Lezen

Theofiel en het Tijdmannetje

Er was eens, niet zo lang geleden, in het koninkrijk Pendule, een man die zo gestresseerd en gehaast was dat hij vaak over zijn eigen voeten struikelde en overal tegenaan liep. Theofiel was zijn naam. Hij was lang en slank met een rechthoekig gezicht en een zwarte bos haar op zijn hoofd. Zijn ogen waren dollartekens. ‘Time is money’ was immers zijn motto. Wanneer hij een kostuum droeg – wat hij meestal droeg want hij was de directeur van een groot nietjesfabriek- zag hij er volkomen normaal uit. Wat echter niemand wist, behalve zijn ex-vrouw, was dat hij geen mensenbenen had, maar grote hazenpoten onder zijn broek verborg. Toch gaven deze uitzonderlijke ledematen hem nog niet de kracht om zich sneller voort te bewegen dan het Tijdmannetje.   Het Tijdmannetje was altijd in de buurt van Theofiel. Met een wekker als hoofd, wijzers als ogen en grote, voortdurend flapperende vleugels vloog het Tijdmannetje zó snel dat hij voor iedereen ongrijpbaar was. Toch deed Theofiel poging na poging na poging om het Tijdmannetje in te halen.   Elke ochtend om klokslag 7u rinkelde het Tijdmannetje om Theofiel te wekken. Vervolgens vloog het Tijdmannetje naar de douche met Theofiel in zijn kielzog. Voor het douchen gaf hij Theofiel 15 minuten alvorens hij opnieuw rinkelend wegvloog in de richting van de auto. Theofiel had nog net de tijd om een banaan mee te graaien vóór hij in de auto stapte. Telkens wanneer hij het Tijdmannetje probeerde te vangen, was deze snelheidsduivel hem te snel af. Het Tijdmannetje vloog voor de auto uit en nam in het nietjesfabriek onmiddellijk de lift naar de derde verdieping waar het kantoor van Theofiel, de directeur, gevestigd was. Theofiel stormde zijn kantoor binnen en at zijn banaan op terwijl hij zijn PC opstartte om zijn mails te checken. De dollartekens in de ogen van Theofiel werden groter en groter. Het Tijdmannetje gaf hem tijd van 8u tot 8u30 om zijn mails te lezen, te filteren op  belangrijkheid en de meest dringende onmiddellijk te beantwoorden. Van 8u30 tot 9u bereidde Theofiel de dagelijkse hoge pieten- en mietenvergadering voor. Om 9u holde hij het rinkelende Tijdmannetje achterna naar de vergaderzaal. Van 9u tot 11u vergaderde Theofiel met de grootste nietjesexperts van het land. Wanneer de vergadering afgelopen was, probeerde Theofiel elke dag weer het Tijdmannetje te vangen met een grote lasso om even de tijd te hebben voor een pauze. Maar elke dag opnieuw ontsnapte het Tijdmannetje aan zijn worp en vloog hij vliegensvlug van de vergaderzaal naar het kantoor van Theofiel. Er moest immers ook een verslag gemaakt worden van de vergadering én er moesten actiepunten genoteerd worden. Dus Theofiel had geen tijd te verliezen en kreeg van het Tijdmannetje welgeteld een uur om dit af te werken. De kleine snelheidsduivel fladderde hevig van de ene kant van het bureau naar de andere kant en maande Theofiel regelmatig aan voort te maken. Theofiel werd bloednerveus van het luide kabaal dat het Tijdmannetje maakte. Om klokslag 12u begon het hyperactieve mannetje alweer te rinkelen omdat het dan tijd was voor een korte lunch met collega’s. En zo ging het maar door en door en door, dag in dag uit, week in week uit.   Ook ’s avonds gunde het Tijdmannetje Theofiel geen rust want maandagavond rende Theofiel het Tijdmannetje zo snel hij kon achterna op het voetbalveld. Op dinsdagavond achtervolgde Theofiel het Tijdmannetje naar een gezellig restaurantje voor een date met een blondine, niet groter dan 1m70, leeftijd: tussen 30 en 40 jaar, hoogopgeleid en sportief; voor onze goede vriend Theofiel uitgekozen door het datingbureau waarbij hij zich na zijn scheiding had laten inschrijven. Geen enkele van de blondines tot hiertoe had hem echter genoeg kunnen bekoren om een tweede date te overwegen en de blondines die aan zijn strenge kwaliteitseisen voldeden, geraakten dan ook steeds meer uitgeput. Op woensdagavond ging Theofiel op café met vrienden en telde het Tijdmannetje nauwlettend het aantal pinten dat hem toegestaan was te drinken, namelijk 3, alvorens te rinkelen en hem eraan te herinneren dat hij morgen alweer vroeg uit de veren moest. En telkens weer deed Theofiel pogingen om het Tijdmannetje te grijpen en telkens weer was het Tijdmannetje hem te snel af.   Soms probeerde Theofiel ook te onderhandelen met de snelle spring-in-‘t-veld over 5 minuten langer of een halfuurtje extra maar het Tijdmannetje was koppig en vastberaden en had geen oren naar argumenten als ‘nood aan rust’ of ‘nood aan ontspanning’.   Ook op donderdag, vrijdag, zaterdag en zelfs zondag was Theofiel gebonden aan een strakke planning. En dat was dan nog maar de planning voor de week waarin zijn twee kinderen niet thuis waren. Theofiel ging maar door en door en door en was op den duur zo moegerend, zo leeg, zo gespannen. En wanneer zijn zoon of dochter hem vroegen om met hem te spelen of om een uitstapje te maken, zonder dat dit vooraf gepland was, was het antwoord steeds: ‘Geen tijd, een andere keer’. Hij was vaak zo in gedachten verzonken dat hij niet eens opmerkte hoe verdrietig zijn kinderen waren telkens hij zei ‘Geen tijd, een andere keer’. Zelfs ’s nachts kon Theofiel niet ontsnappen aan het zenuwachtige gefladder van het Tijdmannetje. Theofiel had oordopjes nodig om de slaap te kunnen vatten.   Op een zonnige lentedag, terwijl de vogels met hun mooiste lied tevergeefs Theofiels aandacht probeerden te trekken, zag Theofiel tien van zijn zwarte hoofdharen in de soep vallen die hij snel snel aan het opeten was. De haren keken Theofiel lachend aan en deelden hem mee dat ze in staking waren. ‘Wij zwemmen nog liever in de soep dan dat we één dag langer op jouw hoofd moeten doorbrengen. Die ‘moetens’ in dat hoofd van jou verhinderen ons te ademen. Hol jij maar verder, maar dan zonder ons.’ Theofiel voelde hoe zijn hart sneller begon te kloppen, het bloed naar zijn wangen steeg, zijn handen zich tot vuisten balden en zijn poten op de grond stampten. Hij was zó kwaad op de haren dat hij ze één voor één uit de soep haalde en tegen de muur smeet.   ‘Kom, snel naar een dokter’ hoorde Theofiel het Tijdmannetje nog zeggen. Even later rende hij alweer de snelheidsduivel achterna, wanhopig op zoek naar een dokter die kon verhinderen dat er nog meer haren uitvielen. De zoektocht naar een dokter gebeurde op een dinsdagavond en Theofiel moest noodgedwongen zijn date met blondine nummer 11 annuleren om op consultatie te gaan bij dokter Goedgemoed, een dokter die volgens haar website gespecialiseerd was in problemen als stress en haaruitval. De praktijk van dokter Goedgemoed was gevestigd midden in de stad, op de 53ste verdieping van een wolkenkrabber. Gelukkig bleek dokter Goedgemoed ook een knappe blondine te zijn zodat Theofiels dinsdagavond niet volledig verpest was. Na heel wat consultaties had hij al oranje rustpilletjes, stinkende haargroeimiddeltjes en blauwe slaappilletjes uitgeprobeerd… Tevergeefs. Hij bleef haren verliezen.   Omdat er maar geen oplossing kwam en het Tijdmannetje vond dat er geen tijd te verliezen was, begon hij zo hevig met zijn vleugels te flapperen dat er een grote vleugel van zijn lichaam werd afgerukt. Dokter Goedgemoed zat met haar goed gemanicuurde handen in haar geblondeerde extensions en stuurde Theofiel door naar een praatdokter. Dokter ‘Why’ liet Theofiel binnen in zijn strak design kabinet. Aan de muur prijkte een geprojecteerd beeld van een groot horloge. Theofiel kreeg van het Tijdmannetje en van dokter ‘Why’ welgeteld 60 minuten om zijn probleem uit de doeken te doen. Theofiel had nog maar net het woord ‘haaruitval’ uitgesproken of de praatdokter kreeg al telefoon. ‘Excuseer, een minuutje’, zei de praatdokter en handelde het telefoontje in een sneltempo af. Vervolgens vertelde Theofiel over zijn trouwe vriend, het Tijdmannetje. En nog voor dokter Why dieper kon ingaan op het onderwerp, rinkelde alweer de telefoon. Het Tijdmannetje werd zo zenuwachtig van al het gerinkel, dat hij abrupt ook nog een wijzer verloor. Met nog één vleugel en één wijzer over probeerde het Tijdmannetje zich krampachtig staande (of eerder: vliegende) te houden. Na veel blablabla en tatata, maar weinig dadada stapte Theofiel 60 minuten later en heel wat dollars lichter met een rugzakje vol zorgen terug buiten. Hij keek naar zijn goede snelle vriend en zag tot zijn verbazing dat het Tijdmannetje maar op halve krachten meer functioneerde. Zwakjes herinnerde het Tijdmannetje Theofiel aan zijn afspraak in restaurant ‘Stildetijd’ om de verjaardag van zijn dochter ‘Lotte’ te vieren.    ‘Ik moet eerst nog even thuis passeren want ben het cadeau’tje voor Lotte vergeten’, zei de man met de hazenpoten. Het Tijdmannetje kon niet meer zo snel vliegen en toch kostte het Theofiel de grootste moeite om hem bij te houden. Hij slenterde achter zijn trouwe vriend aan. Thuis aangekomen ging Theofiel op zoek naar het paar oorringetjes dat hij voor zijn dochter gekocht had. Hij wou even uitrusten op zijn grote bed, en voor hij het wist, viel hij als een blok in slaap. Hij sliep en sliep en sliep. Het Tijdmannetje probeerde angstvallig te rinkelen om Theofiel tijdig op de afspraak te krijgen, maar Theofiel hoorde het niet.   De volgende ochtend om klokslag 7u rinkelde het Tijdmannetje naar goede gewoonte opnieuw om Theofiel te wekken. Theofiel was echter zo moe en uitgeblust dat hij zich omdraaide en opnieuw in een diepe slaap viel. Het Tijdmannetje rinkelde opnieuw. En weer gebeurde hetzelfde. Het Tijdmannetje was op den duur zo opgewonden dat hij nu ook zijn tweede wijzer verloor. Met zijn laatste vleugel bleef hij halsstarrig wapperen. Drie dagen en drie nachten later werd Theofiel wakker met een schok. Hij had er totaal geen idee van hoe lang hij geslapen had. Toen hij aan het Tijdmannetje wou vragen hoe laat het was, kon hij zijn trouwe vriend nergens vinden. Hij ging rechtop zitten in zijn bed en tot zijn grote ontsteltenis zag hij zijn geliefde spring-in-‘t-veld in stukken en brokken op de grond liggen. Theofiel voelde plotseling hoe elke spier in zijn lichaam pijn deed. Hij zag ook dat hij heel wat haren verloren had. De haren die op zijn kussen verspreid lagen, keken hem verwijtend en somber aan. Langzaam strompelde Theofiel uit zijn bed. Zonder benul van tijd, zonder te weten welke afspraken hem die dag allemaal boven het hoofd hingen, begaf hij zich naar de badkamer. Daar aangekomen staarde hij vol ongeloof naar zijn spiegelbeeld. De wallen onder zijn ogen waren gedeeltelijk verdwenen, maar op zijn hoofd stond niet één enkel haar meer. Hij was volledig kaal. Vanuit het diepste van zijn ziel voelde hij een intense, hevige neiging tot schreeuwen opkomen, maar toen hij zijn mond opende om een klank te produceren, bleef het stil. Toen hij de trap wou afrennen naar buiten toe voelde hij dat hij zo stijf was dat hij nauwelijks kon bewegen. Theofiel viel neer op zijn knieën en begon hevig te snikken van verdriet. Het leek wel alsof de tranen met de kracht van de Niagarawatervallen uit zijn ogen stroomden.   Toen Theofiels tranen opgedroogd waren, keek hij angstig om zich heen. Nu zijn trouwe vriend hem niet meer aanmaande om vanalles te doen, wist Theofiel geen raad met zichzelf. Uiteindelijk slaagde hij erin om recht te strompelen. Zijn spiegelbeeld durfde hij niet meer te aanschouwen. Hij ging op zoek naar een oude hoed die in een stoffige kast lag op een stoffige kamer die hij sinds lang niet meer betreden had.   Toen hij naar buiten wandelde, hoorde hij voor het eerst sinds jaren de vogeltjes fluiten. Hij zag hoe de bloesems van de bomen in volle bloei stonden en hij voelde hoe de zon zijn huid verwarmde. Hij strompelde naar het park en rustte uit onder een boom. De boom begon hem te wiegen als een klein kind. Ook de andere bomen in het park begonnen mee te wiegen op het ritme van Theofiels ademhaling. ‘Blijven ademen, Theofiel’, fluisterden de bomen liefdevol. De bomen begonnen trager te wiegen toen Theofiels ademhaling rustiger werd. ‘Adem in en uit’, fluisterden de bomen, ‘concentreer je op je ademhaling. Laat je gedachten komen en weer gaan.’ Theofiel deed wat de bomen hem influisterden en omarmde zijn wanhoop. Na enige tijd stond hij met hernieuwde energie op en danste met de wanhoop in het rond. De bomen dansten met hem mee. Even later wandelde hij door het park en snoof hij de geur op van elke bloem op die hij tegenkwam. Hij hoorde het gekwaak van de eendjes in de vijver. Hij had oog voor de pracht aan kleuren die het park rijk was. Met hernieuwde krachten wandelde hij naar huis om de oorringetjes voor zijn dochter op te halen. Hij nodigde zijn kinderen uit naar het park te komen.   Toen zijn kinderen hem in het park troffen, herkenden ze hun vader bijna niet. Wat een rare hoed had hij op en wat een rust straalde hij plots uit. En alsof dat nog niet gek genoeg was, vroeg hij hen ook om samen met hem in het rond te dansen. De kinderen aarzelden even en vroegen zich af of ze geen gek figuur zouden slaan, maar dan begonnen ze zachtjes mee te dansen en algauw lieten ze zich helemaal gaan. Het werd een fijne middag. Theofiel en zijn kinderen genoten met volle teugen. De volgende dag belde Theofiel naar zijn werk met de mededeling dat hij er een tijdje tussenuit ging. In de periode die volgde, begon hij plannen te maken voor de toekomst: een huisje in het groen met een moestuin en wat dieren, elke dag even naar het park gaan om bij zichzelf te komen, meer tijd voor zijn kinderen, … En voor even werd het komkommertijd…

Aline S
19 1

In ons midden

Deze ochtend ben ik iemand voorbij gefietst die zich in de regen op de grond had neergelegd. Midden op de grote markt. Een jonge vrouw met een dikke grijze wintermantel, opgerold als een foetus, stil en onbeweeglijk. Het was een bevreemdend tafereel, mistroostig tussen de onregelmatige regendruppels die flirtten met verdwaalde sneeuwvlokken. Mensen leggen zich niet zomaar neer zonder bed of zomer, en dan nog op de natte straatstenen in deze vrieskou. Ze was geen dakloze, ze nestelde zich niet in een portiek of onder een brug. Open en bloot lag ze pal in het midden van het grote plein, enkel beschut door haar totaal niet haveloze kledij. De kap van haar mantel met een bontkraagje stevig rond haar hoofd getrokken, armen voor de borst gevouwen. Zwarte winterlaarzen met eveneens een bontkraagje onder opgetrokken knieën in een broek met onduidelijke donkere kleur. Crisiskleuren, zoals zovelen ze dragen in deze tijd, de zonnige tinten uitgebannen. Wel een paar fluweelrode handschoenen die iets sierden. Had iemand ooit zoiets gezien?   Ik fietste haar voorbij. Want ik ben de schrijfster/journaliste en dit zou een verhaal van hoop worden. Bevrijding lijkt meestal te komen na de ellendigste wanhoop. Alle miserie op een hoopje tot die een reusachtige berg is geworden waar je niet meer overheen kan. Of afdalen tot in de diepste put waar geen bodem of konijn wacht zoals bij de kleine Alice die wél een wonderland kent. Blijven vallen of kruipen, moederziel alleen, tot je het opgeeft – geblokkeerd – en erbij gaat neerliggen, je lot uit handen geeft. Zo lag die dame daar, dat voelde ik tot in mijn vingertoppen. Ze kon niet meer. Genoeg geweest. Op, ten einde. Ze had zich eindelijk overgegeven, op een uiterst bizarre manier weliswaar. Totaal radeloos met nog een zweem van elegantie, had ze zich zo deftig mogelijk opgevouwen midden in de anonieme openbaarheid. Het kon toch geen volledige reddeloosheid zijn, ze had haar plekje zo goed gemikt. Er passeerden daar voldoende voorbijgangers. Wat ze uitstraalde, was die dubbelzinnigheid van een gekwetst kind dat zich schreeuwend van zijn moeder losrukt. “Laat me met rust” en “help me alsjeblieft” tegelijkertijd. Pijn die moeilijk kan zijn, bedreigde veiligheid. De confrontatie was voor mij te groot, wat kon ik bijdragen behalve dit gadeslaan en rapporteren. Ik parkeerde mijn fiets een beetje verderop en ging een cafeetje in, achter het raam zitten, met pen en notitieboekje. Lekker warm theetje binnen met uitzicht op de grote markt. Hallucinant. Ik kon er niet in doordringen. Iets met fictie en werkelijkheid, droom en daad, deze wereld en die andere echte mystieke. Die verloren vrouw de hand reiken of zelfs nog maar gewoon even stoppen en het woord tot haar richten; ik geloofde dat ikzelf daar niet toe in staat was maar anderen wel. Ik zou afwachten wat er verder gebeurde, in mijn kunstenaarscocon. Dit moment was te kostbaar om er niet stil bij te gaan zitten. En kijk, daar was een eerste passant die stil hield. Een man op leeftijd, hij keek eens naar links en naar rechts rond op de grote markt. Was er niemand anders die eveneens zijn pas minderde en bleef staan bij deze gekke vrouw… Wat moest dit in hemelsnaam?   Ik was razend nieuwsgierig hoe dit zich verder zou ontplooien. Zou er eens iets veranderen? Ik had net een symbolisch fietstochtje gemaakt, was bijna thuis toen ik die dame daar plots zag liggen, niet levend en niet dood. Eigenlijk ben ik al een hele tijd aan het ronddolen, al wandelend of fietsend. De mensen rondom lijken zo verdoofd of verslaafd, bijna zonder uitzondering. Waar kan ik nog heen? Ik was net nog een broodjeszaak gepasseerd waar de dienster na haar eerste ochtendshift vlug buiten op straat een sigaretje rookte. Onze collectieve staat van snelle valse bevrediging is zo maatschappelijk verantwoord als wat. Duurzaamheid en werkelijk zuiver contentement is precies een randfenomeen. De stad is vol koffiebars en tegenwoordig heten de drinkers van het zwarte duivelssap hipsters. Ze openen pop-ups, tijdelijke zaakjes zoals die wenskaarten waar kinderen dol op zijn. (Voor je verjaardag krijg je een kaart die je kan openflappen en waar 3d-figuren en muziek uit komt. Tovenarij! Magie! Wonder der techniek! Je wordt er wild van en kan niet ophouden met de kaart open en dicht doen. Verwachting die blijft uitkomen. En na een poosje begint plots het liedje te vervormen. De batterij loopt leeg. Lichte paniek. Betovering verbroken, doodgewone realiteit keert weer. Niks kan het tij nog keren, dit is niet gemaakt om te kunnen repareren. Weldra is de kaart onherroepelijk voor de papiermand. Vaarwel pleziertje. Op naar de volgende aandachttrekkerij!) Er bestaat nu zelfs een dampwinkel, vol elektronische sigaretten in alle mogelijke synthetische geuren en kleuren. Bekenden van me blijken alcoholisten te zijn, of rokers of dampers, van tabak of wiet, of wat dan ook. Niet zomaar voor een keertje - een opkikkertje of zondagse verwennerij, eens gek doen om niet gek te worden - maar dagelijkse kost. Zoals ik water drink of brood eet. Vriendinnen zijn koffiekletskousen, shopaholics, chocoladekickchicks. Ontmoette ik ooit een zelfverklaarde nuchtere man, was die eigenlijk seksverslaafd. Een andere bleef constant lachen als een idioot, zelfverklaard verlicht of natural high, you name it. Nog een andere had niet door dat ie dan maar workaholic was geworden. En ga zo maar door. Pù nog te zwijgen over de reguliere pillenslikkers en tv-zappers. Niet bijster gezond allemaal. Redelijk deprimerend zelfs. En ik kan mezelf niet helemaal vrijpleiten, al heb ik wel het een en ander door. Ik kan me niet ontdoen van mijn generatie, ik ben niet meer of niet minder. Ik kan wel wat schrijven of eerder noteren – zoals die verslaafden die ik hier eenduidig typeer elk stuk voor stuk hun noemenswaardige talenten hebben. Wanneer komt echter deze grootsheid serieus aan de oppervlakte? Waar zijn we bang voor? Waarom houden we de schijn op, desnoods tot en met een dagelijks geschminkt gezicht waarachter we ons verbergen? Wat zitten we onze tijd te verklikken op facebook of schuivend achter een schermpje? Wie zet de eerste stap om haar masker af te gooien, waardig en sereen, naakt en trots, met de eeuwige glimlach?   De situaties met groeipotentieel doen zich gewoon voor, vlak onder onze neus. Veel hoeven we niet te doen, enkel geduldig zijn en meewerken. Zo zat ik erbij deze ochtend, in het café met mijn thee. Mijn pen in de aanslag, want dit werd een cruciaal verhaal. Die jonge vrouw lag daar niet zomaar op een doordeweekse dag. Grijs met rode handen, opgerold als een garnaal, ver van de zee. Een zeemeermin die haar staart was verloren? Een dame die haar verstand kwijt was? Een zottin? Een verdwaalde ziel met een dichtgeplamuurd hart? De oudere man die erbij was gaan staan, leek het zich eveneens af te vragen wat dit te betekenen had. Wat moest hij nou doen? Hij boog voorover en zag enkel gesloten ogen. Regen en tranen waren vermengd. Hij praatte tegen haar, maar dat had geen effect. Ze bleef stil en onbeweeglijk liggen in haar eigen pose, zichtbaar bij bewustzijn. Ze was niet gevallen of had niet een of andere crisis zoals een epilepsieaanval of hartstilstand, zoveel was duidelijk. De man durfde haar niet aanraken. Een hand in haar richting had haar een beetje doen opschuiven en zich nog meer doen oprollen en terugtrekken in zichzelf, als een beest in een kooi. Hij wenkte andere voorbijgangers, die sowieso al halt hielden bij het bizarre tafereel. Zelfs wie voorbij fietste, minderde even vaart en ontwaakte kortstondig uit zijn normale doen. Verward, verstoord, opgeschrikt; evenveel ongemakkelijke reacties als passanten, een enkele die luidop lachte. Er verzamelde zich al gauw een groepje rondom de vrouw. Bijna zo onvertrouwd als de oorspronkelijke situatie zelve van de eenzame dame. De mensen wisten zich geen raad, er waren er die naar hun mobieltje grepen. Zou iemand de hulpdiensten telefoneren? De troep werd zo groot dat ik de vrouw niet meer kon zien liggen. Het werd een ongecontroleerde wirwar van mensen en blikken. Wie nu nog halt hield op het plein, wist helemaal niet meer wat er gaande was. Dit was het moment voor mij om terug naar buiten te gaan, samen met enkele andere cafégangers. Het plein stroomde stilaan vol. Nu zou het bijna gaan gebeuren. Hoe lang zou het nog duren? Flitsende sirenes? Ambulance of politie?   En toen werd het nog vreemder, vooraleer er ordebewaarders arriveerden. Twee roodfluwelen handschoenen staken plots in het midden boven de menigte uit. Twee handen die elk een andere hand vasthielden. De jonge vrouw was klaarblijkelijk opgestaan en klemde zich nu vast aan de handen van de toevallige passanten. Eén ervan herkende ik: die allereerste man die bij haar was komen staan. Twee handenparen troonden breed en hoog in de lucht, als een rare overwinning. De dame bleek redelijk groot, groter tenminste dan een gemiddelde vouw. Je kon het bovenste van de kap van haar mantel ontwaren boven de anderen uit. En stilaan kwam er beweging. De rode handen leidden de groep traag in een zekere richting. Mensen volgden curieus, geprikkeld, verwachtingsvol. Ik liep mee in de verwarring die toch ergens heen leidde. Ze nam ons mee naar de kathedraal! Ik voelde iets van vreugde. De laatste tijd was ik in kerken mijn heil gaan zoeken, de nog overgebleven stilteplekken van de stad. Niks met religie of godsdienst te maken, krachtplekken bestaan sinds mensenheugenis. En nu slaagde deze vrouw erin om een mensenmassa naar binnen te lokken in onze fiere kathedraal?! Ik was verstomd. En ik niet alleen. De spanning steeg, samen met oorverdovend geroezemoes. Mensen gaan al gauw praten om te proberen begrijpen. Vatten met taal als overlevingsboei.  Waarom ging iedereen mee de kerk binnen? Van wie waren die rode handschoenen? Wie was dat? Wat zou die vrouw daarbinnen gaan doen? Wat was ze van plan? Wat was dit voor een gedoe? Wat had dit in godsnaam te betekenen? Zou dit een ordinaire reclamestunt zijn…   Ik stond achteraan in de kerk en genoot met volle teugen. Het maakte niet uit wat er zich nog verder zou ontwikkelen. Er was al iets veranderd. We stonden met zijn allen in onze kathedraal op een gewone weekdag, even uit onze dagdagelijksheid gehaald. Al was die evenveel waard, want een voorval als dit kan werkelijk elke dag ontstaan, in het klein of het groot. We waren nu met enig besef deel van een groter geheel dat we niet snapten, door deze merkwaardige ervaring. Allerlei mensen door elkaar, een bont gezelschap in een kerk, daar terecht gekomen als waren ze de rattenvanger van Hamelen gevolgd. Een onbekende dame had iets onnoemelijks teweeggebracht. Het enige wat ze had gedaan, was zich oprollen als een foetus midden op de grote markt in de stad tot er genoeg publiek rondom haar verzameld was om met onverwachte hernieuwde moed rechtop te gaan staan. Ze had vreemde handen stevig vastgenomen, niet dwingend en toch losten ze niet. Het hoorde zo, dit was even nodig. Vele andere mensen hadden eveneens elkaars handen vastgepakt, al hielden ze ze niet hoog in de lucht zoals die met de roodfluwelen handschoenen. Ik bleef nog even met mijn ogen dicht in het tumult en liep dan de kathedraal uit om de verbreking van de betovering niet hoeven mee te maken, om de magie vast te houden, de ware kunst. Want deze vrouw was geen heilige, natuurlijk niet, zij ging geen wonderen voor ons verrichten.   Het bijzondere had zich reeds voltrokken. Teleurstelling zou sowieso volgen als de massa uit elkaar viel en elk terug zijn eigen weg ging, verder de stad door de realiteit in, weliswaar een speciale herinnering rijker. Vanavond zou het wel in het nieuws komen, of zo meteen al op de sociale media. Sensatie! Afleiding van onze algehele verdoving! Dan wisten we gauw wat het nou precies was, ieder kon zijn interpretatie eraan toevoegen. Analyses en opinies. Wie bij de parade was bij geweest, tot en met deze vrouw op het altaar was gekropen, grijs met haar rode handen in de lucht, ohlalaaaaa! Zo kon ik niet denken, ik had het van in het prille begin meegemaakt. Deze jonge vrouw was de wanhoop nabij geweest, dat had ik gezien, ze was vleesgeworden wanhoop. In een laatste poging had ze omsingeld haar handen in de lucht gestoken en was gewoon beginnen wandelen, nog een restje intuïtie gevolgd. Het begin van een spirituele queeste. Ik dankte de vrouw met de rode handen in stilte, wie ze ook was, waar ze vandaan kwam of naartoe ging. Ik dankte alle mensen aanwezig in de kathedraal. Zij stonden open voor een tijdsbubbel van verbinding, een sacraal moment, verpakt in een mini-massahysterie. Of massamysterie? Ik grinnikte zelfs, gans dit binnenpretje kwam naar buiten. Het laatste wat ik hoorde toen ik een waterzonnetje in liep, was een heel uniek lied van een rauwe vrouwenstem, half huilend, half schreeuwend. Nog nooit eerder gehoord. Prachtig schoon met een grote hoek af. Ik keerde me nog even om, en zegende dit alles met een onhandig gebaar van mijn pen.

Elke Van Opstal
37 0

Het bankje

Als ik er kom, moet ik altijd aan die ene foto denken. Op die foto zie je grootvader samen met twee andere mannen. Ze zitten samen op een bankje op het kerkhof. Ze zijn alle drie gekleed in een nogal donker kostuum en ze dragen een klassieke deukhoed. Nu ik eraan denk, ik heb hem eigenlijk zelden in andere kleuren dan grijs en zwart gezien. Wat ze er deden? Gewoon, naar de mensen kijken die voorbij kwamen. Ongetwijfeld namen plakkend op de voorbijgangers. “Was er dat geen van dinges?” Niet beseffend dat de mensen meteen hoorden wat ze zegden, want hij was nogal hardhorig.   We moesten er altijd stiekem mee lachen, met die foto. Met onze fantasierijke ogen leken het er drie van de maffia. Eén van zijn maten was bovendien boomlang en had een zware snor. Hij had zo met de Godfather kunnen meedoen. Ook als hij in het ziekenhuis lag en een verpleegster boog zich over hem, keek hij altijd sluiks naar haar gezicht, gevolgd door een vraag als deze. “Ben jij er geen van dinges? Hoe heet hij weer?” En de verpleegster zei dan altijd: “Ja, ik ben er één van ….“ “Ik dacht het wel”, vervolgde hij dan, “ik zag het op uw gezicht”. Dat laatste verzon hij ter plekke, maar hij had het gesprek toch maar mooi op gang getrokken. “Uw grootvader, die heb ik nog goed gekend”, ging hij verder. Och, ergens wel hij wel een charmeur. Maar het was die tijd van het jaar. Begin november en bijna de hele dag mistig. Mistroostig zelfs af en toe. Mijn vrouw en ik gingen naar onze, echt wel, mooie begraafplaats. We stopten bij onze dierbaren en we vertelden er wat. Soms stil, soms luidop. En weet je wat? Het bankje, dat staat er nog altijd.

Rudi Lavreysen
35 0
Tip

Beestjes vangen

Om te lezen heb ik tegenwoordig enige versterking nodig. Het is een gewone zwarte leesbril, maar af en toe is het toch leuk om de wereld ook door een roze bril te bekijken. Want naast dit fenomeen kan je gewoon niet kijken. Je moet zelfs uitkijken of ze botsen tegen je op, de Pokémonjagers, omdat ze al wandelend naar hun smartphone turen. Tijdens onze vakantie verpoosden mijn vrouw en ik op een terrasje. Achter ons hadden vier jonge gasten postgevat. We hadden al snel begrepen dat ze het nieuwe populaire virtuele spel speelden. In het midden lag een extra externe batterij en de rare namen en punten vlogen door de lucht. Net als de beestjes, want af en toe trok er een gast op uit omdat er in de omgeving eentje werd gesignaleerd. Waarbij ze onze glazen bijna van de tafel stootten, want het moest snel gaan om het ding te vangen. De vier jongens waren duidelijk van het gamerstype, als ik dat mag zeggen. Zo hadden ze alle vier een nogal bleke huidskleur. Van meestal aan die pc te zitten natuurlijk. Daarom alleen was het goed dat ze een keertje buiten kwamen. De ene jongen had het nog gedurfd om een korte broek aan te trekken. Zijn benen mochten ook dat kleurtje krijgen. Zo trok ik zelf een keer nogal vroeg op het jaar met korte broek naar het containerpark. Daar kreeg ik te horen dat mijn tl-buizen niet in de container mochten. Een geslaagde grap, dat wel. Afijn, we hebben met veel plezier naar de Pokémonjacht zitten kijken. Zoals zij ook plezier hadden. Kortom, iedereen content. Maar waar ik aan dacht, die namiddag op dat gezellige terras. Mochten de mensen van ‘toen’, van voor het internet, nog eens terugkomen en dit fenomeen aanschouwen, ze zouden zeggen: ‘ze vangen’.

Rudi Lavreysen
69 0

Het bakske

Het was een eindejaarsdag. We zaten in een fijne zaak voor een koffie en een kerstbier. Toen plots mijn telefoon rinkelde en nogal lawaai maakte. We hadden bekijks. Dju toch, vergeten op stil te zetten natuurlijk. Aan de tafel achter ons zaten een man en een vrouw een smakelijke verse kop soep te eten. De man zag dat we allebei tegelijk op onze telefoon iets aan het intypen waren. Hij zei halfluid tegen zijn partner, zodat wij het ook hoorden, het volgende: “Amai, dat moet plezant zijn, allebei zo’n bakske om mee te spelen. Geweldig sociaal contact hebben die met elkaar.” En hij ging verder met zijn soep. Ik keek hem even aan,  maar ik had niet zo één-twee-drie een antwoord klaar. Eenmaal thuisgekomen zat mijn niet-gezegde antwoord helemaal in mijn hoofd. U kent dat gevoel ongetwijfeld. Ik heb het voor de gelegenheid dan maar even opgeschreven:“Akkoord meneer, wij waren inderdaad daarnet allebei met onze smartphone bezig. Maar ik moet u toch even iets zeggen. Ik ben misschien niet de oudste, maar ook niet meer de jongste. Ik heb het nog meegemaakt dat er van een smartphone, of internet, geen sprake was. Wat een vooruitgang toch. Ik herinner me nog een anekdote van vroeger. We waren niet zo ver van huis aan het voetballen en ik moest rond etenstijd thuis zijn, maar ik was de tijd uit het oog verloren. Toen plots mijn broer afkwam met een walkie talkie in zijn hand. Hij had met ons ma afgesproken dat ze op de knop moest drukken en ‘Rudi, nu naar huis komen’ in de walkie talkie moest zeggen. Echt gebeurd en geweldig goed gevonden. Maar ik wil toch niet meer terug naar de tijd zonder gsm. Ik moet u ook zeggen dat we allebei een voltijdse job hebben. En ja, als je dan niet aan het werk bent, praat je normaal met elkaar. Wees gerust, we doen dat ook. Maar iedereen is met dat bakske altijd dichtbij. Als de mannen thuis iets moeten hebben, of ze zijn niet thuis, is dat bakske echt wel een oplossing of een geruststellend instrument. En ik kan op dit bakske altijd mijn krant lezen. Toch ook gemakkelijk. Wist u trouwens dat een smartphone voor vluchtelingen een ontzettend kostbaar goed is? Enkele gasten op het Lommelse Parelstrand hebben het me zelf verteld. Het is hun telefoonboek, fotoalbum en veel meer. Bij de overtocht steken ze de telefoon in een plastic zak zodat deze bestand is tegen het water. Ik weet niet of u ooit die ene foto gezien hebt? Ze won een World Press Photo Award. Je ziet op de foto een aantal mannen in het donker. Ze staan aan de kust van een Afrikaans land te zwaaien met hun telefoon om het gsm-signaal van de overkant op te vangen. Vooral de opgelichte schermen van hun telefoon vallen op. Alsof het een lichtpunt in hun leven is. Dus ik vind het eigenlijk wat denigrerend als u over dat bakske spreekt, waarmee we zogezegd spelen. We zijn echt geen pokémons of zo aan het vangen hier.”Afijn, dat was mijn antwoord. Maar ik heb het dus niet gezegd. Toch spijtig.

Rudi Lavreysen
97 1

LIEFDESVERKLARING OP EEN STEUNPILAAR ONDER DE BRUG VAN DE AUTOSTRADE

Door twee maal daags heen en terug van ons thuisadres richting manliefs ziekenhuisbed in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen te lopen, probeer ik nu dagelijks aan mijn 10.000 stappen te geraken. Ik lijk nu, al wandelend, ook allerlei dingen op te merken die je totaal niet ziet als je er met de auto voorbij zoeft. Zo staan er op de pijlers onder de brug van de autostrade allerlei obscene tekeningen. Ach ergens wel begrijpelijk, als een soort jeugd overal penissen en borsten op neer kalt, als ze zelf eerst een trouwring om de vinger moeten hebben alvorens ze op seksueel onderzoek kunnen uitgaan. Op twee van die steunpilaren staan echter grote witte verfharten gespoten. In het ene staat er 9/11 en in het andere heeft men voor alle zekerheid 11/9 geschilderd. Ik vermoed niet dat deze harten een regelrechte liefdesverklaring inhouden voor meisjes of jongens, die per toeval op ‘nine eleven’ of op 11 september jarig zijn.  Dan zou er ongetwijfeld, Fatima,  Aisha, Mohammed, Ali of  Djamilia gestaan hebben. Ik vrees eerder dat het hier om een gedrochttekening gaat van een of andere allochtoon, met een herseninhoud ter grootte van een mierentepel, die zijn terroristisch gedachtegoed eventjes letterlijk en figuurlijk in de verf wou zetten.’s Nachts met een busje witte verf, lekker anoniem aan ons laten zien, hoe hij of zij nog steeds over die Twin Towers- aanslagen denkt.  Vorige week stonden de harten er nog niet, dus denk ik dat het hier om een uitgestelde verering gaat. Als er straks een hart bijkomt waarin 22/3 staat, dan gaat het hier wel duidelijk om een gefrustreerde verfkliederende randdebiel, die hier in Vlaanderen duidelijk niet thuishoort! Ik hoop dat de politie van Edegem, vroeg of laat deze wansmakelijke liefdesverklaringen zal opmerken en ze zal laten verwijderen. Meer nog, ik vertrouw erop dat deze opruiende haatzaaiende Picasso, ooit op heterdaad betrapt zal worden. Ben ik nu racist als ik vind dat, zulke met de vijand collaborerende individuen, stante pede uit ons land moeten verwijderd worden? Voer ze af naar een land, regering en een cultuur waar men openlijk voor zulke terreuronzin mag supporteren. Eens kijken hoe lang het  duurt alvorens zo’n spuitbusvandaal ginds een niet ‘wereldvreemde rechter’ tegenkomt! Ineens een degelijk straf, lik op stuk en niets van veertig keer, bij diefstal, car jacking en overval met geweld een vermanend rechterlijk pamperend vingertje van “nooit meer doen hoor” en zonder straf, of een mild werkstrafje, met hun engelengezichtjes terug de maatschappij in. Law and order! Manlief werd ondertussen geopereerd en nu is het bang afwachten op het resultaat. Nu ik ’s avonds eindelijk eens koningin en meesteres van het televisiekastje ben, zap ik naar hartenlust van het ene nog saaiere kanaal naar het andere. Plots kom ik ergens op een zender terecht, waar ik nog juist zo’n jong blond huppelkutje hoor zaniken over de rimpeltjes rond haar ogen. Ze wappert een paar keer met haar valse wimpers.  Ze wordt ziek van die lachlijntjes en nog depressiever over de kleine verticale plooitjes rond haar opgespoten lippen. Ze wijst met haar centimeters lange bloedrood gelakte kunstnagels naar de voor ons onzichtbare groeven. En wat dat gestroomlijnde wijfje het ergst van al vindt, is ,dat haar botox- doktertje haar maar eerst na een tweetal weken op audiëntie kan ontvangen. Het is een regelrechte ramp, want haar Tinder- date is al volgende week! Ik zie manlief aan de antibioticatap liggen, met zijn zuurstofblazertjes in zijn neus en plastiek zakjes paracetamol en vraag me af welke commerciële zender geld kan spenderen aan zulke Amerikaanse bullshit. Meer nog, is er werkelijk een publiek dat elke avond vol spanning zit te wachten op nog meer facelifts, silicone tieten en botox behandelingen?  Zijn wij met de jaren zo’n simpel van geestvolkje  geworden dat zich optrekt aan ‘the rich and the famous’ en’ the sky is the limit’- idioten? Het programma wordt abrupt voor  reclame onderbroken.  De eerste advertentie gaat over Q10 pearls-crème, die de huid van de wat rijpere vrouw er onmiddellijk 10 jaar jonger laat uitzien.  Vervolgens een jeugdig fotomodel dat beweert, dat met een gezichtscrème met hyaluronzuur de eerste lijntjes minder zichtbaar worden. Dagelijks een microfoliant onderhoudscrème is een must voor de modebewuste jonge vrouw. Met het volgende reclamefilmpje laat men zien hoe je de hele boel er weer met micellair water kan afhalen. Een heel gamma met onuitspreekbare nieuwe woorden laat men op ons los om toch maar de kassa te doen rinkelen. En geloof me vrij, hoeveel jullie er ook op smeren, in kneden of rond masseren, de rimpels en de ouderdom komen toch. Het programma begint opnieuw. In een kring zitten een aantal dokteressen, die juist van de catwalk van de verkiezing van Miss Universe  gewandeld zijn. Daarnaast een paar George Clooney dokters, volledig in groene operatie overalls met stralend wit gebleekte tanden. Zij buigen zich over de sinaasappelhuid van een juist uit het teenagerei gekomen jo- jo dieetmokkeltje…dat zelfmoordneigingen had omdat haar gladde huidje verdwenen was. Ik kan het niet meer aanzien!  Ik zap weg over, de herhalingen van Komen eten, Friends, The A-team, de kampioenen en de Nanny en zet de televisie dan maar uit. Met kerst kreeg ik van de kinderen een smartphone. Mama moest mee met de moderne technologie. Eerst zat ik een beetje verweest naar dat mini computertje te loeren, maar al snel begreep ik dat het een blijvertje zou worden. En nu heeft dat slimme apparaatje al bewezen dat het zelfs dienst kan doen om een foto te maken van die zwakzinnige liefdesverklaring op de steunpilaren van de brug onder de autostrade. “De wereld lijkt om zeep er gebeuren rare dingen rondom mij”, Urbanus had meer dan gelijk!

Sim
4 0

Stel je voor dat...

het dier tot hier was gelopen, langs het licht van straatlantaarns en geparkeerde auto’s, langs fietsen tegen de voorgevels van ingedommelde huizen, het onkruid tussen de kasseien van trottoirs besnuffelend.   Eerst lag het in een doos waarin het handje van onze peuter graaide. Naamloos en geslachtsloos liet het zich optillen en knuffelen tot het terug werd gelegd. Het had genoten van het witte neonlicht van de winkel en van de bevrijding uit de enge ruimte van karton en duisternis.   Wat was dat voor een wezen? Dat had het zich afgevraagd toen de mond van onze kleinste zich opende en er geluiden uit ontsnapten. Omdat nieuwsgierigheid aanzet tot actie, had het dier zich laten vallen uit een opverende kinderschoot en zich gerept naar de uitgang en was zo onzichtbaar mogelijk voorbij de kassa geslopen.   Het lijkt erop dat dit soort toeval niet bestaat. De zeug was ons huis binnen gedrongen voor drank en spijs want ook pluche kent dorst en honger. Op een onbewaakt ogenblik had het zich in de gang verschanst en gewacht tot de deur van de woonkamer open stond. Het is een raadsel hoe het omhoog wist te klauteren op de houten tafel, en waarom het bij de huistelefoon post ging vatten. Spreken kon het niet dus konden wij geen beroep doen op het dier als assistent waneer er een oproep binnenkwam.   Ik belde naar mezelf om te kunnen vaststellen wat het dier zou ondernemen. Zou het überhaupt iets doen? Ring, ring, ring… Het varken richtte zich op, het puntje van de staart recht omhoog, het buikje wiebelend van links naar rechts en uit de oren kwam roze stoom. Ik dacht dat ik de geur van een boeket rozen gewaar werd en kon het amper geloven dat ik deze woorden hoorde: hallo, met ik en anderen! Hallo, met ik en anderen. Hallo, met ik en anderen. De welkomstzin werd eindeloos herhaald dus moest ik ingrijpen. Ik nam de telefoon uit de houder en zei gehaast: Dag! Ik hier. Je hoorde zonet een ander. Euh, een andere ik. Een varken van Ikea. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts…   en toen kwam mijn man om het brave huisdier uit te schakelen. Hij legde zijn vinger op mijn lippen, drukte op een knopje ter hoogte van mijn staartbeen.

Ingrid Strobbe
0 0
Tip

Sorry

Ik merk dat het me steeds zwaarder begint te worden je te moeten missen. Ten eerste omdat ik nu al twee teksten op één dag moet schrijven om ze enigzins door te komen. Ten tweede voel ik dat het me echt uitput en me langzaamaan weer (permanent) ongelukkig maakt. Permanent kan natuurlijk niet want dan zou ik me nooit meer gelukkig voelen, wat ik wel doe, maar enkel als ik bij jou ben. Ooit gaat dit weer over, nadat ik weer maanden liefdesverdriet over jou heb gehad en er al een andere jongen me wil troosten. Ik wil het zo graag ontkennen maar ik weet dat het zo gaat. Zo zal het altijd zijn.   Ik gebruik dit platform eerder als een digitaal dagboek en trek me dus niks aan van het niveau van mijn teksten. Als iemand ze toch zou lezen is dat oké maar het gaat snel vervelen. Daarom, als iemand dit nu zou lezen, het spijt me maar dit is gewoon pure therapie. Waarom ik het dan niet op privé zet? Geen idee, ten eerste kan ik het dan evengoed in Word typen en ten tweede, ook dit ontken ik niet, vind ik het helemaal niet erg om mijn zorgen met anderen te delen. Zielig hoor ik je denken, en geloof me dat is het ook. Ik voed me met het medelijden van anderen. Niet dat ik jou nu om medelijden vraag want daar heb ik helemaal niets aan, ik ben het gewoon gewoon om alles open met iedereen te delen. Tot hier mijn excuses die niet echt excuses zijn maar wel zo bedoeld waren.    Je moet weten dat ik al wat heb meegemaakt op vlak van liefde en vooral liefdesverdriet. Hoe bizar het ook klinkt uit de mond van een 17-JARIGE, ik meen wat ik zeg. Al meerdere keren heb ik niets liever gewild dan het gewoon op te geven en inderdaad, te sterven. Maar zelfs dat was me te veel moeite en dat is denk ik de reden waarom ik hier nu nog rondloop. Ook omdat ik "niet echt dood wou", ja die theorie heb ik ook al gehoord en dat kan zo zijn maar dat maakt het niet minder zwaar. Als ik op de momenten dat ik mijn zelfmoord plandde, had geweten dat ik ze nooit zou uitvoeren, had ik waarschijnlijk een andere snellere manier gezocht en misschien wel gevonden. Jammer genoeg of gelukkig, hangt af van welk moment ik het bekijk, kan ik niet in de toekomst kijken. Iemand anders kan dat wel. Ik geloof helemaal niet in waarzeggerij, ik vind mezelf niet bepaald goedgelovig maar dit is echt speciaal. Een paar maanden geleden ging ik voor het eerst bij een vriendin van mijn mama langs om voor de zoveelste keer te "praten". Ze vroeg me toen nog eens terug te komen en dat deed ik ongeveer een maand later. In die periode had mijn toenmalig vriendje/lief onze relatie beëindigd. Toen ik haar dit vertelde reageerde ze dat ze dat eigenlijk al sinds onze vorige ontmoeting wist. Ik was niet onder de indruk want dit kan natuurlijk iedereen zeggen. Toen ging ze verder en vertelde dat ze had gemediteerd voor ik kwam (mediteren zal ik altijd iets bizar vinden en zeker in deze context). Tijdens die meditatie werden haar "dingen doorgegeven", je weet wel, van engelen ofzo. Nog steeds was ik niet onder de indruk. Dat was ik pas toen een paar maanden later uitkwam wat ze me toen vertelde. Ik zou een nieuwe jongen leren kennen, die ouder was en het zou niet lopen zoals ik dat gewoon was of verwachtte en dit alles zou voor nieuwjaar beginnen. Ik hield dit wel in mijn achterhoofd maar dwong mezelf er niets van te geloven. Enige tijd later, ik heb geen idee meer hoeveel tijd exact, was er een leidingsfeestje waarop ik net iets te veel gedronken had en met één van de leiders naar buiten ging. Wat er gebeurde durf ik zelfs hier niet te zeggen (daar kan je je zelf wel al wat bij voorstellen). Ik wist niet wat te doen en was verbaasd (in de zeer negatieve zin van het woord) over waar ik toe in staat was. Dat was ik gewoon niet. Toch bleef hij door mijn hoofd spoken, dagen, zelfs weken later zag ik nog steeds beelden van die avond voor mij. Ik kon niet ontkennen dat dat me hielp om mijn ex-lief uit mijn hoofd te zetten, die voor de duidelijkheid nog steeds in mijn klas zat. Meer dan een maand na dat feestje, was er nog een gelegenheid waarop ik wel even alleen met hem kon zijn en stiekem hoopte ik daarop, ook al had het me de vorige keer zo verward. Ik zat de hele avond met hem in mijn gedachten en wou niets liever dan dat hij met mij zou praten en uiteindelijk even samen weg wou gaan. Ik besefte zelf ook wel dat het mij enkel om zijn aandacht ging en niet om hemzelf, maar ik kon me niet bij hem vandaan houden. Op het einde van de avond lukte het mij dan bij hem te gaan zitten en wat in een groepje mee te praten. Uiteindelijk eindigden we samen aan de muziek en kon ik hem verbazen. Hij was zo onder de indruk dat hij die avond toch wel bij mij wou slapen, maar hij had wel enige overtuiging van mijn kant nodig. Achteraf gezien had ik daar natuurlijk spijt van want voor hem draaide het waarschijnlijk gewoon om de seks en dan is het normaal dat een jongen niet weigert als je hem vraagt of hij niet bij je wil liggen. Ik sliep verschrikkelijk slecht. De volgende ochtend was hij verward en zonder een woord te zeggen liep hij naar de grote zaal waar de anderen lagen te slapen en sliep daar gewoon verder. Mijn zelfvertrouwen kreeg een enorme deuk en ik snapte zijn reactie helemaal niet. Achteraf begon hij mij vaker berichtjes te sturen en sindsdien is onze "relatie" alleen maar geëvolueerd. De andere teksten op dit profiel gaan bijna allemaal over hem en mijn niet verdwijnende twijfel of hij me gewoon gebruikt of niet. There's more to the story ofcourse, maar dat schrijf ik wel eens op als ik nog eens veel tijd en zin heb. Als ik nu aan buitenstaanders vraag wat ze hiervan vinden is de conclusie overduidelijk dat hij me gebruikt. Dat neem ik niemand kwalijk. Maar laat ik je misschien toch nog even vertellen wat er daarna gebeurde. Ik weet niet meer wanneer ik hem de derde keer heb gekust (of iets meer dan dat) want dat is ondertussen alweer een paar maand geleden. Ik weet alleen dat er al veel vordering is gekomen in wat wij hebben. Het is enkel door hoe het begonnen is en door mijn eigen onzekerheid dat ik zo vaak aan zijn oprechtheid twijfel. Wie probeer ik eigenlijk te overtuigen? Het enige dat ik zoek is geruststelling en wie kan mij die geven? Enkel hij en ikzelf. Op nieuwjaarsdag stelde hij zelf voor om aan de rest van onze leidingsgroep toe te geven dat het misschien iets kon worden. Daaruit lijkt het mij dat hij er mee bezig is en het toch zou overwegen. Het enige probleem is dat het nog lang kan duren tot hij het officieel wil maken en ik weet dus niet of ik dat zo lang volhoud. Ik zou het hem misschien moeten vragen maar ik wacht tot ik het besproken heb met iemand die er meer verstand van heeft. Ik besef dat ik dit niet had moeten typen om me beter te voelen want dat doe ik nu niet en het enige dat ik geschreven heb is het negatieve. Ik heb niks verteld over die ene keer dat hij twee uur lang gewoon naast me lag en met me praatte en lachtte en mijn arm streelde. Het spijt me.

Layla Clarke
0 0

Volvo

Hier ben ik weer met mijn gezaag. En ja, alweer gezaag over exact hetzelfde, onzekerheid. Ik twijfel zo hard aan mezelf, ik denk dat ik het toch niet aankan, hem missen en er niet over mogen praten, hem graag zien en het niet mogen toegeven, hem willen vastpakken en me steeds moeten inhouden. Ik denk echt niet dat ik dat nog lang kan. Zeker nu, na twee weken hadden we eindelijk een uurtje voor ons alleen waarvan hij na het eerste half uur eigenlijk al duidelijk maakte dat hij naar huis wou. Dat maakt me zo onzeker. Als ik hem dan zeg dat ik het blijkbaar harder nodig heb om bij hem te zijn als omgekeerd, ontkent hij het ook niet. Zucht. Hij is verdomme 5 jaar ouder en schaamt zich nog voor mij ook. Het lijkt allemaal de slechte kant op te gaan maar ik blijf er mij voor inzetten, ik blijf mijn best doen, ik blijf ervoor gaan. Want misschien is deze jongen het wel waard. Misschien passen we wel echt beter bij elkaar dan zelfs ik nu zie. Misschien ziet hij me ergens ook wel een beetje graag, maar onbewuster? Ik kan ook niet verwachten dat hij over alles evenveel nadenkt als ik. Dat is bijna onmogelijk, ik denk zelfs niet dat er veel vrouwen zijn die de zaken meer analyseren dan ik en die meer piekeren dan ik. Ik snap gewoon niet waarom het allemaal zo verdomd moeilijk moet zijn altijd. Ja, ik ben kwaad, heel kwaad en ik ben blij dat ik het even van me af kan schrijven. Ik ben blij met hoe het is, echt waar, ik hoef het niet meteen te bestempelen als serieuze relatie, maar als hij dat zou willen zou ik laaiend enthousiast zijn. Het hangt dus vooral van hem af, zoals alles dat doet. Hij bepaalt of ik hem zie, of ik blij ben, of ik verdrietig ben, of ik me graag gezien voel of net verlaten. Hij bepaalt een beetje wie ik ben en dat maakt me bang. Ik wil niet terug dezelfde fout maken als in mijn twee vorige relaties. Ik wil niet totaal afhankelijk van hem worden. Echt niet. Dat kan hij niet aan, ben ik zeker van, bijna niemand kan dat aan. Het enige wat ik wil, en ik zou hem smeken op mijn blote knieën, is dat hij me graag ziet. Dat hij me echt graag ziet zoals ik hem graag zie. En ik wil dat hij het toont, aan mij alleen is ook goed, ik wil het gewoon voelen. Ik voel het vaak hoor, maar soms verwacht ik net iets te veel en ben ik wat teleurgesteld als ik een streel over mijn wang te weinig krijg. Gisteren was hij weer opvallend afstandelijker dan anders. Seks op de achterbank was blijkbaar alles waar hij naar uitkeek en als ik niet had aangedrongen was het daar ook bij gebleven. Dat is nu net zo verwarrend aan die verdomde jongens. Maar dan soms kan hij me kriebels geven, echt kriebels over mijn hele lijf. Kriebels van opwinding, van blijdschap en vooral van verliefdheid. Daar zeg ik het goed, verliefdheid, want ik vind niet dat ik dit al liefde mag noemen. Dan moet het wederzijds zijn en duidelijk. Hij moet het me zeggen, het moet uit zijn mond komen, over zijn lippen. Ik zie u graag.    Die momentjes waar ik kriebels van krijg spoken dan dagenlang door mijn hoofd. Als ik me op school toelaat even aan hem te denken, zit ik een halve les te dagdromen. Voor gisterenavond waren dat (een pak minder als anders): strelen over mijn zij terwijl hij even op mijn borst lag, een korte kusjesaanval op mijn buik (die was het schattigst en toen hij dit deed wist ik dat het een van de momentjes ging zijn die me een hele week zouden achtervolgen) en ten slotte die paar keren dat hij mijn hoofd vastnam om me helemaal tegen hem te drukken. Dat was alles. Toen ik dan na een uur en een kwartier uit de auto stapte, zei hij nog dat het zeker twee weken ging duren voor ik hem opnieuw zag, en het leek hem zo weinig te schelen. Heb dan toch de nood om mij te zien! Wil me toch eens vastpakken en niet meer loslaten voor tenminste 5 uur, zoals ik dat bij jou heb, en heb dan na die 5 uur spijt dat je niet 6 uur hebt gezegd. Ik zal nooit genoeg van hem krijgen.

Layla Clarke
0 0