijn zus opnieuw komt aanzetten met een man die niet kan rekenen op haar goedkeuring. Het kerstfeest gaat door in de Gasthuisstraat waar mijn moeder naar verhuisd is na de dood van tante Madeleine. De bank kocht het huis in de Vredestraat en brak het af tot de laatste steen. ‘Dit is Jean-Pierre’ stelt mijn zus trots haar vriend aan me voor. Ik zie het al bij de eerste oogopslag maar ik wil de triomfantelijke overmoed van mijn zus niet kelderen dat ze kan ontsnappen aan de herhalingsdwang en aan de bepaaldheid van mijn moeders woorden.   Een paar maanden later ben ik op bezoek bij mijn moeder. ‘Katrien is terug alleen?’ vraag ik aan mijn moeder. ‘Ja, eindelijk. Ik begrijp niet, dat ze daar zo lang bij gebleven is’, zegt mijn moeder op die welbekende afkeurende toon, ‘Als een man je zo behandelt’. ‘Ik begrijp dat wel’ zeg ik. Mijn moeder schuift onrustig op haar stoel. Ik houd mij niet aan de regels van het spel en ondertussen weet ze dat ze me dit niet meer kan verbieden. Ik ben een spelbreker. Dit gesprek had als volgt moeten verlopen; Mijn moeder: ‘Dat begrijp ik niet, enz.’ Ik: ‘Ja, t‘ is niet te verstaan’. Mijn moeder: ‘Dan moet ze achteraf ook niet komen klagen.’ Ik probeer mijn moeder duidelijk te maken dat menselijk gedrag soms door andere drijfveren dan de rede gestuurd wordt. We bevinden ons op drijfzand. ‘Het gebeurt me ook altijd opnieuw dat ik verliefd word op een man die me niks te bieden heeft en waar ik terug afscheid moet van nemen, net als van mijn vader’, waag ik eraan toe te voegen. Mijn moeder is een afwerende, gestolde, zwijgende massa geworden.  De lucht tussen ons verdicht zich en slorpen de woorden op die in het bijzijn van mijn moeder volkomen misplaatst zijn. ‘Verliefdheid’ is zo’n woord en, ‘mijn vader’. Vermits ze al lang geleden gestopt is met iets te drinken aan te bieden als er iemand op bezoek komt, kan ze dit niet als vluchtweg aangrijpen. De winkelbel gaat. Mijn moeder woont in de Gasthuisstraat in een voormalig winkelpand. De winkelruimte vooraan gebruikt ze niet en heeft ze wat opgesmukt met zelf gebreide dieren en prullaria. Deze verder lege ruimte zonder bestemming vormt een buffer tussen de buitenwereld en haar leefruimte. Het is de gracht voor de burcht. De ophaalbrug kan desgewenst opgehaald, maar bij voorkeur neergelaten worden. Mijn broer komt binnen, de verlosser van het moment. Mijn moeder kan terug opgelucht ademhalen. ‘En, alles goed hier?, vraagt hij, terwijl hij ons onderzoekend aankijkt. ‘We mogen niet klagen’, antwoordt mijn moeder, nog voor ik iets heb kunnen zeggen.   Het zesde leerjaar Ik zie ze nog allemaal voor me, de juffen van de lagere school. In het vijfde leerjaar is onze juf een non. Zuster Remigia heeft een lief, blozend gezicht.  Halverwege het jaar verlaat ze ons. De directrice van de lagere school, die we Moeder Overste noemen, komt in onze klas. Dat is zeer uitzonderlijk. Ze vertelt  ons dat zuster Remigia ziek is en herstelt in een ander klooster. De aanwezigheid van Moeder Overste is zo imponerend dat niemand een vraag durft te stellen, bijvoorbeeld welke ziekte ze heeft en of ze dit jaar nog terug naar onze klas komt. Zuster Remigia komt niet meer terug naar onze klas.  Ze schrijft een brief waarin ze voor ieder van ons een attent woordje heeft. Een paar maanden later weet een meisje uit de hogere klas te vertellen dat zuster Remigia uit het klooster getreden is.   Juffrouw Thérèse is de onderwijzeres van het zesde leerjaar. De vrouwen van haar generatie moesten stoppen met lesgeven als ze trouwden. De oudere onderwijzeressen in onze school zijn ofwel nonnen ofwel ongehuwde dames. Jonge dochters worden ze genoemd. Juffrouw Thérèse is een jonge dochter op leeftijd. Als ze voor de klas staat zijn haar wenkbrauwen altijd gefronst. Haar rechter boventand staat ingedrukt op haar onderste lip. Het geeft haar iets verbetens. De hoofdtonen van juffrouw Thérèse zijn grijs en bruin, ook al zijn de aanbevolen kleuren van de school blauw en wit, de kleuren van de maagd Maria, die ons tot voorbeeld moet strekken. Onze schorten zijn blauw en wit geruit,  onze plooirokken zijn donkerblauw, net als onze blazers, jassen en truien. De bloezen en kousen mogen wit zijn. Er zijn twee zesde klassen. Juffrouw Rosa leidt de andere klas. Ze is van dezelfde leeftijd als juffrouw Thérèse. Haar hoofdkleur is oudroze. Als we in de rij staan te wachten om naar onze klas te gaan, spreken ze Frans met elkaar. In hun jonge jaren was het onderwijs Franstalig. In het boerendorp waar we wonen is dit de enige mogelijkheid om deze vaardigheid te oefenen. Dat wij hen dan niet begrijpen, is mooi meegenomen.   Juffrouw Thérèse heeft zich tot missie gesteld om de jeugd te behoeden voor ijdelheid en zelfoverschatting.  Ze gebruikt graag het woord ‘hovaardigheid’. Daar zal ze ons van verlossen. Daarvoor neemt ze elke gelegenheid te baat om ons eraan te herinneren dat we niks voorstellen, niks kunnen en niks weten, ‘ook al zitten jullie nu al in het zesde leerjaar’, voegt ze er aan toe. Het komt niet in ons op om haar er op te wijzen dat haar onderwijs dan wel jammerlijk gefaald heeft.   Er is een uitstap gepland: met de bus naar het zwembad in Sint-Niklaas. Ik kan niet zwemmen en ik heb ook geen badpak dus ik blijf samen met nog een paar meisjes, die elk hun eigen reden hebben om niet mee te gaan naar het zwembad, achter bij juffrouw Thérèse in de klas. We krijgen rekenoefeningen. Ik had gehoopt op iets vrolijker, iets wat meer in de lijn van het zwemuitstapje. Ik stel me voor hoe mijn klasgenootjes zich vermaken, eerst in de bus – naast wie zou Linda zitten? -  daarna spelend in het water en daarna met een flesje chocolademelk in de hand. Het rekenblad blijft onaangeroerd. Juffrouw Thérèse kloft door de klas. Haar schoenen lijken een maat te groot. Bij elke stap dreigen ze uit te vallen. Ze ziet mijn leeg rekenblad.  Zelfs zonder naar haar te kijken weet ik hoe ze kijkt. De gefronste wenkbrauwen, de tand die wat dieper boort in de onderlip. Ik ben geen held. Ik ben opgevoed  tot strikte gehoorzaamheid, een grote deugd volgens mijn moeder en volgens juffrouw Thérèse.  Mijn oudste zus wordt thuis dagelijks opgevoerd als voorbeeld hoe het niet moet. In onze klas is het Rita Verstappen die deze niet benijdenswaardige rol speelt. Soms moet ze helemaal alleen achteraan in de klas gaan zitten, soms vooraan op haar knieën op de trede met een boek op haar hoofd. Om te leren stil zitten. Dat leidt tot hilarisch taferelen waarbij sommige meisjes hun lach niet kunnen inhouden en juffrouw Thérèse steeds bozer wordt. Juffrouw Thérèse staat naast mijn bank. Juffrouw Godelieve van het vierde leerjaar rook naar eau de cologne. Juffrouw Thérèse ruikt muf en vreugdeloos. Er is een kortsluiting in mijn hoofd. De cijfers dansen en springen op en neer, ze zwemmen! ‘Komt er nog wat van’, klinkt het naast me. Ik kan niet geloven dat ik mezelf hoor zeggen: ‘Nee’.  Als door een wesp gestoken springt Juffrouw Thérèse op. ‘Alsof je deze extra oefeningen niet nodig hebt.  Deze hovaardij zal ik je wel eens afleren!’, roept ze door de klas. Het komt vanuit mijn middenrif in schokkende bewegingen. Ik kan het niet tegenhouden. Ik slik en slik, ik trek mijn spieren samen, ik buig naar voor, ik probeer mijn adem in te houden. Het helpt niet, mijn hele lichaam schokt. ‘Ga naast je bank staan en je mag pas terug gaan zitten als je gestopt bent met deze belachelijke vertoning’, zegt ze. Ze kijkt me koud en kwaad aan. Ik sta lang naast de schoolbank. De andere meisjes zijn doodstil en buigen het hoofd boven de rekensommen. Juffrouw Thérèse is oppermachtig, ze wint de strijd. Ik krijg, na een bovenmenselijke inspanning, het uitstulpende verdriet ingeslikt en afgegrendeld. Het wordt een levenswerk om dat middenrif terug ontgrendeld te krijgen.

Haddie
4 0

De koning van de plantrekkers

Nadat het oude systeem van de partijdemocratie op bloederige wijze op zijn grenzen was gestoten, besloot de Europese Unie in 2020 om de soevereiniteit van haar deelstaten op te heffen en de verkiezingen af te schaffen. Emoties hadden het democratisch proces verziekt en moesten uit de politieke besluitvorming worden gebannen. Er werd een technocratisch regime geïnstalleerd. De Europese maatschappij zou voortaan door specialisten uit alle takken van de wetenschap worden geleid. Efficiëntie en langetermijndenken stonden voorop. De snelheid waarmee radicale beslissingen werden doorgedrukt riep aanvankelijk veel verzet op. Maar schreeuwerige amokmakers werden gauw gevangengezet en toen de positieve effecten van het beleid duidelijk werden, volgde de aanvaarding. Enthousiasme zelfs. Eén van de meest ingrijpende veranderingen was de ruimtelijke ordening. Vlaanderen werd een eerste testcase. Het was een regio die helemaal verkeerd was gebouwd en die drastisch hertekend moest worden. Het was de bedoeling om de bevolking te concentreren in een agglomeratie tussen de oude steden Brussel en Antwerpen. Dit werd in latere decennia een deel van wat we nu kennen als CEA (Centraal-Europese Agglomeratie). Het gebied ten westen van de Schelde werd ontvolkt. Er werden een aantal grote landbouwbedrijven gevestigd en enorme bossen aangeplant. Natuurlijk wilde de bevolking zich hier niet zomaar naar schikken. Maar terwijl de agglomeratie door toedoen van de economische veranderingen begon te floreren werd de energietoevoer naar het gebied stopgezet en het internet afgesloten. Er werden grote appartementsblokken neergepoot aan de rand van de agglomeratie. De comfortabele flats werden gratis aangeboden aan de inwoners die het gebied wilden verlaten. Dorpen en steden werden met de grond gelijk gemaakt om plaats te maken voor wouden. Historische gebouwen in steden als Ieper, Kortrijk en Brugge werden afgebroken, vervoerd en steen voor steen weer opgebouwd in een museumpark zo'n honderd kilometer verder. Na een vijftal jaar was het ontvolkingsproject quasi voltooid. Er bleven nog wel een aantal kleine gemeenschappen achter, maar die werden met rust gelaten. Ze waren met zo weinig dat ze niet in de weg zaten en waarschijnlijk zouden ze uiteindelijk wel bijdraaien. De 'plantrekkers', zoals ze werden genoemd, weigerden mee te stappen in het nieuwe verhaal, pasten zich aan het leven in de bossen aan en legden de weg van de geschiedenis in omgekeerde richting af. Gedurende de daaropvolgende decennia ging hun aantal verder achteruit en raakten ze volledig geïsoleerd. Niemand wist nog met hoeveel ze waren of hoe ze leefden. Wel deden allerlei geruchten de ronde over geweld, incest en vreemde rituelen. De plantrekkers werden beschouwd als wildemannen, waar je best niet mee in aanraking kwam.   Maar ik zou ze wel gaan ontmoeten. De Raad voor Infrastructuurwerken had beslist dat een stuk van de Leie verbreed moest worden om grotere vrachtschepen door te kunnen laten. Een kleine groep plantrekkers die in een schamel dorp langs de rivier woonde stond dit in de weg. De landmeters en ingenieurs konden niet met hen communiceren. De wilden spraken nog het West-Vlaamse dialect dat honderd jaar geleden uitgestorven was. Als specialist Oude Dialecten, werd ik opgeroepen om als tolk dienst te doen.   Ik was tegelijk opgewonden en bevreesd over deze missie. Ik had het West-Vlaamse dialect bestudeerd als een dode taal. Ik las teksten, beluisterde audio-fragmenten en bekeek videobeelden. Ik kende de grammatica en de woordenschat van elke lokale variant. Maar de taal spreken deed ik enkel als een ludiek spel tijdens feestjes met mijn collega's van de faculteit. Maar meer nog dan voor mijn eigen mogelijk falen, was ik bang voor de plantrekkers zelf, de halve wilden die ik zou gaan ontmoeten. Ik kon me geen voorstelling maken van wat me te wachten stond. Ik besloot mijn audio-recorder mee te nemen. Als ik opnames kon maken van het West-Vlaams dat heden ten dage gesproken werd zou dat van onschatbare wetenschappelijke waarde kunnen zijn.   Het verwonderde me dat we deze opdracht met zijn tweeën zouden gaan doen. Ik had een groot team verwacht, met enkele soldaten om ons te beschermen in geval van problemen. Maar in het kleine voertuig met rupsbanden dat ons ter plaatse zou brengen was enkel plaats voor de ingenieur en mij. De ingenieur, een mager mannetje in grijs uniform, probeerde me gerust te stellen. 'Ik begrijp dat het de eerste keer is dat je plantrekkers zal ontmoeten. Je hoeft niet bang te zijn. Ze zijn een beetje vreemd, maar ongevaarlijk. Ik heb dit ding mee voor als het toch zou mislopen.' Hij schoof zijn jasje een beetje opzij en toonde het stroomstootwapen in de holster die hij op zijn borst droeg. Hij voerde de coördinaten in en het voertuig vertrok.   Na een rit van anderhalf uur door het woud bereikten we onze bestemming. Het voertuig stopte bij een klein kerkhof aan de rand van de rivier. We stapten uit. Het was drukkend warm. Voor één van de houten kruisen zat een sjofel geklede, oude vrouw in zichzelf te praten. We waren haar al tot op een tiental meter genaderd toen ze ons opmerkte. Haar gezicht was bruin en gerimpeld. Van onder haar blauwe muts bleef ze ons een paar tellen verschrikt aanstaren. Toen greep ze haar krukken en sleepte ze haar kwabbige lichaam in de richting van de houten hutjes even verderop, terwijl ze dierlijke kreten uitstootte. Met rustige tred volgden we haar. Vanop een afstand zagen we hoe ze zich bij een groepje even armoedig uitgedoste figuren voegde die onder een groot zeil tussen de bomen de schaduw hadden opgezocht. Zwaaiend met haar krukken deed ze verslag over wat ze net had gezien. Een drietal stond op en kwam onze richting uit. De ingenieur tastte onder zijn jasje. Zijn gezicht verbleekte. 'Shit. Ik ben dat wapen ergens kwijtgespeeld. Als dit maar goed afloopt.'   De drie kerels kwamen vlak voor ons staan. Wijdbeens en dreigend kijkend. De middelste, een wanstaltige vent met een hazenlip, nam het woord. Ik duwde de record-knop van mijn audio-recorder in. 'Wuk kom junder ier doen?' Nu was het aan mij. Wie had ooit kunnen denken dat ik mijn studie nog zou moeten aanwenden om mijn lijf te redden. 'We wiln gèrn eki klapn. Tis belangrik. Wien ister ier de boas?' Ze grinnikten om mijn accent, maar hadden me blijkbaar wel begrepen. 'Kom moa mee. De keuning goa blidde zin dattie ki vrimd volk over de vloer krigt.' Ze namen ons bij de kraag en duwden ons in de richting van het zeil waaronder de rest van het volkje verzameld stond.   Onder de luifel stond een kar. Daarop zaten een man met een hoge zwarte hoed en een dikke vrouw met kleurige linten om het hoofd. Aan hun voeten zat een mismaakt kind ons schichtig aan te kijken. Was dit het koningskoppel? 'Deze menjèren wiln eki me joen klapn.', snuifde de hazenlip. Ik deed mijn uiterste best om de situatie uit de doeken te doen. Dat ze ongestoord konden verder leven zoals ze nu deden als ze bereid waren zich een kilometer verderop te vestigen. En dat ze er ook voor konden kiezen om naar de agglomeratie te verhuizen. Ze zouden gratis flats krijgen en er was een integratieprogramma voor mensen zoals zij. Maar mijn woorden leken niet in goede aarde te vallen. De buishoed wenkte de hazenlip en fluisterde hem iets in het oor.   Voor we het goed en wel beseften werden we omsingeld door een bende grommende mannen met roestige rieken. Even verstijfde ik, maar toen kreeg ik het meest briljante idee van mijn leven. Ik drukte op de afspeelknop van mijn audio-recorder. Mijn lievelingsnummer schalde door de bossen: Blanche en zijn peird. Het was een voltreffer. Blijkbaar was dit lied voor deze mensen nog steeds een evergreen. Ze begonnen te lachen en te dansen. Het ijs was gebroken. Het werd een fantastisch feest. De plantrekkers konden niet genoeg krijgen van mijn verzameling West-Vlaamse klassiekers.   7-12/11/'16  

tijl
0 0

Theofanis en de dokters, een dialoog over het redden van drenkelingen

Vanop zijn vaste stek op de Akropolis overschouwt Theofanis de zee. In de verte ziet hij een groepje Afrikanen wild dansend met de golven worstelen. Hij maakt zich geen zorgen. Ze zijn ver genoeg. Die raken nooit levend aan land. Hij neemt zijn taak als behoeder van de kusten erg serieus. Té serieus, volgens zijn tegenstanders. Maar dat deert hem niet. Er zijn meer dan genoeg burgers die hem wel ten volle steunen. Overal waar hij komt duwt hij een vogelkast op wieltjes voor zich uit. Daar zitten een dertigtal duiven in. Als hij iets te melden heeft, schrijft hij het op een briefje, bindt dat om de poot van één van de duiven en stuurt die de wijde wereld in. Het zijn kleine briefjes. Er passen slechts honderdveertig tekens op. Maar voor Theofanis is dat genoeg. Zo kan hij zijn ei wel kwijt. Zijn volgelingen zijn dol op de korte boodschapjes. Plots ziet hij iets wat hem woest maakt. De artsen die geen grenzen kennen, een groepje idealisten dat hem al een tijdje op de zenuwen werkt, zijn de drenkelingen één voor één aan het opvissen. Ze nemen de sukkelaars aan boord, geven ze warme soep en droge kleren. Dit kan hij niet zomaar laten gebeuren. Hij neemt een briefje en begint te schrijven.   Socrates wandelt mijmerend door de smalle straatjes van Athene. Zoals steeds is hij met zichzelf aan het dialogeren over wat goed is en juist. De veters van zijn sandaal zijn losgekomen en hij hurkt om ze weer vast te maken. Een duif landt vlak voor hem. Zijn bek pikt zoekend tussen de straatstenen. Socrates tast in zijn zak naar een stuk brood. Terwijl hij zijn hand met de kruimels naar het dier uitsteekt, kijkt hij het diepzinnig aan. 'Vertel me, beste duif, ken je jezelf?' Het beest koert van ja. 'Echt? Weet je het zeker? Wat maakt een duif tot duif?' Nu staat de gevleugelde even met zijn bek vol kruimels. Plots ziet Socrates het briefje rond zijn pootje. 'Wat is dat, mijn vriend?' De wijsgeer kijkt zorgelijk als hij het briefje openvouwt: Grenzeloze Dokters: laat die gelukzoekers toch verzuipen. Zo komen er alleen maar meer. Het is misdadig wat jullie doen. 'Wie heeft je deze onzin omgebonden, duifje? Komt dit van Theofanis?' 'Roekoe.' 'Waar kan ik hem vinden? Zit hij weer op zijn uitkijkpost?' 'Roekoe. Roekoe.'   Op de achterkant van het briefje schrijft Socrates een korte vraag: Kan het een misdaad zijn iemands leven te redden? 'Zo, duifje, breng dit naar Theofanis. Dan kan hij alvast wat nadenken. Laat hem weten dat ik er aan kom.'   'Ha! Socrates, ouwe gek, ik dacht al dat je niet meer boven zou raken. Zou je niet beter thuis blijven, met die versleten knoken.' De fans die zich rond Theofanis verzameld hebben rollen over de grond van het lachen. Elkaar aanstotend, wijzend en gekke bekken trekkend naar de wijze. 'Zie hem puffen! De vroedvrouw van de wijsheid! Maak plaats! Laat hem zitten, voor zijn hart het begeeft!' 'Lach maar, jongens. Jullie grapjes zullen me niet van de wijs brengen. Ik ben erger gewoon. Heb je mijn briefje gekregen, Theofanis? Al een beetje kunnen nadenken?' Theofanis houdt zijn hand op om zijn aanhangers te bedaren, wat slechts gedeeltelijk lukt. Zijn kleine oogjes blinken. Een grijns verschijnt op zijn gezicht. 'Ik weet waar je op aanstuurt, ouwe. Je wil me horen zeggen dat ik die bruintjes dood wil. Dan kun je me als een moordenaar afschilderen. Maar zo eenvoudig is het niet. Ik zal het je eens uitleggen. Het is heel simpel. Dit is ons land. Aan de overkant van het water ligt het hunne. Hier hebben ze niets te zoeken. Er is geen plaats. We zitten vol.' Applaus. Gejuich. 'Goed zo, Theo! Jij zegt waar het op staat!'   Een groepje doorweekte dokters is er bij komen staan. Ze worden meteen belaagd door de opgehitste bende. 'Nestbevuilers!' 'Volksverraders!' 'Langharig gespuis!' Theofanis doet opnieuw een halfslachtige poging zijn acolieten te kalmeren. Een van de dokters duwt hem een dooie duif in de handen en neemt het woord. 'Mijn beste Theofanis. Tijdens onze reddingsactie op zee vonden we dit dier. Net als vele anderen werd hij het slachtoffer van het woeste water. Hij had een boodschap om zijn poot. Het briefje was nat, maar toch nog leesbaar. Toon en inhoud waren heel herkenbaar. Het komt vast van jou.' Hij leest het briefje voor: Grenzeloze Dokters: blijf daar weg. Jullie creëren een aanzuigeffect. Toekomstige doden zijn jullie schuld. 'We hadden je willen antwoorden via je geliefde medium, maar deze bode was in zijn levenloze toestand niet meer in staat om terug te vliegen.' Socrates zet een stap dichter bij de dokters. Hij duwt zijn gespreide vingers tegen elkaar. 'Wat hebben jullie in te brengen tegen de beschuldigingen van onze stoere kustwachter?' 'Dat het onze verdomde plicht is om mensen te redden. Als dokter én als mens. Als Theofanis of één van zijn volgelingen in het sop zou liggen te spartelen, zouden we hetzelfde doen.' 'Maar dat zal nooit gebeuren. We zouden wel gek zijn om naar de overkant te varen. En als we dat zouden doen, zou het zeker niet op zo'n gammel vlot zijn.' Geschater. Handengeklap. 'Go Theo, go! Jij bent de enige die klaar ziet!' Theofanis glundert. Hij slaat zijn handen samen in een overwinningsgebaar. 'Weet je dat zo zeker? Denk je dat Hellas voor eeuwig en altijd de meest welvarende plek op aarde zal zijn? Zo zeker is dat niet. Wie weet stort de boel hier ook ooit eens in en moeten wij halsoverkop ergens anders naartoe. Op zoek naar werk en perspectief. Op de vlucht voor honger en geweld.' 'Nu sla je helemaal door, ouwe. Kijk eens naar die prachtige tempels om je heen. Alsof dit ooit in puin zou liggen. Dit is het centrum van de wereld. Hier wonen de goden. Neen. Athene blijft voor eeuwig de beste plek op aarde. Atheners zijn voor altijd het beste volk ter wereld. Werkers. Mensen die vooruit willen. Het is mijn volk. Ik heb geen ander.' Terwijl hij deze laatste woorden uitspreekt wijst hij met opengesperde armen, naar de mensen rond hem. Gejubel. Vreugdekreten. 'Zo is dat, Theo! Goed gesproken!'   Eén van de dokters treedt naar voor. 'Net daarom, Theofanis. Een volk toont zijn grootsheid in de manier waarop het anderen helpt. Bovendien: waar komen onze kennis en onze rijkdom vandaan? Die zijn ons van overal ter wereld komen aanwaaien. Als elke Athener hier, zoals jij, de hele dag op zijn berg zou zitten, zich afsluitend van wat rond ons gebeurt, dwaze berichten in het rond sturend, was van dit grootse rijk nooit sprake geweest.' Ook rond de dokters hebben zich ondertussen heel wat medestanders verzameld die luid hun stemmen laten horen. Links en rechts wordt wat geduwd. Er ontstaan schermutselingen. Socrates beseft dat hier vandaag geen wijsheid geboren zal worden en kiest het hazenpad.   s' Avonds zit hij op een terras met zijn collega-filosofen. 'Ik heb altijd geloofd dat ik ieder mens tot inzicht kon brengen, als ik maar de juiste vragen stelde. Maar die Theofanis, godverdomme. Wat een eigenwijze stijfkop! En dan dat volkje achter hem, dat hem steeds maar aanmoedigt en elke dwaze uitspraak met applaus beantwoordt. Ik had hem natuurlijk nog kunnen vragen of het je eigen verdienste is waar je geboren wordt. Wat hij zelf zou doen, als er oorlog uitbrak en als hij zijn gezin niet meer te eten kon geven. Of het hem ooit gelukt was iets van zichzelf te herkennen in een ander mens. Er waren nog zoveel vragen die ik hem had kunnen stellen. Maar wat zou het baten. Op alles heeft hij een stompzinnig antwoord klaar, waarmee hij zich enkel maar populairder maakt bij de zijnen. Tegen die granieten domheid kan ik niet op. Niet meer. Het maakt me moedeloos.' Socrates wenkt de waard. 'Drinken jullie nog iets? Ik neem een gifbeker.'   22-23/03/'17  

tijl
0 0

Om de liefde Gods

'Wakker worden, priestertje.' Ze drukt een zoen op zijn lippen. Ze doet het zachtjes. Toch schrikt Ruben met een schok wakker. Wanneer hij zijn ogen opent valt het veelkleurige licht uit de glasramen als een regen van stenen binnen in zijn hoofd. Even vreest hij dat het laatste oordeel is aangebroken. Scherpe beelden van de voorbije nacht snijden door zijn netvlies. Het doet zijn hart schokken. Zijn hoofd bonkt. Er hangt een slechte smaak in zijn mond. Alsof hij net van de verboden appel heeft geproefd, wordt hij zich bewust van zijn naaktheid en bedekt snel met beide handen zijn geslacht. Hij gaat rechtop zitten. 'Gisteren was je niet zo verlegen', zegt Rebecca en ze schuift tegen hem aan. Zij is al aangekleed. 'Het ontbijt staat klaar. Daar op het altaar. Ik heb koffie gezet bij me thuis en ben ondertussen om croissants geweest bij de bakker. Die keek maar vreemd naar me, maar wees gerust: ik heb niets gelost over ons.' In de verte hoort Ruben vaag kerkklokken luiden. Dat is de plicht die roept. Vandaag moet hij de mis leiden in een naburig dorp. Hij kijkt om zich heen. Zijn kleren hangen over een van de armen van het grote kruisbeeld. Hij kan er niet bij. Naast hem staan een asbak en een lege wijnfles. Onder zijn blote kont ligt zijn volledige verzameling kazuifels ter grootte van een dubbel bed uitgespreid. Stilaan dringt het tot hem door wat er vannacht is gebeurd. Deze zonde kan hem zijn carrière kosten. Ondanks deze gedachte en de erbarmelijke staat van zijn lichaam, voelt hij zich verbazend opgewekt.   Het is nog geen jaar geleden dat hij samen met twee anderen tot priester werd gewijd. Hij was de enige twintiger. De andere twee waren late roepingen. Meteen kreeg hij vier parochies onder zijn hoede. Hij wist dat het niet makkelijk zou worden, maar de troosteloosheid die hem toeviel had hij niet verwacht. Hij pendelde tussen vier kerken. Al had hij net zo goed elke mis in dezelfde kerk kunnen opvoeren, want overal bestond zijn kudde uit hetzelfde groepje van een tiental hoogbejaarden. De oudjes slaagden er zelden in om de volledige viering wakker te blijven. Soms sloeg hij hele stukken over en liet zijn publiek dan met een luide slag op de gong wakker schrikken. Of hij begon plots luidkeels het Onze Vader te declameren. De geschrokken gezichten van zijn toehoorders waren zijn enige vermaak. Zijn toekomst zag er grijs en somber uit.   Tot hij op een dag tijdens een misviering achteraan in de kerk een knappe, jonge vrouw zag zitten. Haar aanwezigheid doorbrak de sleur en bracht iedereen van zijn stuk. Ruben raakte verschillende keren verstrikt in zijn teksten. Ook zijn misdienaars hadden haar opgemerkt en zaten opgewonden te giechelen achter zijn rug. Niemand viel in slaap. De kwezels zaten voortdurend achterom te kijken naar het wonderlijke schepsel dat zich plots onder hen bevond. Een week later, in een ander dorp zat ze er opnieuw. Deze keer kwam ze ter communie. Dat had ze de eerste keer nog gelaten. Van dichtbij was ze nog indrukwekkender. Even was er oogcontact. Wat er op dat moment gebeurde, was van een andere wereld. Ruben dacht niet dat hij ooit dichter bij een mirakel was geweest als toen. Elke zondag kwam ze terug, steeds zwijgzaam achterin de kerk. De hele week keek Ruben uit naar dat ene moment waarop hij haar de hostie gaf, zij die aannam en zacht 'amen' zei. De kudde raakte gewend aan haar aanwezigheid en herviel in zijn oude gewoontes, maar in Ruben was iets onherroepelijk veranderd. De gedachte haar te zien maakte allerlei onbekende emoties in hem los. Ze begon zijn dromen te beheersen. Hij had haar graag aangesproken, maar wist niet hoe hij dat moest aanpakken. Ze zou hem voor zijn. Na een viering zat hij in de sacristie zijn gevoelens te overdenken, toen plots op de deur werd geklopt.   Daar stond ze. Ze heette Rebecca, zei ze. 'Ik ben Ruben.' 'Wat een vreemde naam voor een priester.' 'Je mag me gerust Bonifaas noemen, of zo. Als je dat beter vindt.' Ze lachte geforceerd. 'Ik wou je vragen, eerwaarde Ruben, kan ik bij je biechten?' 'Het is de eerste keer dat iemand me dat vraagt. Het biechthokje wordt eigenlijk niet meer gebruikt. De poetsvrouw bergt er haar emmers en borstels in op. Maar ik wil hier wel naar je luisteren.' Aarzelend begon ze te vertellen. Maar ze voelde zich duidelijk op haar gemak bij hem en kwam snel los. Ruben merkte dat het haar opluchtte met iemand te kunnen praten. Ze worstelde al sinds haar puberteit met allerhande verslavingen, maar had sinds kort in het geloof een manier gevonden om die het hoofd te bieden. Dat ging echter niet vanzelf en in de lange week tussen twee zondagen werd ze soms gegrepen door haar oude demonen. Ruben beloofde dat hij er alles aan zou doen om haar te helpen op het rechte pad te blijven. Tijdens haar verhaal was het steeds meer gaan gloeien in zijn buik. Een verloren schaap had zich voor zijn voeten geworpen. En wat voor een. Zijn missie om de zondaars naar Christus te leiden streed met een nieuwe roeping in zijn lendenen.   In de weken die hierop volgden kwam ze steeds vaker bij hem langs. Ze biechtte haar zonden op en vroeg hem om raad. Hij citeerde bijbelverzen terwijl zijn blik haar lichaam aftastte. Ze leek het leuk te vinden. Haar mond werd ondeugender, haar ogen stouter. Zijn twijfel verdween: ze kwam niet voor Christus, maar voor hem. Hij begon zich vragen te stellen bij de oprechtheid van haar geloof. Een vrome kwezel zou ze nooit worden. Maar dat kon toch niet Gods bedoeling zijn. Ze was prachtig zoals ze was. Een bewijs van Zijn scheppingskracht. In bedekte termen en met steelse blikken vrijden ze elkaar op. Het spel dat ze speelden werd steeds gevaarlijker. In zijn gebeden vroeg Ruben nu eens om de kracht aan zijn verliefdheid te weerstaan, dan weer om de vervulling van al zijn erotische wensen. Zijn geloof bleef voorlopig staan, maar wankelde op zijn sokkel.   Toen had ze hem uitgenodigd voor een etentje bij haar thuis. Om hem te bedanken voor de steun. Hij had lang getwijfeld, maar uiteindelijk toch toegezegd. Ze woont in een rijhuisje vlak bij de kerk waar hij haar voor het eerst had gezien. Zelf woont hij in een ander dorp. Hij ging met de fiets. Nadat hij had aangebeld, leek het een eeuwigheid te duren voor de deur werd geopend. Op zijn rug voelde hij de priemende ogen die hem van achter de gordijntjes in de straat bespiedden. Het eten was heerlijk. Ze had zich uitgesloofd. De ene na de andere fles wijn kwam op tafel terwijl de gesprekken meanderden tussen wat zij had meegemaakt en wat hij zou willen beleven. 'Zin in een dessertje?', vroeg ze terwijl ze de borden afruimde. 'Ik weet niet of ik daar nog plaats voor heb', antwoordde Ruben en wreef over zijn buik. 'Ik heb het niet over chocoladetaart.' Rebecca keerde terug uit de keuken met een dikke joint tussen haar lippen. 'Dit zal wel niet op je maag liggen.' Ze stak het ding op. Een wellustige geur vulde de kleine eetkamer. 'Ik dacht dat je gestopt was.' 'Dit is een heilig kruid. Een poort naar Gods liefde. Probeer het maar eens.' Ruben hoorde maar half wat ze zei. Haar blauwe ogen en de alcohol in zijn bloed waren meer dan voldoende om hem te overtuigen.   Hij hoestte toen hij het eerste trekje nam, maar vanaf dan ging alles gemakkelijk. Zijn remmingen verdwenen. Zijn geest werd slap en zijn lichaam nam de controle over. Voor hij het wist was hij haar aan het kussen. Iets wat hij in gedachten al vaak had gedaan, maar het was nooit de bedoeling geweest dat het er echt van zou komen. Ze legde hem niets in de weg. Samen rookten ze de joint op. En dronken wijn. Nog een joint. En nog wat wijn. Hij werd een makke pop in haar handen, licht en lacherig.   Plots had Rebecca een idee. 'Heb je de sleutels van de kerk bij?' Van wat daarna gebeurd is komen voorlopig enkel brokstukken bovendrijven in het geheugen van Ruben. Hij kan zich nog voor de geest halen hoe ze op wankele benen het huis verlieten. Op straat brak een van haar hakken af. Hij nam haar op de rug. Zijn dronken lichaam kraakte. Ze was zwaarder dan hij had verwacht. Maar hij zou zich niet laten kennen. Drie keer kwam hij ten val, maar bereikte uiteindelijk toch de kerkpoort. In vage beelden ziet hij nog hoe ze naakt achter elkaar aan liepen door de kerk. Ze giechelden als pubers. Plots was ze verdwenen. Hij vond haar grinnikend onder het altaar, waar ze zich verstopt had. Hoe zijn priestergewaden op de grond beland zijn weet hij niet meer. Hij weet wel nog hoe hij op die zachte ondergrond ingewijd werd in zaken waarvan hij dacht dat ze niet voor hem weggelegd waren. Ze begeleidde hem naar een hoogtepunt dat Christus hem nog niet had kunnen schenken.   Met zijn houten kop slaagt hij er vanmorgen niet in om klaar te zien in zijn gevoelens. Wat hij wel weet is dat hij over tien minuten achter een altaar drie kilometer van hier hoort te staan. 'Het ontbijt kan wachten. De plicht roept', zegt hij opgejaagd. 'Ik breng je wel met de wagen. Welk gewaad moet je vandaag aan?' 'Geef me die witte maar. Het is wel geen hoogdag, maar voor mij voelt het toch zo.' Hij trekt het kleed aan over zijn blote huid en probeert er met het vlakke van zijn hand de kreukels uit te wrijven. Terwijl ze de auto voorrijdt, belt hij één van zijn misdienaars om te zeggen dat hij eraan komt. De jongen zal alles klaarzetten voor de viering. 'Mooie benen', zegt Rebecca plagerig, wanneer hij instapt.   Onderweg is hij druk bezig met het fatsoeneren van zijn kleed. Hij legt zijn haar goed in de spiegel en verorbert nog gauw een koffiekoek. Als hij opzij kijkt, ziet hij de dromerige blik in haar ogen. Gelukkig is het niet ver, want ze lijkt niet echt geconcentreerd achter het stuur te zitten. Op het plein voor de kerk staan meer auto's dan anders geparkeerd. Een groepje nieuwsgierigen aan de overkant van de straat ziet hoe ze bij het oprijden maar nipt een paaltje kan ontwijken.   Als Ruben de kerk binnenkomt, is hij verrast. Er zitten wel vijftig parochianen. De tamtam heeft zijn werk gedaan. De meeste gezichten herkent hij van op dorpsfeesten en de zeldzame keren dat hij op café is geweest. Hun ogen kijken streng. Fezelend stoten ze elkaar aan. Dit wordt een beproeving. Het is zijn grootste publiek ooit. Ze zijn hem niet gunstig gezind. Bovendien wordt zijn koppijn erger en zit hij met zijn gedachten meer bij de voorbije nacht.   In het begin van de mis probeert Ruben de schijn nog op te houden. Hij volgt de voorgeschreven teksten zo goed als hij kan. Hij ziet wel dat zijn publiek hier enkel zit om hem aan te gapen en op zijn bek te zien gaan. Om iets te hebben om over te roddelen. Ook Rebecca die achterin zit, wordt voortdurend aangestaard. Na een kwartiertje staat ze op en gaat naar buiten. Dit veroorzaakt nog meer gefluister en gemeen gelach. Even denkt Ruben er over om haar achterna te gaan. Maar hij doet het niet. Hij vertrouwt erop dat ze buiten op hem zal wachten. Hij gelooft in haar.   Terwijl hij de misteksten aan het prevelen is en het zielige zootje bekijkt dat zich voor hem heeft verzameld, komt hij tot een besluit. Wanneer het tijd is voor de preek kan hij zich niet meer inhouden. Met vurige tong spreekt hij zijn parochianen toe. 'Nog nooit waren jullie zo talrijk, beminde gelovigen. Ik vermoed echter dat het niet een plotse opstoot van religieuze gevoelens is die dit heeft veroorzaakt. Jullie hebben ongetwijfeld iets horen waaien over een misstap van jullie priester en willen de gevallene met eigen ogen komen bekijken.' Er wordt gekucht. Stoelen verschuiven. Hij heeft hun aandacht. 'Jullie hebben geluk. Ik zal jullie het sterk verhaal geven waar jullie voor gekomen zijn. Ik ben in het voorbije halfuur tot de vaststelling gekomen dat dit niet is wat ik wil. Ik wil niet tot mijn dood de mis opdragen. Steeds dezelfde teksten. Dezelfde halfdode toehoorders. De dwingende druk van mensen waar ik niets om geef. Ik ben deze nacht opnieuw geroepen. Een engel heeft me bezocht. Een engel van vlees en bloed. De schellen zijn van mijn ogen gevallen. Als ik jullie hier zo zie zitten. Dan weet ik het wel. Ik wil hier weg. Ik wil leven, godverdomme!' Hij keert zich naar een van de misdienaars en drukt hem de kelk met hosties in zijn handen. 'Milan zal de rest van de mis leiden. Ik ben elders nodig. Ik word geroepen.' Met grote passen stapt Ruben de kerk uit. Fier rechtop in zijn witte kazuifel. Hij kijkt niet meer om. De kudde blijft verstomd achter.   Wanneer hij buiten komt, slaat hij in paniek. Waar is Rebecca? Had ze de wagen niet daar geparkeerd? Hij raakt in paniek. Heeft hij zijn bruggen te vroeg opgeblazen?   Maar dan wordt er getoeterd. De auto staat een beetje verder onder een boom. Ze zwaait door het open raam naar hem. 'Kom gauw. Het wordt een prachtige dag. We hebben geen tijd te verliezen.'       27-30/05/'17    

tijl
0 0

Bill, de krokodil

Een vrijgevochten handtas. Zo noemt hij zichzelf. Dat is hij ook wel, maar hij is nog zo veel meer. Hij is een vechter. Een bijter. Een man die, nee, een dier dat recht op zijn doel afgaat en niet opgeeft voor hij dat bereikt heeft. Hij is een voorbeeld voor iedereen die vooruit wil in het leven. Hij klaagt niet. Hij blijft niet bij de pakken zitten. Hij grijpt zijn kans en gaat ervoor.   Weinigen onder jullie weten dat Bill geboren is in Australië. Hij kwam uit een ei gekropen in een krokodillenkwekerij. Het ei was waarschijnlijk geroofd uit een nest in het wild, maar niemand weet nog hoe dat precies zat. Toen hij vier werd, was hij klaar om gestroopt te worden. Maar het lot sprong hem te hulp. Een vreemde handtassenontwerper uit Europa had het plan opgevat levende krokodillen te verkopen als handtas. Bill werd niet alleen omwille van zijn mooie schubben, maar ook dankzij zijn stoere blik uitgekozen. De handtas was bedoeld voor carrièrevrouwen die hun zakenpartner wilden intimideren, maar werd net zo vaak gekocht door huisvrouwen die eens wat anders wilden. Bill kwam bij een dame uit de laatste categorie terecht. Hij was blij dat hij leefde, maar zijn vrijheid had hij nog niet terug.   Inderdaad. De twee handvaten met ingelegde edelstenen op zijn rug en de zilveren rits in zijn zij, zijn een blijvende herinnering aan zijn dagen in slavernij, toen hij onder de arm van een doktersvrouw uit Knokke van de ene vernissage naar het andere feestje werd meegesleurd. In vele damesbillen heeft hij zijn tanden gezet. Plagerig. Zonder verkeerde bedoelingen. Al hadden de dames dit vaak anders begrepen. Hij heeft zich zo een tijdje geamuseerd. Maar het begon te knagen. Hij wilde zelf bepalen wat hij deed en waar hij naartoe ging. Hij wilde vrij zijn. Hij deed wat geen handtas hem ooit had voorgedaan. Hij kwam in opstand tegen zijn eigenares. Velen hebben ondertussen geprobeerd zijn voorbeeld te volgen. Weinigen slagen. De repressie is hard. Bill ging tactisch te werk. Toen zijn bazin uitgeteld van de vele gin-tonics op haar bed lag had ze hem nog vast bij zijn rughengsels. Hij lag met zijn muil vlak bij haar hoofd. De verleiding was te groot. De drang naar vrijheid overmeesterde hem. Hij beet haar kop er af.   Chapeau, Bill. Daar was moed voor nodig.   Je bent een leider. Dat heb je al laten zien in de korte tijd dat je als onafhankelijk volksvertegenwoordiger een nieuwe wind door het parlement joeg. Je hebt het getoond in je activisme voor handtassenrechten. Met je televisiewerk en je muziek laat je iedereen van je mateloze talent meegenieten. Je bevlogenheid heeft een vonk ontstoken, die binnenkort een woeste vlammenzee van protest zal worden. Er is wat op til. Voor alle handtassen ter wereld breken betere tijden aan. Daar heb jij voor gezorgd. Nu je protestsong 'Save the handbags' de hitlijsten aanvoert, denken velen dat je al op je hoogtepunt bent. Ik geloof dat niet. Ik ben er zeker van dat je nog veel meer in je mars hebt. Misschien kom je wel op de proppen met hangmatten van madammenvel. Wie weet. Het is maar een ideetje.   Maar ernstig nu. Ik heb gehoord dat het je voor de wind gaat. Je gaat trouwen. Je wordt binnenkort vader. En (ik heb de goedkeuring van je management om dit te vertellen) de deal met Hollywood voor een verfilming van je leven is zo goed als rond. Driemaal proficiat.   Als plaatsvervangend voorzitter van de Liga voor de Bevrijding van alle Handtassen, is het me dan ook een groot genoegen, beste Bill, jou deze award voor meest inspirerende persoonlijkheid van het jaar te overhandigen. Kom hem maar halen. Hij is helemaal voor jou. Geef hem een daverend applaus, dames en heren: Bill, de krokodil.   24/06/'17    

tijl
21 1

Wij zijn échte venten

Wij zijn échte venten de dokwerkers de loodgieters de bouwvakkers de slagers de garagisten de grondwerkers de ramenwassers de president van de Verenigde staten de magazijniers de mannen van de houtzagerij de mannen van de vuilkar & de mannen van het fabriekWij zijn échte venten De Johnny's De Danny's De metalheads De gamers De fitnessboys De straathangers De flierefluiters De krappullekes De punkers & De zuiplappenWij zijn échte ventenDat zijn wijGroot van meningklein van verstandGrote mond . Klein hart ?Ontbreekt gij een vijs ?van tijd tot stond zijn we gewoon verward& neen , dan maken wij u niks wijsWij kunnen misschien maar 1 ding tegelijkmaar wij hebben wel altijd gelijkWij laten niet zomaar in ons kaarten zienwant weet ge dat niet misschien wij zijn allenvan kop tot teen , één en al steenWij zijndé rots in de brandingMaar natuurlijk - godverdoemmestenondedjuals individu Die ander venten weten van niks& die ontbreken oftewel leeftijd oftewel geld oftewel een madam oftewel een grote TVJaloezie ?Rivaliteit ?Daarvoor hebben wij geen tijddat kennen wij nietWij weten gewoon dat wij beter zijnWaarom zouden wij onze tong inslikkenvoor ons zogezegd naar rang te kunnen schikken ?ons vader wist het vroeger al beterwant hij wist het ook beter als zijn vader& ja , vroeger is nu laterdus laat ons zeggen wij schikken ons naar rangwij zijn het grootste belangwant wij zijn échte ventenViva de mannelijkheidviva dikke tettenviva boeren & prottenviva pinten verzettenviva vagina'sviva de vadsige praatviva de voetbalviva den BMW-wegpiraatWij .zijn .échte .venten .& mijne zoonmoest dat er ooit van komenmannekes , maar die gaat er aan gelovenspermanentin mijn ogen gaat hij niets kunnen goed doen& als ik er over spreek tegen een anderof een andere vent. Specifiekis mijne zoon in zijn doen Uiterst UNIEKAlleen maar goei woordenwant zo'n überwezen als zijnde ikbrengt geen nietsnut voortof t'is de gedachte da ik vertikWij zijn échte ventenpure devotie nul komma nul emotieboertig & gatachterlijkonverzorgd & onbezorgdWie had dat ooit verwacht ?Van het sterke geslacht ?  

Schrikkentist
0 0

Koning van het strand

De herfst viel vroeg dat jaar. Net als de eerste bladeren. Ons stadje veranderde langzaam van kleur. We zagen de eerste rode en bruine tinten al opduiken. Och, al die seizoensveranderingen, ze geven ons een houvast. Toch is dat vasthouden in de herfst niet zo vanzelfsprekend. Want terwijl ik door onze kleurrijke straten fietste, blies de wind me bijna van mijn tweewieler. Het deed me mijmeren naar de zomer. Meer bepaald naar onze vakantie op het strand, waar de wind altijd vrij spel heeft. Wat soms vervelend kan zijn, zeker als je een spel wil spelen. Badmintonnen op het strand is bijvoorbeeld geen optie. Net als tafeltennissen, maar die tafel is daar op zich natuurlijk al lullig. Dat jaar hadden we de oplossing gevonden in de vorm van een Kubb spel. U hebt het wellicht al gezien, het is een variant op bowling en petanque, maar dan met houten stokken. De kans dat die wegwaaien is gering. De winnaar is degene die het eerst de koning, de grootste stok in het midden, kan omgooien. Bij het lezen van het reglement bleek het toch niet zo eenvoudig. Er kwam de nodige strategie bij kijken. We besloten dan maar om de andere kubbers op het strand te observeren. Zo zagen we drie tienerjongens het spel spelen. Twee tegen één. De ene ploeg leek dus in het voordeel, maar het was eerder het tegenovergestelde. Eén van de jongens was, zo zou je het voorzichtig kunnen omschrijven, van het zenuwachtige type. Hij stond letterlijk te springen op zijn benen. Hij wachtte nergens zijn beurt af en op een gegeven moment gooide hij zelfs een stok tegen het hoofd van zijn compagnon. Ik zei meteen tegen mijn vrouw: "Hij doet me aan Eugène Van Leemhuyzen denken". U kent hem wel, hij is de gemeentesecretaris uit Samson en Gert. Je wordt al zenuwachtig als je naar hem kijkt. Na verloop van tijd hebben ze hem dan ook de stokken afgenomen. Het was dus verstandiger om zelf aan de slag te gaan met het spel. Dat bleek best mee te vallen. We hadden het Kubb spel vrij snel onder de knie en het werd nog een prachtige namiddag, zo met de mannen op het strand. Echt geluk in het spel. Och, een mens heeft niet veel nodig, om zich even koning te voelen.

Rudi Lavreysen
49 0

Een brief aan de familie Delacre

Geachte familie DelacreHet is wellicht de eerste keer dat ik een brief aan een koekjesfabrikant schrijf. Dadelijk alles over de reden van dit epistel, maar eerst moet ik u zeggen dat ik een absolute fan van jullie koekjeswerk ben. Al van kindsbeen af. Ik herinner me nog goed dat jullie koekjessigaren, ook bekend als de Russische sigaren, door ons gebruikt werden om stoer te doen. We deden alsof we rookten, maar stiekem snoepten we ze zo snel mogelijk op. Ik was ook verlekkerd - nog altijd trouwens - op de ronde koekjes met witte stippeltjes. De Biarritz voor de kenners. Maar ook op de Sprits, vooral die met chocolade, en op de Marquisettes. Om van de DeliChocs nog maar te zwijgen. U hoort het, u hebt met een kenner te maken. Mijn familie is hiervan op de hoogte. Met eindejaar krijg ik van mijn schoonmoeder altijd een grote groene 'Tea Time' doos. Nog dezelfde avond maak ik die bijna helemaal soldaat. Want als er één probleem is met jullie koekjesdozen, is dat je er niet vanaf kan blijven. Maar ik heb er iets op gevonden. Er staat op een geheime plek in ons huis altijd een reservedoos klaar, zodat ik de aangesproken koekjesdoos kan bijvullen. Maar hou het stil, mijn gezin is hiervan niet op de hoogte.   Maar nu de reden van dit schrijven. Als fan bezoek ik regelmatig uw website, om te zien of er nieuwigheden zijn, maar onlangs viel mijn oog op een foutje. Ik begrijp dat het voor jullie familie, als Franstaligen, niet vanzelfsprekend is om foutloos Nederlands te schrijven. We hebben immers niet de gemakkelijkste taal. Toch maak ik er u graag attent op. In één en dezelfde zin wordt tweemaal het werkwoord "verdelen" gebruikt en één keer staat het fout geschreven. Het voltooid deelwoord "verdeeld" is correct, maar in de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd is het "verdeelt" en niet "verdeeld". Voila, nu kan u het aanpassen op uw website. Het is met veel plezier gedaan. U mag me als tegenprestatie altijd een grote doos Delacre koekjes opsturen. Ik ben nogal snel tevreden wat dat betreft.   Maar ik heb nog een voorstel. Ik weet dat jullie in Brussel, vlakbij Manneke Pis, een Delacre boetiek hebben. Het is voorlopig de enige Delacre shop in ons land. Hebben jullie al aan uitbreiding gedacht? Ons stadje heeft hiervoor alle troeven in huis. We zijn een belangrijke toeristische trekpleister. Heel de wereld komt hier over de vloer. Ik geef u met plezier een rondleiding in ons stadje. We vinden vast en zeker een geschikt pand. Kijk, onze samenwerking loopt nu al van een leien dakje. We bespreken het ongetwijfeld snel.   Met dank en vriendelijke groeten Rudi Lavreysen

Rudi Lavreysen
88 1

Complementen

De kalender in onze keuken is al jaren dezelfde. Natuurlijk niet exact dezelfde, want het jaar wisselt telkens, maar hetzelfde qua formaat, dat bedoel ik. Elke dag is goed voor een klein blokje. We noteren de wisselende werkuren, een verjaardag of een uitstap. Het zal wellicht herkenbaar zijn. Een scheurkalender hebben we al jaren niet meer. Het idee om er telkens een dag af te scheuren, stemde me niet vrolijk. En de moppen op die scheurkalender waren ook niet om je van te bescheuren. Nee, dat de tijd razendsnel gaat, is geen mop. Maar je kan er niet aan voorbij. Nu we het toch over dagen hebben, het lijkt wel of er telkens bijzondere feestdagen bijkomen. Zo is er eind maart een ‘Opschoondag’. Later op het jaar zowaar een ‘Verantwoordingsdag’. Nee, ik verzin het niet. En de vrijdag voor de start van de lente mogen we ook vieren. Het is de ‘Vrijdag voordat de Lente Begint’. Tja, zo kunnen we er nog verzinnen. En blijkbaar valt de ‘Complimentendag’ gelijk met de ‘Doktersassistentendag’. Hebben zij geluk. Dat de doktersassistenten van al die aandacht maar geen ‘complementen’ krijgen. Wat heb ik dat woord in mijn jeugdjaren veel gehoord. Ik hoor het grootvader nog zeggen, als er bijvoorbeeld iets te vieren viel. ‘Och, maak maar niet te veel complementen’. Gewoon doen was goed genoeg, daar kwam het op neer. ‘Al die komedie is nergens goed voor’. Die zin kwam er soms na. En iemand die teveel naast zijn schoenen liep, was zelfs een ‘complementenmaker’. Het zijn van die zinnen die ik ook aan onze mannen heb meegegeven. Af en toe herhaal ik ze, als ze een beetje streek verkopen. ‘Niet te veel complementen hè mannen.’ Nu maar hopen dat zij het ook meenemen, naar de toekomst. Van mij krijgen ze dan een compliment.

Rudi Lavreysen
39 1