Lezen

De spiegel

Hij kijkt naar me, door het glas recht in m’n ogen. Kijk ik naar boven dan doet hij hetzelfde. Zwaai ik met mijn rechterhand dan volgt hij. Ik kijk naar mezelf en toch kijk ik naar een ander. Wat ik vroeger was en wat ik vroeger wou zit nu ergens diep vanbinnen opgesloten in een donker kamertje. Diep kijk ik mezelf in de ogen zoekend naar een antwoord. Een antwoord dat ik nooit zou krijgen. Een traan rolt van m’n wang en een lach komt op m’n lippen. De lach moet blijven en de traan moet weg voor ik weer buiten stap. Wanneer ik uit de badkamer kom, vraagt mijn moeder of alles oke is en natuurlijk zeg ik overtuigend ja. Dat doe je dan wanneer alles tegenzit en je vragen hebt waar niemand op kan antwoorden. Erover praten heeft geen zin want telkens dat ik dat probeer denk ik aan hoe belachelijk ik klink en zoek ik een manier om weg te gaan. Ik trek m’n jas aan en zet een hoedje op. Een “bompaklak” zoals ik het graag noem. De sigaretten steek ik diep weg in de zakken. M’n hand blijft erbij om ervoor te zorgen dat m’n ouders het niet zien.   Zodra ik een voet op de stoep zet voel ik druppels op m’n hoofd. Het miezert, de dauw op de grond reflecteert het licht van de straatlampen. Elke stap die ik zet brengt geluid voort. Een langzaam getik voor een langzame pas. Onder elk licht danst de schaduw die me volgt, hij begint achter me en eindigt voor me. Of andersom, ik weet het niet. Alles is zo vaag de laatste dagen, alsof ik me in een constante roes bevind. Zodra ik de hoek omdraai steek ik een sigaretje op. Mijn ouders weten niets, ze zien enkel het slechte resultaat als ik thuis ben. Steeds kwaad op alles en iedereen, elke avond de deur uit en geen berichtje van waar ik uithang. Alsof het hen wat kan schelen, zelfs al zou ik nu onder een vrachtwagen lopen of voor een trein springen het zou hen niet deren. Mijn moeder zou nog blij zijn dat ze geen geld meer aan me moet spenderen.   Tien minuten stappen, veel verder is het niet of ik ben weer verwijderd uit de warmte van het ouderlijke huis recht in de koude omhelzing van de nacht. Langzaam vergeet ik waar thuis is. Elke avond gaan drinken, smoren, pillen pakken. Het eerste lijntje dat ik snoof deed me amper iets. Hoeveel kwaad kan het dan? Of hoeveel heb ik nodig om een duidelijk effect te voelen? Ik probeerde alles en het sleurde me mee deze wereld in. Deze wereld waar ik niet in pas maar wel voor leef. Ik kom aan in het pandje. Een vriendelijke sfeer hangt er wel. Iedereen kent me en iedereen begroet me. Maar dat is niet echt, ik voel de vijandigheid en het gelach achter men rug om. De trap kraakt elke dag een beetje harder. Ik klop op de slaapkamerdeur en wacht. De baas doet open, draait zich en wandelt een stukje terug de kamer in. Het bed wordt zichtbaar. Daar zie ik ze liggen. Mijn zogezegde vriendin. Naakt onder een dertig jarige sukkel z’n stinkende dekens. We kijken elkaar recht in de ogen maar zeggen geen woord. De baas weet wat we hebben samen maar geeft er niets om. Terwijl hij naar me terugkomt met een zakje poeder lacht hij. “Lekker strak is ze” zegt hij. Ik kijk hem dood aan. Sleur het zakje uit zijn handen en wandel weg.   Dezelfde weg terug buiten en de auto in. Je zou het een bedrijfswagen kunnen noemen. Deze auto wordt enkel en alleen gebruikt voor leveringen. Het is eigenlijk slechts een gammel bakje waar je niet langer dan nodig in wilt zitten. Gebruikte condooms en drugs van alle soorten zijn geen zeldzaamheid. Met m’n meisje in mijn achterhoofd rijd ik op de lege baan. Afslag, louche straatjes door en een parking op. Er is niemand, zelfs geen licht. Na een halfuur in de kou te staan wachten ,met een sigaretje om me warm te houden, is m’n afspraak eindelijk daar. Een zwart busje met een rode streep langs de zijkant. Zes stevige mannen en een hond stappen uit en komen naar me toe. M’n hart bonst in m’n keel. Ik neem het zakje van de achterbank en ontmoet ze in het midden. Ze staren me aan. Ik toon hun mijn koopwaar, ze knikken. De achterste man die ook de grootste is haalt dan zijn betaalwijze naar boven. Een handgeweer die nu tegen mijn voorhoofd aandrukt. Ik overhandig het zakje en hij draait het pistool met handvat naar mij.   Alles wat ik ooit gedaan heb speelt in m’n hoofd. Van beloftevolle sporter naar junkie met een doodswens. Langzaamaan is m’n leven de dieperik in getrokken. Niemand die nog weet hoe hij met mij moet praten. En ik die niet meer weet hoe ik nog trots in de spiegel moet kijken. Ach, mijn toekomst stond altijd al in de sterren geschreven. Alles of niets, dat was het voor mij. Al het succes van de wereld of vechten voor het laatste greintje trots dat ik bezit.   Geen geld nam ik aan deze keer, wel het wapen. Ik rijd terug en bedenk me wat ik kan doen met de ene kogel die ik heb gekregen. Enkele straten van het pand verwijderd sta ik stil, doe het lichtje van de auto aan en haal het mes boven. Hiermee graveer ik de baas zijn initialen in de kogel. Het is genoeg geweest. Dankzij hem werd ik drugsverslaafd, stopte ik met studeren en verloor mijn meisje al haar waardigheid. Het is niet alleen de baas waar ze haar benen voor open doet. Iedereen in dat pand heeft al eens een ritje mogen maken. Maar ik krijg al maanden niets meer, ik wil het ook niet. Van het meisje hou ik nog steeds en daarom dat ik dit doe. Ik wandel binnen, voorbij zeven zware jongens die lekker aan het trippen zijn. De trap op, de deur in. Ik zie hoe die vieze vent mijn meisje weer aan het bepotelen is. Zonder twijfel trek ik het wapen en richt ik het op hem. Een schot. Mijn verlossing.

Sander Maertens
0 0

Zeemeermin

De lucht is zachtblauw, niet helder, een beetje dof zelf. De zon voelt heerlijk, warm en zacht. Na weken heeft ze haar kracht verloren. Ze prikt niet meer, ze brandt niet meer. Alsof ze de bloemen en planten heeft horen huilen. Die zijn op sterven na dood. De helft van de bladeren hangt slap aan de plant, overlevend op hoop dat er weldra water zal vloeien. De andere helft heeft het opgegeven en ligt dor op de grond, alsof de herfst nog voor de zomer is gekomen. Mijn zoontje van vier had het gisteren ook al gemerkt en riep heel enthousiast “Mama, kijk de blaadjes, het is bijna Sinterklaas”. Maar dat is het niet, het is zomer en de temperatuur is eindelijk draaglijk genoeg om de hangmat in te kruipen. Hupla, beentjes in de lucht en ogen dicht. Mijn gezicht wordt warm. Zachtjes wieg ik heen en weer en bedenk dat ik niet in slaap mag vallen. “Ik mag niet in slaap vallen, ik mag niet....” De zon is weg, de hangmat hangt stil. Alles is stil. De lucht lijkt wel een schilderij. De wolken hebben alle tinten wit en grijs. Boven mijn blote voeten zijn ze verblindend wit als het hemellicht dat je zou zien als je doodgaat. En als ik mijn hoofd in mijn nek gooi zie ik een grote massa blauwzwarte wolken die mijn buik doen kriebelen. Wolken zijn ofwel spannend ofwel rustgevend en als je geluk hebt dan zijn ze het allebei, zoals vandaag. Boven mijn hoofd vermengen zich alle tinten grijs. Ik probeer hun spel niet te begrijpen, maar geniet van het gewriemel om het juiste plaatsje. Ik lig muisstil zodat ik het eerste drupje niet kan missen. Eén drupje, liefst eerst op mijn gezicht en dan ééntje op mijn tenen. Komaan wolkjes... Maar er komt niets. Waarop wacht ik eigenlijk, op enkele druppeltjes om van te genieten? Of wil ik een hele stortbui? De spanning giert door mijn lijf als ik eraan denk. Ik voel de eerste zachte druppeltjes, eerst traag, hier en daar op mijn blote lijf ééntje. Dan steeds sneller en harder, zo hard dat ze alle spanning uit mijn lijf persen en ik heel hard begin te lachen. Dat lachen lijkt al even lang geleden als de regen. Het water stroomt uit de hemel en de energie raast door mijn lijf. De hangmat begint hard te zwieren. Ik moet me op mijn buik draaien en me vastgrijpen aan de koorden. De wind blaast al mijn haren plat achteruit. Behalve mijn froefroe. Die heeft de kapster deze week verkeerd geknipt, waardoor de korte haartjes helemaal recht gaan staan. Ik gil van plezier, mijn benen gaan de lucht in. “Harder, harder!”, roep ik nog. Ik lach, ik leef! De wolken en ik, wij zijn de heersers hier op aarde. En dan wordt het plots muisstil. De hangmat hangt stil en ik hoor niets meer, geen wind, geen regen. Alles staat onder water, het huis, de tuin, de hangmat. De hele wereld staat onder. En het is eindelijk stil. Ik lig terug op mijn rug en bekijk de wereld, de onderwaterwereld. Het water staat ver boven het dak van het huis. De tuin lijkt tevreden, de meeuwen ook. Ze vliegen geluidloos door het water. En ik adem terug normaal, diep onder water. Ik slaak een zucht van geluk. Eindelijk heb ik het gevonden. Ik ben een zeemeermin.  

Fien SB
52 1

"Ga eens naar een stripclub", zeiden ze

Omdat een reisje New York om onvergetelijke ervaringen vraagt, besluiten mijn reisgezel en ik om onze laatste avond door te brengen in een stripclub. Uiteraard had ik op voorhand de nodige research gedaan en de beste club van de stad uitgezocht. "De routines in 'Magic Mike' zijn klein bier in vergelijking met wat deze hunks presteren", aldus de recensies. Oke, dit zou het worden. Na een telefoontje met de organisator, die het belang van op tijd komen voor de allerbeste plekjes benadrukte, kocht ik resoluut VIP-tickets. Entertainment, meezingnummers en (half)naakte Matthew McConaughey look-alikes? Bring.it.on.     Parochiezaal   Een tikkeltje zenuwachtig en vastberaden om de beste plaatsen te veroveren, komen mijn vriendin en ik ruim een uur op voorhand aan. Bestelbusje van de firma buiten, twee portiers en... geen volk. Vreemd, want had die man nu niet gezegd dat deze shows steeds tjokvol zaten? Enthousiast worden we begroet door een jongeheer met als schoeisel de beroemde en beruchte donkerblauwe 'Adidasbadsloef'. Niet meteen mijn favoriete fashion statement, maar ik ben niet gekomen om kritisch te zijn. Wanneer we zeggen dat we niet echt weten wat te verwachten, zegt hij zelfzeker: "Expect it all." Nog steeds enthousiast worden we naar onze plaatsen gebracht die zich vlak aan het podium bevinden. Logisch, gezien de VIP-tickets, maar die grote opkomst waarvoor verwittigd werd, blijft toch nog uit. Twee mannen feliciteren ons met onze beslissing om op zondagavond te komen. "Op zaterdag is het madness! Tot wel 546 mensen!" Opnieuw vrij opmerkelijk, aangezien we op dat moment met niet meer dan vijf nieuwsgierige meisjes in het zaaltje zitten en de locatie door mijn vriendin terecht beschreven wordt als "de plaatselijke parochiezaal".     The Lucky Seven   Na een verhitte discussie over de prijs van de drankjes word ik door het personeel verplicht om het conflict zelf op te lossen. Op weg naar de badsloefman van weleer, stapelen de vragen zich stilaan op. Terwijl ik hem sta op te wachten, werp ik een blik op de reservatielijst van vanavond. Drie reservaties, inclusief de mijne. Verward vraag ik hoeveel leden er nog verwacht worden. Het antwoord krijg ik met een uitgestreken gezicht: twee meisjes, wat het eindtotaal op zeven brengt. Een enorm verschil met die 546 zogezegde leden van amper vierentwintig uur geleden. Tevergeefs probeert de medewerker me te sussen door te zeggen dat dit iets positiefs is, dat we op die manier optimaal kunnen genieten. "Dit is toch wel vrij pijnlijk", merkt mijn vriendinnetje niet geheel onterecht op. Toch probeer ik haar -en mezelf- ervan te overtuigen dat het feest ieder moment zal losbarsten. De gedachte dat VIP-tickets helemaal niet nodig waren en dat we met de meest goedkope tickets exact dezelfde stoeltjes hadden gehad, verdring ik naar de achtergrond. Stoeltjes die de naam trouwens niet waardig zijn en die het meubilair in de feestzaal van mijn middelbare school doen aanvoelen als freakin' Chesterfields.   Enkele mannen komen zich voorstellen en leggen zonder schroom onze handen op hun tepels. Voor twintig Dollar kunnen we een lapdance krijgen, en even wordt mijn vriendin meegenomen voor een "privé-act". Wanneer ze dat weigert en totaal ontzet terugkeert, begin ik echt wel te hopen dat de show gaat beginnen en dat de focus vanavond toch nog op dansen ligt. Ondertussen liggen mijn handen op de billen van een wildvreemde en niet eens zo knappe man. Ik ben me ervan bewust dat het type man dat ik aantrekkelijk vind en het type man dat met strippen de kost verdient wellicht niet hetzelfde is, maar toch. Na een tijdje wordt hij nijdig omdat ik hem geen geld toestop. Mijn compagnon en ik zijn zeker niet preuts, maar dit voelt toch zeer ongemakkelijk. Zo zonder introductie, zonder show, zonder sfeer, zonder volk.   Cock-eyed   Oke, het is zover. Een man gekleed in leder en voorzien van gitaar bestijgt het podium en spreekt het publiek toe als was hij een hoofdact in het Sportpaleis: "Make some noooooooise!" beveelt hij, zich schijnbaar niet bewust van het feit dat er vijf man in de zaal zit. Nummer zes en zeven, zo wordt stilaan pijnlijk duidelijk, komen niet meer opdagen. De man raadt ons aan niet te hevig recht te staan om niet "cock-eyed" te worden. Actual words. Het is op dit moment dat ik de wanhoop in mijn vriendins ogen voor het eerst opmerk. "Gladys, hier is helemaal geen sfeer en er is nog helemaal niet gedanst en we worden hier betast? Eigenlijk wil ik naar huis." Toegegeven, ik had me bij een dansshow ook eerder een rijtje mannen in regenjassen en met paraplu's voorgesteld die zich in één ruk van hun outfit zouden ontdoen op de legendarische beats van It's raining men, maar dat komt misschien nog? Al begint het hier eigenlijk steeds meer op een slecht georganiseerd bordeel te lijken...   Het absolute dieptepunt komt wanneer de host er de gastenlijst (al is "lijst" misschien wat overdreven) bijhaalt en een stoel op het podium zet. Het gevoel dat ik op dit moment ervaar, kan het best vergeleken worden met de zenuwslopende minuut waarin je weet dat de middelbare schoolleerkracht op het punt staat iemand aan te duiden om een spreekbeurt te geven die eigenlijk niemand heeft gemaakt. Met opengesperde ogen bid ik tot alles wat me dierbaar is dat onze namen niet worden afgeroepen.   Thank God. De eer is aan het meisje naast ons, die er ook niet meteen overdreven enthousiast uitziet wanneer ze plaatsneemt in de "Hotchair". De host deelt luchtig mee dat iedereen aan de beurt komt. Shit. Je bent echter wel verplicht dollarbriefjes mee te brengen naar de stoel. Die mag je dan "overal steken waar je wil dat zij het uit komen halen." Shit. Wanhopig kijk ik opzij, maar wat ik daar zie, is nog veel erger. Een van de aanwezige dames en een medewerker staan bronstig te dry humpen tegen het amateuristische decor. Shit shit shit. Ik wil mezelf niet afvragen hoeveel dat vrouwtje voor dit tafereel moet neertellen. Ik voel dat alle kleur mijn gezicht verlaten heeft en zie dat ook mijn metgezel alle levenszin verliest. Nogmaals vraagt ze mij of we alsjeblief naar huis kunnen, maar ik kan geen woord meer uitbrengen. Het idee de volgende te zijn die het podium op moet, maakt ons misselijk.   De ontsnapping   Wanneer het slachtoffer op de Hotchair getrakteerd wordt op de eerste dansact, heb ik het laatste greintje hoop op een degelijke show al lang laten varen. Hoewel het op dit punt onmogelijk lijkt nog meer teleurgesteld te kunnen worden, gebeurt dat toch. Drie ronduit spauwlelijke mannen komen het podium op in iets wat lijkt op een verfrommelde pyjama. Het moet een matrozenpak voorstellen. Verkrampt beginnen ze een dansje waarbij ze elkaar moeten observeren om zich de moves te herinneren. Ze schuren op de meest traumatiserende wijzes tegen het meisje aan. Ik heb me nog nooit zo beschaamd en gedwongen gevoeld. Hoe kan dit in vredesnaam dezelfde show zijn die wordt opgevoerd voor vijfhonderd mensen? Hoe kan dit dezelfde ervaring zijn waar mensen vol lof over schrijven? Het lijkt alsof de organisatoren bij het gebrek aan publiek gewoon de volledige show hebben geschrapt en ons van zo veel mogelijk geld willen beroven. Ik besef dat het nu of nooit is en geef gehoor aan de smeekbedes van mijn vriendin. Zo subtiel mogelijk verzamel ik mijn spullen, alsof er effectief een kans bestaat dat veertig procent van het publiek onopvallend naar buiten kan hollen. We halen diep adem, staan recht, negeren de verontwaardigde "You're leaving?!" van het personeel en banen ons een weg uit deze martelkamer. Even denk ik aan de meisjes die met z'n drieën (!) overblijven, maar nu is het ieder voor zich.   We dwalen door de straten van New York City. We lachen. We zwijgen. We proberen dit een plaats te geven. Uiteindelijk spenderen we onze laatste avond in een Irish Pub. Omdat een liter Guinness mij tenminste nog nooit ongevraagd heeft bepoteld.  

Gladys
93 0

Ik zou graag dictator willen zijn

“Papa? Mag ik nog even TV kijken?”... “Natuurlijk lieve schat, naar wat wil je nog kijken voor we naar mama gaan?”   Ik zag haar denken, maar niet zoals ik andere mensen zie denken... Het was de puurste onschuld zelve die aan het denken sloeg. “Zet maar Gert Late Night op papa, heb je dat niet opgenomen? Ik had graag nog eens gelachen met die mislukte talkshow van Gert Verhulst en zijn nicht James Cooke.”   “Wel dat heb ik niet opgenomen lieve schat, ook mijn humor kent zijn grenzen. Hoe komt het eigenlijk dat je geen interesse meer toont in het kijken van Paw Patrol, Bubble Guppies, Dora,....?”   “Papa! Seg! Doe is niet zo raar? Ik ben al wel 4jaar hoor, je zal zelf toch best weten dat wij vrouwen zoveel meer en sneller volwassen zijn als mannen? Ik ben al een grote meid, ik moet niet meer kijken naar van die kinderpromma’s. De tijd dat je mij kon sussen met een Dora die via de verdomse hyperactieve kaart een schatkist probeert te vinden is al even passé als de belofte van Gertje die de bel eens ging maken.”   Vrouwen.   “En trouwens papa, als ik zo eens naar K3 kijk? Dan krijg ik de indruk dat die pubers drugs nemen om zo kindvriendelijk over te komen? Ik denk als je Klaasje tegenkomt in de winkel, dat zij zo een omhoog gevallen trut is. Ken je dat liedje niet van The Clement Peerens Explosition? Foorwijf? Op een gegeven moment zingt onze Clement, en ik citeer - Gij se lelijk foorwijf, trezebees. A verstand zit in a bjuutikees - ... Wel papa? Ik ben er dus zeker van dat er effectief in een bjuutikees meer verstand zit dan in Klaasje zelf. Dat terzijde, wnr gaan we eens naar K3?”     Ze heeft gelijk ook! Pracht van een kind, enkel maar liefde voor jou mijn kleine grote meid. Als ik zo eens regelmatig polste naar wat ze later wou worden klonk het antwoord steevast... “Prinses!” Ik repliceerde nog dat ze dat al is en altijd zal zijn, maar het mocht niet baten. Natuurlijk als meisjes evolueren naar volwassen vrouwen in een tijdspanne van 4jaar? Dan veranderen dus ook logischer wijze de antwoorden op bepaalde vragen. Zo hadden we het vorige keer nog over de uit de hand gelopen betoging in Hamburg tijdens de G20-top... Tussen de spaghetti door polste ik zo nog eens of ze nog steeds een prinses wou worden als ze nog groter gaat worden.   “Ik zou graag dictator willen zijn papa. Ik ben er namelijk zeker van dat mijn opvattingen over het dirigeren van een betere wereld voor iedereen een goede zaak zou zijn. Begrijp me niet verkeerd hoor papa, want ik merk dat je nogal verschiet? Ik zou het beter doen als Pol Pot, Stalin, Koning Leopold II, Hitler, Saddam Hussein, Mao en Steve Stevaert tesamen. Ik laat geen volkeren vermoorden omdat ze mij niet aanstaan. Ik zou een dictatorschap van liefde overbrengen! Samen spelen is samen delen zou de leuze zijn waar ik met ten strijde trek. Geef toe? Als ik nu al een glimlach op iedere passant zijn gezicht kan toveren? Dan is het een roeping om me als zelfstandige vrouw te verdiepen in het grootste probleem dat onze aarde ontsiert. Oorlog. Mag ik later zo een dictator zijn papa? Plz?”   “Zeer graag zelfs lieve meid!”       “Kom, doe uw schoenen al maar aan... Vergeet uw jas niet. We gaan vertrekken naar mama... Ooh wacht, uw toverstok nog lieve schat! Ben er zeker van dat deze nog van pas gaat komen tijdens uw politieke tocht naar het verspreiden van essentiële liefde.”   “Love you papa!” ...   “Love you too lieve schat!” ...

Bart Van de Peer
13 0

BABBELTJE MET EEN JOVIALE NEDERLANDSE CAMPINGBUUR

Op de terugweg naar het noorden, hadden wij ons op de camping te Tournus, al een plaatsje voor één nacht mogen uitzoeken, inschrijven zou na de lunch gebeuren. Toen ik ons later aan de campingreceptie aanmeldde, kwam er een volgende caravan de camping opgedraaid. Een ventenkop-haartooi- vrouw kwam de receptie binnengestoven, duwde me bijna omver en kwetterde in het Hollands-Frans: ‘Amplasemant ici, oké amplasemant?’, terwijl ze druk met haar arm naar hun caravan zwaaide.  De man achter de receptie bleef heel kalm en zei dat ze eventjes moest afwachten want dat hij nog met een vorige cliënt bezig was, maar dat zij straks aan de beurt was. Ik vermoedde dat ze niets van het Frans verstaan had, maar ze draaide zich hevig zuchtend om en haar mond vertrok in een grimmig ontevreden streepje. Ik dacht nog: ‘Wat lijkt me dit een kreng, je moet er maar mee op vakantie en in het zelfde caravanbed moeten slapen’. Ik had nog niet het hele verhaal aan manlief vertelt en zat nog net niet naast hem in het zonnetje voor onze caravan, toen de Nederlandse sleurhut juist naast onze caravan tot stilstand kwam. Het ‘amplasemantkreng’ kwam op ons af en vroeg of wij onze caravan niet ergens anders konden neerzetten. Wij bekeken elkaar, vroegen ons af of we dit wel juist gehoord hadden en negeerden de nieuwkomers een beetje. Op de ganse camping waren er op de kop af vier plaatsen bezet en zo’n honderd kampeerplaatsen vrij. ‘Nou,  hoe lang blijven jullie hier staan?’’ Wij staan hier voor één nachtje en gaan morgen weer verder noordwaarts’. ‘Wel, wij staan elk jaar steeds een paar nachtjes op deze camping en wij staan altijd op dit plekje!’ “Wel, zei manlief, dan zal U deze keer eens op een ander plekje moeten gaan staan, keuze genoeg, kijk maar,  alles vrij” “Maar wij hebben een goede rede om altijd op deze plaats te staan!” Mijn fantasiehoofd sloeg op hol. Ik kon wel duizend redenen bedenken waarom dit zeurvrouwtje juist op onze plaats wou staan. Misschien had één van beiden een prikkelbare darm of de ziekte van Crohn en moesten ze om de haverklap naar de toiletten lopen? Maar we stonden helemaal niet zo dicht bij het sanitair er waren er minstens tien veel dichter! Misschien had één van beiden pleinvrees en kon de camping niet diagonaal richting douches overgestoken worden? Was er misschien sprake van een milde vorm van claustrofobie omdat er onder een boom moest gekampeerd worden?  Hadden zij, ergens in het verleden, de as van hun overleden hond  juist op kampeerplaatje 46 uitgestrooid? Of  stonden ’s nachts op deze plek de sterren in de juiste verhouding tot elkaar, zodat mevrouw met haar overleden zuster kon communiceren…Ik kon nog wel duizend fantasieverhalen bedenken, maar hield wijselijk mijn klep dicht, want het caravanwijf begon, omdat ze zag dat wij totaal niet reageerden, met een verbitterde streepjesmond opnieuw hoog van de Hollandse toren te blazen: ‘Nou Gerrit, wij staan altijd op deze plek,niet, zeg het ze dan! Steeds wanneer wij op deze camping overnachten, staan wij altijd op deze plaats, nummer 46, al jaren!’ Gerrit knikte heel overtuigend. Manlief bleef heel rustig onder het Nederlandse offensief, haalde zijn schouders op en reageerde wat korzeliger: ‘En wat is dan die goede rede waarom U steeds op plaatsje 46 moet staan Mijnheer?’ Hierop riep Gerrit: ‘Nou Mijnheer, dat ga ik dus niet aan Uw neus hangen, dat ben ik helemaal niet aan U verplicht!’ Manlief zijn stemgeluid ging nu ook een beetje de hoogte in.‘Hebt U dan een reservatie gemaakt? Neen? Bent U eigenaar van dit stukje campinggrond, neen, spijtig dan..maar wij stonden er eerst en blijven hier staan. Het was al verwonderlijk dat deze nare Hollander ook Gerrit heette, want de Gerrit die wij kenden, was een uiterst fantastische Nederlander. Ook begon ik al een beetje nieuwsgierig en met andere ogen naar ons plaatsje 46 te kijken. Wat kon hier nu zo speciaal aan zijn. Het was gewoon een plekje als alle andere kampeerplaatsen. Nu kunnen wij aannemen dat wanneer je al jaren een ganse vakantie doorbrengt op één en dezelfde camping, je heel graag steeds op datzelfde kampeerplaatje wilt staan, waar je elk jaar je terugkerende vakantievrienden opnieuw aantreft. Dat ene vertrouwde kampeerplekje, op een mooi horizontaal grasperkje, waar je in het zonnetje of bij hitte lekker onder een boompje in de schaduw kan kruipen, kortom het ideale caravanplekje waar je je thuis voelt. Zulke plaats reserveer je dan ook ruim op voorhand! Dat je zulke trammelant gaat maken op een transitcamping, waar je hoogstens één, twee of maximaal drie nachtjes onder zeil gaat, dat is voor ons onbegrijpelijk. Manlief ontplofte bijna en riep: ‘Mijnheer U bent een echte zeikerd, de camping is nagenoeg leeg, kijk, alles vrij, kies een andere plaats, wij blijven staan, punt’. De Nederlanders, die juist naast ons kampeerden en die de discussie grinnikend gevolgd hadden, maakten met hun wijsvingers het universele ‘die- zijn- zot- gebaar’. Ik kon het verbitterde Hollandse zeikvrouwtje bijna niet meer aanhoren en deed een paar passen in haar richting. Eventjes zag ik haar ogen oplichten, toen ze dacht dat ik haar alsnog het verlossende antwoord kwam brengen, dat we dan toch zouden verkassen, maar het enige wat ik zei, was: ‘Hopelijk hebt U, nu U op zo’n wereldvreemde plek moet kamperen, alsnog een goede nachtrust!’ Gerrit kroop mokkend terug in zijn auto en trok zijn caravan vier plaatsen verder. Maar zijn halve trouwboekvrouwtje wist van geen ophouden en krijste nog naar manlief: ‘Nou, U bent een typische asociale Belgische hufter, ga op de markt wat staan roepen’! Dat is weer wat nieuw. Nu is manlief door Nederlanders al met Tom Jones vergeleken en vinden sommigen dat hij met dezelfde humor en met hetzelfde stemtimbre van Urbanus praat. De meeste Nederlanders, die wij kennen, vinden ons echte gezellige sociale Bourgondiërs. Ook hebben wij aan onze meeste verre reizen en kampeervakanties een hele leuke bende Nederlandse vrienden overgehouden. Maar dit hadden we nog niet op het palmares staan;  Manlief is een typische asociale Belgische hufter…! Mogen wij dit als een racistische uitroep betitelen? Dit kutkampeervrouwtje viseerde met haar uitroep wel een ganse Belgische gemeenschap! Een hoop Belgen zullen zich hierdoor vreselijk gekrenkt voelen. Moest de Antwerpse burgemeester De Wever zo’n uitspraak doen, dan stond gans België en de ganse politiek op stelten! Toen wij de volgende ochtend, in de dikke mist, met aangekoppelde caravan vertrekkens klaar stonden, moest ik toch de neiging onderdrukken om niet eventjes op hun caravandeurtje te gaan aankloppen met de vraag of ze de nacht alsnog goed doorgekomen waren. Ik hoop dat de mist, als een dikke erwtensoep, minstens drie dagen en nachten boven Tournus blijft hangen, dat ze op plaatsje 50 opgevreten worden door de muggen, dat ze diezelfde dag nog omringd zouden worden door tien gigantische  caravans en megacampers, met de meest luidruchtige Belgen, dat ze op weg naar huis, vanaf het moment dat ze de Belgische grens overgaan, bumper aan bumper oeverloos moeten aanschuiven tot aan de Nederlandse grens. Voor deze laatste toverbezwering zal ik niet heel erg mijn best moeten doen, want iedereen die langs Wallonië het land binnenrijdt, staat uren stil aan wegwerkzaamheden waar je drie man ziet werken!   Sim, echtgenote van de typisch asociale Belgische hufter,  Liverdun 27/9/2017                                                                                               

Sim
426 1

Marcel en de roep van de uil

Het gebeurde in het zwart van de nacht. De sterren waren uit de hemel geplukt en ook de maan zat in de plooien van de donkerte verscholen. Marcel lag naar de roepende uil te luisteren. Een krassend, onheilspellend geluid. Hij vroeg zich af wat het te betekenen had. Vreemd genoeg voelde hij zich niet ongerust. Sinds Marie gestorven was, dekte de slaap hem altijd toe met een onbestemde angst – daarom bleef hij in de zetel liggen – maar deze keer bracht de onvoorspelbaarheid van de nacht hem niet van de wijs.   Hij had vanavond de sofa naar het raam gedraaid en vroeg zich af of het daarmee iets te maken kon hebben. Nooit eerder had hij de meubelen verplaatst. En voor het eerst in zijn alleen-zijn had hij ook de televisie uit laten staan, had hij het gedichtenboek dat Marie zo dierbaar was willekeurig opengeslagen en zijn ogen over de letters laten glijden. Tot hij de ongekende duisternis en de roep van de uil opgemerkt had.   Telkens Marcels oogleden dicht zakten, wurmde zijn geest zich terug uit de slaperigheid. Hij wilde niet slapen. Niet nu. Hij wilde het verhaal van de uil kennen, want hij was voorbode van uitzonderlijke gebeurtenissen, als hij Marie’s woorden wilde geloven. Zijn echtgenote mocht dan al vier maanden overleden zijn, hij voelde nu en dan toch haar aanwezigheid. Daarom ook zou hij nooit dit huis verlaten. De herinneringen aan hun leven samen kleefden aan de gebloemde muren, leefden in stoffige kieren en gaten, slopen zijn hoofd binnen langs de vlammen van de houtkachel. Neen, nooit zou Leia, zijn dochter, hem hier kunnen weghalen. Dat wist hij zeker.   Een harde klap tegen het raam deed Marcel opschrikken. Hij hief zijn hoofd op, gooide de deken van zich af en ging rechtop zitten. Er was niks te zien. Niks te horen. Zelfs de uil was gestopt met roepen. Hoewel de schrik er nu toch een beetje in zat, stond hij op en strompelde door de kamer. Hij opende het raam. De nachtelijke wind woei langs zijn wangen. De zwarte uitgestrektheid slorpte hem onmiddellijk op. Ergens vanuit een spelonk klonk een zachte stem. “Marcel…Marcel… waar blijf je? Kom dan!” Hij spande zich in om de stem beter te horen. Was het soms zijn Marie die hem riep? Zag hij daar iemand in de tuin? Die verdomde donkerte! Waarom was deze nacht alle licht uit de hemel geperst?   Hij trok zijn jas over zijn pyjama en liep op de tast langs de gevel van het huis. Hij vroeg zich af of hij iets onder het raam zou vinden.   “Marcel… kom… haast je maar…”   Weer hoorde hij de zachte stem, maar nu dichterbij. Het was duidelijk: zijn Marie riep hem. Hij moest zich haasten. Zo kende hij haar: altijd haast en spoed, terwijl hij liever langzaamaan deed. Toch versnelde hij zijn pas… en struikelde over de losliggende tegel waarover ze zo geklaagd had. Marcel voelde zijn knieën kraken en zeeg neer op de grond. Stilletjes vloekte hij. “Marcel, ben je daar? Ben je daar?” “Ja, hier ben ik!” antwoordde hij boos. “Zou jij je nu eens niet laten zien? We zijn geen kinderen meer, Marie! Je hoeft met mij geen verstoppertje te spelen!” Voor hem verscheen een witte gloed.  Marcels adem stokte. Ze was er echt. “Marie?  Wat loop jij hier in je slaapkleed te doen?” Een antwoord kwam er niet. Wel dichtbij de roep van de uil. Een steek in zijn hoofd. Daarna dekte de nacht hem met een sterrenmantel.   Een hand hield zijn hand vast. “Marie?” fluisterde hij. “Papa…” “Marie, kom eens dichterbij.” “Papa, ik ben het, Leia. Je bent gevallen vannacht. ” “Marie, wat zie ik je graag. Ik ben zo blij dat je er bent, dat ik je weer ontmoet heb…” “Papa toch! Ik ben Leia! Mama is dood!” “Dood? Ik heb haar verdomme gezien. Zij leeft meer dan ik, hoor je me?!”   “Het spijt me papa, maar zo kan het niet verder… Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt, we moeten een regeling treffen.” De hand gleed uit zijn hand. Marcel opende zijn ogen. “Marie, zeg zoiets niet. We slaan er ons wel door… Waarom huil je nou? Er kan ons toch niks beter overkomen dan elkaar terug te zien?” De tranen liepen over haar wangen. “Mijn lieve Marie toch…” De vrouw liep naar de deur. Ze snotterde in haar zakdoek. Ze keek niet meer om.   De nacht was zwart. De sterren waren uit de hemel geplukt en ook de maan zat in de plooien van de donkerte verscholen… Ergens heel ver riep een uil. Luider, alsmaar luider. Vanuit een spelonk klonk een zachte stem. Marcel woelde. Marie. Hij moest naar haar toe. “Ik kom, Marie, ik kom…” Marcel wilde opstaan maar de hekkens aan dit vreemde bed belemmerden zijn benen. Zijn ogen vulden zich met tranen… hij zou te laat zijn om Marie te ontmoeten. Tranen drupten de hele zwarte nacht op het witte laken dat niet eens van hem was…

R Ryckoort
36 1

De wereld zien van achter glas

Ik zie hem de wereld in turen, een man van een jaar of zeventig op rust, rustig het leven rond zich gade slaande. Daar, vanuit zijn zetel, volgt hij alle leven dat vluchtig zijn raam passeert terwijl hij, een stilleven, amper opgemerkt wordt. En ik, ik tuur naar dat stilleven…dat hoogstens zijn hoofd beweegt als iets spannends zijn aandacht trekt. Naarmate ik zijn raam nader, voel ik zijn ogen op mij rusten. Gepakt en gezakt met al mijn tassen en zakken zie ik hem denken: Waar gaan die tassen en zakken met dat meisje naartoe? terwijl ik voorbij wandel en uit het zicht van zijn venster in de wereld verdwijn. Enkele dagen later, zelfde tijdstip. Ik parkeer me op de lege parkeerplaats voor zijn huis terwijl een vrouw de vitrage net openschuift tegen de achtergrond van een bed. Een ziekenhuisbed. Hij is al volop aan het turen en gluren naar de wereld hier buiten als hij me mijn hele hebben en houden in mijn kofferbak ziet inspecteren om zorgvuldig te selecteren wat ik deze keer voor zijn raam zal etaleren.  Gepakt als een muilezel kruisen onze blikken elkaar, blijven ze even op elkander rusten voor ik kort naar hem knik. Hij knikt terug. Als twee net opgevoede mensen. En ik verdwijn uit zijn zicht. Een nieuwe week maakt haar opwachting. Net als ik. En hij. Ons filmpje draait zich opnieuw af. Terwijl de kerkklok half twaalf slaat, stap ik mijn auto uit, open ik mijn kofferbak, pak ik mijn spullen eruit en marcheer ik zijn venster voorbij.  En toch verandert er telkens een detail op het einde van het filmpje: het moment van het oogcontact. Want nu kijk ik al vanaf de start van mijn wandeling reikhalzend uit naar zijn raam: is de vitrage weggeschoven of niet? Ik vraag me af hoe het zijn moet, om vanuit dat venster de wereld in te kijken en hoe het voelt als een stilleven achter dat glas te zitten turen. Ik vind het maar niets. Dus weet ik wat me te doen staat. Precies voor de televisie gezeteld, in afwachting van zijn favoriete programma, zit hij klaar. Net iets anders dan anders: zijn rug is net iets rechter, een scherpere blik in zijn ogen en vergis ik me of lees ik een ingehouden spanning af op zijn gezicht? Hij zit daar. Geduldig. Te wachten. Op dat moment van herkenning.  Net als ik.  Wanneer onze blikken elkaar vinden, steek ik mijn hand op en glimlach ik. Zo breed dat mijn spieren pas terug in hun plooi komen als ik de hoek om ben en de school binnenstap.   Glimlachen. Zo breed dat mijn mondhoeken er pijn van doen. Tot er enkele weken later een eind aan komt. Mijn werk brengt me op andere plaatsen op dinsdagmiddag half twaalf en ik mis onze afspraak. Eén keer wordt twee keer. Ze zal wel goed ziek zijn, heeft hij misschien wel gedacht. En tenslotte gaat een week over in weken. Tot uiteindelijk het reikhalzend uitkijken uitdooft. En opnieuw vervalt in turen. Turen in de wereld. Als een stilleven. Maanden verstrijken. Tot ik op een dag mijn liefs vrienden mee help verhuizen. En zij in zijn straat blijken te wonen, meer zelfs: enkele huizen naast hem. Automatisch draai ik mijn hoofd naar zijn raam, om te zien of hij voor zijn raam zit.  Maar de hele dag schermt de vitrage de wereld voor hem af. Een klein verhaal. Over hoe twee vreemden elkaar echt kunnen zien, genieten van het zien en gezien worden. Over hoeveel deugd dat doet. Tot diep vanbinnen.  Over hoe zien en gezien worden een wereld van verschil maakt voor andermans wereld en dat kleine iets net die wereld een stukje minder eenzaam maakt.  

Evy
0 1

Zuipen, poepen en den Beerschot... Maar de Lierse gaat voor!

Op reis gaan, ik heb het zo eens geprobeerd. Het moet september zijn geweest zo een 2jaar geleden. Samen met mijn broer Norib en diens wederhelft... Ik heb mij laten wijsmaken dat ik eens moet gaan opletten op vlak van namen in mijn teksten te voegen. Turkije zou de bestemming zijn waar je helemaal “Zen” van wordt. Het was zo een idee om te zeggen van “Ja, dat zal u goed doen Bartje.” Ik raad de mensen aan om het nooit te doen. Ik was een last voor mijn broer, een zak patatten is leuker om u te laten vergezellen op reis. Lam en vet onder de medicatie sliep ik heel de dag, ik was moe, constant. Mss kan ik het ooit nog wel eens proberen nu het allemaal wat beter gaat.   Alsof het tegenwoordig een verplichting is om u te gedragen als een alcoholieker met een ongelimiteerd budget om te reizen. Ik maak me er druk in, al dat “#wanderlust” gezeik. Er is zelfs een tijd geweest dat ik nog eens niet wist wat het woord betekende. Een verslaving om op reis te gaan, het ontdekken van andere culturen. De gelukzakken die nog thuis wonen en jaren hebben kunnen sparen door op feestjes met 20euro toe te komen kunnen zich bekronen met een trip naar thailand en nog van dat Oosters gedoe waar je als Westerling op handen gedragen wordt. De anderen voldoen zich met een tripje naar Budapest ofzo. Ik krijg er pijn van in mijn ballen als ik het allemaal zo mag aanschouwen. Die lelijke foto’s met zonnebrillen waar je over 5jaar nog van gaat zeggen dat het nog al een zicht was. Maar laten we ook maar tegelijk ons als een bende egoïstische, sociaal en milieubewuste hippie’s gedragen als we een statement hard willen maken dat het hoog tijd wordt dat de aarde maar eens moet afkoelen. Ook al willen we er zelfs niets aandoen. Terecht trouwens, ik lig er ook al niet meer wakker van. Ik erger mij nog liever aan jongens zoals Michiel die zich met zijn enkelbroek van Jack and Jones en zijn superstars wil laten meeslepen met tal van die andere op één of ander festival met een matige line up. Dat is leuker. In plaats van de wereldproblemen op die mensen te schuiven. Het is al erg genoeg zo.   In ieder geval, Turkije. Waar nu aanslagen als piekmomenten beleefd kunnen worden was het die week dat, de essentiële Bart van Vlaanderen zich nestelde in één van de vele hotels die het land rijk heeft vooral “tegenslag” dat de plak zwaaide. Het contrast van de rijke gierige Westerling die zich vol show probeert te kijk te stellen door op zowat alle vlakken de grote Jan liggen uit te hangen daar... Kleinere Jan heeft hij thuis gelaten om daar tot inzicht te komen dat we het eigenlijk allemaal niet slecht hebben. Het overbodig genuanceer van de werkende man, zoals ik. Daar ligt de toeristische sector niet wakker van. Ze hebben liever dat je gewoon slaapt in één van de vele hotels daar.   Maar toegegeven, zo af en toe er eens tussenuit kan geen kwaad. Zoals het bij nonkel Blatter deugd deed om het WK voetbal naar Qatar te halen, zo heb ik het enorm naar mijn zin als ik eens een voetbaltripje kan doen. Winnen of verliezen speelt mij geen rol meer. De tijden dat ik mij druk maakte in een resultaat waar er 20 ego’s tegen een bal aan het trappen zijn, en die andere 2 moeite hadden om alle ballen uit hun goal te houden... Dat is al even voorbij. Ik trek er op uit, om plezier te maken, mij niet te veel bezig houden met het feit dat mijn ploeg Lierse er eigenlijk al jaren niks meer van bakt. De glorietijden die ik bewust heb meegemaakt vanaf ik bier begon te zuipen als een grote Jan zal zijn geweest toen ze eens kampioen zijn gespeeld in 2de klasse... Voor de rest sloeg het resultaat nog harder tegen zoals Vanessa Chinitor die nog maar droomde om eigen juwelen op de markt te brengen.   Ik ben overlaatst naar Beerschot – Lierse gaan kijken. Met de bus van Pulle naar het Kiel. Dat is toch een beetje cultuur opsnuiven daar? Ik was niet alleen die er zo over dacht. Sommige denken dat er cultuur valt te snuiven op het WC van de bus of in het stadion. Maar ik geniet met een stel pinten in mijn handen onderweg van het beeld dat de wegen mij geven. Miljaar seg, gecombineerd met halfgaar gebakken moppen en zat gezever kijk ik zo eens rond als de mensen daar ons zien voorbijrijden. De cultuurshock voor de bus van Pulle is het grootste natuurlijk. Als je de pech hebt gehad om in Pulle geboren te worden dan moet je nog minder verwachten van de wereld als ik.   Schaamteloos en nostalgisch zoals ego’s het horen te doen verloor mijn Lierse met 4-0, waarvan ik mss 1goal heb kunnen zien. Zoveel plezier had ik. Nu zo op reis gaan naar het Kiel kost geld. 21euro voor een ticketje, 5euro voor de bus, en dan nog de pinten die betaald moeten worden. Er wordt geprofiteerd als Bart zich eens naar buiten begeeft. 2,5euro voor een jupiler blue. De prijs was al even schandelijk als het spel dat Lierse liet zien. Maar kom, als ik dan zo eens buitenkom boeit het mij allemaal niet. Wat ook een eigenschap is van een verslaafde, geld opdoen als het goed gaat. Evenveel geld opdoen als het minder gaat. Gewoon altijd geld opdoen.   Turkije mag samen met het gat van de wereld ontploffen, geef mij maar een stel pinten onderweg naar een voetbalmatch en mijn broodje is ook gebakken. Net als dat van u, meneer Calpe, mevrouw Izmir, puber Lloret, wijf Chersonissos.   Als er van die primitieve cliché’s als waarheid mochten gelden... “Geld maakt niet gelukkig, je kan het beter opdoen als je het wel of niet bent.” Dan aanvaard ik het zeker.   Roeselare – Lierse? Check!

Bart Van de Peer
257 0