Lezen

De Lange en de Korte

“Wie ben je?” vroeg mijn spiegelbeeld. “Weet je dat dan niet?” vroeg ik, “ik ben het ei waar jij op neerkijkt”. “Een ei, dat kàn toch niet?” zei hij “ben je nou helemaal karrewiet? En waarom zou ik op jou neerkijken, ik ken jou niet eens.” “Omdat jij groter van gestalte bent dan ik. Jij gaat als de Lange door het leven en ik als de Korte. Als ik samen met jou op één lijn sta dan lijk ik wel een dwerg en daarmee word ik gepest door jouw vriendjes” flapte ik er uit. “Staan wij soms op één lijn?” vroeg hij ongelovig. “Ja en dan is het verschil heel goed merkbaar. En wat meer is, jij krijgt telkens twee stippen en ik slechts één.  Jij gaat over de tong als de Gestipte en ik mag mij gelukkig achten als ze mij eens Vers noemen.” Mijn spiegelbeeld keek mij aan alsof hij het in Keulen hoordet donderen. “Ben je niet goed snik? Ben je ziek? Of besmet misschien?” vroeg hij smalend. “Besmet ja! Ik ben besmet met het anti-pest-virus!” “Het anti-pest-virus? Nog nooit van gehoord. Trouwens hoe geraakte jij besmet?” “Ik wilde niet langer gepest worden omdat ik slechts één stip heb of omdat ik klein ben.  Ik zette net als mijn vriendjes vier stippen op mijn hand, kijk maar…”  “Dan heb je er zelf voor gekozen om besmet te worden! Dat is pas gek. Bestaat daarvoor een medicijn?”.   “Wees gerust, er is een heel goed medicijn bestaande uit vier punten die strikt dienen opgevolgd te worden. Het eerste luidt: ik vind pesten niet oké en zal er nooit aan meedoen. Het tweede: ik praat erover als pesten mij bang of verdrietig maakt.  En dat doe ik nu, met jou.” “En dat is het?” vroeg hij.  “Neen, ook dit nog: ik sluit niemand uit, voor mij hoort iedereen erbij én ik zal altijd proberen op te komen voor iemand die gepest wordt”. Het werd stil.  De Lange dacht na.  Met twee extra stippen zou hij niet bang zijn voor het anti-pest-virus.  De cijfers op de klok lichtten op: 23:17. Ik keek nog even in de spiegel en zag hem in al zijn glorie: met een lange ij. Hij keek terug en zag mij voor het eerst zoals ik écht ben: met een korte ei. Om ons heen dansten vele stippen. Het gelijnde dagboek werd dichtgeklapt.  

GrijzeVogel
0 0

In de prille lentezon - Marieke - opdracht 3

Ze hadden hem samen tot in kamer 159 gebracht, zijn valies helpen uitladen, tandenborstel in het bekertje gezet en afscheid genomen. Op terugweg had zij de kinderen bij vriendjes afgezet, om hen de nodige afleiding en zichzelf wat rust te gunnen. Weer thuis overvalt de stilte haar, omhult haar als een deken en smoort haar onrust. Geen kinderstemmen, geen radio, geen geroep of gehuil. Hoe lang was dat geleden? Ze voelt de vermoeidheid door heel haar lijf tot in haar hoofd kruipen, loopt meteen door naar de slaapkamer. Ze zet de dubbele terrasdeuren wijd open om licht en lucht overvloedig binnen te laten stromen, trekt de lakens van het bed en gooit die in de wasmand. Met een oude keukenhanddoek veegt ze het mosgroen laagje van de ligzetel op het dakterras. Ze legt zich languit in de prille lentezon en sluit de ogen.   Het suist in haar oren, de beelden van de vorige dagen flitsen aan haar voorbij. Het gewicht van de afgelopen periode drukt haar op de zetel neer. Het was een slopende aanloop naar de moeilijkste beslissing uit haar leven geweest. Het kraken van die bittere noot. Ooit was ze vastberaden geweest om haar kinderen niet aan te doen wat ze zelf in haar jeugd had ondervonden. Maar ze kon niet meer anders, wist dat het moest gebeuren. Ze zou het op haar manier doen. De spanning heeft zich vastgezet op een aantal plekken in haar lichaam. Als ze voorzichtig rondjes draait met haar schouders, trekken de spieren stram tot waar haar nek haar schedel raakt. Haar schouderbladen kraken. Zodra de warme zon haar huid zachtjes likt, voelt ze het gewicht langzaam van zich afglijden. Opluchting. Het is gelukt! Ze heeft alvast deze flinke sprong gemaakt, al weet ze nog niet waarheen de toekomst haar zal voeren. Van alle scenario’s die er lagen, lijkt het best denkbare zich nu te ontplooien. Straks zal ze voor het eerst sinds vele nachten terug in haar eigen bed slapen. Al die keren kamperen in de living heeft dan toch iets opgebracht. Als er een voor en een na was, dan is de na nu begonnen.   Die ochtend -tien dagen geleden- hoorde ze voetjes van de kinderkamer trippelen naar hun bed aan de andere kant van de gang. Daarna de paniek in zijn stem terwijl hij terugliep naar hun stapelbed en zijn zus wekte: ‘Mama is er niet!’. Haar geruststellende woorden: ‘Misschien is ze beneden, ik hoorde hen gisterenavond ruzie maken’.  Gehaast maar voorzichtig zette hij zijn blote voeten op de koude trap. Hij kon niet wachten tot hij beneden was, boog zich voorover en tuurde tussen de metalen treden door, de living in. Zo keken moeder en zoon elkaar in de ogen. Opgelucht liep hij de trap af, sloeg zijn armen om haar heen en kroop mee in de slaapzak. Op een geïmproviseerd bed van twee grote kussens had ze een bijna slapeloze nacht doorgebracht. Ook zijn zus was snel beneden en schoof zo goed en zo kwaad als het ging mee bij hen aan op de kussens. Met haar twee kinderen in de armen, dicht tegen zich aan, deed ze haar best uit te leggen wat er te gebeuren stond.   Haar meisje wist het al langer, ze had de vraag enkele maanden geleden al aan haar moeder gesteld: ‘Mama, zeg eens eerlijk, gaan jullie scheiden?’ ‘Dat zou kunnen meisje’ had ze gezegd, zelf nog volop worstelend met de twijfel. ‘Geef hem nog een kans, alsjeblief’ was toen haar reactie. De moeder kon niets beloven, hoopte zelf nog dat die kans bestond. Ze voelde van haar dochters kant begrip maar ook de zorg voor haar vader.   Bij haar zoontje drong het bericht die ochtend voor het eerst duidelijk door. Een zucht, die meer op opluchting leek dan op verdriet, ontsnapte hem. Alsof hij toen ineens begreep wat hij al zo lang aanvoelde maar geen woorden kon geven. Alsof dit de reden was voor de onverklaarbare woedeaanvallen waar hij soms last van had, de spanning die hij voelde trillen in huis maar niet kon duiden. ‘We zijn al met zo veel kinderen van gescheiden ouders in de klas.’ Hij telde luidop, kwam aan tien vingers. ‘We zouden een praatgroepje hierover moeten hebben, zodat we van elkaar kunnen leren.’ En zo werd de kiem gelegd van het groepje met een tiental tweedeklassers die samen ervaringen zouden delen over twee huizen, bezoekregelingen, ruzies en wisselmomenten.   De dagen die volgden zwalpte hun vader als een wrak in huis rond. Zoals ze had gevreesd. Er was voor hem geen ontkennen meer aan. Als luie Wanja hing hij tegen de verwarming aan, snikkend, smorend, snotterend met af en toe luide uithalen van verdriet. Overdag trok zij met de kinderen het huis uit, om een beetje van de vakantie te genieten, om hen niet permanent met hun huilende vader te confronteren. ’s Avonds, eenmaal de kinderen in bed, ontvluchtte zij het huis en laafde zich aan de steun van vrienden. Veel gesprek tussen hen beiden had er niet meer plaats. Voor haar was het nu even gezegd. Na jaren proberen dingen duidelijk te maken, had ze met deze actie eindelijk iets doen doordringen. Een brief met de boodschap en letterlijk uit het bed stappen was nodig geweest. Maar wat nu? Zo konden ze niet doorgaan, er moest iets gebeuren. Moest ze op zoek naar een andere voorlopige woning? Kon ze haar kinderen wel achterlaten bij een man die zo ontredderd was?   Elke avond kwam hij haar smeken om terug naar hun bed te komen. Elke avond hield ze vol en kroop in haar slaapzak op de kussens in de woonkamer. Of hij nog iets kon doen zodat ze van gedachten zou veranderen? ‘Neen. Het is op. Ik wil vanaf nu niet meer spreken over ‘of’ we zouden scheiden, maar wel over ‘hoe’ we het gaan doen.’ Of hij iets anders had moeten doen? ‘Ja, je laten helpen. En niet een beetje met een afspraak bij de therapeut om de maand, maar grondig en heel intensief.’ Dit had hem aan het denken gezet. Hij besprak het met zijn psychiater en samen waren ze er snel uit. Vanaf dan is de bal aan het rollen gegaan. Hij kon enkele dagen later terecht in de PAAZ, bij hun kinderen beter gekend als ‘de spoed voor mensen die ziek zijn in hun kop’. Eerst om te ontwennen, al het gif uit zijn lijf te krijgen. Ze kende het proces en wist dat dit onder professionele begeleiding moest gebeuren. Daarna op zoek naar een plek voor opname om verder in de diepte te gaan werken. Terug te blikken naar wat er uit zijn levensloop van lessen te trekken was. Om hulp te krijgen in het omgaan met waar hij tegenaan loopt.   ‘Ik laat me opnemen, maar geef me dan nog een kans’. ‘Ik kan niets beloven’ was haar oprechte antwoord, meer dan dat kon ze op toen niet zeggen. Ze moest nog leren voelen wat er kon en wat niet meer.   Daarnet hebben ze hem in het ziekenhuis afgezet. Zij laat de zorg over aan professionelen. Voor even is er een oplossing. Dat geeft ademruimte om op kracht te komen. Later zullen ze wel weer zien hoe het verder ontplooit. En zij is voor het eerst sinds heel erg lang, alleen in huis. Haar thuis waar ze de laatste jaren van wegliep, vluchtend in werk en engagement. Nu geniet ze, bekomt ze, ademt ze weer. Straks legt ze verse lakens en slaapt verfrist in haar eigen bed. Alleen.

Marieke Genard
0 0

Het feest voor Tony

Sheaboter trekt bijtjes aan, merk ik. Ze zoomen gedurig rond mijn benen en scheren af en toe zacht langs mijn nek. Telkens schrik ik op en sla het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op mijn gezicht en eigenlijk is het kleed dat ik draag te warm. Ik hoor alleen maar natuur, de haan die vooraan in de straat, zo’n anderhalve kilometer voorop, kraait, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch ben ik ongemakkelijk. Omdat ik iets zou moeten maar het niet aan het doen ben. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ik wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel we van alle genodigden het korst bij wonen, komen we toch laat aan. We parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. Ook wij zijn blij hen terug te zien. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ik spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ik niet meteen kan plaatsen. Ik feliciteer eerst Tony, en werk dan de ronde af waarin hij staat: Vera, Francine en Erik, iemand die ik niet ken en die zich als Nicole voorstelt. ‘Door jou heb ik ‘Het achtste leven voor Brilka’ gelezen’ zegt ze, ‘en het was fan-tas-tisch’. Juist, mama had me inspiratie gevraagd en ik had dàt boek getipt. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ik ben trots op mijn kinderen, het zijn fijne, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter mijn rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het is fijn om deze mensen terug te zien. Altijd. Marc kent bijna iedereen. Ik merk dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ik weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ik krijg een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mijn moeder. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ik zie aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ik vraag me telkens opnieuw af of het aan mij ligt dat ik de kakafonie van geluiden niet goed verdraag of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles te goed te willen doen. Ik spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij ons te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze ons uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules -  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeft ze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken en door er met ons over te praten, ze mentaal proeven én verbeteren, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan -  de dag zelf -  alles vlot laten verlopen. Zij is maître d’orcheste en ze is de beste in haar vak.   Ik zie vanuit mijn ooghoek dat het zover is. Tony heeft Marc beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Marc weet dat ik Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vind, daarvan heb ik hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ik me kon herinneren – mijn hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden wij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Wij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat wij zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij ons op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde ons. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en wij begrepen daar de zin niet van. Wat ik daarentegen wel wonderlijk aan hem vond, was dat hij zijn leven aan jaartallen ophing als in: ‘In 74, toen ik als arts in opleiding stage liep in Egypte en bijna werd opgegeten door een krokodil in de Nijl’, terwijl ik mijn jonge leven aan geen enkel jaartal behalve mijn geboortejaar kon vastknopen. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleen geweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Hij is altijd verliefd geweest op mijn moeder – of dat beweerde zij toch -  maar dat belette hem niet om ook te koketteren met de andere vrouwen van hun vriendenkring. Mietje bijvoorbeeld, waar ik intussen mee sta te babbelen. Ze is niets veranderd in die vijfendertig jaren. Nog altijd een bloedmooie brunette met een fragiel Limburgs accent. Haar woorden weloverwogen gekozen. Lange haren in een paardenstraat, kastanjebruine ogen, een smal gezicht met zachte gelaatstrekken. Gracieuze, slanke vingers, maar ook knokig dankzij het minutieuze werk als juwelenontwerpster. Ze vertelt over David, over Jo en Sara, en haar kleinkinderen. Hoe Jo en David zo ondernemend zijn, en het harde leven van Sara als alleenstaande moeder en onderzoeker. Dat ze alle drie een zeilboot hebben en nog vaak allemaal samen met haar en Harry gaan zeilen. En dat ze geen juwelen meer maakt omdat ze geen eigen atelier meer heeft. In vijf, zes zinnen is een heel leven bijgepraat. Ondertussen eet ik onophoudelijk kaaskoekjes, nootjes en de hapjes die worden rondgebracht. Ik kan er niet vanaf blijven en voel me al snel verzadigd. Anso komt erbij staan. Ze moet net toegekomen zijn. Ze ziet er moe uit, maar ze straalt. Ze heeft nog maar pas een restaurant geopend en je ziet aan haar dat ze fysiek bijna geen marge meer heeft. Ze is graatmager en ze is de enige van ons drie die altijd al last heeft gehad van migraine. Ze staat heel scherp. Maar ik zie dat zij hier ook van geniet. Al die vrienden samen.   Een aantal mensen die ik nog niet had gegroet, lopen nu richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monster ik de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ik roep hen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop in de tuin en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. We hebben er nu 34, waarvan 27 kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens mij doet het mijn vader denken aan het utopisch samenleven in een bucolische tuin zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn.  Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten die kippen wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mijn moeder, die hem gedurig commandeert.   Ik hoor nu een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche.  Mijn mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind – ook de jurken en de haartooi van de genodigden lijken nu overgeleverd aan de grillen van de wind– en er zijn regendruppels gesignaleerd. We horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes -  behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan.   Ik zoek mijn man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Ze praten over Genk. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Bovendien is ze van Waterschei en ik weet nu dat Marc haar over het huis in de Stalenstraat heeft gevraagd. Maar deze keer moet ze het antwoord schuldig blijven. De cité kent ze als haar broekzak maar het huis achterin kent ze niet. Ik heb Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen, én ze kent echt veel van culturele geschiedenis. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk. Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Ik kijk vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar ons wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ik kijk of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkelt die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Liefst samen met Thierry. Ik denk dat papa in Leuven bewust het gezelschap van die mannen zocht, om zijn stille kant in evenwicht te brengen. Het is het type mannen waarbij de mop altijd om de hoek ligt en zelden mislukt omdat ze die zo weten te orkestreren dat je gedwongen wordt te lachen. Als je dat maar mondjesmaat doet is het ook niet erg omdat niemand harder lacht dan zijzelf. Bij Thierry kondigde de anekdote zich meestal met een ‘weet ge’ aan, waarbij hij op dat eigenste ogenblik energiek naar voren boog in zijn stoel, de broek van fijn corduroy wat omhoogtrekkend zodat de kous aan de enkel zichtbaar werd, en zijn toehoorders op die manier in het verhaal trok. Wanneer hij zeker was van ieders aandacht, begon hij luid articulerend en met die geknepen, nasale A, - zo eigen aan het Antwerpen van de rand- van wal te steken, de armen wijd gesticulerend en met een al licht triomfantelijke lach om zijn mond; Naarmate de pointe vorderde en de aandacht van deze of gene toehoorder wat verslapte, begon hij luider te praten, zwiepte af en toe naar achter en dan terug naar voren in zijn stoel, opdat zijn woorden met nog meer kracht als een katapult de arena in werden geknald, terwijl hij een hinnikend geluid voortbracht, - de lach - langzaam sneller en sneller tot bij de laatste zin, waarna hij een abrupte, dramatische stilte liet vallen, om dan in een kamervullende, onbedaarlijke bulderlach te ontploffen, met wijdopen mond en met de sterk uitpuilende ogen vol tranen en waarbij iedereen, in het bijzonder het mannelijk deel van het gezelschap inviel, zowaar omwille van de anekdote zelf maar nog veel meer om Thierry als persoon en de geschiedenis die ze samen hadden geschreven. En omdat ze hem dankbaar waren, deze theatrale verschijning die op dit soort gelegenheden hun garantie was om even te ontsnappen aan de routine van elke dag. Ik vond het toen, lang geleden, wonderlijk dat grote mensen dingen konden vertellen die zoveel plezier ontketenden, waar ik helemaal niets van snapte. Maar Benny was dus alleen komen te staan en had ook zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van mijn vader. Ik weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat mijn beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in me zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is me nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ik denk dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.   Ik zoek de blik van mijn man. Hij staat te praten met Harry. Ik merk dat hij door wil. Ik zou liever blijven maar hij wil een toertje gaan doen in de omgeving. Huizen kijken. Dat doen we graag, het is een soort van ‘gezamenlijk project’, soms denk ik dat het een surrogaat is voor de verstandhouding die we niet hebben. En bij elk mooi huis dat we zien, prikt hij ook de mogelijke droom die eraan vasthangt onmiddellijk kapot. We ontdekken die middag Vechmaal, een dorpje op een kwartier van mijn ouders maar nog steeds in het heuvelrijke Haspengouw.  We onthouden het voor een volgende wandeling. Drie uur later keren we weer. Het is een prachtig tafereel. Nu zitten ze wel onder de pergola. De zon komt van de andere kant, lager, gloedrijker, minder fel. Een geanimeerde bende, onderuit geschoven, de flessen wijn bijna leeg, en daarachter onze kinderen. Ze voetballen met Liliana. Ik neem wat van het dessertenbuffet en vul ook een bordje voor Linda. Ze is in de keuken en wast de laatste borden af. Alles is proper. Ze loopt wat gebukt, ziet er moe uit. We zitten samen op het terras voor de keuken. Ook daar schijnt de zon nu. ‘Hoelang ben je nu bij ons?’, vraag ik. ‘Van toen Thomas geboren is. Ka kwam hier werken in het atelier en ik gaf Thomas het flesje.’ Thomas is 19 geworden dit jaar. Ik zie dat mijn jongste in zijn ogen wrijft. Onze kinderen zijn moe. We stappen op.   Aan dat feest wilde ik denken. Het was vorig weekend, en ik ben trots op mijn ouders, om te zien hoe die hele bende waar ik mee opgroeide er nog is, hoe heel hun levens zijn verknoopt en er ondanks alle hindernissen die hun paden hebben gekruist nog steeds vriendschap is en een drang om de dagen samen door te brengen. En tegelijkertijd voel ik me ellendig omdat ik dat zelf niet heb weten te creëren.    

Sabine Steels
0 0

De woorden

  Ze wil niet. ‘Laat haar nog even’, zeg ik, ‘geef haar nog wat tijd om zich voor te bereiden’. ‘Nee’ , antwoord je, ‘je moet haar een duwtje geven, het zal haar anders niet lukken en we hebben niet eindeloos de tijd, er zijn er nog die klaar staan om geboren te worden’. Ik zucht, het doet pijn aan m’n hart haar te laten gaan. Geruisloos leg ik m’n hand op haar schouder. Ze sputtert niet tegen, haar gezicht ontspant in een glimlach, alsof ze erop aan het wachten was. Ik weet nu al dat ze me nodig zal hebben daar beneden, ze zal zich pijn doen, zo gaat dat met dit soort. En ik zal machteloos toekijken, dat is nu eenmaal het lot van ons engelen. ‘Zo meteen ga je, meisje’, ik zucht diep en bereid me voor op het duwtje, ze glimlacht nog steeds, ‘insj’allah’, prevel ik en jij knipoogt naar me. Ik geef haar een duw, zij volgt, gewillig, het hoofd opgeheven. Jij houdt haar nog even tegen, kijkt haar zacht maar doordringend aan en drukt je vinger op haar lippen. Ze begrijpt het. Net voor een mens geboren wordt, leggen we hem het zwijgen op, hij moet alles vergeten voor hij op de aarde komt, hoe kan hij anders ooit geloven. In de ogen van kinderen zo tot een jaar of vijf zie je vaak nog iets uit de verte blinken, het schemert soms door in wat ze zeggen, de mensen vinden het schattig, maar nemen het niet ernstig: ze zijn nog zo klein, ze kunnen nog maar net praten. Ze is een tikje roekeloos in de keuze van haar ouders, lang denkt ze niet na, alsof ze al haar getalm van daarnet wil goedmaken. Het is een jong koppel, nog niet zolang geleden getrouwd in ribfluweel, niet eens een kleedje, niet eens een ruiker, de vader van de vrouw die haar moeder zou worden had die dag voor het eten gezorgd, ze kwam uit een arm beenhouwersgezin. Haar moeder was zelf vegetariër, niet omdat ze daar veel over had nagedacht, ze was als klein meisje gedegouteerd van het vlees dat ze te zien en te eten kreeg. Er was daar nooit veel over gesproken bij haar thuis, er werd maar weinig gesproken, alles werd in stilte en tussen de regels gezegd, met af en toe een extra bord karnemelkpap. Dat was anders in het gezin van haar vader, daar waren woorden het instrument bij uitstek om de wereld te veranderen. Men sprak er algemeen beschaafd Nederlands, haar oma emancipeerde de vrouwen van het dorp en de de omliggende dorpen, haar grootvader inspireerde velen, maar terroriseerde zijn kinderen met zijn fanatieke denkbeelden. En dat deed hij niet alleen met woorden. Op 12 januari 1974 worden deze twee mensen de ouders van een klein zwartharig meisje. ‘We zeggen JA tegen het leven’ stempelen ze met de letters van een stempeldoos, alsof ze haar er nog van willen overtuigen dat ze de wereld in moet. Vergeefse moeite. Op de voorkant van het geboortekaartje komt een bloem. Van bloemen zal ze haar hele leven lang blij worden. Wanneer haar moeder stopt met borstvoeding organiseert ze haar eerste protestactie: ze staat vol met rode vlekken, het is geen zicht. ‘Eczema’ is de naam van één van haar verzetsvormen tegen de vele indrukken van de wereld. Maar ze koos een lieve moeke, met een mooie stem. In het begin hebben woorden geen betekenis, het zijn louter klanken. Haar moeke omringt haar met zachte klanken, zij zuigt die allemaal gretig in zich op. Haar moeke houdt van voorlezen. Ik luister vaak als ik in de buurt ben en kijk soms zelfs over hun schouders mee in het boek van ‘Kleine Koen in de tuin’, dan vergeet ik even dat ik aan het werk ben. Het kleine meisje vindt het ook fantastisch, ze wil het alsmaar opnieuw horen. In de tuin van kleine Koen dragen de erwtenmeisjes hun kindertjes in een peul op hun rug, vrouw Appel speelt op haar luit zittend op een tak in de appelboom, op een heuvel woont de wilde aardbeifamilie, September zingt er zijn lied voor vrouw Aster en vrouw Dahlia en alle andere bloemen. Het kleine meisje maakt ook vrienden in de tuin, ze verzint ze en geeft ze namen, ze heten Ilda en Olda, samen krijgen ze een kind Odrata, later zal ook nog Ekstra geboren worden. Ik moet lachen als ik haar vol overtuiging de naam van de verzonnen boorling hoor uitspreken, jij schudt je hoofd, een meisje dat bezoekjes brengt aan haar zelf verzonnen vrienden in de tuin, wat moet daarvan worden? Maar ik ben het niet met je eens, die verzonnen vrienden helpen haar evenveel, ja zelfs meer dan wij kunnen doen. Wij kijken maar toe, zij delen met haar hun leven, leiden haar de tuin in. Zoals het dreumesje in een van de gedichten die haar moeke zo vaak las. ‘Dreumesje dribbelt door het tuintje, tot ver aan het hek in de heg. Daar staat hij te reiken te reiken, om over de spijltjes te kijken’. Het meisje kijkt met grote ogen naar de wereld, op de foto’s van die tijd zie je haar vaak met de blik in de verte, of naar de wolken. ‘Want achter het hek ligt een weitje en achter het weitje een rij van bloeiende bloeiende bomen’. In de tuin bij het baksteenrode huurhuis aan de steenweg is een bloemperkje met bloeiende stuikheide en daarachter een sparrenbos. ‘En wat daarachter nog zal komen? De hemel denkt dreumesje blij’. Ook zij is er gerust in. Meer en meer woorden sijpelen haar wereld binnen, ze drinkt ze gretig op. Woorden kan je proeven, ontdekt ze, er zijn van die zinnen die je een lekkere smaak in je mond bezorgen terwijl je ze leest. Haar moeke werkt in de bibliotheek, ze houdt van boeken zonder ze te lezen. Het meisje leert lezen als vanzelf, daar in de bibliotheek staan zoveel boeken te popelen. Ze plukt bosbessen met de kinderen van Bolderburen tot haar vingers er paars van zijn, bakt pannenkoeken in Villa Kakelbont, laat haar lentekreet door de bossen klinken samen met Ronja de Roversdochter. Ze wordt stapelverliefd op Ridder Tiuri en nog meer op zijn maatje Piak. Ze ontpopt zich tot Gods Vlindertje en trekt met een huifkar door Frankrijk om muziek en troost te brengen in dorpen en kastelen. Met een papieren kleedje wordt ze door een boze stiefmoeder de sneeuw in gestuurd met een stuk oud brood en een mandje, want ze moet aardbeien gaan plukken. Maar ze deelt haar brood met een dwerg en die weet aardbeien voor haar te vinden. Ze past een nieuwe groene jurk net als Laura uit het kleine huis op de prairie, maar heeft jammer genoeg niet het koperkleurig haar dat daar zo mooi bij is. Jij zou ongeduldig van haar worden, ‘wat een dromertje’ zou je zeggen, ‘daar heeft de wereld niet veel aan’, maar ik kan het niet laten haar van nabij te volgen. Toegegeven, je moet er je tijd voor nemen, op het eerste zicht is het gewoon een meisje dat wat tekent en knutselt en in fantasiespel is verwikkeld, als ze tenminste niet met haar neus in de boeken zit.  Op school zegt ze niet veel, ze draagt de ribfluwelen broeken uit de fabriek waar haar grootvader werkt, of een schots rokje dat nog van haar nichtje was. Mooi zijn is iets voor in de boeken, of voor andere kinderen. De banken in de klas van het meisje staan in een U, vooraan in de bank is een gleuf, daarin ligt haar vulpen, naast die gleuf is een gat, dat is van toen de inkt nog uit een inktpot kwam, toen schreven ze vast met een ganzenveer. Nu moet je je pen niet in de inkt doppen, maar af en toe de vulling vervangen. Sommige andere meisjes van de klas, bewaren in één vulling de ‘bolletjes’ van de gebruikte vullingen, dat zijn de dekseltjes die je naar binnen prikt als je een nieuwe vulling begint, zij doet dat niet, ze schenkt haar bolletjes aan anderen. Ik zie haar zitten in de klas, ze hoort de juf vragen stellen, de vingers van de kinderen gaan omhoog, ze bijt op haar lip, kijkt naar haar pen in de gleuf en denkt: ik wou dat ik niet hoefde te spreken, dan schreef ik alleen nog maar briefjes. Dan hoefde ik niet de aandacht te trekken, had ik de tijd om na te denken en zouden ze de tijd nemen om te luisteren naar wat ik schreef.  

Adinda
7 1

Winterkind (opdracht 3)

Het huwelijksfeest moest een feest met kerstbomen worden. En dat is het ook geworden. Ze droeg een donkerbruin kleed en donkerbruine schoenen, bekleed met zijde. Het kleed deed haar denken aan Russische verhalen van winters en paleizen in de sneeuw. Dit was hun feest.   Ze was een winterkind, geboren in december. Ze was nog maar enkele maanden oud en mocht al met de sneeuwman op de foto. Haar vader, de sneeuwman en zij, in de tuin van het oude huis. De sneeuwman droeg een zwarte hoed. Binnen stond een grote kerstboom. De kerstboom was een beetje kaal, maar dat was niet erg. In de kerstboom brandden kaarsjes. Haar vader hield niet van kaarsjes in de kerstboom. Kaarsjes in kerstbomen zijn gevaarlijk, zei haar vader.   Het was koud en het regende, de ochtend van het huwelijk. Haar tante Madeleine was uitgegleden, vlak voor het stadhuis. De vrienden hadden rijst gegooid en door de regen was de rijst nat en glibberig geworden. Na de plechtigheid gingen ze iets drinken, in het café vlakbij het stadhuis. Haar man trakteerde het hele gezelschap en dan moesten ze weg, voor de foto’s. De fotograaf stelde voor om naar een oude spoorweg te gaan, dichtbij de Schelde. Ze wilden niet naar de Schelde. Ze hadden zo lang gehunkerd naar een eigen plek, een eigen huis. Nu ze dat huis gevonden hadden, gingen ze niet naar ergens anders voor foto’s. Vlakbij hun huis was een spoorweg met watertorens. Daar zijn de foto’s gemaakt, onder de spoorwegbrug en bij de watertorens.   Het was stil in het oude huis met de sneeuwman. Buiten was het winter en binnen speelde ze met haar winkeltje. Het winkeltje had schuifjes en vakjes en doosjes. Soms kwam er iemand winkelen. Als er niemand kwam winkelen, dan schreef ze in een boekje. Na de winter kwam de zomer met een broertje. En nog twee winters later kwam de lente met een zusje. Kort voor het kerstfeest kwam Sinterklaas.   Het huwelijksfeest was in een oranjerie, midden in een bos. Binnen stonden de kerstbomen. Haar man had voorgelezen uit een tekst die hij voor haar had geschreven. Nog nooit had iemand zo’n lieve dingen over haar gezegd. De huwelijksreis ging naar de grote kerstboom op Rockefeller Plaza. Het leek wel of de hele stad daar was samengekomen om te zingen. Over hoe heilig de nacht was. En over Rudolf, het rendier met de rode neus.   Soms gingen ze met z’n allen naar het nieuwe huis met de grote tuin. Het nieuwe huis was nog niet af en de tuin ook nog niet. Haar vader gaf les en in het weekend bouwde hij aan het nieuwe huis. Zo duurt het wel een tijdje. In de grote tuin waren hoge bergen zand. Haar vader plukte bloemetjes en plantte die op de bergen. Hij zette haar en haar kleine broer boven op een berg en dan gleden ze naar beneden.   Hoe stil was het in die grote stad in de dagen na kerstmis. Ze gingen met de boot naar Ellis Island, zochten naar het Joodse deel van Williamsburg dat ze kenden van de foto’s van de grote Elliott Erwitt en ze waren bijna helemaal alleen in El Museo del Barrio. De Puerto Ricaanse suppoost vertelde hen over het bed met de poppetjes, een kunstwerk ter ere van een Puerto Ricaanse kinderoppas.   En toen was het nieuwe huis met de grote tuin klaar. Achter de grote tuin lag een pad en velden en een grote weide. In de weide woonde een ezel. De ezel kon heel luid zijn. Misschien was de ezel een beetje eenzaam. Als je het pad volgde en dan ook nog de rivier, dan was je heel ver weg van huis. Veel liever bouwde ze een kamp in de hoek van de tuin, onder de eiken naast de Weymouthden. Ze plukte madeliefjes en knoopte ze aan elkaar tot een halssnoer. In de zomer was er elk jaar een groot pannenkoekenfeest in de tuin van het nieuwe huis, met alle neefjes en nichtjes. De tantes bakten pannenkoeken en de nonkels maakten een groot kampvuur.

Elisabeth Leysen
0 0

Een beknopte geschiedenis over het leed

“Nu zou ik graag hebben dat je op het papiertje schrijft wat je voelt, wat er in je omgaat.” Ze schrijft een ‘p’ op de tafel, maar die letter wordt snel een vage streep na een veeg met haar mouw. “Soof,” Ze houdt haar hoofd lichtjes schuin en fronst haar wenkbrauwen. Haar blik gaat mijn hoofd verschrompelen als een rozijn. “Sophie.” Haar frons verdwijnt terwijl ze naar de klok staart “Praat met me, ik ben hier om te luisteren.” Het ge-tik-tak van de klok houdt geen vast ritme. Zweetdruppels tuimelen over mijn voorhoofd als een bende marcherende soldaten. Soofs nagels krassen in de blauwe inktvlek op tafel. Het geluid van haar gekerf is in harmonie met de klok. Na elke willekeurige tik of tak komt iets waar ik controle over heb, iets voorspelbaars. “Ik weet dat je niet gemakkelijk praat, maar,” Het gekras stopt, het ge-tik-tak ook. Ze neemt haar pen op, steekt het in de lucht en laat het met een doffe knal op de tafelhoek neerkomen. De inkt spat overal terwijl ze me aankijkt met een inktdruppel onder haar oog wat de indruk wekt dat ze blauwe tranen huilt. Sneeuwvlokken landden overal, versperden mijn zicht. De muren werden zwartgeblakerd. De vloer verbrokkelde zienderogen in as. Inkt druppelde van de tafel, van de muren, van Soofs wangen. Haar stoeltje begon vuur te vatten. De sneeuw werd zwart, het uurwerk tikte steeds luider en luider. “Sofie, vuur!” Ze bleef moedwillig zitten, staarde me aan, leek op een plastic pop, haar ogen smeltend als was. Knettergekke Soof was brandhout geworden. Het stoeltje was verdwenen, zij ook. De muren rolden langzaam op en werden bomen. De vloer versplinterde tot bladeren. Het plafond doordrenkte met blauw afgewisseld door witte spetters. De zwarte sneeuw vloeide in een koele bries. De klok spatte uiteen in fladderende duiven. “Eén, twee, drie, vier, vijf. Wie niet weg is, is gezien! Waar ben je!” Sophies gegiechel galmde tussen de bomen. De zon verwarmde onze aangezichten. Onze. Want zij was hier ook. Maar steeds minder. Ze was beetje bij beetje weg. Nu bleef enkel haar stem over, maar het gebruik ervan was schaars geworden. Ze is, maar niet hier. De klok was verdwenen, neen vervangen, door gekoer. De grond zwol op alsof die in een foetushouding lag. De bosvlakte golfde op en neer als een woeste zee. Bulten en putten werden steeds groter. Alles kreeg een afgebleekte kleur, een vaal geel. De duiven in de lucht ontploften in een blauw-rood-geel-geflikker. De hoogteverschillen kregen vaste vormen, randen bouwden zich ritmisch om tot trappen, op trappen, in een eindeloos diepe en hoge trappenhal. Gejammer weekte de gele lucht. Pijn, in een hoek gedreven, zweefde als een dikke, verstikkende mist “Waar ben je? Ik vind je niet!.” Daar! Een open deur. Daarachter een kamer vol snijdende kleuren. Een mooie pijn, dat was Sophie zelfs niet gegund. De deur was binnen handbereik, maar sloot met een luide knal. Boven, een verdieping hoger: hetzelfde tafereel. Loop, ren, spurt! Snel! De volgende ingang was weer dichtbij, de kleuren smaakten zoals zure snoepjes, zuur maar lekker. Weer dicht, volgende verdieping, volgende, volgende, … Buiten adem lag ik op de scherpe randen van de trap. De trapleuning loste op in de gele lucht. Zo van kom maar, één keer omrollen is genoeg. Ik draaide mijn hoofd weg van het gat. Sophie, ze lag naast me, deed alsof de treden kussens waren, keek met een klein glimlachje, met dat kleine mondje van haar. Ze sloeg haar armen om me heen. Ze rolde samen met me, zachtjes, op het ritme van het tik-tak-gekoer, de diepte in, de hoogte in. Dat was ik vergeten. Hier is geen hoog of diep. Zij had me dat gezegd alsof ik het vergeten was, alsof ik het ooit wist. We zweefden door de gele lucht, door het gejammer heen, het hoog-diep in. Duisternis omhulde ons. We landden zachtjes in een uitgestrekte zwarte vlakte met een laagje warm water. Geen tikkende klokken, geen brandende sneeuw, geen snijdende kleuren. Haar stem kwam naar me toe, in deze oneindige nacht. Ze gebruikte haar stem voor zachte snikjes. Tranen die in het warme water druppelden, inktblauw. Ze kreunde, probeerde iets over haar lippen te krijgen. “Papa.” Haar wang kleurde lichtroze, als een varkenswangetje. Een roos, kwetsbaar biggetje. Heel haar leven vetgemest, gebrandmerkt, opgesloten. Een wezen, op zoek naar een uitweg, voortgesleurd van kooi naar kooi, onderdeel van een sadistisch partijtje verstoppertje. Op haar kaak verschenen de contouren van een hand. In het gezicht geslagen door haar eigen bloed. Mijn liefste misvorming Mijn vlammend meisje Verzengd door het getier Deemoedig geroosterd Mijn snoezig biggetje Mijn teer prulletje In het geheugen gegrift in het gelaat gekerfd Ze zit op haar stoeltje met wijd opengesperde ogen en de tanden ontbloot; een gretige blik met een niet te stillen honger naar antwoorden. Haar lichaam rilde ongecontroleerd door de kou. Niet het soort kou dat je zachtjes doet trillen, geen koel briesje. Maar een harde kilte. Zoals wanneer iemand ’s winters in de zee stapt. Het zoute, harde water dat op de benen klotst. Een rilling dat zich over het hele lichaam verspreidt als een ongecontroleerde tumor. “Wil je een dekentje?” Ik wijs naar een stapeltje dat naast haar ligt. Ze klemt een deken in haar handen en wikkelt zichzelf erin. Haar blik verschuift naar de klok. Het is bijna drie uur. Het gespreksuur is bijna om. Met kleine pasjes beweeg ik me naar haar. Ik kan me de kinderfoto’s voorstellen. Sophie, glimlachend op een draaimolen, likkend aan een bolletje vanille-ijs, pootjebadend in de zee. Allemaal onder het toeziend oog van de vader. Altijd oh zo aanwezig, in het geheugen gegrift. Nu is ze groter. Volgens haar vader is het dus welteverstaan dat haar geheugen niet altijd even goed werkt. Daarom speelt hij nu in op andere dingen. Allemaal educatief verantwoord natuurlijk. “Zeg eens, hoe voel je je nu?” Ze grijpt naar de pen, maar die is kapot. Dus gebruikt ze haar nagels. Het steeds luider wordende gekras compenseert haar gesnik. Haar tanden knarsen, haar lichaam schokt, haar ogen lijken los in haar oogkassen te rollen. “Stil maar, alles komt goed.” Ik drapeer mijn handen zachtjes om haar schouders. Ze ademt minder snel, het schokken stopt. Ze legt haar hoofd zachtjes naast het woord dat ze gekerfd heeft. Haar ogen turen naar de druppels bloed op tafel. “Papa.” = = = Een belgeluid galmt door de gang. “Goedemiddag Chris. Alles oké?” “Ja, ik heb geen tijd. Waar is Sophie?” Hij friemelt zijn handen in elkaar. “U bent te laat, het is al half vier,” Zijn handen vormden nu een vuist. Hij bijt op zijn onderlip. Papa is boos. “Uw zus heeft haar opgehaald.” Zonder iets te zeggen stroopt hij zijn mouwen op en stampt hij naar zijn auto. Na het sluiten van de deur weerklinken gierende banden in de straat. Ik ga voor de praktijkdeur staan, waar ik al mijn cliënten ontvang. Ik laat mijn hoofd erop steunen en fluister. “Hoe voel je je?” “Geen papa.”

Etlir Xharra
0 0

Pleiten, door Jan Loogman (opdracht 3)

WoensdagTe vroeg, beseft hij, hij heeft te vroeg gejuicht, al was het louter in zichzelf en bewaarde hij zijn pokerface. Hij kijkt om zich heen, links van hem zit de advocaat van de tegenpartij, een vurig pleidooi heeft hij vanochtend voor het Hof gehouden, overtuigd van zijn gelijk. De rechtbank heeft gedwaald, was zijn stelling, het Hof zal zijn hoger beroep gegrond moeten verklaren. Toen hij dat zei, had Johan in zichzelf moeten lachen. Het is wat hij zelf ook vindt. Een rechter die in een tussenuitspraak een lijn uitzet, kan in zijn slotuitspraak deze niet verlaten. Logisch dat de tegenpartij hoger beroep heeft ingesteld, en denkt dit gemakkelijk te kunnen winnen. Maar hij heeft zijn eigen visie voor zich gehouden en juist het tegenovergestelde bepleit. Als ze hier een walk-over dachten te krijgen, hebben ze buiten hem gerekend. Don Quichote de la Mancha, graag speelt hij de rol en zojuist heeft hij hem weer vertolkt, hij is in zijn eigen argumenten gaan geloven, misschien heeft hij het Hof wel overtuigd. Een heel goed pleidooi, vond hij toen hij het afsloot. Zorgvuldig heeft hij een zelfingenomen houding vermeden. Of heeft hij na zijn slotwoorden toch al te tevreden achterovergeleund? Nooit op een zege vooruitlopen, nooit een nederlaag te vroeg incasseren, met alles rekening houden, maar niets laten blijken. Dat is wat hij geleerd heeft in de loop der jaren. Toch, misschien is zijn achteroverleunen opgevallen, hij ziet de drie rechters op hun podium. Lagendijk, de voorzitter, is rood aangelopen. Hij heeft de naam een driftkop te zijn, iemand ook die gebrek aan kennis of intelligentie graag belachelijk maakt. Johan moet zich bedwingen om niet zijn excuses aan te bieden, het hoofd te buigen, zijn standpunt te wijzigen, maar het lukt hem, hij laat zijn gedachten dwalen.   Hij komt uit bij de witgeschilderde frituurkraam die vroeger in het dorp stond, halfweg tussen de dijk en de kerk. Wanneer Duuk en hij tussen de middag uit school naar huis fietsten, stopten zij daar soms. Daan Lagendijk had de luiken net opengegooid, het vuur onder de pannen aangestoken. Duuk bestelde twee porties en betaalde ook. Zelf had hij geen cent te makken, hij mocht van zijn moeder hier trouwens niet komen, je stond er met je zak patat gewoon op straat. Ordinair, zei zij en dus kwam hij hier stiekem en op kosten van Duuk. Als Lagendijk de zakken had volgegooid, veegde hij zijn handen af aan zijn witte jasje dat nog besmeurd was met de vegen van de dag ervoor. Het leek erop dat het jasje niet vaker dan eens per week verschoond werd. Nooit had hij hier van zijn moeder mogen eten. Het was niet alleen ordinair, het was ook onhygiënisch.   Als de voorzitter zijn stem verheft, bedenkt Johan dat deze Lagendijk van een heel andere tak in de familie moet afstammen. Zijn stem klinkt alsof de eerste prijs in welsprekendheid bij het Leids Studentencorps altijd weer zijn deel zal zijn, op de tafel voor hem ligt naast het glas water een witte zakdoek waarmee hij af en toe zijn voorhoofd dept zonder dat de doek vuil lijkt te worden. Het afvegen helpt trouwens niet tegen het rood dat zijn gezicht in de loop van Johans pleidooi is gaan kleuren. Zodra Johan klaar is met zijn pleidooi, en jammer genoeg leunt hij op dat moment tevreden achterover, kijkt Lagendijk naar rechts, waar zijn eerste bijzitter zijn handen vouwt en op de tafel laat rusten, niet van plan tot enige actie te komen. “Heeft u geen vragen?” sist hij hem toe. Misschien is dit het ogenblik waarop het rood in zijn gezicht tot paars verkleurt, het moment dat de bijzitter laat weten inderdaad geen vragen meer te hebben. Lagendijk keert zich met een ruk van hem af, richt zich tot Johan. Een stier die zich wendt naar de toreador, met het doel hem op de horens te nemen. Johan buigt voorover, wil de rode kaft van het dossier aan het oog van de voorzitter onttrekken, maar de stier dendert door. “Wilt u overweging 2.5. uit de tussenuitspraak van de rechtbank eens voorlezen?” zegt hij.   Natuurlijk wil hij dat, al brengt de dwingende toon hem terug naar zijn middelbare school. Op wonderbaarlijke wijze ontkwam hij in de eerste klas aan elke voordracht, elke boekbespreking, elke opdracht die hem alleen voor de klas kon brengen. Maar onontkoombaar was het dat hij een keer voor de klas moest komen. Bij Engels haalt de leraar hem naar voren, hij moet enkele woorden op het bord schrijven. Zodra hij een woord heeft genoteerd, hij weet nog welk woord het was, “Port”, vraagt de leraar hem dit nog eens te doen. “Ah, zo doe jij dat. Dat is een unieke manier van schrijven,” lacht hij, “Van welke dorpsschool kom jij eigenlijk?” Johan realiseert zich dat het een vraag is die hij niet hoeft te beantwoorden, de leraar stelt hem slechts voor zijn eigen plezier en dat van de klas, jongens uit de stad die zich vrolijk mogen maken om hem.   Nu mag hij de dodelijke overweging 2.5. nog eens voorlezen, zoals hij ooit de letter P nog eens op het bord mocht schrijven. Rustig leest hij de overweging voor. Als hij klaar is, kijkt hij op, de voorzitter ziet onverminderd paars. “Welke consequenties verbindt u aan deze passage?” blaast hij. Johan voelt de wind dwars door zijn witte overhemd blazen. Een beschermende stropdas was nu fijn geweest. Hij kijkt naar de twee bijzitters, naar de griffier, zoals hij ooit naar zijn klasgenoten keek die klaar waren om in spottend gelach uit te barsten bij elke grap die de Engelse leraar ten koste van hem zou willen maken. Zij zijn bang, ziet hij. Het is aan hem de stier te weerstaan. Hij gaat rechtop zitten, plaatst zijn voeten naast elkaar op de grond en opent zijn mond.   Na het echec met de beurt voor het bord tijdens Engels is hij er tot in de derde klas in geslaagd elk optreden voor de klas te vermijden. Toen werd de spreekbeurt onvermijdelijk. De leraar suggereerde een onderwerp, hij kwam toch uit de polder? Bij de buurvrouw ziet hij tijdens het tv-uurtje enkele boeken staan over de historie van hun polder, en hij mag deze lenen omdat het voor zijn school is. “Voor school mag je onze hele boekenkast leeghalen, Jean,” heeft de buurvrouw gezegd. Ze dreigde hem beet te pakken, maar hij was te snel, te klein misschien ook, en is met de boeken naar huis verdwenen. De boeken brengen hem van alles dat hij in zijn spreekbeurt zal kunnen gebruiken. Al die schepen die ooit in het Haarlemmermeer zijn vergaan, al de plannen tot drooglegging en tenslotte de feitelijke drooglegging dankzij de inzet van de stoomgemalen, de Lijnden, de Cruquius en de Leeghwater. Toen de polder er eenmaal was, had in de negentiende eeuw vlak achter de dijk een modelboerderij gestaan, de grond achter hun huis had tot het land daarvan behoord. “Ja,” zei de buurvrouw, toen hij haar erover vertelde, “en van de verkoop van al dat land is die boer rijk geworden en daarna heeft hij zich tot burgemeester laten kiezen. Het gemeentewapen is door hem ontworpen, die korenaren die uit water oprijzen.”   Op zaterdag heeft hij de spreekbeurt gehouden. De nacht ervoor heeft hij gewoon geslapen, Toen was hij nog in staat zorgen opzij te zetten, te vergeten. Maar die ochtend, op weg naar school, heeft hij zich voorgesteld dat hij niet de Beethovenstraat insloeg, maar rechtdoor fietste, de Apollolaan in, God mocht weten waar hij terecht zou komen, wat kon het hem schelen? Hij heeft het niet gedaan, is op tijd op school gekomen en heeft in de eerste twee lesuren als een dode vogel achter zijn tafeltje gezeten. Niemand is iets aan hem opgevallen, hij gedroeg zich zoals ze hem kenden. In het derde uur begon de Nederlandse les zoals altijd, mijnheer Haenen deed joviaal en vertelde over het weekend waar hij zich op verheugde. Toen haalde hij het vel uit de la van zijn lessenaar. Johan wist wat erop stond, de lijst met namen voor de spreekbeurt. Hij vroeg zich af of hij zenuwen voelde. “Johan,” heeft Haenen gezegd, hij moet Johan hebben aangekeken en zijn opgestaan om plaats te maken, een spreekbeurt houd je vanachter de lessenaar van de leraar. Niets weet hij over het vervolg te vertellen. Hij zal met zijn papieren in de hand uit de bank zijn opgestaan, hij zal naar voren zijn gelopen. Hij heeft geen beeld van deze scène. Op het uitspreken van zijn naam door de leraar volgt in zijn hoofd onmiddellijk een ander beeld: hij legt zijn papieren neer, zegt “Dit was mijn spreekbeurt”, staat op en loopt terug naar zijn plaats. “Nee, nee,” zegt de leraar, “je moet nog vragen beantwoorden.” Hij loopt terug naar voren, gaat achter de lessenaar zitten, kijkt naar de jongens in de klas en zegt vrolijk: “Zijn er nog vragen?” In de tien minuten daarna doet hij zichzelf en de klas versteld staan, de vogel is herrezen, hij hoort de vragen, staat op van de lessenaar, neemt een krijtje, schetst het gemeentewapen op het bord, vertelt over de burgemeester die zichzelf verrijkte door zijn grond te verkopen toen er plannen kwamen tot uitbreiding van het dorp.   Nu herinnert hij zich hoe hij de vragen van zijn klasgenoten beantwoordde, een vogel die voor het eerst vloog en niet kon worden gevangen. Hij herhaalt wat hij eerder heeft gezegd om het standpunt toe te lichten. “Misschien vindt u het een opmerkelijk standpunt,” zegt hij, en kijkt Lagendijk in het gezicht, dat nog donkerder paars is geworden, de voorzitter lijkt te barsten. “Ja, dat vind ik zeker,” stoot hij uit, “u kunt dit niet volhouden.” Nu kan hij zwichten, beseft Johan, dit is het moment om afstand te nemen van het standpunt, zijn kennis van de jurisprudentie ten toon te spreiden, zijn intellect te tonen door de overwegingen in de slotuitspraak van de rechtbank te ironiseren. Het is het moment om plat te gaan liggen, een toreador die wijkt voor de stier. Hij kan zijn organisatie te kakken zetten en zijn eigen gezicht redden. Natuurlijk had hij dit van meet af aan kunnen doen op deze zitting. Maar hij heeft een andere keuze gemaakt, als een kamikazepiloot is hij het standpunt gaan verdedigen, dat zijn collega’s in lijn met de slotuitspraak hebben ingenomen, een onhoudbaar standpunt vond hij zelf. Maar zijn collega’s hebben ervoor gekozen, ook al zijn zij misschien onvoldoende onderlegd, en wie is hij om deze harde werkers af te vallen? Hij verdomt het zich door deze Leidse Corpsbal te laten koeioneren. “Ik wil het u nog een keer uitleggen, mijnheer de voorzitter,” zegt hij. Als het zou kunnen, ziet hij, zou Lagendijk verder van kleur veranderen, misschien zou hij even zwart worden als de te lang gebakken frietjes van zijn naamgenoot uit de frituurkraam. Maar hij is geschoold, hij beheerst zichzelf. “Nee, dank u,” zegt hij, “u bent voldoende aan het woord geweest.” Johan vindt het bijna jammer, graag had hij de vogel nog een salto laten maken, maar hij zwijgt en blijft zitten. Hij hoopt op een pokerface.   In de trein terug staart hij uit het raam. Hij voelt zich volkomen helder en tot alles in staat, maar uit ervaring weet hij dat hij vandaag niets meer zal uitvoeren, zijn kruit is verschoten. Hij kijkt terug de coupé in, een leeggedronken bierblikje in zijn hand. Als hier nog wat gesproken moet worden, zal hij het woord nemen. Maar het is niet nodig. DonderdagMet het dossier onder zijn arm daalt hij een verdieping en loop door de lange gang, op zoek naar de kamer van Steensma. Zodra hij er binnenstapt, valt hem de zweetlucht op. Een man die nooit zijn puberjaren te boven is gekomen. Ook de aanblik van zijn bureau ondersteunt die gedachte, overdekt als het is met dossiers die over elkaar heen lijken te glijden. Verschillende ervan liggen open. Zouden stukken op deze manier niet van de ene naar de andere kaft dreigen te verhuizen? Hij gaat er niets van zeggen, zo lang zal hij hier niet meer werken, de vervanging loopt op zijn einde. Bovendien kijkt Steensma hem gepijnigd aan, alsof hij hem in een complexe gedachtegang gestoord heeft. Nu hoeft dat op zich niet veel te betekenen, wie zegt dat denken op zich voor deze middelbare puber niet al een lastige opgave is? Hij houdt hem het dossier voor.   “Weet je nog? Eergisteren kwam ik hiermee naar je toe. Gisteren was de zitting, ik dacht: ik vertel je even hoe het is gegaan.”“O,” zegt Steensma. “Appeltje-eitje zeker?”   Hij weet wat hij kan zeggen. Hij kan de gedachtegang van Lagendijk aan Steensma proberen uit te leggen, en ook die van de advocaat. Hij kan er zijn tegenargumenten aan toevoegen en dan een conclusie proberen te trekken, een inschatting maken: zaak verloren, zaak gewonnen. Maar wat heeft het voor zin?“Appeltje- eitje,” zegt hij.  

Jan Loogman
0 0

De bureaulamp gaat uit

Opdracht drie De Bureaulamp gaat uit. “Als je wil, blijf ik de hele nacht samen met jou wakker, liefste,” had ze in het begin van de avond gezegd. Ze meende het. Hij stond voor een belangrijk examen in zijn eerste doctoraat en zou de hele nacht door blokken. “Neen, liefke dat wil ik niet. Je hebt je rust ook nodig. Ik haal het wel,” had hij zijn Marleentje gerust gesteld. “Maak me wakker als het niet meer gaat, hé jongen,” had ze hem nog teder toegefluisterd als ze hem een nachtzoen gaf. Hij zet zich met moed aan zijn bureau. Een fles water, een thermos koffie, een tas, zijn sigaretten en een asbak staan tussen de vele samenvattingen van de cursus die hij moet blokken. Een eenvoudige bureaulamp met een groene blikken kap op een plooibare stang maakt het stilleven compleet. Op een schema heeft hij de uren en de bladzijden genoteerd die hij per uur moet doen. Een trainingsschema voor een atleet. Een klein jaar geleden. “Je moet er met je vader over praten, jongen” schrijft zijn moeder. “En ik krijg altijd de schuld. Ik hou dit niet meer vol.” Hij houdt veel van zijn moeder in wie hij zijn eigen onmacht herkent. “Ik moet met je vader verder leven, en ik heb altijd geprobeerd om de kerk in het midden te houden.” Haar brief boort in zijn hart. Doorheen de mist in zijn ogen leest hij de brief nog eens. Hij wil niet dat zij het slachtoffer is van zijn liefde en beslist om dit weekend zijn vader officieel te vertellen, wat die al lang weet, dat hij verkering heeft. Het toneel begint pas echt als het doek opengaat. Op zaterdagavond is het zo ver. “Vader, ik heb verkering met Marleen. Je kent haar vader. Hij zat ook in Lokeren.” Er hing altijd een sfeer van verbondenheid tussen zij die zich slachtoffer van de repressie voelden na de oorlog. Hij dacht dat dit een goede introductie was, een captatio benevolentiae, zoals hij dat in de lessen Latijn had geleerd. “Ja, natuurlijk ken ik hem,” veel meer woorden wilde hij daar deze keer niet aan wijden. In andere omstandigheden zou hij met veel enthousiasme vertellen over wat hij de Vlaamse idealisten noemde. “Maar ik ben daar niet mee akkoord,” gaat het kort afgemeten verder. Er is weinig plaats voor voorspel in zijn theater. “Gij moet nog veel te lang studeren en het is mijn plicht ervoor te zorgen dat ge daar in slaagt.” Zijn hart bonst in zijn borst. Zijn benen worden slap, zo slap als toen vader hem sloeg. Slap als een marionet waarvan zijn vader aan de draden trok. Deze marionet probeert nu uit zichzelf tot leven te komen. “Er zijn toch veel studenten die een lief hebben en goede punten behalen. Guy heeft ook een lief.” Aai. Terwijl hij het uitspreekt, beseft hij al dat dit een slechte zet is. En zijn vader is een goede schaker. “Uw vriend is het beste bewijs. Hij was vroeger altijd de eerste in uw klas en was twee jaar geleden gebuisd. Neem het van uw vader aan jongen, ik heb veel meer levenswijsheid dan uw vrienden. Er zijn drie grote gevaren voor een jongeman: de sigaretten, de drank en de vrouwen. En als ge een goed diploma hebt, hangt er aan elke vinger een vrouw die u wil.” Daar staat een onwrikbare pilaar van het hardste marmer. Als je ertegen schopt, doe je alleen je eigen tenen pijn. “Ik geef u twee keuzes: of ge maakt het uit of ge trouwt zo snel mogelijk,” een mokerslag van een hamer uit hetzelfde marmer, “want dan ben ik van mijn verantwoordelijkheid over u ontheven.” Zijn tanden klemmen en knarsen. De gespannen spieren rollen op zijn kaken. Zelfs een marionet moet van zo een slag bekomen. “Dat begrijp ik niet goed dat we mogen trouwen, va.” “Ge hebt gehoord wat ik heb gezegd en als ge daar niet mee akkoord gaat, onttrekt ge u aan mijn gezag en sta ik niet langer voor u in. Dan kunt ge uw studies zelf betalen.” Op dat moment verandert er iets in de marionet. De opstand van de zonen tegen hun vader wordt weer opgevoerd. Kronos, een titaan castreert zijn vader Uranus en wordt zelf door zijn zoon Zeus vermoord. Maar hij wil zijn vader geen kwaad doen. Hij is geen reus en geen oppergod, maar zegt wel met overtuiging: “Ik kan daar niet mee akkoord gaan va, ik hoop dat er nog iets anders mogelijk is.” Voor het eerst in een rechtstreekse confrontatie, neemt hij een eigen standpunt in. Het brengt tot zijn verrassing enige rust van binnen. Begin van bevrijding? Er komt uiteindelijk via bemiddeling van een priester een derde oplossing: hij mag zijn lief één keer per maand zien op zondagmorgen na de hoogmis van de Bond van het Heilig Hart. Alle bemiddelaars zijn tevreden met iets dat voor hem onaanvaardbaar is. Eens de mens het vuur had ontdekt, bewaakte hij het met de meeste zorg, zodat het nooit nog doofde. Zijn liefste steunt hem. “Liefste, als je denkt dat het voor iedereen het beste is, dan wil ik wel op je wachten, maar ik wil je niet kwijt,” zei ze voor hij naar dit gesprek met zijn vader ging. Een maand later. Vader roept hem bij zich. Hij kan vermoeden waarover het zal gaan. ”Ge hebt u niet aan onze afspraken gehouden. Ge zijt ongehoorzaam en zondigt tegen het vierde gebod. Als oudste zoudt gij het voorbeeld moeten zijn voor uw broers en zusters. Daarom is het mijn plicht om op te treden. Ik wil u hier niet meer zien in mijn huis als ik morgen na de mis thuis kom.” Hij staat op en gaat naar bed. De woorden donderen als een donderpreek van een pater die dreigt met hel en verdoemenis. Zo een radicale actie, waarbij vader er hem als zoon gewoon uitgooide, had hij niet verwacht. Een echte ontworteling, zoals een plant die wordt uitgetrokken. Onkruid. In de keuken staan moeder en zijn oudste twee zussen te wenen. Ook bij hem breekt de dam door met een stroom van tranen. Sindsdien betaalt zijn Marleentje zijn studies, is zij en haar liefde de nieuwe grond waar hij in wortelt. Deze nacht moet hij het bewijzen. Wat moet hij eigenlijk bewijzen? Twee jaar geleden is tijdens een danscursus een nieuwe wereld voor hem open gegaan. Prins Siddartha was lang opgesloten in het paleis van zijn ouders om hem weg te houden van de ellende buiten, die als een bedreiging voor zijn toekomst werd gezien. Hij was niet in een paleis opgesloten, eerder in een bunker van dikke muren. Zijn vader bouwde die bunker met strenge verboden en onderhield die met harde hand. Als vader hem sloeg, zakte hij door de benen en viel op de grond. Complete onderwerping van de zwakkere wolf aan de sterkere. Alle spieren verslapten, ook de sluitspieren. Pijn, verdriet en schaamte. Hij verstopte zich in bed, kroop weg met zijn hoofd onder de dekens. Daar vond hij steun bij God die hij leerde kennen als een trooster, die er altijd voor hem was en viel in slaap. Lang was zijn god naast trooster, ook iemand die hem riep om priester te worden. Op die manier werkte zijn god samen met zijn vader om hem van de meisjes weg te houden. Uiteindelijk was de zonde tegen het zesde gebod zijn redding. Alles stond mooi in geboden geformuleerd. Hij kon toch geen priester worden als hij de seksualiteit niet volledig onder controle had. Ondanks alle goede wil, was de wilskracht te klein. Hij deed er alles aan dat ze daar thuis niets merkten, van die zwakke wil en bleef hun voorbeeldige zoon. Op de danscursus ging de verboden wereld open. De meisjes, die bloeiende bloemen, die dansende libellen, die zingende sirenen…Hij bond zich echter niet vast aan de mast van mijn schip zoals Odysseus maar maakte zich los van de mast waaraan zijn vader hem had gebonden. Hij stopte zijn oren niet dicht en luisterde naar wat zijn vader had verboden. Zijn ogen en zijn hart gingen open en hij ontdekte iets mooiers dan de mythe, die zijn vader scheen gelijk te geven: als je toegeeft aan het verlokkende lied van de sirenen, is dat je ondergang. Hij ontdekte de liefde. Hij danste en zong ze uit. Deze nacht wil hij in de krachtmeting met zijn vader triomferen. Hun liefde heeft hem bevrijd of althans de deur geopend van de gesloten bunker. “Ik zal het hem bewijzen,” klinkt het stoer. Hij kijkt ze aan en glimlacht. Ze stuurt hem van in bed nog een kusje en sluit haar ogen, de lieve schat. “En nu, vooruit!” Hij drukt op de knop van zijn bureaulamp en doet de verlichting van de kamer uit, zodat ze haar niet stoort. Met zijn vinger glijdt hij over de regels op zijn blad. Als een rups verslindt hij de woorden en zinnen. Hij bijt zich een weg tot op de nerven. Een uurlang onderstreept hij en krabbelt neer wat hij begrepen heeft. Zijn lippen bewegen terwijl hij zacht de inzichten verwoordt. Korte knikjes tonen de vooruitgang van de rups. Hij glimlacht en schenkt zich een glas water in. Hij rekt zich en loopt rond de tafel en zwaait even met de armen. Hij kijkt vertederd naar zijn liefste. Twee uur later. Hij botst op een stuk dat hij niet begrijpt. Hij ligt achterop op zijn schema en moet tijd inhalen. Hij steekt zich een sigaret op om zich moed in te trekken en gaat opnieuw over het blad van daarnet. “Zo kom ik er nooit,” dreigt een stem die hem moet aanvuren. “Als ik het niet begrijp, moet ik het gewoon van buiten leren,” klinkt het als remedie. Hij staat op en loopt rond de tafel en schopt tegen een tafelpoot. “Godverdomme.” Hij schrikt en kijkt of zijn liefste het toch niet heeft gehoord. De kracht waarmee hij vloekt, is als de zweep op een oververmoeid paard. “Godverdomme,” hij slaat een tweede keer met de zweep. Hij kijkt naar zijn horloge. Het is twee uur en hij moet nog zeker vijf uur goed kunnen voort blokken. “Misschien moet ik even gaan liggen, een kwartiertje en al soezend de leerstof herhalen. Dat is nooit tijdsverlies.” Hij kruipt voorzichtig naast haar. Het is er lekker warm. Plots schrikt hij wakker en dwingt zich uit bed. “Oef, het was bijna verloren,” klinkt het opgelucht. De bergbeklimmer is gelukkig niet te diep gevallen. De opluchting over het wakker worden duurt niet lang want de berg ligt er nog en die is hoog. Wanhoop steekt als een sluipwesp in de rups. Er moet nog zoveel gebeuren. Hij neemt de cursus i.p.v. de samenvattingen om dat moeilijke stuk beter te begrijpen. De berg wordt steeds groter en de nacht langer. Hij legt zijn hoofd op de tafel en voelt de wilskracht wegstromen. Uit de diepte van de ravijn klimt zacht een klaagzang omhoog: “Ik kan niet meer.” Bij elke herhaling, als een echo die van alle kanten wordt versterkt:” ik ik  kan kan   niet niet meer meer.” Kan hij nog vechten of wil hij het niet meer? Van op de berg komt tromgeroffel aan gerold:“ Vooruit. Niet opgeven. Kan niet, kan niet. Die ligt op het kerkhof.” Het was één van de spreekwoorden van zijn vader. Hij trekt zich aan de haren en slaat zich in het gezicht. Hij trekt nu zelf aan de touwen van de marionet: “Vooruit. Doe voort.” De marionet vliegt heen en weer en geraakt helemaal verstrikt. Het werkt niet meer. Helemaal verward, gaat hij languit op de grond liggen, op zijn buik, de armen wijd uitgespreid. “Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten,” zucht hij en begint te snikken. “Ik kan niet meer, mijn God.” De marionet ligt slap. De rups zoekt een geschikte plek om stil te vallen. Hij krabbelt recht en zet zich met de rug tegen het bed en omarmt zijn opgetrokken knieën en legt er zijn hoofd op. Het is genoeg geweest. De rups heeft haar plek gevonden en begint te spinnen. “Mijn God, Mijn God, sta me bij.” De rups spint zich helemaal in een cocon. Er komt enige rust ook al weet hij niet hoe het nu verder moet. Op dat moment wordt zijn liefste wakker en streelt hem over zijn hoofd. “Gaat het niet liefste?” “Ik kan niet meer, liefke en ik stop ermee.” Hij begint weer te snikken. Ze komt naast hem zitten en neemt hem in haar armen. “Ben ik geen slappeling? Ben je niet ontgoocheld4?” Hij weet wel dat het niet zo is, maar heeft het nodig om het nog eens te horen. “Ach, neen lieveke, je hebt je uiterste best gedaan. En wat is een jaar overdoen. We hebben toch elkaar. We slaan er ons wel door. Het was toch een heel zwaar jaar.” Hij begint weer te snikken. “Voor mij blijf je mijn liefste man, zelfs als je geen dokter zou worden. Je hebt me iets veel mooiers gegeven, je hebt me jezelf gegeven en je liefde.” Ze streelt hem. Hij vleit zich tegen haar aan en zoekt haar borstjes. “Laat ons in bed kruipen, lieveke, ik krijg kou.” Hij doet de bureaulamp uit. Ze zullen in een andere wereld wakker worden. Hoe zal die wereld eruit zien?

Hendrik Van Moorter
0 0

Onderweg

‘Voulez-vous coucher avec moi, ce soir?’ Hij hangt ergens helemaal aan de andere kant van de kale ruimte traag en ongecontroleerd te bewegen. Zijn woorden en hun toon waaien in flarden tot bij haar, vermengd met zijn geur.  Het duurt een hele tijd voor zijn uitnodiging daadwerkelijk tot haar doordringt. Nog niet gewend als ze is aan de taal, laat staan aan van lokale wijn doordesemd patois. In het schemerdonker ziet zij alleen zijn contouren. En om de zoveel tijd een oranje gloed. Het oplichten van nog een sigaret. Ze probeert de afstand in te schatten tussen haar bank en de zijne, tussen haar bank en de resten van een deur die naar de sporen leidt.  Ze klemt haar armen nog steviger om haar nieuwe roze rugzak.  Hij zou als hoofdkussen dienen. Ze zou de uren die haar resten tot de opkomst van de zon en haar verbinding naar het zuiden, in de wachtzaal slapen. ‘Voulez-vous coucher avec moi, ce soir?’ De gedaante heist zich overeind. Haar hartslag versnelt.  Ze is zich haarscherp bewust van het voorwerp dat door de gore-tex tegen haar rechterelleboog drukt. Binnen handbereik. En toch ook niet. Tien seconden aarzelt hij verdwaasd.  Dan wankelt hij door de gehavende deur de wachtzaal uit. Gemompel en dan geklater. Ze schiet recht van de bank en loopt snel het perron op. De kleine stationshal is nog gesloten. Aan de straatkant ook geen levende ziel.  Enkel de geur van bakkend brood. Ergens in één van de huizen, te midden van de optrekkende donkerte is dus toch al iemand wakker.  Die gedachte schikt ze als ze een dekentje op de koude, harde grond. Tot 6.43u is de telefooncel de hare. Enkel en alleen de hare.   Zo moet het ook voor Hans en Grietje geweest zijn, bedenkt ze in bed. Geen broodkruimels meer te bespeuren, moe en hongerig, alleen in het donkere bos en dan in de verte een lichtje zien... Het huis ruikt naar nieuw. De deurlijsten gapen. De ramen staan kaal in de muren. De houten leuning-loze trap verstopt zich onder karton. In wat de keuken zal worden, pruttelt water op een blauw campingvuurtje. ‘Koffie?’  Ruwe grote handen geven haar een kom. Hun woordeloze drinken past bij de plek. De slaapkamer niet:  het opgemaakte bed, de kast met glanzende spiegel en het zachte licht van een stijlvolle staanlamp. Ze zet haar rugzak als nachtkastje naast haar hoofdeinde. Het roze is niet meer.   Ze zoeven over de weg. Rechts zinderen de heuvels van de hitte, links blakert de zee diep blauw.  Ze stond er nog maar net en ze had al prijs. Met zingende banden was hij voor haar gestopt. Galant had hij de deur voor haar open gehouden, haar rugzak met een zwaai op de achterbank gegooid. Zijn ene hand  beroert nu zelfzeker het stuur. Het andere beweegt nonchalant heen en weer tussen zijn zwarte zonnebril en het open gedraaide raampje. Ze keuvelen wat. Zij in haar aller-charmantste schoolfrans. Hij met de onweerstaanbare tongval van een Parisien. Zij vertelt over de man die in onberispelijk tenue boules de Berlins verkocht op het brandend hete strand. Hij vraagt haar of ze topless zont. Zij vertelt hoe ze op de boulevard de politie tevergeefs jacht zag maken op de vele verkopers van  Lacoste polo’s. Hij vraagt of ze interesse heeft in ’t verdienen van een extra centje. Zij vertelt over het nachtelijke babbelen met de andere treksters in de meisjeskamer van de gîte. Hij vraagt of ze ook andere dingen doen. Hij stopt voor de deur. Draagt haar rugzak het trapje op. Raakt licht haar haren aan. ‘Vanavond geef ik een feest op mijn jacht. Een paar kilometer voor de kust hier. Ik kom je om half tien oppikken. Tes amies sont aussi les bienvenues. Soie belle.’   Hij had haar apart genomen. Onder de oren van haar grootmoeder uit. Iets wat nooit eerder was gebeurd. Zonder enige gène of twijfel zei hij: ‘Al die aids dat baart mij zorgen. Als je straks, op reis, iets doet met een man, gebruik dan een condoom.’   Ik weet dat ik toen dacht: maar Grootva toch, waar jij je zorgen over maakt.

tamaralenaerts
0 0