Lezen

Kerk & Leven

Twee versleten schoenen bengelen zachtjes aan een tak. Ze zijn bedekt onder de grijze tape: een laatste redmiddel om toch nog even verder te kunnen gaan.Maar daar, aan die boom, was het goed geweest.Mochten de schoenen eindelijk rusten.Ze zijn van hetzelfde merk als diegene die ik nu draag en ik hoop vurig dat dit geen beeld is van wat mij te wachten staat. Ik besluit toch, voor de zekerheid, om mijn veters in het vervolg wat liefdevoller te strikken. Het is rustig op de weg. Niet veel pelgrims te bespeuren. Wel een gigantisch oud, en hoogstwaarschijnlijk, religieus gebouw dat langs de route ligt. Terwijl ik ernaar sta te kijken komt er een man naar me toe gelopen. Hij vraagt of ik een stempel in mijn credential (stempelboekje dat elke pelgrim bij heeft) wil hebben. Mijn nieuwsgierigheid neemt het van me over en ik ga mee met de man, die Neill blijkt te heten en uit Zuid-Afrika afkomstig is. Hij besloot de kerk te kopen en er zijn levensproject van te maken: een plaats creëren waar pelgrims kunnen blijven slapen in ruil voor wat hulp. ‘Alleen vorderen de verbouwingen niet zo vlot,’ zegt hij terwijl we (mijn vader is er ondertussen ook bijgekomen) naar binnen stappen. Mijn ogen moeten even wennen aan het duister maar ik kan het voelen en ruiken.Geschiedenis.Verhalen.Mysterie.‘Dit is hoe een personage uit een Dan Brown-boek zich dus voelt,’ denk ik.Ik moet me inhouden om niet te beginnen zoeken naar de Heilige Graal. Neill vertelt ons over ‘The Abbey’, zoals het gebouw heet. Hoe ze achter iedere steen wel iets vinden. Hoe ze elke dag opnieuw, samen met de universiteit, proberen om de geheimen te ontrafelen. Hoe de inwoners van het dorp kwaad zijn dat de kerk die ze lieten verkrotten, nu toch iets waard blijkt te zijn. Hij haalt plannen naar boven, toont ons waar ze wat al gevonden hebben.‘Natuurlijk is het meeste gestolen. In 2009 hebben dieven het altaar meegenomen.’‘Vreselijk!’ reageren mijn vader en ik unaniem.Neill schudt het hoofd.‘Een geschenk,’ zegt hij, duidelijk geamuseerd door onze verwarde blikken.‘Door het altaar weg te nemen is er namelijk iets anders tevoorschijn gekomen.’ Hij wijst naar een grote tekening op de muur. ‘Het oorspronkelijke altaar, gemaakt in de 13e eeuw. Ik ben ze dus eigenlijk best dankbaar.’We kijken minutenlang naar de vreemde tekening, proberen er iets uit op te maken. Zonder veel succes.‘Ooit zullen we het wel begrijpen, als we er klaar voor zijn,’ lacht Neill. We nemen afscheid van de vriendelijke man en wandelen verder.‘Ik denk dat er nog nooit iemand zo gelukkig is geweest na een overval,’ zeg ik.‘Je moet toegeven dat het een fantastisch verhaal is. En je kunt er wel wat van leren.’Ik knik.‘We moeten altaren beginnen stelen.’Even stilte.‘Ik had het eigenlijk over het feit dat er soms slechte dingen moeten gebeuren voor er iets goeds tevoorschijn kan komen.’Ik werp een laatste blik op het buitengewone gebouw terwijl ik antwoord.‘Ja, dat ook.’

Woordenwandelaar
0 0
Tip

Hoe het begon...

Mijn leven is best wel saai en ik heb de dagelijkse routine naar school gaan , leren , eten , tv kijken en slapen. Ik was wat aan het wegdromen in het 4de lesuur geschiedenis toen de bel ging ik schrok hierdoor uit mijn dagdroom van mijn mooie fantasie naar de bittere werkelijkheid.  Ik stond op de speelplaats toen er twee meisjes naar me toe kwamen en me vroegen: ‘ dus Cerès we hebben gehoord dat je een feestje geeft ?’ Ik zei tegen hun: ‘ feestje? Ik weet van geen feestje?! ‘ Dat is spijtig we hadden gehoord dat Finn zou komen ach ja als jij dan toch geen feestje geeft…’ Finn is een jongen waar ik wel iets voor voel en ik antwoordde dan ook  direct ‘ Ah ja dat feestje ja het begint zaterdag om 20u’ ‘oké dan zien we je dan, doei Cerès’ en ze liepen gniffelend weg. School was gedaan en ik liep naar huis denkend waar heb je jezelf nu weer ingewerkt je gaat nooit een feest mogen houden! Wat ga je nu doen? Ik kwam thuis smeet men boekentas in de hoek en liep naar boven, klopte op mijn broers kamerdeur en ging binnen ‘ ‘broertje ik heb je hulp dringend nodig’ zei ik ‘ wat is er zusje ?’ ‘ wel ik heb misschien gezegd tegen een paar meisjes gezegd dat ik zaterdag een feest hou om cool te zijn’ rammelde ik in één keer er uit. Mijn broer keek me verbaasd aan. Waarom wist ik niet…misschien het feit dat hij nooit gedacht had dat ik zoiets zou doen of misschien het feit dat ik nooit zijn hulp vroeg. Het duurde even voor hij antwoorden tot dat hij een diepe zucht liet en zei: ‘ Zusje, zusje, zusje toch…waar heb jij jezelf in gewerkt?’ ‘Ik weet het’ zei ik een beetje in paniek. Maar gelukkig voor jou begon hij zijn zin..maar nee dat zou jij nooit doen.. zei hij verder. Wat vroeg ik bijna schreeuwend, onze ouders zijn dit weekend wel op uitstap naar een of andere beurs. Ik kalmeerde en zei “ help je me?” met wat vroeg mijn broer. Een feest te geven. Zei ik vastberaden tegen hem en liep zijn kamer uit. Ik ging terug naar beneden en zette me aan mijn bergen huiswerk die ik nog moest doen, daar zat ik aan tafel voor me uit starend ik dacht en dacht “ hoe ga ik een feest geven? Ik ben zelfs nog nooit uitgenodigd..”  Na een lange zware week school brak het weekend aan, mijn broer had gelijk mijn ouders gingen naar een wetenschapsbeurs voor papa zijn werk. Mijn papa heeft speciaal werk, hij is namelijk een echte wetenschapper. Niet eentje die naar wat sterretjes zit te kijken of een beetje bloed rond draait, nee mijn papa vind dingen uit. In ons huis zelf heeft hij ook een van zijn uitvindingen staan, misschien wel de grootste en beste van ze allemaal.. het is de tijdmachine. Al sinds ik klein was vond ik dit erg fascinerend want niet elke 4-jarige heeft een tijdmachine in huis. Maar zoals je wel kon denken ik mocht niemand er ooit iets over  vertellen. De machine werd ook nooit gebruikt hij stond daar maar in het opberghok of eigenlijk was dat ons opberghok, het kon zich aanpassen aan zijn omgeving zodat je niet ziet dat het een tijdmachine is. Maar genoeg over mijn papa. Terug naar het heden waar mijn ouders op het punt stonden te vertrekken naar de beurs en ik zoals gewoonlijk beloofde ik om heel erg braaf te zijn, de deuren op tijd op slot te doen, enzoverder. Toen ze eindelijk de deur uitwaren was het tijd om te beginnen met mensen te bellen voor mijn feest, waarvan ik tot deze week niks van wist dat ik het gaf. De eerste persoon die ik belde zou sowieso Finn zijn, ik had je al verteld dat Finn een jongen is van mijn school. Hij hoort bij de populaire mensen bij ons op school, maar dat verbaasd me niets. Hij is grappig, spontaan en niet te vergeten ongelofelijk knap! Hij heeft bruine ogen, waarin in uren zou kunnen kijken, bruin haar dat lang vanboven is en kort aan de zij en- achterkanten het krult een beetje aan de uiteindes. Endan het beste van alles, hij is niet je typische sportman zoals je misschien zou verwachten van een jongen zoals Finn, nee hij speelt gitaar en zingt nog eens keigoed ook. Hij is alles wat ik me bij een droomjongen kan voorstellen maar ik denk dat nu wel genoeg voorbeelden heb gegeven waarom dat hij bij de populaire hoort. Ik belde hem op..

Tien
33 0

Schaduwkind van Thomése; Zomertijd van Coetzee; Liefde van Knausgard

Bespreking van “Schaduwkind” van Thomése De ik-figuur vertelt vanuit een personaal perspectief. Vb. wat haat ik de mensen…ik heb de bloesem afgeknipt. Dit geeft een sterke identificatie met deze figuur. Soms gaat het over in we, die slaat op de ik-figuur/auteur en zijn vrouw. Vb elke dag drijven we verder van haar af. We zetten ons schrap. Hier is het proces van de ik-figuur verbonden met dat van zijn vrouw. Geregeld komt een verschil van beleving tussen die twee aan bod in de loop van het boek. Het gaat zelfs over in ze. Vb. Ons huis is het huis van vreemden. Hebben ze een kind? Het roept een gevoel van vervreemding op in de zelfbeleving van de ik-figuur. Er is een gebruik van je. Vb. Als je schrikt van een babymutsje, ben je niet goed bezig….Als je iets kwijt bent, betekent dat je niet meer weet waar je het hebt neergelegd…voor je het weet trekt het gore verdriet het jurkje aan…Het heeft iets veralgemenend dat de unieke beleving van de ik-figuur te boven gaat. Het is wat meer afstandelijk om de emotionele druk wat te verminderen. van ik naar jij: ik heb de clou proberen vast te houden…zo gaat het toch altijd? Als je iets overkomt, weet je nooit… van wij naar ik. Vb. haar geboorte ervoeren we als…De wereld, waarin ik zo lang richtingloos was.De ik-figuur schrijft over zichzelf als een hij die weet wat de jij van zijn vrouw in een droom beleeft. Vb. Hij weet wat in haar omgaat: je was bang dat het jullie schuld was. Afstandelijk neutraal er. Vb. er werd in mij gedacht. Dit is het ergste dat me kon overkomen…Ik wist het, maar ik voelde het niet. Het versterkt de beleving van niets meer te kunnen voelen. De eerste zinEr is een grote spanning met het gewone leven. Enkel een grauw boompje, een verstekeling mee gekomen met oude aarde, wordt verdragen. Het begrip verstekeling komt enkele keren nog terug als een nog verborgen gedachte, een bedrieglijke gedachte. De beelden: schutting, de benoeming van de stad als “Dal der Mieren” tekent zijn afkeer voor de stad. Het knippen van de bloesem zijn afwijzen van het nieuwe leven. In de zin “doorgaan alsof er niks is veranderd?” verraadt iets ergs dat zijn afkeer voor mensen en nieuw leven zal verklaren. De verteller zet een schutting en verdraagt de blik van de mensen niet. Hij knipt de bloesem en de knoppen af van de planten, als verzet tegen het gewone leven dat zich ontwikkelt. Ik kijk steeds door de ogen van de verteller. Ik identificeer me met hem. Soms komt zijn vrouw ter sprake, die zie ik door zijn ogen. Mijn sympathie ligt bij de verteller die worstelt met het leven, met het leed dat hem en zijn vrouw overkomt door het verlies van hun kind. Zijn worstelen is zo herkenbaar, wel heviger dan mijn eigen gevoelens in een vergelijkbare ervaring. Maar de openheid en eerlijkheid waarmee hij zijn binnenkant laat zien, zijn worstelen met woorden, met de onmogelijkheid om zijn kind levendig aanwezig te houden, is zo ontwapenend. We krijgen enig zicht op de manier waarop zijn vrouw handelt. Vb. Hij kijkt vol bewondering toe hoe ze het dode lichaampje waste, oliede…je voelt veel tederheid van de verteller naar zijn vrouw. De intimiteit van het drinken van haar afgekolfde moedermelk, van nog even samen, alleen met het lijkje te kunnen zijn “voor straks bezoek komt” en het zoeken naar de juiste manier waarop ze hem vraagt of hij hun kleine meisje nog even wil vasthouden…het toont de tedere omgang tussen beide ouders. Zij is de zorgende, hij de zoekende die met bewondering de moederlijke zorg beschrijft waartoe hij niet in staat is. Hij leeft mee met haar verdriet “plotseling waren je armen zo leeg en …zo wiegde je jezelf tot rust.” Het is zij die hem betrekt bij het kinderlijkje, om het nog eens vast te nemen, nadat hij eerder als observator haar zorgen gadesloeg. Het verschil tussen het leven zelf beleven en erover schrijven als observator komt hier sterk tot uiting. Personages waarvan ik niet weet wat zij zelf denken? De vrouw van de verteller. Welke rol ze vervult. Ze is deelgenoot in het verlies en tegelijk vertegenwoordigt ze een zeker contrast met de verteller, die enorm worstelt om in taal te vatten, in taal uit te drukken wat hem overkomt en daar nauwelijks in lukt. Zij wordt eerder voorgesteld als degene die lijdt en die haar liefde blijft uiten, het gewoon beleeft zonder dat geworstel met woorden. Het effect van door elkaar gooien van de ‘chronologische’ volgorde? In chronologische volgorde zou het zijn: de tijd voor de zwangerschap, de zwangerschap, de keuze van de naam, de geboorte, vaststelling van de medische problemen, de gang naar het ziekenhuis, de onderzoeken, de bespreking ervan en het overlijden, het zoeken naar woorden en de storende contacten met andere mensen die zoveel mogelijk worden vermeden; met de auto naar het zuiden in een jagershuis in het bos waar de angst voor mensen hem besprong; een schutting wordt gezet; de wereld is veranderd in een necropolis; het verliezen van de levendige herinnering (steeds minder is mijn huid nog aan haar gewend). Het heen en weer bewegen in de tijd geeft kansen om het zoekende proces naar woorden voor het afscheid daar telkens doorheen te weven. Het verhaal is niet systematisch naar volledigheid strevend, niet de exacte gebeurtenissen zijn belangrijk, maar de beleving, de vervreemding, de (on)mogelijkheid om woorden te vinden. Het voortdurend wisselen van tijdsmoment onderstreept het verwarrende, het ongrijpbare van de verlieservaring, die het hele leven overhoop gooit. Het verhaal beweegt heen en weer tussen pijnlijke momenten en reflectie. De tijd binnen het verhaal. Soms zijn er enorme sprongen die naar metaforen uit de oudheid verwijzen: Odysseus, Jezus, Etruskische tijd. Die sprongen verbinden de ervaring van de verteller met het universele van wat hem overkomt en geeft er een haast kosmische dimensie aan. “Als je genoeg kwijtgeraakt, wordt het verleden op den duur wat eerst de toekomst was…” “Soms vergeet ik dat de toekomst nieuw is. Dan heb ik het oude nog in mijn hoofd. Denk ik dat alles nog moet beginnen. We doen net alsof we van niks weten.” De schrijver leeft zich dan weer in de tijd in dat ze nog met tweeën waren. Veelal worden specifieke momenten in het hele proces beschreven en wordt daar veel tijd voor uitgetrokken in het verhaal. Maatschappelijk historische context. De moderne westers maatschappij met zijn sterk medisch technische ontwikkelingen, het ziekenhuis, de ambulance. Een tijdperk waarin kindersterfte sterk is verminderd in vergelijking met vroegere tijden. Hij beschrijft zijn ervaringen met de medici die op een technische manier omgaan met de baby en met hen als ouders en hoe hij zich voor hun benadering afsluit. Hij beschrijft de onmacht om met de rest van de omgeving een gepaste nabijheid en woorden te vinden voor de onnoembare pijn van het verlies van een kind. Wat minder doorklinkt is dat medici alles doen om een kind te redden. Hij laat dit na om het contrast tussen zijn emotionele beleving en die van de omgeving, de emotionele kloof met de omwereld sterker tot uiting te laten komen. Het toont de vaak voorkomende onmacht van gespecialiseerde artsen om in authentiek contact te komen met mensen die groot verlies lijden. Dat hij de ambulance kwijtspeelt in het drukke verkeer, is een beeld dat dit mooi uitdrukt Wat moest ik opzoeken? Tages, een kinderhoofd dat werd opgegraven en er oud uitzag, onbegrijpelijk wijs, een goddelijk kind dat zich de toekomst kon herinneren…uit een Etruskische mythe. Men kon de toekomst lezen in de nagelaten tekenen. “Want alles wat ging komen, was er al. Ook de dingen die niet zouden gebeuren,” aldus het kind dat oud geboren was en jong de dood in moest, “stonden reeds bij voorbaat vast.” Het laat de verteller toe om het verlies van zijn kind vanuit deze mythe te bekijken en haar invloed op de toekomst te duiden. Anamorfose: een vertekende afbeelding die er slechts onder bepaalde omstandigheden realistisch uitziet. Een waarheid die er altijd was en je nooit zag, die van de realiteit van het sterven. Eens ont-dekt, begrijp je niet dat je het al die tijd niet hebt gezien. Nostos: verwant met nostalgie, verwijst naar de Griekse held die na vele ontberingen overzee terug thuis komt. Hij vergelijkt de eigen situatie hiermee: doorheen grote ellende terug in de gewone wereld komen en niemand die beseft wat je hebt meegemaakt, dat je hier fundamenteel door veranderd bent. Waar ligt de focus? Het gaat om het verlies van zijn kind. Het centrale probleem is hoe met het verdriet om te gaan, hoe er vorm aan te geven, zowel in relatie met anderen als voor zichzelf. Het tekortschieten van de taal. De noodzaak om nieuwe taal te creëren, als middel om het kind telkens weer als een levende realiteit aanwezig te kunnen stellen en daardoor een toekomst te geven. Een universeel probleem waardoor het anekdotische wordt overschreden. Hierbij geven verhalen uit de mythologie, religie en literatuur betekeniskaders. Vb. Het dochtertje van Jaïrus in het evangelie, Emerson die over het verlies van zijn kind schreef. Elementen die steeds terugkomen, die elkaar versterken of een ander aspect laten zien. Motieven en thema’s. -de ontoereikendheid van de taal tegenover diep ingrijpende gebeurtenissen in het leven. Het zoeken naar nieuwe taal en beelden.Deze drie elementen versterken elkaar: wie het niet meemaakte kan niet begrijpen wat het betekent en er bestaat geen taal voor die men ter beschikking heeft om het te begrijpen en te kunnen delen met anderen. -hoe pas in het reële ervaren van de dood van je kind de diepe werkelijkheid ervan kan worden erkend -de breuk met het leven voordien, met de niet- begrijpende buitenstaanders Beelden en beeldspraak? Metaforen en symbolen? Hoe sturen ze mij, wat is hun functie?Beelden. Vb. We vinden alleen maar woorden die we niet willen zeggen, ze smaken naar andermans mond…verstikt door verkeerde woorden. We zwijgen ons een gat in de woordmuur, waardoor wij kunnen ademen. Vb. Het grove volkje heeft ons aangevallen toen we even zonder huid waren, zonder verdediging, weerloos als een baby. Vb. om buiten onder kalme bomen naar gedachten te gaan zoeken. De beelden laten ons op zintuiglijke manier de zin ervaren van wat de verteller wil zeggen, en daardoor op een verhevigde manier. Vele personifiëringen maken neutrale zaken tot actieve actoren waardoor ze veel directer inwerken. Vb. De dagen zien ons niet staan. Ze sleuren ons mee… Vb. Het zonlicht dat binnenvalt en haar nergens terugvindt. Vb. Het verdriet gaat vandaag gewapend door de straten. Vb. Vreemd kijken de nieuwgeboren straten mij aan, sommige onwetend, andere betrapt, onderdrukken bijtijds een giechel, enkel schuldig met neergeslagen ogen, laten mij passeren als een eenmans-lijkstoet. ‘Deze stad’ zeggen ze ‘is alleen voor jou gebouwd  Vele paradoxen: Vb. We zijn terechtgekomen in een wereld …die de onze nooit zal zijn Vb. Hoe krampachtiger wij haar proberen te kennen, des te vreemder ze wordt. Vb. Het is voor mij een plek gebleven waar men niet moet zijn, waar men in zekere zin ook niet is. Men zet zijn lichaam er beleefd in een stoel en gaat er zelf in gedachten meteen vandoor, het lichaam aan zijn lot overlatend. Vb. Het is vinden wat niet kon worden gezocht, omdat het pas bestond op het moment dat het gevonden werd. Vb. Waar ze gedacht is, daar moet ze dood. Waar ze gedacht zal worden, dan zal ze dood moeten zijn. Maar het is onmogelijk en zal onmogelijk zijn om haar niet te denken. Er zal daarom op het laatst geen plek meer over zijn waar zijn niet gestorven is. Het is maar net begonnen. Ze heeft nog minstens een leven te gaan. Vb. Wat kunnen zij anders dan de dochter van Jaïrus, die alleen kan gaan leven als niemand het van haar weet? Er zijn massa’s beelden en metaforen, uit de natuur, de muziek en de theaterwereld. Symbolisch is veel in het hoofdstuk over haar naam, die voorlopige, openstaande naam. Het is de lege stoel aan tafel. Het haakje aan de schoolkapstok waar geen winterjasje komt te hangen. De verjaardag die niet kan worden gevierd. …     Boek twee “Zomertijd” van J.M.Coetzee   Wie vertelt? Wisselt het vertelperspectief? Het vertelperspectief verandert . Er wordt in een eerste hoofdstuk geciteerd uit een dagboek en vervolgens gesproken over de auteur ervan in termen van “hij oppert…” Bij letterlijke citaten wordt die persoon als ik aanwezig gesteld. In de relatie met zijn vader, krijgt ook die een stem, als een hij. Later wordt duidelijk dat die hij ‘Coetzee’ is waarover een biografie wordt geschreven. Latere hoofdstukken hebben de structuur waarbij Vincent, een biograaf van ‘Coetzee’ bekenden uit het verleden van de schrijver opzoekt om een biografie te schrijven. Elke geïnterviewde brengt een ander perspectief mee. In de interviews, komen ook andere personen uit het leven en uit de familie van ‘Coetzee’ aan bod. De eerste zin. Hier wordt een bloedige aanslag verhaalt zoals dat verscheen in een krantenbericht. Het speelt zich af in 1972 in Botswana en mannen met bivakmitsen rijden in een Witte Amerikaanse auto een woonwijk in. Zeven verkoolde lijken, twee mannen, drie vrouwen en twee kinderen. Het gaat om een gewelddadige periode in Zuidelijk Afrika, die geen vrouwen en kinderen ontziet. Het roept afgrijzen op bij mij als lezer maar ook nieuwsgierigheid naar wie de moordenaars en de slachtoffers zijn, naar de motieven ook. Gezien het jaartal kan het om racistisch geïnspireerd geweld gaan. Dit wordt in de volgende paragraaf verder gesuggereerd en tegelijk betwijfeld: “De moordenaars leken zwart te zijn, maar een van de buren hoorde hen onder elkaar Afrikaans spreken, overtuigd dat het blanken waren die hun gezicht zwart hadden gemaakt. De doden waren Zuid- Afrikanen, vluchtelingen, pas enkele weken in het huis getrokken.” Het scherpt de nieuwsgierigheid aan: vanwaar kwamen de vluchtelingen en wie had hen zo snel gevonden en waarom gebeurde dit alles, wat hadden die vluchtelingen gedaan? Het suggereert een heel complexe zaak met onduidelijkheid over wie de daders zijn en hun motieven. Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt me dat? Zijn het meerdere personen? Het is Vincent de biograaf van de schrijver ‘Coetzee’die inzage geeft in ‘Coetzee’ via citaten uit zijn dagboek en interviews. Hij laat geïnterviewden aan het woord, maar lijkt veel te weten waarover hij de gesprekspartners wil laten praten. Zo weet hij wat de ‘Coetzee’ en zijn vader denken over de gewelddadige gebeurtenissen zoals de moord in Botswana. De selectie van de commentaar over de gebeurtenissen in het dagboek laten ons door de ogen van de ‘Coetzee’ kijken. In de andere hoofdstukken komt telkens een belangrijke bekende aan het woord die een ander licht werpt op ‘Coetzee’: een vroegere vrouwelijke collega, wiens minnaar hij was; een nicht van ‘Coetzee’ die ook andere familieleden laat spreken; een Braziliaanse danslerares op wie hij verliefd is, maar wat niet wederkerig was; een collega sollicitant aan de universiteit en met wie hij samen colleges over poëzie gaf; een vrouwelijke collega aan de universiteit van Kaapstad. Tot slot komen ongedateerde dagboekfragmenten waarin de relatie met de vader aan bod komt en hoe die evolueerde wanneer die vader hulpbehoevend werd. Bij wie ligt mijn sympathie? In welke mate is dat gestuurd door de verteller? Mijn sympathie ligt bij ‘Coetzee’. Hij verschijnt als een mens van vlees en bloed met al zijn tegenstrijdigheden in aspiraties, emoties, handelend optreden. Zijn mislukkingen, zijn beperkingen en onhandigheden komen sterk op de voorgrond, naast zijn afkeuring van mistoestanden. Tegelijk ook zijn inconsequenties en twijfels en de vele vooroordelen die van anderen naar hem uitgaan waarvan hij het slachtoffer is. Ik kan mezelf in veel van die ‘Coetzee’ herkennen. Onderlinge relaties tussen de vertellers? Ieders rol en motivatie? Ze laten elk een ander aspect van zijn leven zien: zijn maatschappijkritische visie, zijn liefdesleven, zijn lichamelijk bewegen, zijn schrijverschap, zijn relatie en zorg voor vader, de spanning tussen carrière en die zorg voor vader. Personages van wie ik niet weet wat zij denken? Welke rol spelen ze? We weten niet wat de ‘John Coetzee’ in de verschillende relaties dacht en voelde, ook niet wat zijn vader denkt en voelt in de relatie met zijn zoon. Het verhaal in goede chronologische volgorde? Effect van door elkaar gooien? Zijn er gaten? Formeel gaat het over de periode van 1971 tot 1977. Maar de geïnterviewden geven soms inzicht in vroeger. Julia en Margot, de nicht geven zicht op de familiebanden, op enige voorgeschiedenis van de vader van ‘Coetzee’. We komen slechts in stukjes meer te weten over het leven van ‘Coetzee’. Het draagt bij tot verrast worden, nieuwsgierig blijven, tot in het laatste hoofdstuk waar enig licht wordt geworpen waarom de vader stopte als advocaat, uit zijn ambt werd gezet en boekhouder werd waar hij speciaal in het oog werd gehouden. Er zijn veel gaten, zo weten we weinig over de moeder van Coetzee, tenzij dat ze overleden is, tot ook hier in het laatste hoofdstuk meer over haar visie op opvoeding wordt verklaard en over haar afkomst. Subtiel wordt daar ook iets over de relatie van zijn vader en moeder gezegd: vader die in een quiz op de vraag of zijn relaties met het ander geslacht bron van tevredenheid waren, kort antwoordt met “nee”. Het einde van het boek is getiteld “ongedateerde fragmenten” en brengt ons de ongeneeslijke ziekte van vader en het dilemma van ‘Coetzee’ of hij voor hem zal zorgen of niet. Die vraag blijft onbeantwoord en dat doet mij als lezer des te meer over dit thema nadenken. De tijd binnen het verhaal en de tijd nodig om het te vertellen? Zijn er sprongen? Hun functie? Er zijn sprongen. Soms worden bepaalde scènes uitvoerig beschreven en krijgen korte tijdsmomenten veel plaats in het boek. Soms wordt een sprong gemaakt, zelfs in de opeenvolging van de hoofdstukken: in het vierde interview wordt verteld dat de vorige interviews nog moeten plaats grijpen. Het creëert een vorm van verwarring, van alertheid ook, van zich wat beet genomen voelen en het houdt de aandacht gaande. Maatschappelijk historische context? Periodes, locaties? Hoe resoneert die context mee in het verhaal? Dingen uit die tijd die niet meeklinken? Waarom?De toegenomen seksuele vrijheid komt aan bod in de relaties. De periode van toegenomen bewustzijn van en verzet tegen de klasse verschillen, waarbij ‘Coetzee’ bewust werk van de arbeider doet. Een periode van toegenomen mobiliteit op mondiaal vlak. Van de geïnterviewden wonen er verschillende (weer) in het buitenland of zijn van vreemde origine. De toegenomen spanning tussen de zorg voor ouders en de eigen carrière is een typisch fenomeen in deze periode. Gebeurtenissen die geen aandacht krijgen: de Rote Armee Fraction in Duitsland en de Rode Brigades in Italië, de staatsgreep van Pinochet en de moord op Allende in Chili, de eerste oliecrisis. Deze zaken hebben misschien weinig rol gespeeld in het leven van de schrijver. Het speelt zich af in de nadagen van mei 68, de periode van het Apartheidsregime in Zuid-Afrika, met gewelddadig protest ertegen vanwege de zwarte bevolking, een protest dat in de hele wereld wordt overgenomen. Het boek begint met dergelijk geweld. Het is de oorzaak van het ongemakkelijk gevoel om blanke Afrikaners te zijn, zoals ‘Coetzee’ zelf is. Het gevoel dat dit land hen niet toekwam. Het is ook de periode van de Vietnam oorlog en het verzet ertegen, dat de oorzaak wordt van het einde van het verblijf van ‘Coetzee’ in Amerika. De onafhankelijkheid van de Portugese kolonies heeft op het maatschappelijk leven in Zuid-Afrika een invloed gehad door de vele vluchtelingen. Er is een verwijzing naar: Portugese meisjes, uitzwermsels van het voormalige Portugese rijk. Dingen die ik moest opzoeken? Ballotage: stemming om een kandidaat lid toe te laten in een groepering Kaggen, de god van de bidsprinkhaan, waar het wijfje na de paring het mannetje opeet. Hij is de scheppersgod. Focus van het verhaal. Er is een min of meer afgebakende periode, maar in flashbacks komen ook andere tijden aan bod. Enkele thema’s komen centraal te staan: zijn relaties met vrouwen, de relatie met zijn vader, de relaties binnen gezin en familie; zijn politieke gezindheid. Afgebakend zijn de hoofdstukken die telkens iemand anders aan het woord laten. Er komen andere zaken aan bod of ze worden anders belicht. Het anekdotische wordt overschreden door de universaliteit van de thema’s, met de vele tegenstrijdigheden die elke keuze of houding met zich meebrengt. Elementen die steeds terugkomen, elkaar versterken of een ander aspect laten zien. Motieven en thema’s.-op politiek, links versus rechts, klasse verschillen en racisme -op familierelaties -literatuur De vele tegenstrijdige visies die mensen kunnen hebben op allerhande thema’s: -op ‘Coetzee’ -op relaties tussen mannen en vrouwen, de seksualiteit en de verhouding lichaam- geest -opvoedingsprincipes in het gezin en op school Beeldspraak. Metaforen en symbolen. Hoe sturen ze mijn denken en gevoelens. Hun functie? Symbolische daad als puber waarbij hij een kras aanbrengt op de LP waar zijn vader zo vaak naar luisterde, als afweer van de sensualiteit die ze opriep en die hij bij zichzelf pas veel later herkende. Later probeert hij die muziek te gebruiken om zijn vader tevergeefs te bereiken, in een poging om hem te lokken zoals een jager een vogel lokt met zijn gefluit. Veel prachtige beeldspraak die toont ipv te vertellen. Vader die antwoorden over zijn leven geeft in een quiz, waarvan de behaalde punten aangeven dat hij een weinig bevredigend leven en huwelijk heeft gekend. “Al zijn verkeer met de wereld lijkt langs een vlies te verlopen…daarom zal er geen bevruchting plaatsvinden. Het is een interessante metafoor…maar hij ziet niet in wat hij ermee opschiet.” Een voorbeeld van de vele tegenstrijdige standpunten. Julia die bedenkt dat alle avances tot nu toe van haar uitgingen. “Nu is het aan hem om het knoopje door het gaatje te duwen of het knoopje niet door het gaatje te duwen. Bij wijze van spreken.” De liefde bedrijven op de muziek van Schuberts Kwintet, is een fantastische manier om ‘Coetzee’ seksueel te typeren. Het komt twee maal aan bod in het boek. Ze spreken de eigen verbeelding van de lezer aan, met veel meer nuances dan je kan beschrijvend vertellen. Ze kunnen telkens weer andere facetten bij de lezer oproepen, ze zijn in zekere zin onuitputtelijk aan betekenis. En dat sluit aan bij heel het boek dat voortdurend de lezer andere manieren van kijken aanreikt. Boek drie: “Liefde” van Karl Ove Knausgard Er is een enkelvoudig personaal perspectief waarbij de ik-verteller, een schrijver terugblikt op zijn liefdesleven. Hij is rond de 40 en heeft drie kleine kinderen. Het verhaal wordt verteld in de ik- vorm. Het boek begint met een exacte datum: 29 juli 2008. Het zegt iets over de nauwgezetheid waarmee de auteur observeert. In de eerste zin is reeds het spanningsveld voelbaar tussen de professionele carrière van de schrijver, ik- figuur en de verantwoordelijkheid voor zijn gezin. Vakantie zegt hem niets maar het moet voor de kinderen: “altijd alleen het verlangen om door te blijven werken.” Je voelt de last van de kinderen: “al meer dan een maand zijn ze thuis van de crèche.” De daarop volgende zin werpt een eerste licht op de relatie met de moeder van de kinderen. Ze zijn op vakantie “en na drie dagen gaven we het op en vertrokken weer…de sfeer toch al niet zo harmonieus.” De gespannen gezinsrelaties, zullen een belangrijk inhoudelijk aspect van de roman worden. De schrijver laat dadelijk de tegenstrijdigheden in de verteller ervaren en tussen hem en de anderen. We kijken vooral door de ogen van de ik- figuur. Soms komt in dialogen de kijk van anderen tot uiting. De vrouw Linda: “wij komen altijd in dergelijke situaties terecht.” Als ze spreekt over de vele verwachtingen die in haar jeugd op haar wogen. De kijk van zijn vriend Geir Mijn sympathie ligt bij de ik- figuur. De enorme eerlijkheid waarmee die over zichzelf spreekt is ontwapenend. Hij geeft een diep inzicht in de vele tegenstrijdige gevoelens en ideeën in een mens, die erg herkenbaar zijn. Hij zet zichzelf vaak te kijk in zijn blootje, met al zijn zwakheden. Tegelijk verschijnt hij als degene die de problemen steeds probeert op te lossen, met wegcijferen van zichzelf. Als blijkt dat Linda een psychiatrische aandoening heeft, is zijn oorspronkelijke houding er één van ”we slaan er ons wel door.” Andere vertellers. Vb. De kijk van Geir, zijn vriend op het verhaal van de verkrachting van een dertienjarige leerlinge, dat de ik- figuur verdrongen heeft maar wel beschreven heeft: “dat vergt moed.” Waar tegenover de ik- figuur stelt: “ik heb schijt aan mezelf.” Het geeft twee tegenstrijdige perspectieven op hetzelfde verhaal. Dit is mogelijk door het via andere personages te laten zeggen. Geir verwoordt andere dimensies in het versieren van Linda, zaken die de ik-figuur verlangt maar vanuit onzekerheid ontkracht: “ze is verliefd op je, man. Bel haar op…je kunt niet zomaar niets meer van je laten horen allen maar omdat je dénkt dat zij niets mee van je wil weten.” Door verschillende schrijvers en dichters aan het woord te laten, worden andere, tegenstrijdige invalshoeken op literatuur aan bod gebracht. “Mysologie, wantrouwen ten opzichte van woorden,” staat tegenover “het gaat erom openingen te vinden naar waar de taal anders geen toegang toe heeft, maar wat we toch, ergens diep van binnen, kennen of herkennen, of… ontdekken. De woorden van Paul Celan kunnen niet met woordeen worden tegengesproken.” Personages van wie ik niet weet wat zij denken? Welke rol spelen ze. Tonje de eerste vrouw van Karl Ove. Misschien is haar rol de mislukking van een eerste huwelijk te vertegenwoordigen, wat de druk verhoogt om in een tweede wel te lukken. Het belicht ook de rol van de familie die met Tonje anders omgaat dan de ik-figuur en wat bron van spanning is in de relatie met Linda. De nieuwe relatie start reeds in een bestaand spanningsveld. Het verhaal wordt voortdurend door elkaar gegooid. Het houdt de aandacht gaande. Mensen die even worden vermeld zonder veel bijzonderheden om later uitgebreid aan bod komen; het doet uitkijken wie ze zijn. Er ontstaat vaak een structuur van binnen een verhaal komt een nieuw verhaal waarbinnen er weer een nieuw opkomt. De draad van waar het oorspronkelijk verhaal was blijven liggen, wordt dan later weer opgenomen. Het is niet makkelijk om te ontdekken of er gaten zijn. Er zijn geregeld sprongen in de tijd. Het verhaal begint in het recente verleden als de ik-figuur, zijn ex- vrouw en de drie kinderen op vakantie zijn. Het wordt volledig in de verleden tijd geschreven. Van daaruit wordt er in het verleden heen en weer gesprongen. Er zijn momenten waarbij de tijd van het verhaal langer duurt tegenover de tijd van het werkelijk gebeuren. Er is dan een uitgebreid zintuiglijk beschrijven van de scène. Ze onderstrepen de intensiteit van het moment vb. bij het beschrijven van de natuur waarin hij verwijlt. Of ze lassen een pauze in om de intensiteit onder controle te houden en de nieuwsgierigheid aan te scherpen voor wat er gaat komen. Vb na een ruzie met Linda, zijn vrouw. De context is die van het begin van de 21ste eeuw met flashbacks naar het einde van de 20ste eeuw en de jaren 70. Het speelt zich af in het schrijversmilieu van Zweden en Noorwegen. De verschillen tussen Zweden en Noorwegen komen geregeld aan bod. In maatschappelijk alternatieve milieus van anti- autoritaire opvoeding, alternatieve voeding, schrijvers en dichters… Mysologie en Pyrrho: wantrouwen tegenover woorden en van alles wat verwoord kan worden, kan het tegendeel worden gezegd. Pastiche: nabootsen van andere auteur, fragmenten van andere auteur gebruiken. De focus. Het gaat over de ontwikkeling van de liefde tussen de ik-figuur en zijn huidige ex- vrouw, vanaf het allereerste contact tot een moment dat ze een tijd gescheiden zijn maar nog samen met de kinderen op vakantie gaan. De psychologie van de verteller staat daarbij centraal. Wat denkt hij, voelt hij en hoe kijken anderen naar hem, zoals ze dat in dialogen tot uitdrukking brengen. De vele tegenstrijdigheden in de relatie, de specifieke psychologische en relationele problemen die te maken hebben met de psychiatrische ziekte van Linda, de ex- vrouw. Welk aandeel de psychologie van de hoofdpersoon heeft in de vele conflicten en in de uiteindelijke scheiding. De tegenstelling tussen het pure leven en het schrijven erover, tussen de carrière als schrijver en het gezinsleven. Het onvermogen om voldoende autonomie te ontwikkelen in verbondenheid met elkaar. Hoe dat tot overmatig drinken leidt en tot uitbarstingen van geweld. Elementen die terugkomen. werken en carrière versus leven en gezin schrijven versus leven; denken tegenover het leven zelf gedroomde leven versus reële leven en de midlifecrisis met radicale nieuwe keuzes de ambivalenties in een relatie en het onvermogen ze te overbruggen psychologische mechanismen als verdringen en ontkennen; sublimeren de spanning tussen streven naar autonomie en verbondenheid de tegenstrijdigheden in de eigen ideeën en gevoelens; het zichzelf afbreken en kleineren verschillen tussen Noren en Zweden De psychologische erfenis van de vorige generatie drank als bevrijder schrijven als manier van zin geven en nieuwe dimensies ontdekken tegenover schrijven als dode boel “letters beenderen op een begraafplaats.” de psychologie van een kind en de in aanleg aanwezige verschillen tussen kinderen. De onzekerheid als jonge ouders. Beelden en symbolen.Het boek staat vol van dit soort zaken, waardoor de gewoonste handelingen zoals eten van kreeft, bijzondere betekenis krijgen. Daardoor blijft het boek verrassen en boeien en geeft het diepgang aan dat alledaagse. Hij is een meester in het beschrijven van alledaagse gebeurtenissen en wat daarbij allemaal in een mens kan omgaan. Er staat veel beeldspraak in. Ze typeren een personage dat naar de kleine kinderen kijkt vb” hij keek naar ze zoals je naar mollen of egels kijkt.“ Het geeft me een eerder negatief gevoel, maar de auteur vervolgt met: “Ik begreep hem en ik mocht hem.” Daar kom ik in contact met zijn spanning tussen werk- carrière en zorg voor de kinderen. Die spanning vertaalt zich in zijn houding naar dat betreffende personage: afkeer en begrip. Een beschrijving van een situatie die tegelijk een symbolische uitbeelding is van een andere. Zo beschrijft hij “vertwijfelde vaders en moeder stonden uit alle macht aan de teugels te trekken zonder dat de beesten in beweging kwamen…Zie je, Vanja. De ezels weigeren te lopen.” Het speelt zich af tussen taferelen waarbij hij zijn dochters probeert te sturen en zij dat weigeren. Vb. “Het begon aarzelend, zoals bijna alle gesprekken tussen mensen die meer van elkaar weten dan dat ze elkaar kennen. Ik peuterde het gladde, dikke vlees uit de schaal, sneed het in stukjes, prikte mijn vork erin en haalde het door de mayonaise voordat het de tocht naar mijn mond begon.” Het eten van de kreeft, lijkt symbool voor de manier waarop de mensen met elkaar omgaan.        

Hendrik Van Moorter
32 0

een diepe put

Opdracht één, stap drie Thema van leven en dood Premisse: Voor wie de dood niet aanvaardt, zal ze geen nieuw leven voortbrengen. Is dat wel zo? Hoe kom je daartoe? inspiratiebron: Schaduwkind van Thomèse hoofdstuk Godheid Sinds die dag ben ik veel gevoeliger geworden voor het lijden van mensen. De woorden die ik toen hoorde sloegen in als een bom. De krater in mijn ziel werd een put die de komende weken zou vol stromen met mijn tranen. Ik weet niet wat mijn ziel is. Het diepste van een mens voorbij alle kennen.    De wanden van de put die eerst nog overeind bleven, stortten in. De tijd dat er stevige grond was, leek voorbij. Mijn ziel werd bodemloos. Een paar weken later werd een Duitse topindustrieel door de Rote Armee Fraction vermoord. Een bom onder zijn auto en een krater in de weg.    Met hun linkse ideeën had ik altijd enige sympathie gevoeld. Nu beukte het nieuws van de moord in op de afbrokkelende wanden van mijn put.      Er was iets veranderd in mij. Ik snikte het uit, alsof het mezelf overkwam. Het besef dat het om iemands geliefde ging, die nu achterbleef. Een huwelijk dat brutaal werd stuk gemaakt. De foto van de vermoorde man bleef hangen aan de wanden van mijn ziel. De bron van mijn tranen was lang geleden droog gelegd. Tranen waren als kind verboden en ik leerde om niet te voelen. Als mijn grootvader stierf, wist ik niet wat er werd verwacht dat ik zou voelen.    Wat me nu overkomen was, had wat toen dicht gesnikt was, weer open gebroken. Nu welden de tranen op bij alles dat wijst naar grote liefde, liefde in moeilijke omstandigheden, onmogelijke liefde, liefde die wordt getackeld. Welke waarde hebben die tranen? Wat dragen ze bij tot het leven? Zijn snelle emoties niet even snel weer vergeten? Wat moet er meer gebeuren als je geraakt wordt door het lijden van anderen? En door je eigen lijden? Ik las ergens dat het leven intenser wordt in tijden dat de dood dichtbij is. Mijn grootvader was 10 toen zijn vader stierf en toen zijn moeder stierf 17. Hij ging aan de drank. Hoe kan het leven intenser worden nadat de dood heeft toegeslagen? Is de dood niet altijd destructief? Kan de intensiteit te groot zijn? Een man die onder het kruis stond waarop zijn geliefde Meester werd terechtgesteld, schreef vele jaren later: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden…In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan.” De wereld van Johannes was ook ingestort. In wat hij schrijft is zijn geliefde een Woord van God, licht in de duisternis, maar een duisternis die het licht niet aanvaardt. Is dood gelijk aan duisternis? Beide hebben geen identiteit, net zoals de godheid. Dood en duisternis zijn de afwezigheid van iets. De afwezigheid van leven of van licht. Maar God wordt Licht genoemd. Duisternis kan niets met het licht doen. Maar zonder duisternis zouden we niet weten dat er licht is. Pas in de duisternis wordt het licht zichtbaar. God is ook duisternis. Heeft Johannes in dit Woord het antwoord gevonden op de dood die zijn wereld liet instorten? Thomese schrijft: “Ze is iemand geworden die steeds opnieuw geboren moet zien te worden: in de woorden die ik voor haar vind.” Zijn dochtertje, nog een baby is pas gestorven. Moeten de tranen woorden vormen? Moeten uit die put vol tranen woorden en beelden opwellen? Uit een onkenbare bron in het diepste van die bodemloze put, ingeslagen in de ziel? Woorden als een echo. Een echo van wat?      

Hendrik Van Moorter
24 1

opdracht 1 Elisabeth Leysen

fragment Frank McCourt, De as van mijn moeder, p227 (thema’s: identiteit, dualiteit eigenheid/bij de groep horen, dualiteit geborgenheid/onveiligheid)   premisse De hoofdfiguur groeit op in een gezin dat eigenzinnige keuzes maakt, ervaart agressie van mensen die geen eigenzinnige keuzes maken, maar kiest er toch voor om zelf ook eigenzinnige keuzes te maken.   tekst De worteltjes in onze tuin zitten vol beesten. Bij de buurman zitten er geen beesten in de worteltjes. De buurman zegt dat we op de worteltjes moeten spuiten. Als je op de worteltjes spuit, heb je geen beesten. Spuiten is heel makkelijk. Je neemt een spuitbus en je spuit op de worteltjes. Mijn vader wil niet spuiten. Van spuiten word je ziek, zegt mijn vader als de buurman weg is, er zit vergif in de spuitbus. Mijn vader plant liever goudsbloemen tussen de worteltjes. De beesten houden niet van goudsbloemen en dus blijven ze weg, dat zegt mijn vader. De buurman zegt dat hij het niet meer kan aanzien. Hij wacht tot mijn vader weg is en spuit alle beesten dood. Hij spuit niet alleen op de worteltjes, hij spuit op onze hele moestuin. Op zekere dag kom ik thuis van school en ligt onze poes aan de achterdeur. De poes is dood, ze is helemaal stijf. Mijn vader zegt dat de buurman onze poes heeft vergiftigd. De buurman heeft kleine vogeltjes in een kooi en misschien heeft onze poes een vogeltje uit de kooi gepakt. Dan moet de buurman maar een betere kooi maken, zegt mijn vader. De buurman is een moordenaar.

Elisabeth Leysen
0 0

Een lamp gaat branden

Schrijfopdracht 2 – Esther van der Werf - Een lamp gaat branden. Verdiepen en uitbreiden scène tot kort verhaal   ‘Hèhè, eindelijk zegt ze eens wat zij ervan vindt. Zie jij het ook? Heb je in de gaten dat ze niet meer bezig is met wat ik ervan vindt?’ ‘Het werd verdorie ook eens tijd dat ze daar mee ophield, je gaf haar er nooit iets voor terug.’ ‘Ja zeg, jij was perfect met al dat drinken van je.’ ‘Ik weet het. Hadden we toen maar geweten wat we nu weten.’ ‘Sja, het was voor haar beter geweest als wij wat minder met onszelf bezig waren geweest. Maar ja, wij ontworstelden ons aan het juk van onze tijd. Er moest hard gewerkt worden voor een nieuwe toekomst en we hadden de plicht meer uit ons leven te halen dan onze ouders. Meer materie en meer feesten, dat was onze missie. Ik heb er niet eens over nagedacht of ik haar gaf wat zij nodig had. Zo werkte dat niet. Wij gingen voor de zekerheid van de materie en de glorie van het moment. Dát weet je toch?’ ‘Jaja de plicht meer uit ons leven te halen. Hou toch op. Leuk beredeneerd. Jij was alleen voor je eigen ego en plezier bezig, daar was alles op gericht.’ ‘Ik meende toch dat ik het goed deed, omdat ik ook veel mensen hielp.’ ‘Ik weet dat je dat dacht. Hebben we het verprutst? Ons leven?’ ‘We kunnen er niets meer aan veranderen, het is water door de Maas. Blijven kijken en afwachten. Wie weet vraagt ze ons om hulp en kunnen we alsnog iets voor haar doen’ ‘Denk je dat ze ons heeft vergeven?’   Beneden worstelt Esther. Moe, hondskapotmoe is ze van alle zorgen, van het zorgen. Opruimen van puinhopen die niet de hare zijn. Waarom ligt het dan toch op haar bord? Ze wil niet meer. Haar nog zo jonge moeder verliezen was hard. Toch had ze er vrede mee. Het leek alsof haar moeders leven klaar was. Pas 54 jaar en toch klaar. Bij haar vader lag dat anders. Op de een of andere manier was ze er altijd vanuit gegaan dat hij, ondanks zijn slechte leefgewoonten, toch de leeftijd van zijn eigen ouders zou bereiken. Maar ja, 72 jaar was lang geen 93 of 94. Opa en oma gingen toch verstandiger met hun lijf om. Of hadden zij gewoonweg meer geluk gehad? Zeker is dat haar vader meer zooi achterliet dan haar moeder. Bij haar moeder was het vooral verdriet om het leven dat zo jong al zo klaar was. Maar bij haar vader ligt het dieper. Heeft het verdriet om hem verliezen niet eens een kans. De resultaten van zijn manier van leven, de constructies die hij als kerstbomen optuigde in zijn ondernemen, het totaal zonder zorgen naar de dingen kijken: het laat allemaal zijn sporen na voor de generatie na hem. De financiële crisis die zich in de laatste jaren van zijn leven zich openbaarde, trok daardoor diepe sporen in zijn dood. Beleggen met geleend geld is zelfs zonder crisis geen handige zet op je 65e. Zijn gemakkelijke manier van zijn, levert nu veel op wat onduidelijk is, financieel tekort schiet en toch geregeld moet worden. Haar zus woont in Engeland, alle praktische zooi ligt op Esthers bord. Het is onvermijdelijk. Zij is weer de verantwoordelijke. Ze is het spuugzat, moe, zo ontzettend moe.   Gelukkig is vandaag de dag van de schrijfclub. Schrijven doet haar goed. De club kwam voort uit de schrijflessen die ze samen beleefden. Docent en vier cursisten gingen verder als schrijfclub. In de twee jaren die ze hen nu kent hebben ze veel verhalen uit eigen leven gedeeld. Dat brengt dichter tot elkaar. Vooral met Peter bouwde zij een speciale band. In de gesprekken in de auto heen en terug, houdt hij haar regelmatig een spiegel voor. Hij kan snoeihard analyseren, maar ook zeer ontroerd reageren op de dingen uit haar leven en haar teksten. Het is zijn open houding die ze zeer waardeert en waardoor ze ook zelf haar eigen mening geeft. Op haar beurt helpt zij hem met zijn levensthema’s. Het samen schrijven brengt hen tot luisteren en delen.       Ze praten na de bijeenkomst op het zonnige terras nog na. De anderen zijn al naar huis. ‘Pfoeh wiefke, jij kunt schrijven’ Esther lacht bij deze constatering. Ze kijkt hem aan en durft eindelijk eens onbescheiden ‘Ja’ te zeggen.             ‘Waarom doe je daar niets mee?’             ‘Ach, wie zit daar nou op te wachten? Het is goed zo, dit schrijven voor mezelf.’             ‘Sjee, wat een onzin! Ik zou willen dat ik mijn emoties zo mooi kon verwoorden. Hoe doe je dat toch? Wil je het mij leren?’             ‘Ja zeg, wie is hier de journalist, die dagelijks met woorden speelt?’             ‘Ik meen het, ik weet feiten goed weer te geven maar mijn emoties verwoorden vind ik lastig. Ik heb het gevoel dat jij me dat kunt leren.’             ‘Gekkie, hou op. Zo goed schrijf ik nou ook weer niet.’             ‘Potverdorie! Wil je eens ophouden met dat belachelijke bescheiden gedoe. Ik wil dat jij me leert hoe ik bij mijn gevoel kom in het schrijven!’             ‘Serieus?’ Een vette klap op de tafel volgt. Koffiekopjes rammelen, het lepeltje vliegt van de tafel. Verschrikte gezichten op het terras. Esther wordt rood van verlegenheid. Zijn woorden, zijn vuur-schietende ogen, de trilling in haar binnenste van de klap op de tafel wijzen haar haar weg. Het voelt bijna als hulp van boven. Een lamp gaat branden.               ‘Wat denk je? Gaat ze hier nou eens iets mee doen, voor zichzelf?’             ‘Ben je mal, ze gaat hem helpen, maar wat doet dat voor haarzelf?’             ‘Wie weet, ik heb het gevoel dat deze vriendschap anders is, dat Peter haar teruggeeft wat ze zelf investeert in die vriendschap’             ‘Mmm daar heb je gelijk in, ze luistert echt naar hem, doet er iets mee. Hoe zou dat komen? ‘Heeft dat iets met haar verlangen naar verbinding en open houding te maken?’ Dat schrijven en het met hem bespreken, doet haar daarom ook zo goed, denk ik.’             ‘Mmm toch vaag gedoe hoor.’   Esther begint Peter te helpen. Ze ontdekt het plezier van hem helpen in zijn schrijven. Peter vraagt: ‘Waarom wordt jij niet schrijfdocent?’ Zo start Esther in het Belgische met haar opleiding. Ze helpt vele jaren erna met enthousiasme en intens plezier anderen op hun schrijfpad. De lamp blijft branden.               ‘Kijk toch eens hoe ze alles weer aanpakt. Het doet me zo denken aan haar studententijd. We hoefden haar nooit aan haar huiswerk te manen. Enthousiast, gemotiveerd, voortvarend. Met haar kop door een muur als ze moet. Van wie heeft ze dat toch, die gedrevenheid?’             ‘Hè vrouw, wat een vraag. Van mij natuurlijk! En ze wist altijd al hoe graag ik dat bij haar zag.’             ‘Pfff jij. Ik ben blij dat zij wat beter om zich heen kijkt op haar pad. Die kleine en haar man zijn haar belangrijker dan haar schrijven en lesgeven, hoe enthousiast ze daarover ook is.’             ‘Jaja, ik weet het nou onderhand wel. Dat had ik anders moeten doen. Leg je er nou maar bij neer dat we dat stuk niet meer kunnen veranderen. Wáter door de Maaaaaas!’             ‘Ik weet het, ik weet het. Ik ben ook niet meer boos. Ik constateerde slechts dat zij iets gedaan heeft met onze fouten. Geleerd. Het is fijn dat we hier nu samen zijn, zonder ruzies.’             ‘Och Wilma, konden we het haar maar vertellen.’             ‘Wat?’             ‘Nou, dat het goed komt. Dat uiteindelijk alles goed komt.’

Esther MG
0 0

Zee en zout

   Ik kijk achterom en moet glimlachen. Het droge zand dat in kleine bergketens tegen de dijk aanligt. Er blijven geen sporen in na. Je plant er je hele zijn in, slungelig en verminkt maar niets dat die narrendans nog verraad. Het strand, de ideale plek om spoorloos te zijn of net niet, prachtig. De zon schittert en valt tussen de kieren van mijn oogleden. Is er een betere plek op aarde om volledig op te gaan in het zoete verleden van je jeugd? Met opgerolde broek in de kleine zeestromen staan waar kinderen garnalen proberen vangen en waar vaders, met gloeiend rode ruggen en levensmoede zwemslippen, die rafelig in een kuiltje onder hun billen hangen, loom naar hun kroost zwaaien.  Oh, waar zijn de tijden. De glimlach ligt nog op mijn gezicht en verplaatst zich een beetje naar mijn ogen die tranerig de wind inhaleren. Ik slenter naar de voet van de dijk waar ik tegen de opgewarmde stenen ga zitten. Met mijn ogen dicht vermoed ik het water, de menigte en de wind. De leegte tussen alle figuranten die zich, net als zand, omheen de dingen sluit. Mijn geliefde vleit haar hoofd in mijn schoot. Zo in mijzelf verstilt door de zee was ik de vrolijke massa die al de hele tijd aan mijn hand hing even vergeten. Is er iets mooier dan een meisjeshoofd vol zomersproeten die ondeugend naar je opkijkt? Het verborgene dat achter die zandkleurige ogen speelt, zo dichtbij. Kamers vol posters en vol geheime rituelen. Lange haren die gekamd worden op een krukje in het midden van de kamer. Tenen gestut met watten en nagels met gifgroen of helrood. Verzamelingen van allerlei eigenaardigheden waaruit hun hele persoonlijkheid moet blijken. Dagboeken vol liefde, leed en tranen. Gevezelde of giechelende verhalen die door de telefoonlijnen snellen richting nog zo een kleine verborgen wereld. Ik streel door haar haren en zweef over haar huid. We dommelen even in en kijken weer op terwijl de scène constant verandert. We verzetten ons tegen de tijd, slaan het verstrijken ervan stil gade. Na een tijdje geraken mijn knieën verkrampt en staan we samen het zand van onze kleren te slaan op de nog warme tegels. We kiezen de Vlaanderenstraat om in de binnenstad te komen. Ik stap er de boekenwinkel binnen terwijl ik haar richting de winkels duw. Binnen word ik verwelkomt door een grijze man met een stoppelbaard zoals alleen een elektrisch apparaat stoppelbaarden kan scheren. Hij spuwt het Ostêns dialect warm in mijn gezicht. Ik versta hem half en houd wat afstand om de adem van een terend lichaam niet te moeten ruiken. Tweedehands boeken staan hier te springen om mee genomen te worden. Cees Nooteboom, ja die koop ik gewoon zonder nadenken. Held van de Nederlandse taal. De ouwe noteert alles in een schrift en bedankt me voor de aankoop. Dolgelukkig moet het boek zich voelen, weg uit de vergetelheid. We lopen hand in hand richting brasserie Du Parc. Altijd belanden we hier, zij en ik. We drinken er slappe koffie uit zo van die leuke oude doorloop kannetjes. Ik kom hier graag omdat onder de groen gestoffeerde stoelen en de zwarte leren banken de geest van de wereldoorlog kruipt, als een tweede werkelijkheid, verlangend naar die tijden vol betekenis en daadkracht. Mensen die druk binnen en buiten lopen, zwaaiend met nieuws dat op iets slaat en sigaretten. De zware rooknevel die alles hult in een sfeer van noodzakelijkheid. Op elke tafel overvolle asbakken en bodempjes klare en daartussen lawaai en getier gekneld. Vrolijke wanhoop. Soldaten op schoten van wulpse vrouwen in lange gewaden met allemaal zo een hoofdband op zoals in die jaren populair was. Cees vertelt over zijn reis naar Santiago, beschrijft wat hij ziet, loopt wat rond, praat een beetje over de geschiedenis van elke plaats. En op een of andere manier is dit alles niet oersaai. Neen het zit vol leven, zijn leven. Zijn ogen, die kathedralen, ruïnes en landschappen in zich opzuigen, vermalen de materie en leggen ze aan het infuus van zijn werkelijkheid. Die man praat nooit over iets anders dan zichzelf zonder ons ooit te vervelen met een beschrijving van zijn oog die op een bepaalde manier licht vangt, held. Mijn geliefde neemt afscheid. We zoenen één keer op de mond. Lippen die elkaar even vasthouden en dan zacht loskomen. Soms wou ik dat ik rookte. Dan zou ik nu naar buiten gaan, een sigaret bollen, een lucifer strijken en de knisperende tabak inhaleren. Ik zou naar binnen kijken en daar mijn tafeltje zien met het omgedraaide boek en het kannetje koffie, de melk onaangeroerd en het stiftje suiker verpulvert onder mijn nerveuze vingers. Vergenoegd smalen en mompelen met die sigaret in mijn mondhoek ‘dat ben ik’. Maar helaas, mijn mond beschermt mij door verschrikkelijke zweren te groeien als het weke vlees in contact komt met de venijnige rook. Dan moet ik aan de verse gemberthee voor een paar dagen en kan ik mijn geëxperimenteer met koffie niet verderzetten. Dat maakt me dan droef dus ik rook niet. Er komt een man binnen die van elke tafel wel een oog of een zinsnede commentaar moet verdragen. Wollen mantel met rechte kraag, paraplu in de hand – zwiepend, zwarte puntschoenen, leren handschoenen – krakerig, een zwarte kostuumbroek en dan, houdt u vast, een hoge donkere hoed zoals in de 19e eeuw in zwang was. De man besteld iets als Sherry te zien aan het glas. Zijn hoge hoed staat op zijn handschoenen en die liggen op zijn keurig opgevouwen sjaal. Serieus? Ja ik denk het wel. Ook vermoed ik dat hij zuinig nipt, ja ik weet het bijna zeker, zuinig en met getuite lippen. Zijn profiel hangt in een waas van zonnestralen dus het is moeilijk op te maken of hij zo oud is als zijn kleren of gewoon op een of andere manier hip tracht te zijn. Zijn handen hebben zeker geleefd, er hangt wat zwaartekracht aan. Ik heb te lang gestaard want opeens boren twee grijsblauwe ogen zich in die van mij. Zeus, dacht ik nog, terwijl de haren op mijn arm alweer gaan liggen. Mijn bilspieren raakten verkrampt dus ik sta buiten mijn sjaal tussen de revers van mijn kostuumjas te proppen. Het waait hard en in de lucht ruik je de regen al. Ik steek Cees in mijn jaszak en besluit om het natuurgeweld op te wachten aan de pier. Zand suist in slierten over het verlaten strand. Het duister valt uit de wolken en blijft hier en daar hangen. Ik stap het kleine strand naast de pier op en ga naar de golven kijken. Woest zou ik ze niet noemen maar ze gaan toch al aardig te keer. Ik raap een hoornschelp op om mijn vingers koest te houden. Kijk, dat noem ik nog eens wind. De lucht verplaatst zich zo snel dat ik er amper zuurstof uit kan trekken. Voorovergebogen narrendans ik naar het zijtrapje van de pier. De verlatenheid omarmt mij als een oude vriend. Geen omhulsels achter een vislijn, geen dravende kinderen. Mijn instinctieve reactie als zo een schaterende massa onschuld voorbij rent is om van hoog naast mijn oor en met de achterkant van mijn hand krachtig naar beneden te hakken. Dan verbaas ik mij over de woede die steeds als een doorzichtige film tussen mijn huid en zijn receptoren hangt, de context wazig maakt. Het is gewoon die ‘de wereld is van mij attitude’ dat ik graag zou neerslaan, vertel ik mezelf dan. Ik trippel en spring omdat ik alleen ben. Balanceer op de bankjes, tik in de lucht met mijn hielen tegen elkaar. Probeer een beetje mee te waaien door mijn kostuumvest als vleugels open te houden. Regen druppelt over de houten balustrades, golven happen er ongeduldig naar. Ik sta tegen de toren geleund en bedenk dat ik nu een sigaret zou roken mocht ik roken. Een schip met een knappe kapiteinsdochter zou de gloeiende peuk zien en nachtenlang dromen van de verschilferde lippen erachter en de harde blik als zoutkristal, en ook zou ze verlangen naar verweerde handen over haar zacht blozende huid. Goed dat mijn geest zich probeert te verwarmen aan fantasietjes. Mijn kaak- en handspieren verstrammen. De haren op mijn arm verheffen zich omdat het koud is maar ook omdat er een hand lijkt te liggen op mijn linkerschouder. Ik verstijf en probeer te voelen maar met al dat loeien en kleinzielig machtsvertoon van de natuur voel ik juist niets, alleen die druk. Niet dwingend, niet aardig, alleen aanwezig. Na een tijdje lukt het mij te kijken. Inderdaad, een hand. Wat te doen? Angstaanjagend zou het moeten zijn maar het is op een vreemde manier geruststellend. Bliksem vertakt door de lucht en direct daarna breekt het wolkendek in luide stukken. Mijn schouders dreigen te verkrampen dus ik besluit mij nog waanzinniger voor te doen dan hij. Mijn vingers klemmen zich om een hand dat duidelijk wat zwaartekracht heeft gekend en ik zing, Longtemps, longtemps, longtemps après que les poètes ont disparu.

Het Ontstaan
2 0

Frisse start

Jezelf heruitvinden. Januari is er de ideale maand voor. Een wit doek. Of een wit scherm, mijn telefoon.    Pinterest suggereert een nieuw bord aan te maken. Zonet prijkte op mijn wall nog het perfect-relaxte huis, healthy food, roadtrips en als klapper, een trouwfeest (half industrieel, half natuur). Modern Country Wedding noemde ik het.    Uren heb ik geïnvesteerd in mijn imaginaire droomwereld. En nu is het in 1 klap weg en ben ik blij, opgelucht en een beetje triest tegelijk.    Want ik eet wel overnight oats, home made burgers en guacemole, maar ook frieten van de frituur, met zoete mayonaise, voor de TV. Waar al eens geknoeid wordt op de zetel (die oranje en hip is, op een relaxte manier obviously..).    Want we gaan ook soms op roadtrip met de jeep (die geen Wrangler is) en de tent (die geen daktent is). En na 4 dagen niet douchen nemen we geen foto's meer van onszelf. Maar wat hebben we lol en wat eten we worstjes bij het vuur (soms verbrand).    En ik ga ook niet trouwen. Want niemand heeft mij gevraagd. 'Als hippies' zei ik tegen de dame op burgerzaken die vroeg of we wettelijk samenwoonden dan wel getrouwd?    En dat is prima zo. Ik kwam erachter dat het Modern Country Wedding een heel loyale compromis was tussen de vriend en ikzelf. Een compromis die al veel meer richting de vriend leunde als naar mezelf. Zonder dat hij weet dat deze compromis zelfs maar bestaat. En dat willen we niet. Geen toegevingen in mijn imaginaire droomwereld.    Tijd voor een nieuw egoïstisch bord. Dat is 2018. Helemaal voor mezelf. Tijd genoeg om na te denken wat daar op zal komen te staan.    

Evelien
14 0

Ik haatte Jos Put

(De roman die ik koos ter inspiratie is 'Istanbul. Herinneringen en de stad' van Orhan Pamuk, p. 91 en volgende (mijn vader, mijn moeder en hun verdwijningen))   Ik zat in kousenbroek aan de bar, lichtjes heen en weer te draaien. De ‘bar’ was een eenvoudig maar prachtig modern meubel dat onze hele benedenverdieping bij elkaar hield; Het was wit en glad met zwarte naden, aan de keukenzijde met een strakke hoek afgemaakt, terwijl het aan het andere einde, daar waar je vanuit de keuken één trapje naar beneden liep om in de living te komen, met een sierlijke bocht naar rechts de muur tot aan het tuinraam omarmde en zo keuken en living in één beweging verbond. Recht tegenover het lange gedeelte van de bar - op nog geen meter ervandaan - was in datzelfde witte, strakke materiaal een deur voorzien die door haar enorme dimensie het belang uitdrukte van de ruimte erachter die zij afscheidde van het privégedeelte, namelijk: het rijk van mijn moeder – ‘de praktijk’. Het was ons zonder restrictie toegestaan om bij het minste verlangen door die deur te lopen en aan de secretaresse die er vlak achter de wacht hield, te signaleren dat we moeder wilden zien, terwijl ook moeder met de regelmaat van een klok de poort van haar heiligdom openzwierde om zich tussen twee patiënten door te laven aan de knuffels van haar dochters. Mama was mooi, modern en vol goede smaak. Het idee dat ze – in alle openheid - met Jos Put aanhield was dan ook niet te rijmen met de onvoorwaardelijk aanbidding die ik voor de rest voor haar voelde.   Ik haatte Jos Put. Hoe hij, terwijl we steeds en willens nillens met z’n veertienen optrokken, speciaal voor haar liedjes opzette, of ze godbetert zelf bedacht en dan met zijn belachelijke zoon Eric op nieuwjaar voor haar zong. “Ben ik te min” bleek hiervoor een van zijn favoriete nummers te zijn, een soort van onderkruiperige, verongelijkte aanklacht van een armzalige vent die om aandacht schreeuwt op de foute manier. Hij had alleen oog voor ‘Sneeuw’, een naam die hij voor mijn moeder had uitgevonden en die – toegegeven - heel mooi bij haar karakter paste maar door de identiteit van de bedenker ervan alle schoonheid en zuiverheid verloor, en me bij het horen ervan telkens opnieuw rillingen van afschuw gaf. Zij bedacht hem op haar beurt met het nog veel onnozelere ‘Tupje’. Eigenlijk wou hij het liefst dat moeder ons achterliet voor hem. Hij had dan ook, ondanks het feit dat hij zelf vader was, geen enkele consideratie voor kinderen en zelf vonden wij hem ook oneindig oninteressant.     Toen ik die dag op de barkruk zat, voelde ik me loodzwaar, alsof mijn buik een diepe, donkere ruimte herbergde die me pijnlijk naar beneden zoog. Om een onverklaarbare reden had ik het in mijn hoofd gehaald dat dit het moment was waarop mama eindelijk zou afzien van die relatie, waarop we onze wederzijdse gevoelens daarover zouden uitspreken en ik die dobberende bubbel aan haar zou kunnen tonen. Zij zou eerst in ongeloof verstild staan, stilaan zou het binnensijpelen hoe erg zij zich vergist had, alles onderschat had, zij zou haar spijt uitroepen, zich voor mijn voeten werpen of op zijn minst me in de armen sluiten, zich berouwen om al haar beperkingen en vergiffenis vragen. Die hele janneboel met Jos Put zou onmiddellijk worden afblazen. Als ze ons binnenste zou zien. Maar de bubbel kwam niet ter sprake. Wat voor mij als een ultiem moment had aangevoeld, als een prachtig kantelpunt van waarop alles zou veranderen, was voor mijn ongezien efficiënte moeder gewoon een rustpunt tussen twee patiënten door. Ze kwam met haar witte schort, lange laarzen, mooie pony en haar vertrouwde geur van zoete zonnebrandolie, UVA lampen en medische latexhandschoenen gewoon even een kusje halen bij haar ‘konijnen’. Er was geen sprake van dat we dat weekend nìet iets met de Putten zouden doen, en de zaak was afgedaan. Ik bleef verweesd achter, verpletterd door de evidentie waarvan moeder uitging dat wij daarover geen mening of gevoelens hadden. Tegelijkertijd voelde ik een verbetenheid en vechtlust om in mijn kousenbroek en al mijn lenigheid het gevecht met Jos Put aan te gaan en hem in één klap uit te schakelen, naar een andere wereld te katapulteren, waar niemand nog ooit komt en wij er nooit nog last van zouden hebben. Ik draaide lichtjes heen en weer op de stoel en mama was vertrokken naar de volgende patient. In haar knappe witte schort.

Sabine Steels
0 0