Lezen

Snottie, een fabel

                                                Snottie, een fabel                                                       ******* Er was eens een geadopteerde draak die Snottie heette. Snuiten, niezen en water proesten, kon hij als niemand anders maar vuur spuwen, neen, dat lukte niet. Snottie had immers een allergie. Van ’s morgens tot ‘s avonds probeerde hij vlammen te spuwen, maar wat hij ook deed, het hielp niet.      Ten einde raad stapte hij naar Tatoe, de tovenaar. ‘Tatoe,  ik wil zo graag vuur spuwen maar al mijn pogingen mislukken!’ Tatoe wreef in zijn lange, witte baard en dacht diep na : ‘Snottie, ik kan je niet helpen. Voorbij het kabouterbos, over de rode berg en achter het dampende meer vind je de drakenschool. Daar leer je vast vuur spuwen.’   Vol goede moed begon Snottie aan zijn tocht. Zweetdruppels liepen van zijn snuit. Een hete gloed kwam hem tegemoet. Ha, hij naderde de drakenschool. Hij schreef zich in en de drakenleraars toonden hem alle technieken om vlammen te spuwen. ‘Kom aan Snottie,’ zei de leraar, ‘nu is het aan jou!’ Snottie haalde diep adem en ... hatchie! Hij proestte en blies. Er spoot een flinke straal water uit zijn bek ... maar vuur, neen, dat niet. De andere draakjes lachten hem uit. Ze rolden sissend en spuwend over de grond van plezier. Arme Snottie! Hoe meer ze hem uitlachten, hoe roder zijn tranende drakenogen werden en hoe meer snottebellen er van zijn snuit dropen.      Met zijn staart tussen zijn poten vluchtte Snottie de drakenschool uit. Het was niet eerlijk. Waarom was hij niet als de andere draken ? Terwijl zijn onderlip trilde liep hij langs het dampende meer, over de rode berg en zo weer naar huis. Vreemd, weer kwam een hete gloed hem tegemoet.      ‘Help! Brand!’ hoorde hij. Elfjes en kabouters renden druk heen en weer met emmers water. ‘Help, de vlammen komen bijna aan de kabouterhuisjes!’      Holderdebolder spurtte Snottie naar de brandende bomen. Hij haalde diep adem en spuwde met al zijn kracht grote stralen water. Plets! Splash! Nog eens ademde hij diep in. Als een waterkanon spoot hij naar de vlammen. Het hout knetterde, Snottie spetterde. En dat deed hij tot het laatste smeulende vuur was geblust.      ‘Hoera voor onze drakenvriend!’ Snottie keek verbaasd naar de elfjes en de kabouters die juichend om hem heen dansten. Hij was een held! Hij was de enige draak in het hele land die water kon spuwen! Die dag was het groot feest in het kabouterbos. Tot diep in de nacht werd er gedanst, gezongen en af en toe geniesd.   De volgende dag stapte Snottie weer naar Tatoe, de tovenaar. ‘Is het gelukt?’ vroeg deze. ‘Heb je leren vuur spuwen?’ ‘Neen,’ antwoordde Snottie trots, ‘ik ben nu... hatchie... vrijwilliger bij de brandweer!’

kayla
44 0

Theofiel en het Tijdmannetje

Er was eens, niet zo lang geleden, in het koninkrijk Pendule, een man die zo gestresseerd en gehaast was dat hij vaak over zijn eigen voeten struikelde en overal tegenaan liep. Theofiel was zijn naam. Hij was lang en slank met een rechthoekig gezicht en een zwarte bos haar op zijn hoofd. Zijn ogen waren dollartekens. ‘Time is money’ was immers zijn motto. Wanneer hij een kostuum droeg – wat hij meestal droeg want hij was de directeur van een groot nietjesfabriek- zag hij er volkomen normaal uit. Wat echter niemand wist, behalve zijn ex-vrouw, was dat hij geen mensenbenen had, maar grote hazenpoten onder zijn broek verborg. Toch gaven deze uitzonderlijke ledematen hem nog niet de kracht om zich sneller voort te bewegen dan het Tijdmannetje.   Het Tijdmannetje was altijd in de buurt van Theofiel. Met een wekker als hoofd, wijzers als ogen en grote, voortdurend flapperende vleugels vloog het Tijdmannetje zó snel dat hij voor iedereen ongrijpbaar was. Toch deed Theofiel poging na poging na poging om het Tijdmannetje in te halen.   Elke ochtend om klokslag 7u rinkelde het Tijdmannetje om Theofiel te wekken. Vervolgens vloog het Tijdmannetje naar de douche met Theofiel in zijn kielzog. Voor het douchen gaf hij Theofiel 15 minuten alvorens hij opnieuw rinkelend wegvloog in de richting van de auto. Theofiel had nog net de tijd om een banaan mee te graaien vóór hij in de auto stapte. Telkens wanneer hij het Tijdmannetje probeerde te vangen, was deze snelheidsduivel hem te snel af. Het Tijdmannetje vloog voor de auto uit en nam in het nietjesfabriek onmiddellijk de lift naar de derde verdieping waar het kantoor van Theofiel, de directeur, gevestigd was. Theofiel stormde zijn kantoor binnen en at zijn banaan op terwijl hij zijn PC opstartte om zijn mails te checken. De dollartekens in de ogen van Theofiel werden groter en groter. Het Tijdmannetje gaf hem tijd van 8u tot 8u30 om zijn mails te lezen, te filteren op  belangrijkheid en de meest dringende onmiddellijk te beantwoorden. Van 8u30 tot 9u bereidde Theofiel de dagelijkse hoge pieten- en mietenvergadering voor. Om 9u holde hij het rinkelende Tijdmannetje achterna naar de vergaderzaal. Van 9u tot 11u vergaderde Theofiel met de grootste nietjesexperts van het land. Wanneer de vergadering afgelopen was, probeerde Theofiel elke dag weer het Tijdmannetje te vangen met een grote lasso om even de tijd te hebben voor een pauze. Maar elke dag opnieuw ontsnapte het Tijdmannetje aan zijn worp en vloog hij vliegensvlug van de vergaderzaal naar het kantoor van Theofiel. Er moest immers ook een verslag gemaakt worden van de vergadering én er moesten actiepunten genoteerd worden. Dus Theofiel had geen tijd te verliezen en kreeg van het Tijdmannetje welgeteld een uur om dit af te werken. De kleine snelheidsduivel fladderde hevig van de ene kant van het bureau naar de andere kant en maande Theofiel regelmatig aan voort te maken. Theofiel werd bloednerveus van het luide kabaal dat het Tijdmannetje maakte. Om klokslag 12u begon het hyperactieve mannetje alweer te rinkelen omdat het dan tijd was voor een korte lunch met collega’s. En zo ging het maar door en door en door, dag in dag uit, week in week uit.   Ook ’s avonds gunde het Tijdmannetje Theofiel geen rust want maandagavond rende Theofiel het Tijdmannetje zo snel hij kon achterna op het voetbalveld. Op dinsdagavond achtervolgde Theofiel het Tijdmannetje naar een gezellig restaurantje voor een date met een blondine, niet groter dan 1m70, leeftijd: tussen 30 en 40 jaar, hoogopgeleid en sportief; voor onze goede vriend Theofiel uitgekozen door het datingbureau waarbij hij zich na zijn scheiding had laten inschrijven. Geen enkele van de blondines tot hiertoe had hem echter genoeg kunnen bekoren om een tweede date te overwegen en de blondines die aan zijn strenge kwaliteitseisen voldeden, geraakten dan ook steeds meer uitgeput. Op woensdagavond ging Theofiel op café met vrienden en telde het Tijdmannetje nauwlettend het aantal pinten dat hem toegestaan was te drinken, namelijk 3, alvorens te rinkelen en hem eraan te herinneren dat hij morgen alweer vroeg uit de veren moest. En telkens weer deed Theofiel pogingen om het Tijdmannetje te grijpen en telkens weer was het Tijdmannetje hem te snel af.   Soms probeerde Theofiel ook te onderhandelen met de snelle spring-in-‘t-veld over 5 minuten langer of een halfuurtje extra maar het Tijdmannetje was koppig en vastberaden en had geen oren naar argumenten als ‘nood aan rust’ of ‘nood aan ontspanning’.   Ook op donderdag, vrijdag, zaterdag en zelfs zondag was Theofiel gebonden aan een strakke planning. En dat was dan nog maar de planning voor de week waarin zijn twee kinderen niet thuis waren. Theofiel ging maar door en door en door en was op den duur zo moegerend, zo leeg, zo gespannen. En wanneer zijn zoon of dochter hem vroegen om met hem te spelen of om een uitstapje te maken, zonder dat dit vooraf gepland was, was het antwoord steeds: ‘Geen tijd, een andere keer’. Hij was vaak zo in gedachten verzonken dat hij niet eens opmerkte hoe verdrietig zijn kinderen waren telkens hij zei ‘Geen tijd, een andere keer’. Zelfs ’s nachts kon Theofiel niet ontsnappen aan het zenuwachtige gefladder van het Tijdmannetje. Theofiel had oordopjes nodig om de slaap te kunnen vatten.   Op een zonnige lentedag, terwijl de vogels met hun mooiste lied tevergeefs Theofiels aandacht probeerden te trekken, zag Theofiel tien van zijn zwarte hoofdharen in de soep vallen die hij snel snel aan het opeten was. De haren keken Theofiel lachend aan en deelden hem mee dat ze in staking waren. ‘Wij zwemmen nog liever in de soep dan dat we één dag langer op jouw hoofd moeten doorbrengen. Die ‘moetens’ in dat hoofd van jou verhinderen ons te ademen. Hol jij maar verder, maar dan zonder ons.’ Theofiel voelde hoe zijn hart sneller begon te kloppen, het bloed naar zijn wangen steeg, zijn handen zich tot vuisten balden en zijn poten op de grond stampten. Hij was zó kwaad op de haren dat hij ze één voor één uit de soep haalde en tegen de muur smeet.   ‘Kom, snel naar een dokter’ hoorde Theofiel het Tijdmannetje nog zeggen. Even later rende hij alweer de snelheidsduivel achterna, wanhopig op zoek naar een dokter die kon verhinderen dat er nog meer haren uitvielen. De zoektocht naar een dokter gebeurde op een dinsdagavond en Theofiel moest noodgedwongen zijn date met blondine nummer 11 annuleren om op consultatie te gaan bij dokter Goedgemoed, een dokter die volgens haar website gespecialiseerd was in problemen als stress en haaruitval. De praktijk van dokter Goedgemoed was gevestigd midden in de stad, op de 53ste verdieping van een wolkenkrabber. Gelukkig bleek dokter Goedgemoed ook een knappe blondine te zijn zodat Theofiels dinsdagavond niet volledig verpest was. Na heel wat consultaties had hij al oranje rustpilletjes, stinkende haargroeimiddeltjes en blauwe slaappilletjes uitgeprobeerd… Tevergeefs. Hij bleef haren verliezen.   Omdat er maar geen oplossing kwam en het Tijdmannetje vond dat er geen tijd te verliezen was, begon hij zo hevig met zijn vleugels te flapperen dat er een grote vleugel van zijn lichaam werd afgerukt. Dokter Goedgemoed zat met haar goed gemanicuurde handen in haar geblondeerde extensions en stuurde Theofiel door naar een praatdokter. Dokter ‘Why’ liet Theofiel binnen in zijn strak design kabinet. Aan de muur prijkte een geprojecteerd beeld van een groot horloge. Theofiel kreeg van het Tijdmannetje en van dokter ‘Why’ welgeteld 60 minuten om zijn probleem uit de doeken te doen. Theofiel had nog maar net het woord ‘haaruitval’ uitgesproken of de praatdokter kreeg al telefoon. ‘Excuseer, een minuutje’, zei de praatdokter en handelde het telefoontje in een sneltempo af. Vervolgens vertelde Theofiel over zijn trouwe vriend, het Tijdmannetje. En nog voor dokter Why dieper kon ingaan op het onderwerp, rinkelde alweer de telefoon. Het Tijdmannetje werd zo zenuwachtig van al het gerinkel, dat hij abrupt ook nog een wijzer verloor. Met nog één vleugel en één wijzer over probeerde het Tijdmannetje zich krampachtig staande (of eerder: vliegende) te houden. Na veel blablabla en tatata, maar weinig dadada stapte Theofiel 60 minuten later en heel wat dollars lichter met een rugzakje vol zorgen terug buiten. Hij keek naar zijn goede snelle vriend en zag tot zijn verbazing dat het Tijdmannetje maar op halve krachten meer functioneerde. Zwakjes herinnerde het Tijdmannetje Theofiel aan zijn afspraak in restaurant ‘Stildetijd’ om de verjaardag van zijn dochter ‘Lotte’ te vieren.    ‘Ik moet eerst nog even thuis passeren want ben het cadeau’tje voor Lotte vergeten’, zei de man met de hazenpoten. Het Tijdmannetje kon niet meer zo snel vliegen en toch kostte het Theofiel de grootste moeite om hem bij te houden. Hij slenterde achter zijn trouwe vriend aan. Thuis aangekomen ging Theofiel op zoek naar het paar oorringetjes dat hij voor zijn dochter gekocht had. Hij wou even uitrusten op zijn grote bed, en voor hij het wist, viel hij als een blok in slaap. Hij sliep en sliep en sliep. Het Tijdmannetje probeerde angstvallig te rinkelen om Theofiel tijdig op de afspraak te krijgen, maar Theofiel hoorde het niet.   De volgende ochtend om klokslag 7u rinkelde het Tijdmannetje naar goede gewoonte opnieuw om Theofiel te wekken. Theofiel was echter zo moe en uitgeblust dat hij zich omdraaide en opnieuw in een diepe slaap viel. Het Tijdmannetje rinkelde opnieuw. En weer gebeurde hetzelfde. Het Tijdmannetje was op den duur zo opgewonden dat hij nu ook zijn tweede wijzer verloor. Met zijn laatste vleugel bleef hij halsstarrig wapperen. Drie dagen en drie nachten later werd Theofiel wakker met een schok. Hij had er totaal geen idee van hoe lang hij geslapen had. Toen hij aan het Tijdmannetje wou vragen hoe laat het was, kon hij zijn trouwe vriend nergens vinden. Hij ging rechtop zitten in zijn bed en tot zijn grote ontsteltenis zag hij zijn geliefde spring-in-‘t-veld in stukken en brokken op de grond liggen. Theofiel voelde plotseling hoe elke spier in zijn lichaam pijn deed. Hij zag ook dat hij heel wat haren verloren had. De haren die op zijn kussen verspreid lagen, keken hem verwijtend en somber aan. Langzaam strompelde Theofiel uit zijn bed. Zonder benul van tijd, zonder te weten welke afspraken hem die dag allemaal boven het hoofd hingen, begaf hij zich naar de badkamer. Daar aangekomen staarde hij vol ongeloof naar zijn spiegelbeeld. De wallen onder zijn ogen waren gedeeltelijk verdwenen, maar op zijn hoofd stond niet één enkel haar meer. Hij was volledig kaal. Vanuit het diepste van zijn ziel voelde hij een intense, hevige neiging tot schreeuwen opkomen, maar toen hij zijn mond opende om een klank te produceren, bleef het stil. Toen hij de trap wou afrennen naar buiten toe voelde hij dat hij zo stijf was dat hij nauwelijks kon bewegen. Theofiel viel neer op zijn knieën en begon hevig te snikken van verdriet. Het leek wel alsof de tranen met de kracht van de Niagarawatervallen uit zijn ogen stroomden.   Toen Theofiels tranen opgedroogd waren, keek hij angstig om zich heen. Nu zijn trouwe vriend hem niet meer aanmaande om vanalles te doen, wist Theofiel geen raad met zichzelf. Uiteindelijk slaagde hij erin om recht te strompelen. Zijn spiegelbeeld durfde hij niet meer te aanschouwen. Hij ging op zoek naar een oude hoed die in een stoffige kast lag op een stoffige kamer die hij sinds lang niet meer betreden had.   Toen hij naar buiten wandelde, hoorde hij voor het eerst sinds jaren de vogeltjes fluiten. Hij zag hoe de bloesems van de bomen in volle bloei stonden en hij voelde hoe de zon zijn huid verwarmde. Hij strompelde naar het park en rustte uit onder een boom. De boom begon hem te wiegen als een klein kind. Ook de andere bomen in het park begonnen mee te wiegen op het ritme van Theofiels ademhaling. ‘Blijven ademen, Theofiel’, fluisterden de bomen liefdevol. De bomen begonnen trager te wiegen toen Theofiels ademhaling rustiger werd. ‘Adem in en uit’, fluisterden de bomen, ‘concentreer je op je ademhaling. Laat je gedachten komen en weer gaan.’ Theofiel deed wat de bomen hem influisterden en omarmde zijn wanhoop. Na enige tijd stond hij met hernieuwde energie op en danste met de wanhoop in het rond. De bomen dansten met hem mee. Even later wandelde hij door het park en snoof hij de geur op van elke bloem op die hij tegenkwam. Hij hoorde het gekwaak van de eendjes in de vijver. Hij had oog voor de pracht aan kleuren die het park rijk was. Met hernieuwde krachten wandelde hij naar huis om de oorringetjes voor zijn dochter op te halen. Hij nodigde zijn kinderen uit naar het park te komen.   Toen zijn kinderen hem in het park troffen, herkenden ze hun vader bijna niet. Wat een rare hoed had hij op en wat een rust straalde hij plots uit. En alsof dat nog niet gek genoeg was, vroeg hij hen ook om samen met hem in het rond te dansen. De kinderen aarzelden even en vroegen zich af of ze geen gek figuur zouden slaan, maar dan begonnen ze zachtjes mee te dansen en algauw lieten ze zich helemaal gaan. Het werd een fijne middag. Theofiel en zijn kinderen genoten met volle teugen. De volgende dag belde Theofiel naar zijn werk met de mededeling dat hij er een tijdje tussenuit ging. In de periode die volgde, begon hij plannen te maken voor de toekomst: een huisje in het groen met een moestuin en wat dieren, elke dag even naar het park gaan om bij zichzelf te komen, meer tijd voor zijn kinderen, … En voor even werd het komkommertijd…

Aline S
19 1

In ons midden

Deze ochtend ben ik iemand voorbij gefietst die zich in de regen op de grond had neergelegd. Midden op de grote markt. Een jonge vrouw met een dikke grijze wintermantel, opgerold als een foetus, stil en onbeweeglijk. Het was een bevreemdend tafereel, mistroostig tussen de onregelmatige regendruppels die flirtten met verdwaalde sneeuwvlokken. Mensen leggen zich niet zomaar neer zonder bed of zomer, en dan nog op de natte straatstenen in deze vrieskou. Ze was geen dakloze, ze nestelde zich niet in een portiek of onder een brug. Open en bloot lag ze pal in het midden van het grote plein, enkel beschut door haar totaal niet haveloze kledij. De kap van haar mantel met een bontkraagje stevig rond haar hoofd getrokken, armen voor de borst gevouwen. Zwarte winterlaarzen met eveneens een bontkraagje onder opgetrokken knieën in een broek met onduidelijke donkere kleur. Crisiskleuren, zoals zovelen ze dragen in deze tijd, de zonnige tinten uitgebannen. Wel een paar fluweelrode handschoenen die iets sierden. Had iemand ooit zoiets gezien?   Ik fietste haar voorbij. Want ik ben de schrijfster/journaliste en dit zou een verhaal van hoop worden. Bevrijding lijkt meestal te komen na de ellendigste wanhoop. Alle miserie op een hoopje tot die een reusachtige berg is geworden waar je niet meer overheen kan. Of afdalen tot in de diepste put waar geen bodem of konijn wacht zoals bij de kleine Alice die wél een wonderland kent. Blijven vallen of kruipen, moederziel alleen, tot je het opgeeft – geblokkeerd – en erbij gaat neerliggen, je lot uit handen geeft. Zo lag die dame daar, dat voelde ik tot in mijn vingertoppen. Ze kon niet meer. Genoeg geweest. Op, ten einde. Ze had zich eindelijk overgegeven, op een uiterst bizarre manier weliswaar. Totaal radeloos met nog een zweem van elegantie, had ze zich zo deftig mogelijk opgevouwen midden in de anonieme openbaarheid. Het kon toch geen volledige reddeloosheid zijn, ze had haar plekje zo goed gemikt. Er passeerden daar voldoende voorbijgangers. Wat ze uitstraalde, was die dubbelzinnigheid van een gekwetst kind dat zich schreeuwend van zijn moeder losrukt. “Laat me met rust” en “help me alsjeblieft” tegelijkertijd. Pijn die moeilijk kan zijn, bedreigde veiligheid. De confrontatie was voor mij te groot, wat kon ik bijdragen behalve dit gadeslaan en rapporteren. Ik parkeerde mijn fiets een beetje verderop en ging een cafeetje in, achter het raam zitten, met pen en notitieboekje. Lekker warm theetje binnen met uitzicht op de grote markt. Hallucinant. Ik kon er niet in doordringen. Iets met fictie en werkelijkheid, droom en daad, deze wereld en die andere echte mystieke. Die verloren vrouw de hand reiken of zelfs nog maar gewoon even stoppen en het woord tot haar richten; ik geloofde dat ikzelf daar niet toe in staat was maar anderen wel. Ik zou afwachten wat er verder gebeurde, in mijn kunstenaarscocon. Dit moment was te kostbaar om er niet stil bij te gaan zitten. En kijk, daar was een eerste passant die stil hield. Een man op leeftijd, hij keek eens naar links en naar rechts rond op de grote markt. Was er niemand anders die eveneens zijn pas minderde en bleef staan bij deze gekke vrouw… Wat moest dit in hemelsnaam?   Ik was razend nieuwsgierig hoe dit zich verder zou ontplooien. Zou er eens iets veranderen? Ik had net een symbolisch fietstochtje gemaakt, was bijna thuis toen ik die dame daar plots zag liggen, niet levend en niet dood. Eigenlijk ben ik al een hele tijd aan het ronddolen, al wandelend of fietsend. De mensen rondom lijken zo verdoofd of verslaafd, bijna zonder uitzondering. Waar kan ik nog heen? Ik was net nog een broodjeszaak gepasseerd waar de dienster na haar eerste ochtendshift vlug buiten op straat een sigaretje rookte. Onze collectieve staat van snelle valse bevrediging is zo maatschappelijk verantwoord als wat. Duurzaamheid en werkelijk zuiver contentement is precies een randfenomeen. De stad is vol koffiebars en tegenwoordig heten de drinkers van het zwarte duivelssap hipsters. Ze openen pop-ups, tijdelijke zaakjes zoals die wenskaarten waar kinderen dol op zijn. (Voor je verjaardag krijg je een kaart die je kan openflappen en waar 3d-figuren en muziek uit komt. Tovenarij! Magie! Wonder der techniek! Je wordt er wild van en kan niet ophouden met de kaart open en dicht doen. Verwachting die blijft uitkomen. En na een poosje begint plots het liedje te vervormen. De batterij loopt leeg. Lichte paniek. Betovering verbroken, doodgewone realiteit keert weer. Niks kan het tij nog keren, dit is niet gemaakt om te kunnen repareren. Weldra is de kaart onherroepelijk voor de papiermand. Vaarwel pleziertje. Op naar de volgende aandachttrekkerij!) Er bestaat nu zelfs een dampwinkel, vol elektronische sigaretten in alle mogelijke synthetische geuren en kleuren. Bekenden van me blijken alcoholisten te zijn, of rokers of dampers, van tabak of wiet, of wat dan ook. Niet zomaar voor een keertje - een opkikkertje of zondagse verwennerij, eens gek doen om niet gek te worden - maar dagelijkse kost. Zoals ik water drink of brood eet. Vriendinnen zijn koffiekletskousen, shopaholics, chocoladekickchicks. Ontmoette ik ooit een zelfverklaarde nuchtere man, was die eigenlijk seksverslaafd. Een andere bleef constant lachen als een idioot, zelfverklaard verlicht of natural high, you name it. Nog een andere had niet door dat ie dan maar workaholic was geworden. En ga zo maar door. Pù nog te zwijgen over de reguliere pillenslikkers en tv-zappers. Niet bijster gezond allemaal. Redelijk deprimerend zelfs. En ik kan mezelf niet helemaal vrijpleiten, al heb ik wel het een en ander door. Ik kan me niet ontdoen van mijn generatie, ik ben niet meer of niet minder. Ik kan wel wat schrijven of eerder noteren – zoals die verslaafden die ik hier eenduidig typeer elk stuk voor stuk hun noemenswaardige talenten hebben. Wanneer komt echter deze grootsheid serieus aan de oppervlakte? Waar zijn we bang voor? Waarom houden we de schijn op, desnoods tot en met een dagelijks geschminkt gezicht waarachter we ons verbergen? Wat zitten we onze tijd te verklikken op facebook of schuivend achter een schermpje? Wie zet de eerste stap om haar masker af te gooien, waardig en sereen, naakt en trots, met de eeuwige glimlach?   De situaties met groeipotentieel doen zich gewoon voor, vlak onder onze neus. Veel hoeven we niet te doen, enkel geduldig zijn en meewerken. Zo zat ik erbij deze ochtend, in het café met mijn thee. Mijn pen in de aanslag, want dit werd een cruciaal verhaal. Die jonge vrouw lag daar niet zomaar op een doordeweekse dag. Grijs met rode handen, opgerold als een garnaal, ver van de zee. Een zeemeermin die haar staart was verloren? Een dame die haar verstand kwijt was? Een zottin? Een verdwaalde ziel met een dichtgeplamuurd hart? De oudere man die erbij was gaan staan, leek het zich eveneens af te vragen wat dit te betekenen had. Wat moest hij nou doen? Hij boog voorover en zag enkel gesloten ogen. Regen en tranen waren vermengd. Hij praatte tegen haar, maar dat had geen effect. Ze bleef stil en onbeweeglijk liggen in haar eigen pose, zichtbaar bij bewustzijn. Ze was niet gevallen of had niet een of andere crisis zoals een epilepsieaanval of hartstilstand, zoveel was duidelijk. De man durfde haar niet aanraken. Een hand in haar richting had haar een beetje doen opschuiven en zich nog meer doen oprollen en terugtrekken in zichzelf, als een beest in een kooi. Hij wenkte andere voorbijgangers, die sowieso al halt hielden bij het bizarre tafereel. Zelfs wie voorbij fietste, minderde even vaart en ontwaakte kortstondig uit zijn normale doen. Verward, verstoord, opgeschrikt; evenveel ongemakkelijke reacties als passanten, een enkele die luidop lachte. Er verzamelde zich al gauw een groepje rondom de vrouw. Bijna zo onvertrouwd als de oorspronkelijke situatie zelve van de eenzame dame. De mensen wisten zich geen raad, er waren er die naar hun mobieltje grepen. Zou iemand de hulpdiensten telefoneren? De troep werd zo groot dat ik de vrouw niet meer kon zien liggen. Het werd een ongecontroleerde wirwar van mensen en blikken. Wie nu nog halt hield op het plein, wist helemaal niet meer wat er gaande was. Dit was het moment voor mij om terug naar buiten te gaan, samen met enkele andere cafégangers. Het plein stroomde stilaan vol. Nu zou het bijna gaan gebeuren. Hoe lang zou het nog duren? Flitsende sirenes? Ambulance of politie?   En toen werd het nog vreemder, vooraleer er ordebewaarders arriveerden. Twee roodfluwelen handschoenen staken plots in het midden boven de menigte uit. Twee handen die elk een andere hand vasthielden. De jonge vrouw was klaarblijkelijk opgestaan en klemde zich nu vast aan de handen van de toevallige passanten. Eén ervan herkende ik: die allereerste man die bij haar was komen staan. Twee handenparen troonden breed en hoog in de lucht, als een rare overwinning. De dame bleek redelijk groot, groter tenminste dan een gemiddelde vouw. Je kon het bovenste van de kap van haar mantel ontwaren boven de anderen uit. En stilaan kwam er beweging. De rode handen leidden de groep traag in een zekere richting. Mensen volgden curieus, geprikkeld, verwachtingsvol. Ik liep mee in de verwarring die toch ergens heen leidde. Ze nam ons mee naar de kathedraal! Ik voelde iets van vreugde. De laatste tijd was ik in kerken mijn heil gaan zoeken, de nog overgebleven stilteplekken van de stad. Niks met religie of godsdienst te maken, krachtplekken bestaan sinds mensenheugenis. En nu slaagde deze vrouw erin om een mensenmassa naar binnen te lokken in onze fiere kathedraal?! Ik was verstomd. En ik niet alleen. De spanning steeg, samen met oorverdovend geroezemoes. Mensen gaan al gauw praten om te proberen begrijpen. Vatten met taal als overlevingsboei.  Waarom ging iedereen mee de kerk binnen? Van wie waren die rode handschoenen? Wie was dat? Wat zou die vrouw daarbinnen gaan doen? Wat was ze van plan? Wat was dit voor een gedoe? Wat had dit in godsnaam te betekenen? Zou dit een ordinaire reclamestunt zijn…   Ik stond achteraan in de kerk en genoot met volle teugen. Het maakte niet uit wat er zich nog verder zou ontwikkelen. Er was al iets veranderd. We stonden met zijn allen in onze kathedraal op een gewone weekdag, even uit onze dagdagelijksheid gehaald. Al was die evenveel waard, want een voorval als dit kan werkelijk elke dag ontstaan, in het klein of het groot. We waren nu met enig besef deel van een groter geheel dat we niet snapten, door deze merkwaardige ervaring. Allerlei mensen door elkaar, een bont gezelschap in een kerk, daar terecht gekomen als waren ze de rattenvanger van Hamelen gevolgd. Een onbekende dame had iets onnoemelijks teweeggebracht. Het enige wat ze had gedaan, was zich oprollen als een foetus midden op de grote markt in de stad tot er genoeg publiek rondom haar verzameld was om met onverwachte hernieuwde moed rechtop te gaan staan. Ze had vreemde handen stevig vastgenomen, niet dwingend en toch losten ze niet. Het hoorde zo, dit was even nodig. Vele andere mensen hadden eveneens elkaars handen vastgepakt, al hielden ze ze niet hoog in de lucht zoals die met de roodfluwelen handschoenen. Ik bleef nog even met mijn ogen dicht in het tumult en liep dan de kathedraal uit om de verbreking van de betovering niet hoeven mee te maken, om de magie vast te houden, de ware kunst. Want deze vrouw was geen heilige, natuurlijk niet, zij ging geen wonderen voor ons verrichten.   Het bijzondere had zich reeds voltrokken. Teleurstelling zou sowieso volgen als de massa uit elkaar viel en elk terug zijn eigen weg ging, verder de stad door de realiteit in, weliswaar een speciale herinnering rijker. Vanavond zou het wel in het nieuws komen, of zo meteen al op de sociale media. Sensatie! Afleiding van onze algehele verdoving! Dan wisten we gauw wat het nou precies was, ieder kon zijn interpretatie eraan toevoegen. Analyses en opinies. Wie bij de parade was bij geweest, tot en met deze vrouw op het altaar was gekropen, grijs met haar rode handen in de lucht, ohlalaaaaa! Zo kon ik niet denken, ik had het van in het prille begin meegemaakt. Deze jonge vrouw was de wanhoop nabij geweest, dat had ik gezien, ze was vleesgeworden wanhoop. In een laatste poging had ze omsingeld haar handen in de lucht gestoken en was gewoon beginnen wandelen, nog een restje intuïtie gevolgd. Het begin van een spirituele queeste. Ik dankte de vrouw met de rode handen in stilte, wie ze ook was, waar ze vandaan kwam of naartoe ging. Ik dankte alle mensen aanwezig in de kathedraal. Zij stonden open voor een tijdsbubbel van verbinding, een sacraal moment, verpakt in een mini-massahysterie. Of massamysterie? Ik grinnikte zelfs, gans dit binnenpretje kwam naar buiten. Het laatste wat ik hoorde toen ik een waterzonnetje in liep, was een heel uniek lied van een rauwe vrouwenstem, half huilend, half schreeuwend. Nog nooit eerder gehoord. Prachtig schoon met een grote hoek af. Ik keerde me nog even om, en zegende dit alles met een onhandig gebaar van mijn pen.

Elke Van Opstal
37 0