Lezen

In De Ban Van De Mist

‘Loop maar door!’ schreeuw ik naar een silhouet ergens in de verte dat mijn vader moet voorstellen. De twee andere vlekken zijn jonge Italiaanse kerels die al sinds deze ochtend niet meer van hem weg te slaan zijn.‘Ben je zeker?’‘Ja!’Ik zie ze zwaaien, hoor ze schaterlachen.‘Maar regel dan wel maar een mooie begrafenis voor mij.’Hij hoort me niet meer.   Ik wandel traag, tergend traag. Alles rond mij vervaagt, wordt onwerkelijkheid. Ik hoor niets meer. Geen schuifelende schoenen over het steengruis, geen krakende rugzakken of gedachtewisselingen in een vreemde taal. Hier ben ik alleen. Niets meer dan een (fluo)roze stip in de witte wolkenmassa. Misschien was die zwarte regenjas minder opvallend geweest. Wat meer filmisch ook, maar nu word ik tenminste opgemerkt door de dwalende schapen die hier en daar opduiken in de mist.Ik twijfel of ik wel de juiste keuze heb gemaakt.Er zijn namelijk twee routes die je naar Roncesvalles brengen: door de vallei of over de bergen. In mijn pelgrimsgids staat dat die laatste zonder enige twijfel de mooiste is, maar dat je bij slecht weer best de ander neemt.‘Het uitzicht is echt magnifiek, dat mag je voor geen geld van de wereld missen!’ beweerde de vrouw van het pelgrimsbureau in Saint-Jean-Pied-De-Port. Ik weet niet of ze bewust het tv-scherm dat achter haar hing, met de apocalyptische weervoorspelling op,  negeerde.‘Ah, als we dan toch moeten sterven kunnen we het evengoed op een berg doen,’ zei ik nog lachend tegen mijn medepelgrims.God, ik moet dringend leren om mijn mond te houden.   Zo zielig heb ik me in lange tijd niet gevoeld. Een hoopje zwakte. Verzwolgen door de Nevel Der Mislukkingen. Van dat prachtige uitzicht waar iedereen het over had is niets te zien. Hoewel ik weet/hoop dat ik ergens bovenop een berg wandel heb ik meer de indruk dat ik in een isolatiecel zit.Omsingeld door witte muren. Ik wil schreeuwen maar mijn ademhaling zit nog een paar stappen achter.Machtig en ontzagwekkend zou ik me moeten voelen hier, op de toppen van de wereld. In plaats daarvan ben ik meer als Frodo die Mount Doom op moet klimmen. Zonder Sam. In de kou.‘Ik haal dit niet,’ blijf ik in mezelf herhalen. Tot ik verstoord word door gemekker. Ik zie een schaap naast me staan. Dan een tweede en een derde. De laatste wolkenslierten drijven voorbij en onthullen een gigantische kudde op een grasgroene weide vlakbij.Met daarachter het mooiste uitzicht dat ik al ooit in mijn leven zag.‘Hey!’ roept iemand mijn kant uit.Drie afschuwelijk flashy regenjassen op enkele meters van mij. Eentje die ik herken.‘Wacht, ik dacht dat jullie al veel verder waren?’‘Je hebt blijkbaar serieus doorgestapt!’ zegt mijn vader even verbaasd. ‘Alles nog oké?’‘Ik voel me fantastisch,’ antwoord ik, de soundtrack van Lord Of The Rings galmend door mijn oortjes.

Woordenwandelaar
0 1

"De Nederlands heel kapot"

We hebben samen een tekst van Filip Huysegems gelezen. “Optimisme is een plicht! Hoe blijf je positief in een boze wereld?” Drie bladzijden. Meer dan duizend woorden. En dat hebben we samen klassikaal en hardop kunnen doornemen. De collectieve zucht is er één van trots en opluchting. Alsof we samen een berg hebben beklommen. Het is een druilerige woensdagmiddag. Over een kwartier lopen zij hun vrije namiddag in. Dat de echte beklimming nog moet beginnen, daar lijken ze zich niet van bewust. Vijftien jaar geleden zat ik hier zelf op de schoolbanken. Nu hoor ik me woorden als ‘tekstanalyse’ en ‘parafraseren’ in de mond nemen. Plots behoor ik tot het andere kamp en sta ik aan de kant van diegenen die moeten begeleiden, instrueren en inspireren. Voor mij zit een groep laatstejaars aso-studenten. Mijn millenniumkindjes. Ze zijn 17, 18 jaar. “En Willem is van tweeduustenéén, meneer!” Het is niet gemakkelijk om hun aandacht vast te houden en een beeld uit ‘Detachment’ dringt zich meer dan eens op als ik door de gangen loop. Een gepijnigde leraar, vertolkt door Adrien Brody, wordt daarin omringd door teloorgang en verval terwijl hij Edgar Allan Poe citeert. “A sense of insufferable gloom pervaded my spirit.” Is de wereld waarin deze jongeren opgroeien zo anders dan de mijne? Zijn ze finaal de teugels kwijt en stevenen we met z’n allen af op een onherroepelijke culturele verloedering? In leraarskamers hoor je soms van wel en, toegegeven, het is niet moeilijk om argumenten en anekdotes uit de dagelijkse lespraktijk aan te voeren om mee te foeteren en te monkelen. Ja, ze verliezen hun aandacht al na enkele minuten. Ja, ze zijn vergroeid met hun smartphones. Nee, ze kunnen niet meer communiceren met elkaar en nee, ze zijn niet langer gericht op de essentie van de dingen. Zo vertelde een leerlinge onlangs dat ze het jammer vond dat er vooralsnog geen nieuwe editie komt van Feest in het Park. Niet omwille van de bands. Zelfs niet omwille van de dj’s. Omwille van de camping. En hun taal? Wij haalden vijftien jaar geleden een stapel woordenboeken op het secretariaat. Nu ligt er een stapel Chromebooks op hen te wachten. Lezen ze nog wel eens? Weten ze nog wie Maeterlinck of Gorter zijn? En weten ze nog wat hun teksten zo rijk en waardevol maakt? Hebben ze nog energie en tijd voor dat soort klimwerk? We hebben nog vijf minuten. Net voldoende voor een woordenschatoefening. En dan gebeurt het. Iemand maakt ongewild een fout. Een verkeerd lidwoord valt. “Maar meneer, de internet werkt niet.” Hilariteit. Ik ben ze kwijt. “De Nederlands heel kapot!”, grapt iemand. En ik moet lachen. Want de tekst van Huysegems heeft me geleerd dat pessimisme een hardnekkige mindset is. De pessimisten hebben ongelijk. Anders was de wereld al lang vergaan. Toch? “Een tegenoffensief dringt zich op”, schrijft Huysegems. En ik doe mee. Want zij zijn de toekomst. Toch? En wie weet, misschien keert één van hen over vijftien jaar terug en misschien stemt datgene wat hij of zij dan te zien krijgt hem of haar ook tot nadenken en misschien schrijft hij of zij daar wel een stuk over. Daar kijk ik nu al reikhalzend naar uit. Naar die tekst. En naar die toekomst.

Karel-Willem Delrue
35 0

Verse kroketten

Ik zie het toestel nog staan. Het had een vaste plaats in de kelder, maar af en toe verscheen het op de keukentafel. Met het apparaat werden thuis verse kroketten gefabriceerd. Het was alleszins een opvallend ding, met die oranje kleur. In het bakje propten we de nog ietwat warme puree. Met een soort van hefboom persten we die puree door de buizen waar dan als bij toverslag lange kroketten uitkwamen. Als we braaf waren, mochten wij ze doorsnijden. Op de juiste lengte natuurlijk. Dankzij het verlangen waarmee we uitkeken naar de verse gebakken kroketten, smaakten ze later op de dag nog beter. Dat is minder het geval met een diepvrieszak die je opentrekt. De volgende stap in het artisanale krokettenmaakproces sloegen we als kind liefst over. We mochten de naakte kroketten nog door eiwit rollen. Dat leek een beetje op snot. Maar het was een noodzakelijke stap, anders kleefde het paneermeel niet. Al kenden wij het nog als chapelure.    Het doet er me aan denken, grootvader was ook dol op kroketten. Toen ze ooit op tafel verschenen, zei hij al lachend: “Hmmm, verse verketten”. Vanaf dat moment waren kroketten altijd ‘verketten’. Onze jongste maakte onlangs iets soortgelijks mee. Hij stond aan te schuiven in de rij van het schoolrestaurant. Op het menu stond ‘vol-au-vent met frieten’. De jongeman voor hem zei tegen de mevrouw achter de toonbank dat het bij hem thuis ‘vuile vent met frieten’ werd genoemd. De mevrouw kon een grijns niet onderdrukken. Tegelijkertijd hield ze een volle soeplepel met koninginnehapje al klaar voor onze jongste. Ik vermoed dat hij toen eenzelfde grijns op zijn gezicht had.    Och, die huisgebonden naam van gerechten geeft ze wellicht nog wat extra smaak. Al is het opletten geblazen, dat ik bij een volgend restaurantbezoek geen ‘vuile vent met verketten’ bestel.   

Rudi Lavreysen
26 0

Niet gepast

Wat kon ik me er aan ergeren, terwijl ik braaf stond te wachten in de krantenwinkel met nog een vijftal klanten voor me. Met die krant in mijn hand, af en naar voren kijkend, me afvragend waarom het niet sneller kon. Geduld is een schone zaak, maar het is niet mijn sterkste eigenschap. Ik kan het amper aan de dag leggen. En plots was het opnieuw zover. Ik zag het al gebeuren. Die ene oudere man kwam binnen. Het was altijd dezelfde man. Hij nam een krant van de stapel dagbladen, die toen nog vooraan in de winkel lagen, rammelde met het kleingeld in zijn hand, negeerde alles en iedereen, gooide de munten op de toonbank en zei: “Dat is gepast.” En weg was hij. Zo heb ik het een paar keer zien gebeuren. Niemand van de braaf wachtende mensen zei er iets van. Maar ik zag aan de uitdrukking op het gezicht van de winkeljuffrouw dat ze het allesbehalve ‘gepast’ vond.    Een volgende keer had de winkeljuffrouw - en niemand van ons - de moed om het tegen de man te zeggen. “Nee, Roger, dat is niet ‘gepast’. Iedereen staat hier te wachten, misschien ook met gepast geld. Zij wachten toch ook. Sommige van hen moeten nu gaan werken. Jij toch niet?” Oeps, die zat. Niet lang na dit voorval lagen de kranten plots achteraan in de winkel. Voorkruipen ging bijna niet meer. Misschien was Roger wel niet de enige die het zo lapte. Vandaar dat de kranten verhuisd werden. En Roger? Die heb ik niet meer gezien in de winkel. Misschien komt hij op een ander tijdstip. Of misschien heeft hij ondertussen een abonnement op zijn krant. En staat hij ’s morgens, uit gewoonte rammelend met het kleingeld in zijn broekzak, de postbode op te wachten. Vol ongeduld.

Rudi Lavreysen
0 0